Pater Daniel: H. Eucharistie, het hart van het christelijk geloof (deel 1)

Donderdag van vorige week vierden we Sacramentsdag met de nodige luister en aanbidding na de Eucharistie tot middernacht. Dit feest werd ingesteld in de 13e eeuw, onder impuls van de heilige Juliana van Cornillon (+ 1258). Zij ijverde voor de erkenning en verering van de werkelijke aanwezigheid van Jezus’ Lichaam en Bloed in de heilige Eucharistie. Aangezien dit geloof ook in onze tijd erg verzwakt is, willen we dit nu in het licht stellen.

De vaste leer doorheen de eeuwen

Dit is maar één aspect van het alomvattend mysterie van de Eucharistie, maar het raakt werkelijk het hart van het christelijk geloof en is wezenlijk voor de vitaliteit zowel van de afzonderlijke gelovige als van de gemeenschap.

In de geschiedenis van de Kerk werd dit geloofspunt herhaaldelijk door ketters bestreden of betwijfeld. De strijd eindigde telkens in een vuriger geloof in de werkelijke aanwezigheid van Jezus in de Eucharistie omdat het de heldere leer is van Jezus, de Evangelies, de Kerkvaders, het kerkelijk leergezag en de concilies…

Johannes 6

“… Ik zeg u als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn Bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u… Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank...” (Johannes 6, 53-56). Vijfmaal herhaalt Jezus deze uitspraak in het zesde hoofdstuk van het Johannes-Evangelie. Hij begint en eindigt met een sterke oproep tot geloof in Hem.

Sommigen willen daarom heel deze rede herleiden tot een dringende aansporing om in Hem te geloven. Heel goed. We kunnen echter niet ontkennen dat Jezus hier spreekt over de werkelijkheid van zijn Lichaam en Bloed, weliswaar van zijn Verrezen Lichaam. Het is geen oproep tot kannibalisme maar tot deelname aan zijn verrijzenis door zijn verheerlijkt Lichaam en Bloed te nuttigen.

De reactie van de luisteraars en de apostelen laat zien dat ze goed begrepen hebben dat Jezus het heeft over de werkelijke aanwezigheid van zijn Lichaam en Bloed, en niet over een symbolische of figuurlijke betekenis. Velen zijn geschokt en willen weggaan. En Jezus antwoordt zijn apostelen niet in deze zin: je moet het allemaal niet zo letterlijk nemen… neen, Hij vraagt hen: “Wilt ook gij soms weggaan?” (Johannes 6, 67

Laatste Avondmaal

De evangelisten hebben ons het verslag gegeven van hun allerlaatste, erg emotionele samenzijn met Jezus. Jezus neemt brood, zegent het, breekt het en zegt: “Neemt, eet, dit is mijn Lichaam”. Dan neemt Hij een beker wijn, zegt een dankgebed en geeft hem aan zijn apostelen terwijl Hij zegt: “Drinkt allen hieruit. Want dit is mijn Bloed van het Verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden” (Mattheus 26, 26-27).

Het getuigenis van de heilige Paulus sluit hier volkomen bij aan. Hij schrijft precies hetzelfde waar hij uitdrukt dat hij deze overlevering gekregen heeft en nu trouw wil doorgeven aan de geloofsgemeenschap te Korinthe (1 Korinthiërs 11, 23-25). Hij schrijft dit helemaal in het begin van de jaren 50!

Eensgezindheid van de kerkvaders

Wie een uitgebreide bloemlezing ter hand neemt van oud-christelijke geschriften over de Eucharistie (1) wordt meteen getroffen door de eensgezinde opvatting van de Kerkvaders. Zij vermelden inderdaad ook de woorden “mysterie”, “wonder”, en zelfs “symbool”… maar zij verduisteren nooit de werkelijke aanwezigheid van Jezus’ Lichaam en Bloed.

Ignatius van Antiochië (+ ca 107), Justinus de martelaar (+ ca 165), Ambrosius (+ 397), Johannes Chrysostomus (+ 407), Augustinus (+ 430) … Zij hebben nooit anders dan letterlijk de woorden verstaan van Jezus, van de Evangelies en van de heilige Paulus.

