Het H. Hart, het H. Hoofd en de heilige Wonden van Jezus

LKZ

HET H. HART, HET H. HOOFD EN DE HEILIGE WONDEN VAN JEZUS

Het boekje ‘Jezus, gekruisigd en verrezen, Heil van de wereld’, heeft me (dit is; pater R. Jaouen C.M.) geïnspireerd bij het schrijven van dit hoofdstuk. Ik heb deze Boodschap doorgenomen en er veel gelijkenissen met het ‘Dagboek van Marguerite’ in gevonden. De lectuur van dit boekje kan het christelijke leven van een leek, kloosterling of priester grondig beïnvloeden. Ik zal het u uitleggen in functie van de Boodschap van de “Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen” door niet alleen de punten van overeenkomst aan te halen, maar eveneens de schijnbare verschilpunten. In feite vullen beide Boodschappen elkaar aan.

1.De Boodschap van de Barmhartige Liefde en de Heilige Wonden

De Boodschap van 8 april 1966 over het Lijden treft ons diep. Jezus’ eigen overwegingen zijn treffend: zij beslaan twee bladzijden van het boek. We lezen er het volgende:
”Die balk woog zo zwaar op mijn doorwonde schouder.” 
“O, die wonde aan mijn schouder!” 
“Ze rukten het kleed af dat Mij bedekte en aan mijn vlees was gelast door het gestold bloed dat uit mijn wonden was gedropen.” 8.4.66 

Op andere plaatsen lezen we:
“Zie mijn gekneusd lichaam, dat leegbloedt uit de talloze wonden die de liefde voor u allen Mij heeft gekost.” 23.2.67 
“Het bloed dat uit mijn wonden is gevloeid heeft uw ziel van al uw zonden gezuiverd, mijn arm lief kind, en voor zovelen helaas (die mijn oproep niet hebben beantwoord) heeft het zijn doel niet bereikt.” 6.7.68 

In dit verband haalt Jezus twee verschillende houdingen aan die de zielen kunnen aannemen tegenover zijn wonden: Hij zegt:
“Zij strooien zout op Mijn Wonden.” 19.10.65 

De Kleine Zielen mogen niet onverschillig blijven:
“De kleine zielen zijn nog niet talrijk genoeg als balsem voor de wonde van mijn goddelijk Hart.” 6.12.68. 
Jezus vraagt ons dus vooral gevoelig te zijn voor de wonde van Zijn Hart: de wonde van Zijn Hart bij zijn doodsstrijd in Gethsemane. Wat geen afbreuk doet aan de waarde en de rijkdom van Zijn andere wonden.

2.De Boodschap ‘Jezus, Gekruisigd en Verrezen, Heil van de wereld’ 

2.1. Deze Boodschap is duidelijk charismatisch van oorsprong, net zoals die van Marguerite. De auteur is anoniem en laat weten dat we hem zelfs na zijn dood niet zullen kennen. Bewondert de schroom van de echte mysticus! Het gaat om een man die waarschijnlijk uit zuidoost Frankrijk afkomstig is (uit de Savoie): een ontwikkeld zakenman die zich interesseerde aan de Lijkwade van Turijn (de Savoie grenst aan de Italiaanse provincie Piemont) en die ontegensprekelijk mystiek begaafd is. De hemelse Vader heeft hem deze Boodschap toevertrouwd en maakte hem duidelijk dat zijn eeuwige geluk van de vervulling van zijn zending afhing.

Deze Boodschap spreekt van het begin tot het einde over niets anders dan over de Wonden van de Gekruisigde en Verrezen Jezus en over de devotie tot het Kruis, die erin bestaat de Heilige Wonden te offeren aan de Eeuwige Vader.

2.2. Uit een vergelijking tussen beide Boodschappen blijkt het volgende:

2.2.1. Onze Boodschap van het Hart van Jezus aan de Kleine Zielen is in feite een dringende oproep tot liefde, tot een zeer speciale devotie tot het Hart van Jezus, tot zijn barmhartige Liefde. In de praktijk vraagt deze liefde dat wij bijzondere aandacht zouden schenken aan de evangelische deugden van nederigheid, eenvoud, vertrouwen en overgave (de Teresiaanse weg). Zij benadrukt vooral de zelfverloochening en de strijd tegen de eigenliefde, het egoïsme.

2.2.2. Het treffendste bewijs van de Barmhartige Liefde van Jezus zijn nu precies de “Wonden” die Zijn onschuldig Lichaam vrijwillig opliep. Hij heeft ze voor ons als het ware ‘verdiend’ om de wonden van onze zielen te genezen. Het zijn niet slechts vijf Wonden, maar ontelbaar veel: aan Handen en Voeten, Zijde, Schouders, Hoofd en het hele Lichaam. Geen enkel stukje vlees is onberoerd gebleven.

Het boekje versterkt in dit verband wat we al weten over de wonden van de gekruisigde Jezus vanuit de Boodschap.

2.2.3. We mogen de Wonden niet bekijken los van de Persoon van onze Heer.

De Boodschap van de gekruisigde Jezus zegt:
“Zijn wonden zijn de totale Christus, mensgeworden Woord van God, Verlosser, Mystiek Lichaam, Hostie, Woord van God.” (N°83) 
”Om mijn H. Hart te begrijpen, moet gij het niet loszien van mijn Persoon. Bekijk het in mijn gekruisigd lichaam, onderworpen aan de Wijsheid, waarvan mijn met doornen gekroond Hoofd de Zetel is. Er is geen andere wil te bespeuren dan deze van Mijn Vader.” (N°60) 

Hetzelfde kunnen we dus ook zeggen over de H. Wonden van onze Redder. In deze Boodschap spreekt Jezus zelf volgende woorden die mij belangrijk lijken:
Mijn Vader hernieuwt tot honderdmaal toe alle beloften, die in de loop der tijden gedaan werden aan de vereerders van mijn Lijden, mijn Kostbaar bloed, mijn H. Hart, mijn H. Hoofd, mijn H. Aanschijn, de H. Wonden van mijn Handen, Voeten, Schouder, mijn geheel ontwricht Lichaam, mijn Doodsstrijd, mijn Kruis, mijn Doornenkroon evenals de Smarten van mijn Onbevlekte Moeder. Deze openbaringen en die van Mijn Moeder met betrekking tot elk van deze devoties hadden tot doel: de opwekking van een levendige verering van het H. Kruisbeeld en van het Smartelijk en Onbevlekt Hart van Mijn Moeder. De Vader verwacht van de wereld deze vereringen om Mijn terugkeer in glorie voor te bereiden.” (N°48) 

Al deze afzonderlijke vereringen leiden dus naar het Kruisbeeld en de H. Wonden van Jezus, die er een soort samenvatting van zijn. We mogen zijn Wonden dus niet loszien van de Persoon van de Heer, noch van zijn Lijden.

2.3 De vruchten van deze devotie 

2.3.1. Op de eerste bladzijden van het boekje vindt men:

Mijn wil als Vader is: dat de mens de periode van vrede die aan de wereld gegeven is benut om de verheerlijking van Mijn Gekruisigde en Verrezen Zoon in te stellen en zoveel mogelijk mensen, vooral jongeren, te merken met het teken van zijn goddelijke Wonden. Dit moet geschieden om de wereld voor te bereiden. Op deze wijze zullen de mensen de omwentelingen die aan de vernieuwing van het heelal voorafgaan zodanig benutten dat zij hun heil bewerken. Zij die niet verenigd zijn met de H. Wonden van mijn welbeminde Zoon en met de Smarten van zijn Heilige Moeder, zullen grote moeite hebben om te volharden in het geloof”. (N°3) 

2.3.2. Meer goede moordenaars vinden.

“De moordenaars beledigden Mij. Op dezelfde wijze overstelpt de mensheid Mij met beledigingen. Toch hadden zij nog slechts enkele uren te leven. Zoals zij zal de wereld gruwelijk gekruisigd worden en haar laatste ogenblikken doorbrengen in verschrikkelijk lijden. Om deze reden vraagt Mijn Vader de oprichting van de Gezellen van de Gekruisigde Jezus en van Maria Onbevlekt Ontvangen. Zo zullen zij de gevoelens van de goede moordenaar doen herbeleven en overal een inslaande getuigenis voor Mij afleggen. Zelfs voor diegenen die het meest gesloten zijn voor Mijn Verlossing. De tijd dringt! Daarom zendt de Vader de engelen om te gaan zoeken: op openbare plaatsen, bij de blinden, de doven, de gebrekkigen, bij alle genodigden van het laatste uur, opdat zijzelf mijn trouwe Gezellen zouden worden.” (N°3) 

2.3.3. Een ongekende bloei in de Kerk

“Een ongekende bloei op alle domeinen zal in Mijn Kerk ontluiken. Dit zal gebeuren doordat mijn verlossende Tegenwoordigheid in ere hersteld wordt door het tentoonstellen van het Kruisbeeld, dat mijn bloedende en glorierijke Wonden toont en door hun voortdurende offerande aan de eeuwige Vader. Alles zal nieuw leven in geblazen worden. De Gezellen van de Gekruisigde Jezus en van Maria Onbevlekt Ontvangen zullen deel hebben aan deze bloei. In de aanbidding van Mijn Wonden, in het begrip en het offer ervan, zal er een vernieuwing plaatsvinden op het vlak van de geloofsleer, het apostolaat en de liturgie. Alles zal duidelijk worden, zuiver, rijker en eenvoudiger. De christenen zullen één worden. De wereld zal vernieuwd worden en zal belijden dat zij haar heil te danken heeft aan mijn goddelijke wonden door de tussenkomst van mijn H. Moeder.” (N°3)

2.3.4. Vruchten van heil

“Ik heb van de Vader bijzondere genaden bekomen. Opdat de inspanningen van hen die zich inzetten om de devotie tot de Gekruisigde Jezus en Maria Onbevlekt Ontvangen te verspreiden, vooral aan kinderen en jongeren, buitengewone vruchten mogen voortbrengen.” Dit zijn de woorden van de H. Maagd. (N°29)

En Jezus voegt hieraan toe:
De Gezellen en Gezellinnen van de Gekruisigde en Verrezen Jezus en Maria Onbevlekt Ontvangen zullen voor Mij een grenzeloze weg van heiliging en apostolaat openen: de weg van mijn Wonden. Deze weg staat niet alleen open voor de zielen die aan Mij zijn toegewijd, maar ook voor hen die op dit ogenblik ver verwijderd zijn van het geloof.” “Mijn Wonden trekken de zielen naar mijn Koninkrijk, zoals een magneet ijzer aantrekt.” (N°25) 

Nu begrijpen wij beter waarom in de ‘Boodschap van de Gekruisigde Jezus’ de Wonden van zijn Lijden zo benadrukt worden. Deze wonden zijn het tastbare bewijs van zijn Barmhartige Liefde.