Waarlijk, werkelijk, wezenlijk

De katholieke Kerk heeft in het concilie van Trente (in 1551) het duidelijkst deze werkelijke aanwezigheid vastgelegd in canon 1 over de Eucharistie: “vere” = waarlijk, dus niet figuurlijk, symbolisch of ingebeeld; “realiter” = werkelijk, dus niet subjectief of volgens persoonlijk oordeel; “substantialiter” = wezenlijk (2).

Hiermee is de leer verbonden van de ”transsubstantiatie”: de uiterlijke schijn van brood en wijn blijven behouden, maar de wezenheid is veranderd in het Lichaam en Bloed van de verrezen Heer. Het is een mysterie, maar het is niet onredelijk.

Encyclieken over de Eucharistie

In vele encyclieken hebben pausen geschreven over de heilige Eucharistie. De drie voornaamste, die uitsluitend over de Eucharistie handelen zijn deze: Mirae caritatis (Paus Leo XIII, 1902), Mysterium Fidei (Paus Paulus VI, 1965), Ecclesia de Eucharistia (Paus Johannes Paulus II, 2003).

Leo XIII benadrukte sterk de noodzaak om het offer van Jezus na te volgen door een daadwerkelijke naastenliefde. Paulus VI voorzag de moeilijkheden die na het Tweede Vaticaans Concilie zouden ontstaan door pogingen om nieuwe interpretaties te zoeken voor de Eucharistie, wat inderdaad gebeurd is. Hij waarschuwde voor deze misvattingen en herbevestigde de reële tegenwoordigheid van Jezus in de Eucharistie. Johannes Paulus II stelde de Eucharistie voor als het middelpunt van het leven van de Kerk: “De Kerk leeft uit de Eucharistie!”

Besluit

Na de consecratie is onder de uiterlijke gedaante van brood en wijn werkelijk het Lichaam en Bloed van de Verrezen Heer Jezus Christus aanwezig. Dat noemen we de transubstantiatie. Het blijft een mysterie, maar is niet onredelijk. Iedere poging om hieraan een andere uitleg te geven is en blijft een ontsporing. De wijze waarop dit geloof wordt aanvaard, beleden en gevierd, bepaalt de vitaliteit van de gelovige en van de kerk. (Wordt vervolgd).

(1) HERMANS J., Uw geheim ligt op de tafel des Heren, Tabor, Brugge, 1983

(2) Enchiridion Symbolorum, Denzinger-Schönmetzer, 32e uitgave, Freiburg 1963, nr. 1651


P. Daniel

Sacramentsdag

Hoogfeest van het Heilig Sacrament van het Lichaam en Bloed van Christus

Inleiding

Dierbare kleine zielen,

Wij leven in een tijd waarin bijna alles snel gaat. Via onze telefoon staan we voortdurend met elkaar in contact. We sturen berichten, foto’s en video’s. Toch hoor je vaak dat mensen zich eenzaam voelen. Blijkbaar is verbonden zijn niet hetzelfde als werkelijk verbonden leven. Je kunt honderden contacten hebben en je toch alleen voelen. Juist daarom is het evangelie van vandaag zo bijzonder. Jezus spreekt niet over een oppervlakkige verbinding, maar over een verbondenheid die dieper gaat dan alles wat mensen elkaar kunnen geven.

Preek

In de eerste lezing horen we hoe God zijn volk door de woestijn leidde. De Israëlieten hadden honger en God gaf hun manna, brood uit de hemel. Dat brood hield hen lichamelijk in leven tijdens hun tocht naar het Beloofde Land. Maar Jezus zegt vandaag dat Hij veel meer geeft dan het manna. Hij zegt: “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald.” Daarmee bedoelt Hij dat Hijzelf het voedsel is dat de mens nodig heeft om werkelijk te leven.