De praktische gevolgen voor ons geestelijk leven kunnen we samenvatten in de volgende punten:

  • Dikwijls de H. Wonden offeren, vooral tijdens de H. Mis. We kunnen hierbij gebruik maken van de aanroepingen van Zuster Marie-Marthe Chambon. De woorden van deze offerande stemmen trouwens overeen met de aanroepingen die de H. Michael aan de kinderen van Fatima leerde, nog voor de verschijningen van de H. Maagd.
  • De H. Wonden overwegen in aanwezigheid van het H. Sacrament, voor ons kruisbeeld.
  • Vervolgens ons kruisbeeld met een nieuwe blik bekijken: niet meer uit gewoonte of onverschillig, maar steeds met een ware liefdeblik.

En dan zullen we het oude, vertrouwde gebed, dat werd aanbevolen te bidden na de Communie, nog beter begrijpen: “O goede en zeer zoete Jezus.” (Aan dit gebed werd een aflaat verbonden).

De devotie tot de H. Wonden van Jezus moet verspreid worden als een nieuwe levensstijl. Dit geldt ook voor het Legioen Kleine Zielen. Deze nieuwe levensstijl ligt in ieders bereik. Daardoor zullen wij het H. Hart van Jezus echt blij maken en ons gedragen als echte Kleine Zielen!


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 49-52.

Het Lijdensverhaal – volgens mededelingen van Jezus aan Marguerite

HET LIJDENSVERHAAL – volgens de vertrouwelijke mededelingen van Jezus aan Marguerite

Bewerking voor Website ‘Legioen Kleine Zielen

Tijdens de Goede Week keert de Kerk zich in zichzelf om het Lijden van haar Goddelijke Bruidegom intens te beleven. Zij vraagt ons allen om ons met haar te verenigen, met een liefhebbend en dankbaar hart.

Jezus zegt aan Marguerite:
”Deze week zal smartelijk mijn passietijd doen herleven”. 19.3.67 

Welke houding verlangt en verwacht de Meester van ons?
Laten we naar Hem luisteren:

Laat Mij mijn vermoeid hoofd te rusten leggen aan uw hart. Wilt ge Mij ontvangen en niets zeggen? Deze stilte is zo vol tederheid en troost. Kindlief, houd zeer veel van Mij”. 19.3.67 

”Neen, zeg niets. Op dit ogenblik doorsta Ik de pijnen van mijn Lijden, verergerd door eeuwen ongehoorde smaad”. 17.11.67 

“Mijn Hart is bedroefd en tijdens deze smartelijke dagen herbeleef Ik het Lijden nog intenser, want dàt waarvoor Ik mijn leven gegeven heb is uit deze verdorven wereld niet verdwenen”. 29.3.72 

Hiermee moeten we het wel eens zijn: het kwaad is niet verdwenen, maar wordt integendeel iedere dag nog erger.


1. Laten we de volgende teksten van de Boodschap lezen om ons in te leven in de dramatische sfeer van Goede Vrijdag en zo onze onverschilligheid en sufheid af te schudden.

“Kindlief!
Binnen enkele uren de kruisdood. Met een oneindige tederheid…

Ze gaan Mij kruisigen! Ze gaan Mij kruisigen!
En toch heb Ik hen in mijn Hart reeds vergeven”. 8.4.66 

Zo schenkt Jezus op voorhand reeds vergiffenis aan zijn beulen. Vervolgens verklaart de Heer waarom men Hem wil doden:

”Ze haatten Mij omdat Ik hun schijnheiligheid kwam ontmaskeren. 
Ze voelden ook in Mij Gods superioriteit zelf. Maar die verloochenden ze.Die wilden ze niet erkennen”. 8.4.66 

Vervolgens beschrijft Jezus zelf Zijn marteling:

“Hadt ge enig idee, kindertjes, van het lijden dat Ik om uwentwil doorstaan heb. 
O, die kroon van doornen die mijn hele hoofd omprangde, al die gloeiende punten die in mijn vlees drongen. En het bloed dat Mij verblindde. 
En mijn lichaam ontbloot voor die honend lachende, huilende menigte. 
De haat sloeg Mij in het gelaat. De roeden kwamen woest op Mij neer en bij elke striem rukten ze flarden vlees mee. Ze hebben een ruige en verfrommelde mantel op mijn door slagen doorwonde schouders geworpen. Ik heb hun spot ondergaan, hun beledigingen; Ik ben door hen bespuwd. 
Die balk woog zo zwaar op mijn doorwonde schouder.
O, die wonde aan mijn schouder!
Uitgeput naar ziel en naar lichaam”. 8.4.66 

“Zie mijn gekneusd lichaam, dat leegbloedt uit de talloze wonden die de liefde voor u allen Mij heeft gekost…” 23.2.67

“De soldaten, het geschreeuw van de menigte, elke val, de ontmoeting van mijn zoete Moeder. Smartelijk, zo smartelijk! Dat Zij Mij in die toestand moest zien, was voor haar op voorhand al een kruisiging.
Op dat ogenblik hebben wij ons één gevoeld in de vreselijkste smart die er bestaat. 
Ten einde krachten kwam Ik op mijn folterplaats. Ze rukten het kleed af dat Mij bedekte en aan mijn vlees was gelast door het gestold bloed dat uit mijn wonden was gedropen. 
Wie zal er ooit enig idee van hebben wat de kruisiging betekende? 
Mijn lillend vlees overgeleverd aan een razend en tierend gepeupel. 
En dan die afschuwelijke vliegen die neerstreken op mijn naakt en gemarteld lichaam en zich voedden met mijn bloed. 
Afschuwelijk schouwspel. Ik was een voorwerp van walg geworden. 
En toch, mijn allerliefste kind, was dit niets vergeleken met wat Ik in mijn ziel moest doorstaan. 
Ik had al uw zonden op Mij genomen en Mijn ziel verkeerde in doodsangst onder hun gewicht.
Door allen in de steek gelaten, verraden, verafschuwd, belachelijk gemaakt, uitgejouwd, alleen. 
Mijn Vader zelf scheen Mij te verlaten”. 8.4.66 


2. Wat is de diepe reden van zoveel onnoemelijk lijden?

Zijn Liefde voor ons en Zijn wil om ons te redden.

“Vandaag heb Ik behoefte aan meer liefde. Ja, zo is het, Ik heb de mensen nodig. Want Ik bemin hen met een uitzinnige liefde… 
Ik heb mijn foltering zonder één klacht doorstaan. Alleen daaraan dacht Ik: dat Ik mijn kinderen redde. Alleen daarvoor was Ik gekomen. Had Ik niet met ongeduld op dit ogenblik gewacht? U allen vrijkopen, kindertjes. Met welke verlangen heb Ik mijn leven voor u gegeven?
Ik wist nochtans, dat mijn Offer voor velen onder u vruchteloos zou zijn… 
Ik bleef onbewogen, hoewel Ik verschrikkelijk leed. 
U had Ik voor ogen, mijn vrijgekochten”. 8.4.66 

“Terwijl Ik aan dit hout hing en een onnoemelijk lijden doorstond, heeft de duisternis mijn ziel overrompeld. 
Smartelijk heb Ik in mijn Hart aangevoeld, hoe mijn Vader Mij verlaten had. 
Tegenover de ontketende haat ben Ik in een afgrond van nameloos leed verzonken. Waarom?
Voor wie? Voor u allen, die Mij nog verraadt en die mijn passietijd hernieuwt. 
En uw God lijdt en smeekt om uw liefde. 
Maar aan deze tijd, dat een God zich vernedert omdat zijn liefde groot is, zal een einde komen omdat er geen einde komt aan uw koppigheid”. 27.3.70 

”Ze strooien zout op mijn wonden”. 19.10.65 


3. Jezus zelf geeft aan welke houding we moeten aannemen tegenover dit grote mysterie: niet zoveel aan onszelf denken. In plaats van troost te zoeken, kunnen we beter onze blikken op Hem richten en met Hem waken terwijl Hij lijdt.

“Giet op mijn wonden het heerlijk parfum van uw liefde”. 2.3.66

”Kind, zijt ge er dan zo op gesteld vertroost te worden terwijl Ik mijn passietijd beleef? Wilt ge deze kans om Mij nu bij te staan vrijwillig verspelen?
Wat ge geduldig hebt te doorstaan, dat kunt ge Mij als offer aanbieden.
Dit is het ogenblik wan de verlatenheid, het ogenblik dat iedereen Mij in de steek laat‚ het ogenblik van het verraad en weldra dat van het totale Offer. 
Kom… kijk Mij aan.
Ik verkeer in angst voor wat komen gaat.
Waak met Mij. Wees daar met mijn getrouwen… voor het grote ogenblik. 
Mijn Mensheid en mijn Godheid worstelen met elkaar.
Mijn ziel is verscheurd bij wat ze ontwaart. 
En Ik voel Mij dodelijk bedroefd. 
Weer zweet Ik bloed in de Hof van Olijven.
Wie waakt met Mij? Wie buigt zich over Mij om het te stelpen? Wie houdt genoeg van Mij om een arme God trouw te blijven, die zijn leven gaat geven voor allen?
Helaas! Eén grote leegte. 
Geen troost voor Mij.
De beker is vol. Hij moet gedronken worden. 
En mijn kind spreekt Mij van vertroosting…
Verlangt ge die nu nog”? 14.3.67


4. Jezus doet een beroep op alle kleine zielen om Hem te troosten.

”Mijn kleine zielen zijn nog niet talrijk genoeg als balsem voor de wonde van mijn goddelijk hart”. 6.12.68
”Mijn arm menselijk Hart huivert van droefheid en vrees. Dit voor mijn ogen opgerichte kruis schrikt Mij af en trekt Mij aan. 
Het menselijke… Het goddelijke…
Laat mijn Offer zich zo gauw mogelijk voltrekken. Ik heb haast, ondanks mijn afschrik voor het lijden en het sterven. Zult gij bij Mij blijven tot het einde toe? 
Laat hen Mij honen… gij, gij bemint Mij. 
Blijf heel dichtbij.
Laat mijn bloed u doortrekken. Geen enkele druppel mag verloren gaan. 
Dit bloed is het leven voor allen. Gij zult Mij als voedsel aan de kleine zielen geven, nietwaar?” 24.3.67 

Ten slotte nodigt Hij ons uit om ons dicht rond Zijn H. Moeder te scharen en Hem te troosten zoals de goede moordenaar.

“Ach, die doornenkroon doet Mij pijn…
Ach, die krampen in al mijn ledematen! 

Kind, ziedaar uw Moeder. Bemin haar. 
Ik ga sterven… Zij lijdt.
Kijk haar aan. Druk u tegen haar aan. Verwarm haar verkleumd Hart, dat met het vroeger voorspelde zwaard doorboord is.
Moeder!… 

Ach, die verschrikkelijke pijn die mijn ledematen kromt en mijn Hart breekt. Arme kindertjes die maar geen medelijden hebt, noch met uw God, noch met u zelf. Godmoordend volk, mijn Vader vergeve u zoals Ik u vergeef. 

Dit moest gebeuren… 
Het grote ogenblik is aangebroken. 
De goede moordenaar troost Mij met zijn medelijden.
Vandaag zult gij met Mij zijn in het Paradijs. 

Het doet zo zeer…
U kan Ik het zeggen… Voor de anderen zwijg Ik, Maar de afschuwelijke pijn overmeestert mijn lichaam. Vader, waarom verlaat Gij Mij? 

Ik ben alleen… 

Eindelijk het laatste bedrijf van de tragedie.
De spons… Een zucht… Alles is volbracht!
Vader, in uw handen beveel Ik mijn Geest”. 24.3.67 

Deze pakkende gedachten geven ons stof voor een gedegen overweging van het Lijden van Jezus.
Als wij bij deze gedachten van Jezus onverschillig blijven, dan weet ik niet wat er dan wel nodig is om ons te ontroeren. De Kleine Zielen zullen ze ten volle benutten. Zij zijn het aan Jezus verplicht in een geest van dankbaarheid en van eerherstel voor onze fouten. Zo kunnen zij gerust zijn dat zij aan Jezus, die lijdt en sterft voor ons, de vertroosting brengen die Hij van hen verwacht.

Zij zullen op hun beurt kostbare genadesprankels ontvangen van heiliging, zuivering en verweer tegen de zonde, de vijand die steeds op de loer ligt. Het is immers zo dat vele zielen vervallen in zonde, omdat zij vergeten wat het Lijden van onze Heer precies inhield. Of zoals de H. Maagd aan een begenadigde ziel, zuster Appoline Andriveau in 1846 zei: “De wereld gaat verloren, omdat men niet denkt aan het Lijden van mijn Zoon.” Uit liefde zullen wij alle kruisen op ons nemen die zich eventueel op onze weg bevinden, opdat het Lijden zich in ons kan hernieuwen. Of om het met de woorden van Sint Paulus te zeggen: “Dat ik voor u mag lijden en in mijn lichaam aanvullen wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van de Christus, ten bate van Zijn lichaam, dat is de Kerk”. (Kol.1‚24)


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 45-48.

De Verlossing

DE VERLOSSING

Bewerking voor Website ‘Legioen Kleine Zielen

1. “Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven; opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben“ (Joh. 3‚16). Met de Incarnatie had God de Verlossing op het oog, die de fout van Adam en Eva moest herstellen en de mensheid aan de verdoemenis zou onttrekken. De duivel had immers in zijn jaloersheid gezworen haar mee te sleuren in het eeuwige verderf.

De erfzonde is het gevolg van het ingaan van Eva op het voorstel van de ‘slang‘, terwijl het ‘fiat’ van Maria de Verlossing mogelijk gemaakt heeft.
In dit verband lezen we in de Boodschap:
“Het is het fiat van Mijn Heilige Moeder dat de Verlossing mogelijk gemaakt heeft. Zij is de eerste die Mij heeft bemind.” 10.10.67 

Christus heeft ons dus door Zijn bloedig Offer gered. Hij heeft ons niet verlost “met goud of zilver, maar door het kostbaar bloed van Christus, het Lam zonder vlek of gebrek” (1 Petr.1‚18-19).
“De verlossing is geschied door het Kruis. De wereld zal gered worden door het Kruis.” 31.5.67 

Het is onze allereerste plicht om God de Vader te danken, want “Hij heeft ons ontrukt uit het domein van de duisternis en overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon, in Wie onze bevrijding verzekerd is en onze zonden vergeven zijn” (Kol 1,13-14).

2. Wij mogen geen passieve getuigen blijven van zulk een buitengewone gebeurtenis. De Heer wil onze vrijwillige medewerking aan het offer van Calvarië.

“Kleine zielen, wilt ge met Mij de kinderen der verlossing zijn? 

Zie, Ik vraag u wat mijn Vader Mij heeft gevraagd. Maar vreest niet. Ge zult Mij enkel dat geven wat uw arme menselijke natuur met de steun van de genade Mij wil geven. En Ik zal uw gaven dankbaar aanvaarden”. 5.7.67 

De medewerking van Maria aan het verlossingswerk van haar veelgeliefde Zoon was niet alleen noodzakelijk, maar ook uniek en uitzonderlijk. Nooit zal onze medewerking een dergelijke graad van volmaaktheid bereiken. Jezus vraagt ons nochtans om eraan mee te werken. Hoe? Door in liefde en geloof alle kruisen op ons te nemen, die we op onze de weg naar de Hemel ontmoeten.
In dit verband verklaarde Jezus aan Marguerite, boodschapster van Zijn Hart met betrekking tot de mensen die haar opzoeken en waartussen soms moeilijke gevallen zijn:
“De liefdevolle zorg voor hen die Ik u zend, vereist dat ge lijdt.” 9.6.71 

Onze medewerking moet in dezelfde lijn liggen:
“Kind, een kleine ziel lijdt voor haar Welbeminde en met haar Welbeminde… Ik verleen hen (zij die Marguerite opzoeken) de vrijheid ja of neen te zeggen tot de genade die hen bezoekt. Ik geef hen minder of meer, naargelang hun edelmoedigheid. Het is een liefdewerk en een verlossingswerk. Allen zijn hiertoe uitgenodigd.” 9.6.71 

In plaats van zich te verzetten tegen zijn kruis of het nu gaat om grote beproevingen of om de kleine dagelijkse kruisjes zou een ziel in staat van genade zich erover moeten verheugen als over “het kostbaarste geschenk dat God aan zijn uitverkorenen kan geven”. En dit vooral wanneer zij streeft naar een intens geestelijk leven.

Nu begrijpen we de volgende woorden van de H. Teresia van het Kindje Jezus die doordrongen was van de diepgaande logica van de goddelijke Liefde: “Mijn enige geluk hier op aarde is: te lijden uit liefde”. Haar geloof had haar al vroeg de prijs van de Verlossing laten aanvoelen.
Tot aan het einde van haar dagen spoorde dit haar ertoe aan de druppels van het Verlossende Bloed, die uit Zijn wonden sijpelden te verzamelen, om de “dorst naar zielen“ van haar Welbeminde Redder te lessen.


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 43-44.

‘Legioen Kleine Zielen’ is een door de Kerk erkende en goedgekeurde geestelijke vereniging

Door de Kerk erkende en goedgekeurde geestelijke vereniging

Het Legioen Kleine Zielen van Jezus’ Barmhartig Hart is een door de Kerk erkende en goedgekeurde geestelijke vereniging. Het richt zich niet alleen tot iedere christen gelovige van om het even welke roeping of levensstaat in de Kerk: priesters, religieuzen, leken, gehuwden, ongehuwden, … maar ook tot iedereen die op zoek is naar diepere waarden in het leven en een hogere zingeving aan het bestaan. … Het wil helpen om op een zo goed mogelijke manier zijn leven als een geestelijke offerande op te dragen voor het heil van de zielen.

marguerite wordpressHet Legioen Kleine Zielen werd gesticht door een eenvoudige huismoeder uit de omgeving van Luik in de jaren kort na het tweede Vaticaans Concilie. Het staat ten diensten van de mensen die verlangen de “Kleine Weg” te gaan en te beleven. Om de drie maanden verschijnt er een nummer van het tijdschrift: “Het Legioen Kleine Zielen”, dat de Kleine Zielen kan helpen in de groei van hun geestelijk leven.

Veel christenen waren in hun hart reeds aangesproken geworden door dit verlangen van de heilige Theresia en zo op de weg van het geestelijk kindschap gezet. Maar de Kerk kende onder haar gelovigen nog geen beweging met de naam: “Legioen Kleine Zielen”.

Op 21 november 1983, feest van de Opdracht van Maria, heeft Mgr. G. M. van Zuylen de statuten van het Legioen, welke opgesteld werden volgens de eisen van het kerkelijk Wetboek, goedgekeurd. De officiële erkenning van het Legioen Kleine Zielen van Jezus’ Barmhartig Hart door de bisschop van Luik maakt het mogelijk dat het Legioen zich over de hele wereld kan verspreiden, groeien en bloeien, met de zekerheid een officiële vereniging van de Kerk te zijn.

Info: Website: ‘Legioen Kleine Zielen’ 

De Schepping

DE SCHEPPING

Het bestaan van het heelal kan niet op een bevredigende manier worden uitgelegd door de rede alleen. De grootste genieën uit de Oudheid zijn tot het besef gekomen van een eerste universele oorzaak van het bestaan van alle levende wezens, van de beweging en de orde, maar niet van een schepping die in wezen vrij is en die de volmaakte goddelijke onveranderlijkheid niet beroert.

Reeds in de eerste regel van het boek Genesis, openbaart God zich als de Schepper van alle dingen: “In het begin schiep God hemel en aarde.” Hoe indrukwekkend is de plechtige bevestiging van een waarheid, die de mens niet uit zichzelf heeft kunnen achterhalen!

De Boodschap van het Barmhartig Hart van Jezus aan de Kleine Zielen bevat een aantal uitspraken die uitwijden over het Bijbelse gegeven, die het mysterie onaangetast laten en die het menselijk verstand altijd zullen blijven aanspreken.

De fragmenten die wij ontlenen aan de Boodschap kunnen gegroepeerd worden onder drie titels:

1.God is Schepper
2.De teleurstellende houding van de mens tegenover deze waarheid
3.Wat de Schepper van ons verwacht

 

 1.God is Schepper 

1.1. “Ik ben de Schepper van al wat bestaat”. 7.6.66 
”Ik ben de grootmeester van het geschapene en het ongeschapene.” 26.l.70 
De schepping, het gezamenlijke werk van de drie goddelijke Personen, wordt aan de Vader toegeschreven, “oorsprong zonder oorsprong”.
“… de hemelse Vader, Schepper van al wat beslaat.” 31.1.67 
Hij heeft alles gemaakt uit het niets, dat wil zeggen dat alle schepsels per definitie uit niets ontstaan zijn of, als men wil, vanuit het niets.
“Ik maak uit niets. Uit niets heb Ik de wereld geschapen.“ 10.10.66 

1.2. God schept uit Liefde
God is Liefde. Zo kunnen zijn werken, te beginnen met de schepping, er slechts zijn door de Liefde.
“Het mysterie van de schepping schuilt in de liefde van een God voor een mensheid die Hij naar zijn beeld geschapen heeft.” 6.9.67 
”Bedenkt hoezeer ge door uw Schepper wordt bemind.” 24.6.66 
“Maar zie, uw Schepper is bezield door liefde voor u. Hij schenkt u het leven.” 25.8.6
“Eens heeft God in zijn vurige liefde de wereld geschapen om aan die liefde een reden van bestaan te verlenen.” 7.9.72 
Laten we elkaar goed begrijpen: het gaat hier om een liefde die voorbestemd is om met zijn schepsels gedeeld te worden. Maar in God die uit vrije wil schept, rechtvaardigt deze Liefde zich uit zichzelf en zij heeft geen andere bestaansreden dan zichzelf.
”Koester grote eerbied voor al wat leeft. Want Ik ben de Schepper van al wat bestaat.“ 7.6.66
“De goddelijke liefde weerspiegelt in elke mens de Liefde en de goedheid van de Schepper.” 23.7.66 
“In de persoon van mijn welbeminde Zoon heb Ik u willen ontmoeten, u mensen die Ik heb geschapen en tot leven gewekt in mijn Liefde.” 20.5.68 