Dat klinkt misschien vreemd. Waarom vergelijkt Jezus zichzelf met brood? Omdat brood iets heel gewoons is. In veel culturen is het dagelijks voedsel. Zoals je niet zonder eten kunt leven, zo zegt Jezus dat de mens uiteindelijk ook niet zonder God kan leven. Wij proberen vaak gelukkig te worden door succes, bezit, prestaties, relaties of ervaringen. Dat zijn allemaal mooie dingen, maar ze kunnen de diepste honger van ons hart niet vervullen. Uiteindelijk verlangt ieder mens naar liefde die blijft, naar waarheid die betrouwbaar is en naar een leven dat sterker is dan de dood. Alleen God kan dat verlangen vervullen.

Daarom zegt Jezus iets wat zijn toehoorders schokkend vonden: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven.” Voor de mensen die Hem hoorden was dat bijna onmogelijk te begrijpen. Maar tijdens het Laatste Avondmaal werd duidelijk wat Hij bedoelde. Toen nam Jezus brood en zei: “Dit is mijn lichaam.” Hij nam de beker met wijn en zei: “Dit is mijn bloed.” Vanaf dat moment heeft de Kerk altijd geloofd dat Jezus zichzelf werkelijk aan ons geeft in de Communie.

Dat is waarom de priester tijdens iedere Mis na de consecratie uitroept: “Het mysterie van het geloof.” Niet omdat het onbegrijpelijk of onlogisch zou zijn, maar omdat het zo groot is dat ons verstand het nooit helemaal kan bevatten. God neemt ons mensen zo serieus dat Hij niet alleen van veraf naar ons kijkt. Hij is mens geworden in Jezus Christus. En Hij wil ook nu nog dichtbij ons blijven. Daarom blijft Hij aanwezig onder de tekenen van brood en wijn.

Wanneer wij ter communie gaan, ontvangen wij niet zomaar een herinnering aan Jezus. Wij ontvangen niet alleen een symbool. Wij ontvangen Christus zelf. Hij komt in ons leven, in onze vreugde, onze vragen, onze twijfels en onze zorgen. Hij wil ons van binnenuit kracht geven. Hij wil ons helpen om lief te hebben, te vergeven, opnieuw te beginnen en hoopvol te blijven wanneer het leven moeilijk wordt.

Paulus voegt daar vandaag nog iets belangrijks aan toe. Hij zegt: “Omdat het brood één is, vormen wij allen samen één lichaam.” De eucharistie verbindt ons niet alleen met Christus, maar ook met elkaar. In een samenleving waarin mensen vaak tegenover elkaar staan, waarin meningen botsen en groepen uit elkaar groeien, laat Jezus zien wat echte gemeenschap betekent. Rond hetzelfde altaar worden wij broeders en zusters van elkaar. De Kerk ontstaat niet eerst door activiteiten, vergaderingen of projecten. De Kerk ontstaat doordat Christus ons samenbrengt rond zijn altaar en ons laat delen in zijn leven.

Dat is ook de reden waarom de Kerk vraagt om met eerbied naar de communie te gaan. Wanneer je beseft Wie je ontvangt, begrijp je dat dit geen gewoon moment is. Het is een ontmoeting met de levende Heer. Daarom worden wij uitgenodigd ons hart open te stellen voor Hem en steeds opnieuw te groeien in geloof en liefde. Niet omdat wij perfect moeten zijn, maar omdat wij bereid moeten zijn ons door Christus te laten vormen.

Beste parochianen, veel dingen in het leven gaan voorbij. Trends veranderen, technologie verandert, mensen veranderen. Maar Jezus blijft. Al tweeduizend jaar klinkt dezelfde belofte: “Ik ben het levende Brood dat uit de Hemel is neergedaald.” Iedere eucharistieviering herinnert ons eraan dat wij er niet alleen voor staan. Christus leeft. Hij is aanwezig. Hij geeft zichzelf aan ons, om bij ons te zijn.

Wanneer wij vandaag naar het altaar kijken, zien wij het brood van de hostie en de beker met wijn. Maar met de ogen van het geloof mogen wij meer zien. Wij mogen zien dat God zelf ons nabij wil zijn. Dat is het mysterie dat wij vandaag vieren: Jezus Christus, die Zichzelf aan ons geeft, Zijn Lichaam en Bloed, opdat wij leven zouden hebben, en wel leven in overvloed.

Amen.