1.3. God schept voor zijn Liefde
“Ik heb de mensheid niet geschapen voor zichzelf maar wel om mijnentwil.” 4.8.68 
“Ik heb de mens niet geschapen voor zijn genot op deze wereld, maar wel om de hemelse glorie te verwerven door de liefde die hij Mij hier beneden heeft getoond.” 4.8.68 
“De mens vernietigt de mens die Ik geschapen heb VOOR MIJ.” 23.6.68 

1.4. God schept de mens naar Zijn beeld en naar dat van zijn veelgeliefde Zoon.
De schoonheid van de mens, die de schoonheid van elke zichtbare schepping overtreft, komt door zijn geestelijke ziel, vooral wanneer deze gesierd wordt door de genade:
“Schoonheid die Ik niet voor Mij alleen houden kan en die Ik graag vol tederheid uitstort op deze zozeer gezegende ziel, tot ze het levende evenbeeld wordt van haar Schepper”. 19.12.66 

In dit verband moeten we zeker dat mooie fragment vermelden van de brief van de H. Paulus aan de Romeinen waarin hij verklaart dat zij zijn “bestemd tot gelijkvormigheid met het beeld van zijn Zoon” (Rom. 8,29) en waarvan de volgende zin uit de Boodschap de echo is:
”Ge werdt geschapen naar het beeld van de Geliefde Zoon en uw hart naar het beeld van zijn Hart. Ge zijt gemaakt om te beminnen.” 10.2.67 

 

2.De teleurstellende houding van de mens

2.1. Zijn ondankbaarheid
”Deze wereld heeft niet opgehouden haar Schepper te ontgoochelen. Thans is de maat vol en als de wereld zich niet bekeert zal ze terugkeren tot het niets waaruit Ik haar heb doen ontstaan.” 7.9.72 
Er is hier geen sprake van de vernietiging van de onsterfelijke ziel, die bestemd is voor de hemelse zaligheid of de verdoemenis, maar van een toestand die uiteindelijk erger zou zijn dan het niets.
“Verlangen naar de Hemel is zeldzaam, gehoorzaamheid is een ijdel begrip. Ik, de God van liefde, Ik heb aan mijn schepselen gehoorzaamd; deze schepselen zelf zijn ongehoorzaam aan hun God en met bitterheid ben Ik getuige van de ontaarding van de geesten en van de harten.” 16.8.72 
”In naam van de gerechtigheid en van het recht waarop zij zich beroepen, vermoorden ze ongestraft het werk van de Schepper in zijn schepsel, vermoorden ze het kleine wezentje in de schoot van zijn moeder.” 18.7.73 

2.2. De gevolgen
“Bij velen is het besef van goed en kwaad uitgeroeid. En het gevolg van die jammerlijke toestand? Leed en bitterheid wacht degenen die gefaald hebben in de taak die de Schepper hun toewees, namelijk de gezonde opvoeding van de kinderen. Leed en bitterheid om de afwijzende houding en de onverschilligheid van hen die zij op de arm hebben gedragen en die zij zien ontglippen omdat hun liefde slechts een ik-zuchtige liefde was, zonder de grondslag die de levenskracht waarborgt. Terwijl zij meenden te beminnen, bewerkten ze hun ongeluk.” 22.5.73 

Een ernstige waarschuwing aan de ouders die vandaag de dag veel moeite moeten doen om hun kinderen te beschermen tegen de verderfelijke invloeden van de wereld, de school en de media.

 

3.Wat de Schepper van ons verwacht. 

3.1. Onze dankbaarheid
“Uw hart weze een en al liefde en erkentelijkheid tot meerdere eer en glorie van uw Schepper.” 18.8.70

3.2. Onze liefde
“(De mens is) het wezen dat zij (de Liefde) heeft geschapen om lief te hebben en dat door zijn eigen schuld alleen maar ontrouw en ondankbaar kan zijn.” 4.9.71 
“Lieve vriendin, stort uw hart uit in het Mijne. Bezing de liefde van uw Schepper en zijn Schoonheid. Geloof dat ik u liefheb.” 15.7.66 
“Als ge niet genoeg liefde schenkt aan de mensen rondom u, dan mist ge het doel dat door uw Schepper bepaald werd.” 4.7.73 
“Ge zijt gemaakt om te beminnen.” 10.2.67 
“De Schepper geeft. Het schepsel ontvangt om te geven.” 22.11.66 

3.3 Onze vereniging (met onze Schepper)
“De jeugd van het hart bestaat in een liefdevolle opmerkzaamheid voor de Schepper van alle goed.”1.7.75 
“De wereld moet het bewijs krijgen dat de ziel in de moeilijkste situaties één kan zijn en moet zijn met haar Schepper.” 11.5.67 
Allerlei beproevingen moeten deze eenheid niet in de weg staan; integendeel! Nooit is God dichter bij ons dan wanneer we lijden.
“Er is een lijden van de volgelingen van het kruis, gewenst lijden, liefdevol aanvaard voor de zonden van de wereld. Nobel lijden, dat de ziel op niet te verwoorden wijze met haar Schepper verenigt.” 30.11.66 
Het doel van ons bestaan is de vereniging met onze Schepper die gesublimeerd al worden in de hemelse glorie en slechts door de Liefde bereikt kan worden. Een typische eigenschap van de goddelijke Liefde bestaat er nu juist in dat er voortdurend contact is tussen onze ziel en zijn Maker.

Wanneer we zo het doel verwezenlijken waartoe Hij ons geschapen heeft, verschaffen wij Hem een onuitsprekelijke vreugde, waarvoor de beloning evenredig al zijn met de liefde die wij Hem betoond hebben, want “de Schepper kan niet onderdoen voor zijn schepsel.” 31.3.67 

De mens behoort zichzelf niet toe, want hij heeft zichzelf niet geschapen. Daarom mag hij niet vergeten dat de Schepper alle rechten op hem heelt. Als hij dit respecteert, zal hij zelf recht hebben op een geluk dat hij niet kan vermoeden, voornamelijk omdat het elke verbeelding en de hoogste verlangens van het menselijk hart te boven gaat: “Geen oog heeft het gezien, geen oor heeft het gehoord, geen mens kan het zich voorstellen, al wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben” (l Kor. 2,9).


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 40-42.

 

De Tederheid van God

Onze relatie met God is een fundamentele kwestie. De kwaliteit van deze relatie hangt voornamelijk af van het beeld dat wij van Hem hebben. God is oneindig groot en machtig. Hij is de absolute volmaaktheid. Anders zou Hij God niet zijn. Dat is wat de rede ons kan leren over God. En dat is ook het enige dat zij over Hem kan zeggen. Maar wij hebben een andere bron die ons iets over God kan leren: het geloof, gebaseerd op de Openbaring van God over Zichzelf. In het Oude Testament noemde Hij zich “Ik ben”, ofwel “het Wezen bij uitstek, zonder wie alle andere wezens niet zouden bestaan”. In het Nieuwe Testament heeft Hij ons een werkelijk prachtige definitie van Zichzelf gegeven van de hand van zijn geliefde leerling: “God is Liefde”, schrijft Johannes ons in zijn eerste brief (4,8). Welnu, deze Liefde in God verleent alle andere typische goddelijke eigenschappen een oneindig karakter: zijn grootsheid, zijn almacht, zijn schoonheid, enz. Hij is grenzeloos zoals zijn eigenschappen grenzeloos zijn.

Er bestaat een nuance van de Liefde die verwant is aan de Barmhartigheid, namelijk de Tederheid. Wij vinden hierover sprekende getuigenissen in het Oude Testament: Jes. 66,13; Hos. 11,14; Psalm 103.

Terwijl de transcendentie van God ons, die slechts nietige wezens zijn tegenover Hem, een zekere angst inboezemt, stelt zijn tederheid ons gerust en weerhoudt ons ervan om ons afstandelijk te gedragen tegenover Hem. Onze terughoudendheid zou Hem kwetsen. Deze tederheid wordt ons bijzonder duidelijk geopenbaard in het evangelie (parabel van de verloren zoon, van de goede herder, het verhaal van de boetvaardige zondares; Lc. 7,36-50). En dus buigt God zich naar ons toe, ondanks de oneindige afstand die ons van Hem scheidt, en wil Hij met ons omgaan zoals een vader met zijn kinderen, zoals vrienden met elkaar, zoals een man met een vrouw. Hoe sterk deze vergelijkingen ook mogen lijken, toch doen ze afbreuk aan de werkelijkheid.

De Boodschap van de Barmhartige Liefde spreekt ons ook graag over deze onuitsprekelijke tederheid die onze relatie met God volledig kan wijzigen, naarmate wij erin willen geloven en ons erin willen verdiepen. In de persoon van Jezus definieert God zich als de tederheid zelf. Zijn houding tegenover ons en de manier waarop Hij werkt, dragen altijd de stempel van zijn buitengewone tederheid. Hij vraagt ons ook dat wij zijn gevoelens zouden delen of, zoals men tegenwoordig zegt, dat wij op dezelfde golflengte zouden zitten.

1.God is de tederheid zelf: 

“Ik ben de Koning der harten, Ik ben de miskende tederheid.” 10.3.66 
“Ik koester voor u de tederheid van een vader, de liefde van een moeder en de genegenheid van een echtgenoot.” 4.4.68 
“Ik ben de troost van de bedroefden, de onuitsprekelijke tederheid voor de nederigen.” 25.6.67 

De Boodschapster is blij dat ze de tederheid mag verkondigen en dankt Hem daarvoor:
“Weest geloofd, Heer, voor uw goedheid, voor de onuitsprekelijke Tederheid van uw goddelijk Hart voor uw kinderen” 1.6.70 

 2.Zijn houding tegenover ons en de manier waarop Hij werkt, dragen altijd de stempel van de tederheid. 

2.1. Jezus heeft dit heel speciaal getoond gedurende zijn verschrikkelijke Lijden. Op een zekere Goede Vrijdag verklaarde Hij aan Marguerite:
“Binnen enkele uren de kruisdood. Met een oneindige Tederheid… Ik had al uw zonden op Mij genomen en in mijn gebroken Hart was er zoveel tederheid, zoveel medelijden met mijn beulen.” 8.4.66 

2.2. Zijn tederheid geldt allen zonder onderscheid, om de eenvoudige reden dat Jezus alle mensen wil redden. Maar vooral de kleinen.
“De wereld van de kleinen heeft antennes die goed opvangen en niet bedriegen. De onuitputtelijke Bron van tedere liefde, die aan mijn open Hart ontspringt, is voor allen bestemd, zonder onderscheid.” 4.11.66 

2.3. Jezus zelf is teder:
Om naar ons te luisteren:
“Zeg Mij alles, Ik luister met zoveel tederheid naar u.” 15.2.67 

Om onze geringste gemoedsneigingen te bespieden:
“Kind, bemint ge Mij? Zeg het en herhaal het maar. Mijn tedere liefde bespiedt uw geringste gemoedsneigingen tot Mijn Hart. Wees niet gierig. Hadt ge er enig idee van!” 17.2.67 

Om de zalving van Zijn Geest over ons te verspreiden:
“Ik dring in de diepten van uw wezen. Met tederheid zalf Ik uw ziel met mijn Geest.” 21.6.66 

Om ons te beminnen en ons te verzekeren van Zijn liefde:
“Denkt niet, dat ge te onwaardig zijt om Mij te benaderen. Ik zal u de heilige stoutmoedigheid geven van de kinderen Gods. Want met heel de tederheid van mijn Hart heb Ik u allen lief zoals ge nooit zult bemind worden.” 11.4.67 
“Ik heb met tederheid naar u gekeken. Ieder van u heb Ik bij zijn naam genoemd.” 4.11.71 
“De onuitputtelijke tederheid van mijn Hart, geloof Mij, zou u onmogelijk in de steek kunnen laten, en Ik zal komen, dat beloof Ik u.” 7.5.67 

Om de zondaars te redden:
“Wie zal gered worden? Die het wenst met geloof en vertrouwen. Mijn Hart neigt zich met tederheid over wie zich vernedert.” 4.10.67 

Om het kwaad te vernietigen:
“Het is helaas gemakkelijker, in weinig tijd een wereld op te bouwen, dan het kwaad uit te roeien in één enkele ziel. En soms, wanneer de tederheid niet volstaat, moet men krachtdadige middelen aanwenden.” 5.6.67 

Om onze ellende te verhelpen:
“Besef goed uw ellende. Betreur ze, maar bekommer er u niet om. Ik genees met tederheid.” 21.2.68 

Om te antwoorden op de roep van hen die lijden:
“Hoe bedroevend toch! Is het dan echt nodig, dat mijn kinderen lijden opdat ze zich zouden verwaardigen te gedenken dat Ik besta? En mijn tederheid voor hen is dan weer zo, dat Ik niet altijd kan weerstand bieden aan hun tranen.” 15.10.66 

Om het getuigenis van de liefde van de kleinen te ontvangen:
“Wees geloofd, Heer,” roept de Boodschapster uit, “voor uw goedheid, voor de onuitsprekelijke tederheid van uw goddelijk Hart voor uw kinderen.” 1.6.70 

2.4. Zijn speciale tederheid voor Marguerite en elke Kleine Ziel:
“En Ik, Ik heb heel de tederheid van mijn Hart in mijn kind gelegd, dat het erover beschikken kan voor allen.” 28.11.67 
“Mijn kind, ontvang elke Kleine Ziel met tederheid, wees voor haar een klein lichtje.” 
“Zeg hun (de mensen) dat Ik, hun God, hen niet aan hun lot overlaat, dat Ik vol tederheid waak over de Kleine Zielen van barmhartigheid.” 19.1.70 

3.Hoe moeten wij deze tederheid beantwoorden? 

3.1. Maar al te vaak ontmoet de tederheid van Jezus’ Hart slechts onverschilligheid, ondankbaarheid en kilte.
“Ik breng hun (de mensen) het heil door de Liefde. Zij houden niet op Mij te beledigen. Mijn tederheid stuit op ironie en misprijzen.” 

3.2. Wat Jezus aan de mensen vraagt:
Er niet aan te twijfelen:
“Twijfelt nooit aan mijn tedere liefde!” 10.2.67 

Ervan te leven:
“Leef van mijn tedere liefde. Leer het kwaad grondig verafschuwen. Verkwist de tijd niet die u gegund is om lief te hebben.” 23.2.67 

Niet vrezen onze tederheid aan Jezus te tonen:
“Zoveel zielen vrezen Mij te mishagen door zich vrijmoedig te uiten. Ze bidden tot Mij als een verre en onbewogen God. En mijn Hart dat brandt van tedere liefde is niet voldaan wanneer ze zich zo plechtig tot Mij wenden.” 10.3.67 

Er de schatten van benutten:
“O mijn geliefde kinderen, laat de schatten van tederheid, die Ik u wil geven, niet ongebruikt in mijn Hart.” 14.4.67

Haar gebruiken als krachtbron:
“Wie zonder troost is, is daarom nog niet zonder genade. Zo weinig zielen blijven trouw in de beproeving. Gij, kind, wees sterk door al mijn tederheid. Vergeet nooit, dat in u het leven is.” 17.5.67 

Haar gebruiken om beter te beminnen:
“Heer, geef me wat ontbreekt om U beter lief te hebben.”
“Is de tederheid van mijn Hart U niet voldoende?” 20.7.67 

Alle mensen hebben een hart om te beminnen. Alleen hiervoor hebben ze het gekregen: om God bovenal te beminnen. Helaas lijken velen zich hiervan niet bewust. En terwijl zij hun Schepper, Hun Verlosser en Vriend beschouwen als een Wezen dat zich ver van hen bevindt, denken zij dat zij Hem niet moeten beminnen. Misschien omdat zij het een onmogelijke zaak vinden, hechten zij zich liever – en vaak in overdreven mate – aan het schepsel (i.c. de mens), en behandelen zij de Heer als een vreemde, een ongewenste, een ongenode gast.

Nochtans is God één van ons geworden door de Menswording. Door ons lot in alles behalve de zonde te delen, maakt Hij vreemd genoeg deze belangrijke plicht van de liefde gemakkelijker. Door niet alleen zijn goddelijke, maar ook zijn menselijke tederheid kwistig uit te delen. Tederheid die zonder maat is en tegelijkertijd op maat, passend bij onze meest verborgen persoonlijke voorkeuren. Indien zij ons onverschillig laat, bewijst dit eenvoudigweg dat wij nog gebonden zijn aan en overheerst worden door een heerszuchtige eigenliefde, waarvan wij ons eerst dringend zouden moeten ontdoen. Indien wij er de moed toe hadden, zou ons hart, onthecht van het geschapene, zich gemakkelijk aan zijn Schepper kunnen hechten en Zijn Liefde met liefde kunnen beantwoorden.

Ten slotte citeren wij nog uit de Boodschap:
“Laat uw hele leven rusten in de onuitsprekelijke tederheid van uw God.” 1.2.67 


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 36-39.

Mgr. Everard de Jong: Jaar van Barmhartigheid

lkz huw gezin 2Het heilig jaar van Barmhartigheid is inmiddels flink gevorderd. Overal zie je initiatieven, die de oproep van Paus Franciscus om Gods barmhartigheid indachtig te zijn, gestalte geven. Natuurlijk is een van de belangrijkste plaatsen waar dat kan gebeuren bij u thuis… Hoe beleeft u de barmhartigheid? Onze Paus heeft vaker gezegd dat er drie woordjes echt belangrijk zijn in het gezin: permesso, grazie en scusi, “Mag ik?”, “Dank je!” en “Het spijt me!” Dat laatste woordje verwacht dan natuurlijk ook een antwoord als: “Ik vergeef je van harte!” Lukt dat altijd van harte?

Een hulp bij het beleven van de barmhartigheid kan zijn het door een priester plechtig laten installeren van een afbeelding van het H. Hart van Jezus. Zoals u wellicht weet heeft Jezus veel beloften verbonden aan allen die zijn Allerheiligst Hart, dat brandt van barmhartige liefde, aanbidden.

De heilige zuster Margaretha Maria Alacoque (1647-1690) ontving tijdens verschijningen van Jezus in Paray le Monial o.a. de belofte dat de huisgezinnen die zijn H. Hart aanbidden vrede zullen krijgen (2e belofte) en dat de woningen waar een afbeeldíng van zijn H. Hart geplaatst en vereerd zou worden, gezegend zouden worden (9e belofte).

Ook de door Jezus aan zuster Faustina Kowalska (1905-1938) geopenbaarde afbeelding, waar rode en witte stralen uit Jezus’ hart stromen, heeft een wonderbare uitwerking op de verharde harten van mensen. Het bidden van de rozenkrans van barmhartigheid kan veel genaden verkrijgen van de Barmhartige God!

Dan vraagt de paus de 7 lichamelijke en de 7 geestelijke werken van barmhartigheid te doen. Wellicht kunt u zelf eens samen in uw gezin nadenken hoe u binnen uw gezin gestalte kunt geven aan die uitnodiging; de hongerigen te spijzen, de dorstigen te laven, de naakten te kleden, de vreemdelingen te herbergen, de zieken te verzorgen, de gevangenen te bezoeken en de doden te begraven.

Maar ook hoe u onwetenden kunt onderrichten, degenen die moeilijkheden ondervinden goede raad kunt geven, de bedroefden kunt troosten, de zondaars vermanen, het onrecht geduldig kunt lijden, aangedane beledigingen vergeven en voor de levenden en overledenen bidden.

Wat betreft dat laatste is het wellicht een idee om regelmatig met het gezin een Heilige Deur van Barmhartigheid door te gaan. Dan heeft u de mogelijkheid om de aflaten te verdienen die daaraan verbonden zijn. D.w.z. dat als u binnen een week voor of na de doortocht biecht, een mondgebed (Onze Vader en Wees Gegroet) bidt tot intentie van de paus, en de H. Communie ontvangt, u (in het geval dat u geheel vrij bent van alle gehechtheid) alle, of meerdere tijdelijke straffen na de dood kwijtgescholden krijgt.

* Everard de Jong

Gedeelten uit; Nieuwsbrief, Centrum voor Huwelijk en Gezin, Roermond, 2016, blz. 1.


 

De Barmhartigheid van God

DE BARMHARTIGHEID VAN GOD

Het parool dat de Heilige Vader gaf voor de herdenking van de 1950e verjaardag van de verlossing ‘Opent uw poorten voor de Verlosser’, doet ons dadelijk denken aan zijn meesterlijke encycliek over de goddelijke Barmhartigheid. Alle mensen zijn geroepen om te genieten van de vruchten van de Verlossing. Maar dit kan alleen maar, als zij zich richten tot het Barmhartig Hart van Jezus, dat de schatten van vergeving van de ‘Vader van Barmhartigheid’ herbergt om ze aan ons uit te delen.

God is liefde. Maar aangezien Hij zich richt tot zondige mensen, hult Hij hen in zijn barmhartige en medelijdende liefde om hen zo naar hun redding te leiden. Wanneer de vertalers van de Bijbel ons ‘Eeuwig is zijn Liefde’ laten zingen, gaat het in wezen om zijn barmhartigheid, een term die een nuance van deze liefde beter doet uitkomen.

De H.Teresia van het Kindje Jezus zei dat ‘men nooit genoeg vertrouwen kan stellen in een God die zo barmhartig en goed is.’

De Kleine Zielen delen deze overtuiging. Zij hebben eveneens enthousiast het jubeljaar ontvangen, dat werd aangeboden door onze Heilige Vader Johannes Paulus II, die hiermee op gepaste wijze de actualiteit van de Boodschap van Jezus’ Hart onderlijnt. Het is de drijfveer die ons ertoe aanzet de rijkdom van zijn onderrichtingen omtrent de barmhartigheid te inventariseren: wat verstaan we onder de Barmhartigheid van God en de zondige mens en welke houding moeten we tegenover haar aannemen.