Pastoor Geudens

H. Maria, Moeder van de Kerk (ipv 2e pinksterdag)

H. Maria, Moeder van de Kerk

Inleiding

Na het Pinksterfeest van gisteren viert de Kerk vandaag het feest van de heilige Maria, Moeder van de Kerk. Dat is geen toevallige plaatsing in de liturgie. Pinksteren en Maria horen wezenlijk bij elkaar. Gisteren vierden wij hoe de heilige Geest werd uitgestort over de apostelen. Vandaag richt de Kerk onze aandacht op Maria, die midden tussen hen aanwezig was in de bovenzaal van Jeruzalem, volhardend in gebed en verwachting.

Preek

Maria staat in het hart van de Kerk. Zoals zij door de werking van de heilige Geest de Moeder werd van Christus, zo wordt zij ook Moeder van allen die door Christus verlost zijn. Daarom noemt de Kerk haar “Moeder van de Kerk”.

Die titel is nauw verbonden met het geloof van de vroege Kerk. Rond het jaar 400 ontstond een grote discussie over wie Jezus Christus werkelijk is. Nestorius, patriarch van Constantinopel, leerde dat er in Christus als het ware twee personen waren: een menselijke en een goddelijke persoon. Volgens hem kon Maria daarom alleen “Moeder van Christus” genoemd worden, maar niet “Moeder van God”.

Daartegenover stonden Cyrillus van Alexandrië en vele bisschoppen, samen met paus Celestinus. Zij benadrukten dat Jezus Christus één Persoon is: de Zoon van God, die werkelijk mens is geworden. In Hem zijn de goddelijke en menselijke natuur onlosmakelijk verenigd. Daarom werd op het Concilie van Efeze in 431 plechtig uitgesproken dat Maria terecht “Moeder van God” genoemd wordt, omdat zij Moeder is van Jezus Christus, de Godmens.

Die titel blijft de belangrijkste mariale titel van de Kerk. Want alles wat Maria is, verwijst uiteindelijk naar Christus. Zij staat nooit in het middelpunt om zichzelf, maar altijd om haar Zoon. Dat zien wij doorheen heel haar leven. Op de bruiloft van Kana zegt zij: “Doe maar wat Hij u zeggen zal.” Onder het kruis blijft zij trouw aanwezig wanneer bijna iedereen gevlucht is. En juist daar spreekt Jezus de woorden: “Zie daar uw moeder.” In Johannes vertegenwoordigt de geliefde leerling de hele Kerk. Maria ontvangt daar een nieuwe zending: Moeder zijn van allen die bij Christus horen.

Daarom is het ook betekenisvol dat Maria aanwezig is bij Pinksteren. Terwijl de leerlingen nog angstig en onzeker zijn, blijft zij gelovig wachten op de komst van de heilige Geest. Zij bidt mee met de apostelen. Zo wordt zij Moeder van de jonge Kerk, Moeder van allen die door de heilige Geest tot geloof komen.

Ook vandaag heeft de Kerk die moederlijke aanwezigheid van Maria nodig. Wij leven in een wereld vol onrust, verdeeldheid en onzekerheid. Veel mensen zoeken houvast, vrede en richting. De heilige Maagd Maria wijst ons steeds opnieuw naar Christus, de enige Redder van de wereld. Zij leert ons vertrouwen, volharding en openheid voor de werking van de heilige Geest.

Zo komen wij vandaag samen om Gods zegen af te smeken over ons leven, onze gezinnen, onze parochie en de hele Kerk. Dat Maria, Moeder van de Kerk, voor ons ten beste spreke. Dat zij ons helpe om, gedragen door de heilige Geest, werkelijk leerlingen van Christus te zijn.

Amen.

Pastoor Geudens

Er rust geen copyright op deze tekst

5e Zondag van Pasen 2026 – week van Dodenherdenking

Dierbare Kleine Zielen,

De tekst uit het Johannesevangelie die wij dit weekend zullen horen, begint met een duidelijke oproep van Jezus: “Laat uw hart niet verontrust worden.” Hij spreekt deze woorden in een concreet moment: het afscheid nadert, en de leerlingen voelen dat. Er is onzekerheid, angst en verwarring. Wat daar gebeurt, is tegelijk heel herkenbaar voor ieder mens. Want die innerlijke onrust hoort bij ons bestaan.