 

1. De barmhartigheid in God

1.1. God identificeert zich met deze essentiële karakteristieke eigenschap:
“Ik ben de oneindige Barmhartigheid.” 6.7.68

Zij hunkert ernaar zich mee te delen:
“Mijn barmhartigheid hunkert ernaar, zich mee te delen. Ze wordt in bedwang gehouden door mijn gerechtigheid.” 22.10.65 

God stort schatten van barmhartigheid uit in de ziel:
“Het heeft mijn liefde behaagd, schatten van barmhartigheid over uw ziel uit te storten.” 28.4.66
“Mijn barmhartigheid beschut de ziel van de arme zondaars. Ze staat op de uitkijk en wacht de gelegenheid af om zich voor hun heil totaal in te zetten.” 28.2.66
“De vruchten van barmhartigheid zullen talrijk zijn.” 8.4.71 

Klinkt dit niet als de echo van Psalm 130?
“Want bij de Heer is genade, kwijtschelding bij Hem menigvuldig.” 

1.2. Haar relatie met de gerechtigheid:
“De hemel ontsluit zich en mijn barmhartigheid gaat aan mijn heilige gerechtigheid vooraf.” 1.6.70 

De gerechtigheid wil graag voor haar wijken:
“Dwaas is hij die mijn gerechtigheid loochent. Maar voorwaar, Ik zeg u: zij schept er genoegen in, te wijken voor de Barmhartige Liefde.” 3.4.67 

Zij is bedreven in het zich meester maken van de zielen:
“Hadt ge enig idee van de werking van mijn barmhartigheid en de middelen die ze aanwendt om zich van de zielen meester te maken!” 10.11.66 

Zij wedijvert met de gerechtigheid die zij in bedwang houdt en overwint:
“Er is zoveel liefde nodig om het kwaad te overwinnen, zoveel barmhartigheid om mijn gerechtigheid in bedwang te houden.” 30.1.71

Geen zonde weerstaat haar:
“Voor elke zonde, hoe groot zij ook weze, is er bij Mij vergeving, als ge maar wilt.” 21.7.66

 

2. De rol van de barmhartigheid

2.1. Haar opmerkelijke rol bij de Verlossing:
“Voor ieder van mijn beulen heb Ik alleen maar liefde en barmhartigheid overgehad. Dit is de prijs van de Verlossing.” 4.9.71
“En de oneindige Barmhartigheid zal de wonden van deze helse tijd met zoveel liefde verzorgen, dat ze de zielen zal vernieuwen door hen tot nieuw leven te wekken, een leven van rechtvaardigheid en naastenliefde.” 22.8.68 
“Ja, Ik bid voor u tot de Vader van Barmhartigheid, opdat uw oren en uw hart zich ten slotte zouden openen voor de Waarheid.” 1.4.70 

2.2. Tegenover de zondaars
“De zondaars hebben inderdaad grote nood aan barmhartigheid.” 2.1.67 
“Mijn barmhartigheid wil niet de dood van de zondaar maar zijn bekering.” 25.9.68
“En deze zielen (die met de diepste menselijke ellende hebben kennis gemaakt) zijn de geliefde kinderen van mijn barmhartigheid.” 11.3.67 
“Uw ellende trekt mijn barmhartigheid aan en vervult haar met vreugde.” 24.10.69
”Geloof maar, dat Ik geen ziel aan de hel prijsgeef vooraleer Ik alle middelen heb beproefd waarover mijn barmhartigheid beschikt om haar te redden.” 4.10.67 
“Hadt ge er enig idee van, hoe één moment van spijt over uw fouten de barmhartigheid van uw God in beweging kan brengen, hoe die u niet alleen vergeving kan schenken, maar ook weer de onschuld van uw kinderjaren.” 8.3.67

In verband met een zelfmoord:

“Geloof maar, dat mijn barmhartigheid de dwaasheid van de mens bemantelt.” 22.7.67
“De heilzame wateren van mijn barmhartigheid zullen over hun zielen (van de zondaars) stromen als ze voor een vernieuwde woonplaats zorgen, en mijn eeuwige vergeving zal hun toekomen.” 11.4.67

 

3. Haar teleurstellingen en mislukkingen

“… met bitterheid ben Ik getuige van de ontaarding van de geesten en van de harten. Vergeefs heb Ik schatten van liefde en barmhartigheid uitgeput om hen tot Mij terug te voeren; mijn gerechtigheid baant zich een weg doorheen de hindernissen die de mededogende en tedere Maagd haar in de weg legt.” 16.8.72
“De door mijn barmhartigheid nog beperkte verliezen zullen helaas veel te zwaar zijn.” 12.1.69 
“Ik zeg u met smart, dat een aanzienlijk deel aan het vuur zal prijsgegeven worden. Ik ben nochtans geheel en al barmhartigheid en vergeving.” 23.6.68

 

4. De barmhartigheid en Marguerite, de Boodschap en het ‘legioen van de kleine zielen’

4.1. “Zoals zij (de Kleine Teresia) zijt gij het geliefd kind van mijn barmhartigheid. Terwijl zij voor het kwaad gevrijwaard bleef; werd gij ervan bevrijd. Mijn barmhartige Goedheid heeft dat alles bewerkt.” 14.3.67
“Ik heb u ermee belast, de grootheid van mijn barmhartigheid aan de wereld kenbaar te maken.” 3.1.69 

4.2. “Tot hen die twijfelen (aan de Boodschap) zeg Ik: misprijst niet wat van Mij komt en wat Ik u in mijn barmhartigheid zend om u te herinneren aan uw essentiële plichten tegenover Mij en mijn Heilige Moeder.” 24.8.66 

4.3. “In mijn barmhartigheid heb Ik een middel gezocht om een groot aantal besluitelozen en opstandigen te redden: een leger van zuivere kleine zielen oprichten voor hun redding.” 16.4.70
“Vele verborgen zielen verkrijgen voor de anderen wonderen van genade en barmhartigheid.” 31.5.67

 

5. Welke houding moeten wij aannemen tegenover de goddelijke barmhartigheid? 

5.1. Eerst en vooral:

Erin geloven
“Tot hen die twijfelen (aan de Boodschap) zeg Ik: misprijst niet wat van Mij komt en wat Ik u in mijn barmhartigheid zend.” 24.8.66
“Wees ervoor beducht, dat ze voor u een oorzaak van verderf kan worden als ge weigert er de betekenis van te vatten en ze te beantwoorden met uw inkeer.” 5.5.71

Erop hopen
“Gelooft ge in mijn goedheid? Hoopt ge op mijn barmhartigheid? Vertrouwt ge op Mij?” 29.9.67

 

5.2. Om barmhartigheid te verkrijgen:

5.2.1. Zich vernederen
“Wie zich voor Mij vernedert en zijn fouten bekent met een waarachtig en oprecht berouw, verkrijgt van Mij vergeving.” 23.9.66
“Wees u ervan bewust wat ge Mij verschuldigd zijt. Beken nederig uw fouten. Mijn barmhartigheid zorgt voor het overige.” 22.4.68
“Uw gevoel van onmacht verheft u tot op de hoogte van mijn liefde en van mijn barmhartigheid.” 21.2.68
 “Het bewustzijn van uw geringheid trekt mijn barmhartigheid aan, die zich haast om u met weldaden te overladen.” 10.11.65 

5.2.2. Bidden
“Kind, dring gerust aan om van Mij barmhartigheid te verkrijgen voor allen. Ik laat mij zo graag bidden, laat mij zo graag overwinnen door uw volharding.” 28.4.67
“Wees waakzaam en smeek onophoudelijk de goddelijke barmhartigheid af voor de zonden van de wereld.” 21.3.68 

5.2.3. Vertrouwen hebben
“Geholpen door een groter vertrouwen in mijn barmhartigheid zal de liefde bergen van harten doen ontstaan, die de plannen van de vijand verijdelen… en vol vreugde en tedere liefde begroet worden door de hemelse Vader, Schepper van al wat bestaat.” 31.1.67 

5.2.4. Zelf ook barmhartigheid betonen
“Wees barmhartig jegens u zelf zoals Ik zelf barmhartig ben jegens mijn arme zondige kinderen.” 23.8.67

5.2.5. Barmhartigheid opwekken door onze goede werken
“Bedenk dat uw werken, goede of kwade, u overal volgen en meteen mijn barmhartigheid stellen tegenover mijn gerechtigheid. Kwijt u van uw schuld tegenover Mij met veel liefde, en Ik zal u de geheimen van mijn barmhartige goedheid openbaren.” 31.8.67 
“Velen… miskennen in zekere zin de goddelijke rechten. Door opnieuw te leren beminnen, verlenen ze mijn gerechtigheid en mijn barmhartigheid wat deze van rechtswege toekomt.” 11.2.67
“Gaat ge mijn Werk dwarsbomen door uw weigering allerbarmhartigst te zijn voor allen? Door veel liefde te schenken aan de mensen rondom zich wapent men de goddelijke barmhartigheid ten bate van de zondige ziel.” 29.6.72 

Men zou ons kunnen verwijten dat we teveel citaten over de barmhartigheid aanhalen. Maar als de Heilige Geest er in de H. Schrift al zo de nadruk op legt, is het toch niet te verwonderen dat de Boodschappen die door de Kerk authentiek verklaard zijn – te beginnen met die van de Heilige Margareta-Maria, van de Heilige Teresia van het Kindje Jezus en andere van recenter datum – , zo graag hun onderrichtingen onze moderne wereld insturen tezamen met dringende oproepen tot gebed en boetedoening.

Als vele zielen, volgens de H. Julien Eymard, hun zieleheil prijsgeven uit wanhoop, dan spreekt het voor zich dat dit voortkomt uit een gebrek aan vertrouwen in de oneindige barmhartigheid. Terwijl de geredde zielen, die allen in een bepaalde mate hiervan afhankelijk waren, zich gelukkig prijzen Hem eeuwig hun hymne van dankbaarheid en liefde te kunnen zingen.

En was dat niet het uiteindelijke doel dat de Heer nastreefde toen Hij de Verlossing verkondigde door zijn H.Bloed? Niemand kan ontkennen dat vooral tijdens het jubeljaar de heilzame werking van zijn verlossing zichtbaar wordt. Mogen alle kleine Zielen worden tot onvermoeibare apostelen van het Barmhartig Hart van Jezus, de onuitputtelijke bron van vergeving voor de zielen in nood en al diegenen die op zoek zijn naar de volmaakte liefde!


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 32-35.


 

Verering van en devotie tot het Heilig Hart van Jezus

HET HEILIG HART VAN JEZUS

Op 15 mei 1956 publiceerde Paus Pius XII de encycliek over de “Verering van en devotie tot het Heilig Hart“ ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de beslissing van Pius IX om de Mis van het Heilig Hart, die tot dan toe was voorbehouden aan bepaalde bisdommen en religieuze families, uit te breiden tot de universele Kerk.

Dit nieuwe pauselijke document wilde duidelijkheid brengen aan allen die, reeds voor het Tweede Vaticaans Concilie, deze devotie in twijfel trokken en deze niet alleen ontkenden maar zelfs lasterden.

Neen, deze devotie die door verschillende Pausen (waaronder Paus Paulus IV) warm werd aanbevolen, is verre van ouderwets of achterhaald.