Het leven van de mens staat namelijk altijd onder spanning. We verlangen naar rust, zekerheid en vrede, maar tegelijk ervaren we kwetsbaarheid, verlies en onzekerheid. Dat zien we vandaag overal: in de wereld, in relaties, maar ook in ons eigen hart. De onrust waar Jezus over spreekt, is dus niet iets uitzonderlijks, maar iets dat bij het mens-zijn hoort.

In deze week van Dodenherdenking krijgt dat nog een diepere betekenis. We denken aan oorlog en geweld, aan mensen die gestorven zijn, vaak op een zinloze manier. Dat confronteert ons met de realiteit van het kwaad en het lijden. Tegelijk roept het vragen op: wat is de zin van dit alles? Waar gaat het naartoe?

Wanneer wij in de liturgie – tijdens de Heilige Mis of in gebedsmomenten in de kerk – kaarsen ontsteken aan de Paaskaars, stellen wij meer dan een louter symbolisch gebaar. Wij belijden daarmee ons geloof: dat het licht van de Verrijzenis sterker is dan de dood, en dat Pasen het laatste woord heeft.

Juist in die situatie zegt Jezus: “Geloof in God, en geloof ook in Mij.” Hij neemt de angst niet weg door haar te ontkennen, maar Hij wijst een richting. Hij brengt de mens opnieuw in relatie met God. Dat is de kern van geloof: niet ontsnappen aan de werkelijkheid, maar je leven toevertrouwen aan God.

Als we naar Jezus zelf kijken, zien we iets opmerkelijks. In de H. Schrift blijft Hij rustig, ook in bedreigende situaties. Niet omdat Hij als mens gewoon sterk is, maar omdat Hij leeft vanuit Zijn verbondenheid met de Vader. Daar ligt de bron van Zijn vrede.

Dan zegt Hij: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” Het betekent dat Hij zelf de Weg is die wij moeten gaan, dat in Hem de Waarheid van God zichtbaar wordt, en dat in Hem het Leven te vinden is dat sterker is dan de dood. Hij sluit daarmee elke andere weg uit, maar tegelijk nodigt Hij ieder mens uit om in die weg te delen.

Vanuit dat perspectief verandert ook onze kijk op de dood. De dood is niet het einde, maar een overgang naar God. Jezus zegt: “In het huis van mijn Vader zijn vele woningen.” Dat opent een toekomst die verder reikt dan dit leven. We zien dat soms concreet, bijvoorbeeld bij mensen die sterven en toch een diepe vrede uitstralen. Die vrede komt niet uit menselijke zekerheid, maar uit vertrouwen op God.

Maar deze hoop heeft niet alleen met de toekomst te maken. Ze heeft ook gevolgen voor het leven nu. Wie Christus volgt als de Weg, de Waarheid en het Leven, wordt geroepen om zelf anders te leven: om vrede te brengen waar onrust is, om verzoening te zoeken waar verdeeldheid is, om hoop te geven waar mensen dreigen te wanhopen.

Ook Dodenherdenking vraagt dat van ons. Niet alleen terugkijken, maar ook vooruitgaan. Niet alleen gedenken, maar ook bouwen aan een wereld die meer beantwoordt aan Gods bedoeling.

Christelijke hoop is geen vlucht uit de werkelijkheid. Ze maakt het juist mogelijk om de werkelijkheid onder ogen te zien zonder eraan te bezwijken. Omdat we weten dat het laatste woord niet ligt bij dood en geweld, maar bij leven en gemeenschap met God.

Zo krijgen de woorden van Jezus hun volle betekenis: “Laat uw hart niet verontrust worden.” Niet omdat er geen reden tot onrust is, maar omdat er een Weg is, een Waarheid en een Leven – in Hem.

Amen.

Pastoor Geudens

Paastijd: De verrijzenis van Jezus als historisch feit

Easter sunrise with 'Jezus is Verrezen' text

De verrijzenis van Jezus als historisch feit

Het paasmysterie omvat twee wezenlijke momenten: Jezus is gestorven en verrezen. De kruisdood van Jezus Christus behoort tot de best historisch onderbouwde gebeurtenissen uit de geschiedenis. Zij wordt niet alleen unaniem bevestigd door de evangelies, maar ook door vooraanstaande geschiedschrijvers uit die tijd.