Pius XII gaat zelfs zover dat hij de verering van het Heilig Hart ‘dé religieuze daad bij uitstek’ noemt. Door deze verering niet ernstig te nemen, zouden wij ons schuldig maken aan lichtzinnigheid. De Kleine Zielen moeten haar, meer dan wie ook, in hun geestelijk leven een ereplaats toekennen. Zij beschouwen de ‘Boodschap’, waarvan zij de apostelen en ijverige verspreiders zijn, als een zuiver uitvloeisel van het ‘Barmhartig Hart van Jezus’.

 

1. De redenen voor onze devotie tot het Heilig Hart

 1.1. Deze verering, deze devotie heeft vooral het fysiek Hart van Onze-Lieve-Heer tot voorwerp. Dit hoeft ons niet te verwonderen, aangezien de Persoon van Christus aanbeden kan worden in zijn twee naturen. In zijn lichaam en in zijn ziel, waarmee het Woord van God zich wezenlijk verenigd heeft. Hier vereren wij dat gedeelte van het lichaam dat, samen met het hoofd, het edelste is, namelijk het Hart.

Iedereen weet dat dit orgaan een weerslag krijgt van alle hartstochten of emoties van de ziel, voornamelijk deze die zijn liefde uitdrukken. Het is natuurlijk niet de oorzaak van de liefde, maar een echo ervan.

Welnu, de liefde van Jezus is niet alleen de liefde van een God, die daardoor oneindig is, maar ook de liefde van een absoluut volmaakte Mens. Het Hart van Jezus wordt terecht gebuikt als symbool van zijn Liefde, die tegelijkertijd goddelijk en menselijk is. Door ons zijn Hart te geven; “Ziehier het Hart dat de mensheid zozeer heeft bemind”, geeft Jezus ons tegelijkertijd de Liefde van een vrijgevige Reddende God en de liefde die klopte in zijn mensenhart. In deze concrete en tastbare vorm begrijpen wij de Liefde van God veel beter. Deze Liefde is letterlijk ‘onbe-grijp-elijk’. We lezen in de Boodschap over dit onderwerp:

“Mijn kind, ge zijt zeer eng betrokken bij een groot mysterie: de ondoorgrondelijke Liefde van mijn goddelijk Hart voor alle mensen.” 31.10.65 

Paulus herinnerde de Efeziërs dus terecht aan de “grote liefde waarmee God ons heeft liefgehad” (Ef.2,4).

1.2. Anderzijds is de Liefde de directe oorzaak van alles wat God heeft ondernomen voor de mensen.

Het is uit liefde dat Hij ons heeft geschapen, om ons niet alleen deelgenoten te maken van zijn Wezen, maar ook van zijn Zaligheid, terwijl Hij van in alle eeuwigheid aan ons dacht. Het is uit liefde dat Hij zijn Zoon in de wereld heeft gezonden om ons te verlossen: “Zozeer immers heeft God de wereld lief gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat de wereld zou worden gered” (Joh. 3,6-17). Het is uit liefde dat Hij ons heiligt, om ons in staat te stellen om op een dag deel te kunnen hebben aan zijn geluk in datgene wat men in de theologie de ‘zaligmakende liefde’ noemt.

De wonderlijke gaven van zijn liefde zijn: de goddelijke Eucharistie – evenals de andere sacramenten -‚ de H. Geest, de H. Maagd Maria, de Kerk zelf, en niet te vergeten alle persoonlijke en bijzondere genaden die God graag schenkt aan elke ziel.

Al deze gaven ontspringen aan het Heilig Hart van Jezus, dat door de lans van de soldaat doorboord werd. Indien wij het H. Hart niet zouden vereren op de wijze die het toekomt, zouden wij het zwaar te kort doen. En dan begrijpen we waarom Paus Pius XII zo aandrong en deze ‘zoete vorm van devotie’ zo aanprees. Wie deze weldaad, door Jezus Christus aan zijn Kerk geschonken, onderschat, handelt slecht en roekeloos en beledigt God zelf.

Voor ons is het belangrijk stil te staan bij de houding die de Kleine Zielen moeten aannemen tegenover het H. Hart.

 

2. Om Jezus waardig te zijn, moet de liefde van de Kleine Zielen volgende eigenschappen bezitten: 

2.1. Nederig zijn
Laat ons luisteren naar wat de Boodschap zegt over dit onderwerp:
“Mijn Hart neigt zich met tederheid over wie zich vernedert.” 4.10.67
“Er zijn royale gebeden die mijn goddelijk Hart diep ontroeren: het gebed van de nederigen in de zuiverste broederlijke liefde.” 9.1.67
“De nederigheid, die mijn Hart zo dierbaar is, ontbreekt in uw ziel.” 24.2.69 

Deze laatste woorden zijn bestemd voor hen die de oproepen tot liefde afwijzen en die in een staat van onverschilligheid en zonde vervallen.

2.2. Vertrouwen
“Denkt niet dat ge te onwaardig zijt om Mij te benaderen. Ik zal u de heilige stoutmoedigheid geven van de kinderen Gods. Want met heel de tederheid van mijn Hart heb Ik u allen lief zoals ge nooit zult bemind worden.” 11.4.67
“Bemint Mij met een hart vol vertrouwen.” 28.1.67
“Uw liefde, dat weet ge, stemt mijn Hart opgetogen. Maar Ik zou oneindig verdrietig zijn als ge aan Mij twijfelde.” 15.5.67
“Wie op Mij al zijn vertrouwen stelt, al zijn hoop, die is het gezegende kind van mijn Allerheiligste Hart.” 9.9.67 

En verder, vol overgave:
“De liefdevolle overgave treft Mij op lieflijke wijze in mijn goddelijk Hart.” 21.4.72 

2.3. Als onze liefde waarachtig en intens is, heeft ze invloed op het Hart van Jezus.
“Kent ge de macht van een klein kind? Op het hart van zijn ouders? Op het Hart van zijn God?” 13.11.66 
“Ge kent uw invloed op mijn Hart niet.” 14.4.67 

2.4. Hartstochtelijk
Onze liefde voor Hem zou zo hartstochtelijk moeten zijn, als de liefde van alle Heiligen, die de volledige betekenis begrepen van het gebod ‘Gij zult de Heer uw God beminnen, met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht’. In dit verband houdt Jezus ons het voorbeeld van de bekeerlingen voor ogen, die beminnen zonder berekening en die zich ten volle geven.
“De bekeerlingen, kind, waren en zijn de hartstochtelijkste minnaars van mijn goddelijk Hart. Meer dan anderen vatten zij de waarde van de liefdeblijken die ze van Mij ontvangen.” 9.11.66 

Dat is trouwens de reden waarom Hij onverschilligheid verafschuwt;
“De onverschilligheid kwetst mijn Hart wreedaardiger dan de lans die het doorboorde.” 12.4.68

 

3. Hoe kunnen wij onze liefde uitdrukken?

3.1. We moeten ons realiseren dat onze weigering om Hem te beminnen tot gevolg kan hebben dat we zijn goddelijke vriendschap verliezen en dat we daardoor ten onder kunnen gaan.
“Wat is deze tijd smartvol voor mijn Hart! Moet Ik dan in mijn onmacht zoveel bitterheid doorstaan omdat ge weigert Mij te beminnen met al de eerbied die ge Mij verschuldigd zijt?”11.9.68
“Mijn Hart dat vol liefde is siddert smartelijk, omdat ze niet openstaan voor de Waarheid. Ze stellen alle hoop op hun gouden kalf, overladen het met eerbewijzen, eerbewijzen bestaande uit compromitterend geschipper en ondeugd.” 10.12.68 

3.2. Wenen om onze zonden en die van de wereld
“Beween veeleer de zonden van de wereld, die zo smartelijk het Hart van uw Vriend treffen”. 3.7.67
“Smeek onverpoosd om vergeving voor de zonden die ononderbroken mijn goddelijk Hart kwetsen.” 10.10.67 

3.3. Zonden weer goed maken
“Maak door veel liefde de tekorten, de beledigingen en de krenkingen goed, die mijn goddelijk Hart vandaag zullen kwetsen.” 27.2.67 

3.4. Hem troosten
“Mijn Kleine Zielen zullen mijn goddelijk Hart troosten. Met almaar meer tederheid en edelmoedigheid. Zo zullen ze de liefdedorst lessen die Mij kwelt.” 19.1.67 
“Troost vandaag mijn goddelijk Hart door veel liefde.” 11.3.68 
“Harten waarin Ik mijn toevlucht zoeken kan, vind Ik niet veel; ze zijn in beslag genomen door hun ijdelheden. ” 22.2.67 

3.5. Hij vraagt ons te bidden, met Hem verbonden te blijven, bij zijn Hart uit te rusten en Hem steeds weer onze liefde te verklaren.
“Zeg Mij en herhaal Mij deze woorden: ik bemin U! Als een gloeiende straal dringen ze diep in mijn goddelijk Hart en branden daar heerlijke wonden.” 9.8.66 
“Ik wil u hebben daar waar gij zijt, onbegrepen, heel en al verscholen in het Hart van uw God.” A1
Zie de wijd open armen van uw God. Kom rusten aan mijn goddelijk Hart, mijn welbemind kind, en vergeet al uw zorgen.“ 16.2.66 
“Mijn Hart is uw heiligdom. Daar houd Ik mijn lief kind gevangen.” 15.6.66 

Hij houdt ons voor dat zijn Hart de ‘onschendbare schuilplaats van de goddelijke liefde’ is. (29.7.07); en dat wij zijn Hart kunnen dwingen wanneer wij met aandrang bidden.
“Dwing mijn goddelijk Hart.” 6.7.68 
“Wanneer ge bidt, laat dan uw zorgen buiten bij de deur. Maar als de zwakheid dit verhindert, kom dan met de zorgen uw toevlucht zoeken aan mijn Hart. Ik zal er mijn deel van overnemen.” 27.8.68 

3.6. Hij verheugt zich over onze inspanningen
“Uw inspanningen, kindertjes, om te getuigen voor uw God, vervullen mijn Hart met zoete vreugde.” 29.3.72 

3.7. Ze moeten ingegeven worden door de liefde, die ons genoeg kracht zal geven om het lijden te aanvaarden.
“Wie lijdt vertoeft dicht bij mijn Hart.” 14.7.70 

3.8. Zo zullen wij de genade verkrijgen te beminnen wie ons kwaad doet.
“Beminnen wie u bemint houdt geen enkele verdienste in. Maar beminnen al wie u kwaad doet, daardoor verwerft ge de hemel en het Hart van uw God.” 13.3.67 

“God is Liefde” (1 Joh. 4, 16). Hoe kon Hij het ons beter duidelijk maken, dan door ons zijn Hart te laten zien? Een ‘mens met een hart’ kan ons bekoren en veroveren. Waarom zouden wij onverschillig blijven, wanneer het gaat om het Hart van een God dat zelfs niet te vergelijken is met het hart van de beste mens?