Om te aanvaarden dat Jezus aan het kruis gestorven is, is geen geloof vereist. Wel is geloof nodig om de diepere betekenis van dit gebeuren te erkennen. Het eerste mensenpaar heeft in hoogmoed Gods aanbod van liefde en geluk afgewezen en wilde zelf als god zijn. De verantwoordelijkheid voor deze schuld heeft Jezus op zich genomen en uitgeboet door zijn menswording, zijn lijden en zijn kruisdood. Zo heeft Hij ons van onze zonden verlost.

Hetzelfde geldt voor de verrijzenis van Christus. Ook dit is een historisch feit, waarvoor op zichzelf geen geloof nodig is — zoals wij verderop zullen toelichten. Om de betekenis ervan te aanvaarden, is echter wel geloof nodig. De verrijzenis van Jezus is de voltooiing van zijn menswording, de vervulling van de beloften en het bewijs van zijn goddelijke oorsprong. Door zijn verrijzenis zijn wij gerechtvaardigd en opnieuw in Gods genade hersteld. Wij zijn weer kinderen van God, geroepen om als zodanigen te leven: gestorven aan de zonde van Adam en levend met Christus. Hierin ligt de bron van onze toekomstige verrijzenis en ons leven met Hem.

Wij willen nu aantonen dat de enige redelijke conclusie uit de feiten is dat Jezus’ verrijzenis als historisch gebeuren moet worden aanvaard. Geen enkel bezwaar houdt uiteindelijk stand.

Het is waar dat niemand ooggetuige is geweest van het moment van Jezus’ verrijzenis. Geen mens heeft gezien hoe Hij uit de dood opstond. Sommigen hebben daarom gesuggereerd dat zijn lichaam uit het graf zou zijn gestolen — door de apostelen, door vrienden of zelfs door vijanden — om de verkondiging van de verrijzenis belachelijk te maken. Anderen menen dat de verschijningen van de verrezen Heer collectieve hallucinaties waren: mensen verlangden zo sterk naar Jezus dat zij meenden Hem te zien. Weer anderen veronderstellen dat de apostelen, diep teleurgesteld na zijn dood, een verzonnen verhaal verspreidden dat Hij verrezen was.

Dat niemand het moment van de verrijzenis zelf heeft gezien, vormt echter geen bewijs dat zij niet heeft plaatsgevonden. Ook het ontstaan van de schepping is door niemand waargenomen. Verrijzenis en schepping overstijgen ons begrip. Het zou dan ook onredelijk zijn te zeggen: “Ik kan niet genieten van de zon en het leven, zolang ik niet kan bewijzen hoe de schepping is ontstaan.”

De hypothese dat het graf leeg was omdat Jezus’ lichaam gestolen werd, houdt geen stand in het licht van wat daarna is gebeurd. Zouden de apostelen en leerlingen bereid zijn geweest hun leven te geven — tot in de marteldood — voor een leugen die zij zelf hadden verzonnen? En als de joodse autoriteiten het lichaam hadden weggenomen om de spot te drijven met de verrijzenis, dan zou de prediking van de apostelen onmiddellijk zijn ontkracht.

Een bijzonder krachtig getuigenis vinden wij bij de apostel Paulus:

“Voor alles heb ik u doorgegeven wat ik zelf als overlevering heb ontvangen: dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften; dat Hij begraven is en op de derde dag is opgewekt, volgens de Schriften; en dat Hij is verschenen aan Kefas en daarna aan de twaalf. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nog in leven zijn, hoewel sommigen zijn gestorven. Daarna is Hij verschenen aan Jakobus en vervolgens aan alle apostelen. Ten slotte is Hij ook aan mij verschenen” (1 Korintiërs 15,3–8).