Deze devotie heeft Jezus zelf ons willen inprenten in een tijd waarin het jansenisme hoogtij vierde ‘de donkerste dwaling, de gevaarlijkste die ooit de hel uitbraakte’, omdat zij de zielen afkeerde van de H. Eucharistie. De devotie tot het H. Hart is waarlijk de school van de liefde. “Wij aarzelen niet om de devotie tot het Allerheiligste Hart van Jezus voor te stellen als de meest doeltreffende school van de goddelijke liefde” (Pius XII). En daarmee is zij meer dan genoeg gerechtvaardigd.

Als we deze devotie in de praktijk brengen, hoeven wij, Kleine Zielen, het goddelijk oordeel niet te vrezen.
“De Kleine Zielen van mijn goddelijk Hart staan onder mijn bescherming.” 27.3.70
“In de tederheid van mijn Hart zal Ik u oordelen. Ge kent de liefde die Ik voor u gevoel.” 27.3.67 

Wat kunnen wij nog meer zeggen ten voordele van deze devotie, de bestaansreden van de Kleine Zielen? Zij ontspruiten immers als het ware uit het Barmhartig Hart van Jezus, uit zijn zijde die met een lans doorboord werd, om de wereld beter de ‘onmetelijke rijkdommen’ van de liefde van God te leren kennen. De mensen hebben deze liefde zo hard nodig. Nooit zullen zij hun leven kunnen beteren, als zij zich niet resoluut tot Hem wenden, de Enige die hen kan helpen om hun problemen en hun moeilijkheden op te lossen en hen kan troosten bij hun beproevingen.

“Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken” (Mt. 11,30).


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 19-23.


 

De Hemelse en Barmhartige Vader is een en al Liefde

DE HEMELSE BARMHARTIGE VADER

Heel de menselijke broederschap berust op het geloof in één enkele Vader, die in de hemel is en in de liefde die wij Hem verschuldigd zijn.

Het is in Hem en door Hem dat wij ons allen verenigen. Het is door Hem te beminnen dat wij onze broeders kunnen beminnen, dat wij onszelf en onze broeders kunnen erkennen als kinderen van dezelfde Vader. Telkens als wij het ‘Onze Vader’ bidden, worden wij aan deze fundamentele waarheid herinnerd. De Boodschap zegt het ons uitdrukkelijk:
”… Ik vraag dat ge elkaar zoudt liefhebben als kinderen van een zelfde Vader die elkeen onder u teder bemint. En allen verbonden door de zoete banden der broederlijke liefde.” 2.4.68. 

Laten wij proberen om zijn Liefde beter te begrijpen. In de Boodschap spreekt Jezus ons over deze Liefde en verwijst Hij dikwijls naar zijn hemelse Vader, wiens wil Hij is komen volbrengen. Het is dus interessant voor ons om te weten in welke bewoordingen Hij tot ons spreekt. Zo zullen we beter onze plichten tegenover Hem begrijpen en het vertrouwen dat Hij van ons verwacht leren kennen.

1. De Vader beter kennen 

God de Vader wordt in de geloofsbelijdenis voorgesteld als de Schepper van alle dingen. Hij verwekt Zijn Zoon in eeuwigheid. De H. Geest is de levende Band tussen hen beiden. Daardoor is Hij de bron, waaruit alle liefde ontstaat. Wat we vooral van Hem moeten weten, is dat Hij Liefde is!

1.1. De Vader is één en al Liefde
”En Ik heb u  met een uitzinnige liefde bemind, dezelfde waardoor mijn hemelse Vader voor elkeen van u bezield was in de hemel.” 12.10.66. 

Waar zou Jezus deze uitzinnige liefde, waarmee Hij ons bemint, anders kunnen vinden dan in het Hart van de Vader? De liefde van de Vader voor zijn arme schepselen, die onderworpen zijn aan zoveel ellende, neemt de vorm aan van barmhartigheid. Hij is de “Vader van alle Barmhartigheid en de God van alle vertroosting”.
“Mijn Hart wacht op u en bemint u, niettegenstaande uw fouten, uw ongerechtigheden. Gij zijt de kindertjes van uw hemelse Vader. Want uw zonden hebben Hem niet voor eeuwig van u afgewend.” 22.8.67. 
”Ik waarschuw, Ik berisp, Ik vermaan en Ik bid. Ja, ik bid voor U tot de Vader van Barmhartigheid, opdat uw oren en uw hart zich tenslotte zouden openen voor de Waarheid.” 1.4.70. 
“Er zijn kinderen die zich weerspannig gedragen tegenover hun Vader die hen met genaden overstelpt heeft, en de Vader oefent geduld en kijkt aanhoudend uit naar enig teken van berouw om te vergeven.” 14.9.71. 
“Als voor kleine verloren zonen die spijt hebben over hun fouten, zo zal de hemelse Vader zijn armen voor hen openen.” 26.2.68. 

1.2. Zijn barmhartigheid doet Hem afdalen naar ons, kleine kinderen. Zo hebben de Kleine Zielen een bijzondere plaats in zijn Hart.
“De kleinen komen naar de Vader met al hun miseries omdat zij ernaar streven ervan verlost te worden, maar dit niet vermogen zonder Hem. Men moet klein zijn vooraleer groot te worden. Het Onuitsprekelijke laat zich enkel vatten door de kleinen en die op hen gelijken.” 26.11.72 

1.3. Toch geeft Hij niets prijs van zijn gezag.
“Alles moet onderworpen zijn aan mijn wet. Niet allen aanvaarden deze wet en komen ertegen in opstand. Dit zijn de verloren zonen, die zich verzetten tegen het gezag van de Vader. En hoevelen helaas zullen nooit in het ouderlijk huis terugkeren?” 29.7.67 

Hij zal dus zijn gerechtigheid uitoefenen met goddelijke strengheid. Jezus spreekt met kennis van zaken, want Hij heeft het zelf ervaren tijdens zijn Lijden.
“Ik heb op Mijn ziel de last voelen drukken van uw zonden en de gerechtigheid van mijn Vader”. 12.10.66 
“Volgens de enen zou lk God en Vader zijn, volgens de anderen God en Gerechtigheid. Ik ben liefhebbende God voor allen.” 14.9.71 

2. Jezus verwijst naar de Vader 

Want het is door Jezus dat wij naar de Vader gaan. Hij leert ons, naar Zijn voorbeeld, om in alles de heilige Wil te volbrengen. “Mijn voedsel…”

2.1. Hij leert ons de Vader kennen:
“Niemand kent de Vader als hij Mij niet reeds kent. (Om de eenvoudige reden dat de Vader en Hij slechts Eén zijn.) Want zoals Ik één ben in Mijn Vader, zo is Hij één in Mij. 18.5.70.

Jezus verklaart zich verschillend van de Vader als Persoon, terwijl Hij zich door zijn goddelijke natuur toch met Hem identificeert en Zichzelf ook onze Vader noemt. Dit door de genade die ons ‘deelachtig maakt aan de goddelijke natuur’.
”Zowel in twijfel, in wanhoop als in vreugde sta Ik u bij, omdat Ik uw almachtige Vader ben, die zijn kleinen liefheeft met een ongeschapen liefde.” 24.5.70 
”Als de mensen weigeren zich aan de wet te onderwerpen die Ik aan Petrus heb overgedragen, dan zal Ik Mij van mijn plichten als Vader tegenover hen ontslagen achten. Enkel spijt en waarachtig berouw zal Mij tot hen doen terugkeren.” 4.8.68 
”Weest één ziel in mijn goddelijk Hart. Omdat Ik u heb uitverkoren onder zoveel anderen en omdat ge Mij verschuldigd zijt wat ge zijt: voor Mij gelijken, met dezelfde hoedanigheid, kinderen van eenzelfde Vader en eenzelfde Moeder.” 17.7.68 
“Ik ben in wie Mij met de Vader en de Geest liefheeft, en leef in zijn hart met heel mijn volheid.” 31.5.67 
“Ben Ik Vader, Ik ben ook God, en als zodanig eis Ik geëerbiedigd te worden in mijn Liefdesakrament dat men hoont en belachelijk maakt.” 27.3.70 
“Leef een leven van diepe eensgezindheid in het Hart van uw Vader.” 24.5.70 

2.2. Hij offert zich aan de Vader als zoenoffer voor ons.
“Zie mijn met nagels doorboorde handen in een vurig smeekgebed voor allen naar de Vader opgeheven.” 23.2.67 
”Ik liet hen (zijn vijanden) zich verzadigen aan mijn lijden want in mijn Hart had Ik het offer, dat door mijn Vader was gevraagd, aanvaard. Mijn smart werd echter vertienvoudigd, doordat Ik wist dat Ik door mijn overgave aan hun folteringen toch niet al mijn kinderen zou redden en dat voor velen mijn offer vruchteloos zou zijn.” 30.3.72 

2.3. Hij zal onze Rechter zijn, maar om ons naar de Vader te leiden en ons in zijn Handen over te geven.
“Gered worden alleen zij die wensen gered te worden alsmede alle zielen van goede wil. En bij het laatste oordeel zal Ik hun zeggen: “Komt gezegenden van mijn Vader, komt bezit nemen van het Rijk dat Ik u bereid heb door mijn bloedig Kruisoffer.” 8.8.71 

3. Wat de Vader vraagt: liefde en vertrouwen 

“Geholpen door een groter vertrouwen in Mijn Barmhartigheid, zal de liefde bergen van harten doen ontstaan, die de plannen van de vijand verijdelen. Bergen die door hun getuigeniskracht de hoogste hemel raken en vol vreugde een tedere liefdesgroet worden voor de Hemelse Vader, Schepper van al wat bestaat.” 31.1.67 
“Wat doet het ertoe dat men arm is? Heb Ik niet als God en Vader de plicht bescherming te verlenen aan hen die enkel op Mij rekenen?” 2.10.67 

De actuele miskenning en geringschatting van het vaderschap is waarschijnlijk de oorzaak van de onverschilligheid en zelfs het wantrouwen van sommige mensen tegenover de hemelse Vader.

Zijn onvergelijkbaar gezag en Majesteit vormen zijn aureool, dat enkel aanbiddende bewondering kan opwekken bij rechtschapen mensen. Bovendien is Hij geheel en al Liefde, de bron zelf van de Liefde, zoals we hierboven beschreven. Waarom is Hij dan bij zoveel mensen in ongenade gevallen? Waarschijnlijk omwille van zijn superieure grootheid die de eigenliefde kwetst van schijnbaar democratische geesten die aanhangers zijn van het egalitarisme.

Wij kunnen Hem natuurlijk niet behandelen als onze ‘makker’. Waar zouden dan het respect en de liefdevolle aanbidding blijven? Maar als we Hem respecteren, mogen we op vertrouwelijke wijze tot Hem spreken, van persoon tot persoon. Hij is in de hemel, ja, maar tegelijkertijd zo dicht bij ons!

Ja, laten wij gelukkig zijn dat wij een Vader in de hemel hebben, die ons bemint en die in onze harten aanwezig is. Een Vader aan wie niets ontsnapt dat ons aangaat en wiens aandachtige zorg tot in de kleinste details van ons leven te voelen is. Wij kunnen dus nooit overdrijven in ons vertrouwen en onze kinderlijke overgave!


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 16-18.