Enkele jaren na Jezus’ dood verscheen Christus aan Paulus (ca. 34–36), die van een vervolger van christenen veranderde in een vurig verkondiger van zijn dood en verrijzenis. Van Petrus en de andere apostelen ontving hij dit kostbare getuigenis, dat overeenstemt met de evangelieverhalen. Als voormalig strenge farizeeër laat Paulus in deze opsomming de verschijningen aan de vrouwen weg, aangezien het getuigenis van vrouwen in de toenmalige joodse cultuur weinig gezag had. Indien zijn bewering — dat de verrezen Heer verschenen was aan velen die nog in leven waren — onjuist was geweest, zou zijn prediking nooit zo’n uitwerking hebben gehad. De geloofwaardigheid van zijn boodschap zou direct zijn ondermijnd.

Een opmerkelijk detail is dat de Griekse filosoof Celsus, die rond 170–180 na Christus het christendom fel bestreed in zijn werk Het ware woord, de verrijzenis en de wonderen van Jezus niet ontkende. Hij bespotte ze wel en schreef ze toe aan magische praktijken die Jezus in Egypte zou hebben geleerd. Dat hij deze gebeurtenissen niet eenvoudigweg ontkende, kan erop wijzen dat er nog te veel levende getuigen of familieleden waren van mensen die de verrezen Heer hadden gezien.

Een eerste krachtig bewijs voor de echtheid van de verrijzenis is de radicale ommekeer van de apostelen. Tijdens Jezus’ leven konden zij zijn lijden en verrijzenis niet begrijpen of aanvaarden, ondanks zijn herhaalde aankondigingen. Zij verwachtten een politieke messias, een machtige leider die Israël wereldlijke glorie zou brengen. Zelfs na de verrijzenis konden zij aanvankelijk het getuigenis van de vrouwen niet geloven.

Hoe zouden deze zelfde apostelen een verzonnen verhaal kunnen verspreiden over iets waarin zij zelf niet geloofden? Hoe zouden zij, aanvankelijk angstig en onzeker, plotseling de moed hebben gevonden om grote gevaren te trotseren en uiteindelijk hun leven te geven in de marteldood? De meest aannemelijke verklaring is dat de gebeurtenissen werkelijk hebben plaatsgevonden zoals de Schrift ze beschrijft.

Een tweede krachtig argument is de snelle en wereldwijde verspreiding van het geloof in Jezus’ verrijzenis. Slechts enkele decennia na zijn dood werd dit geloof reeds over de toenmalige wereld verkondigd. Overal klonk dezelfde boodschap: Jezus is waarlijk verrezen. Kan dit het resultaat zijn geweest van een verzinsel van enkele ongeletterde vissers uit Galilea?

De meest redelijke verklaring is dat alles verlopen is zoals Jezus zelf heeft voorzegd: Hij is gestorven aan het kruis en op de derde dag verrezen. Hij heeft zijn leerlingen de Heilige Geest geschonken, die hun het inzicht en de kracht gaf om Hem te volgen en zijn boodschap te verkondigen.

Door ons geloof en het doopsel zijn ook wij reeds met Christus gestorven en verrezen. Wij zijn geroepen om na dit aardse leven te delen in zijn verheerlijkt bestaan. Daarbij mogen wij niet vergeten: er is geen verrijzenis zonder lijden en sterven. Maar omgekeerd is er ook geen lijden en sterven waarin niet reeds de kiem van de verrijzenis aanwezig is.

De uiteindelijke verrijzenis van het lichaam zal plaatsvinden op de laatste dag. De verrijzenis van het hart kan echter nu reeds, elke dag, werkelijkheid worden.

Pater Daniel

Programma mei / augustus 2026

Zaterdag 2 mei – Gebedsdag LKZ Nijmegen
(Geestelijke leiding: pastoor H. Vernooij)
Programma:
10.30 uur: Rozenhoedje
11.00 uur: H. Mis
12.00 uur: Lunchpauze
13.00 uur: Conferentie en Lof, tot ongeveer 15.00 uur

Locatie: Pelgrimshuis Casa Nova, Pastoor Rabouplein 5, Heilig Landstichting
Info: Joep Habets – e-mail: habetsjoep@gmail.com, tel. 06-22951332


Zondag 10 mei – Gebedsmiddag LKZ Smakt/Venlo
(Geestelijke leiding: pastoor Geudens)
Programma:
15.00 uur: Heilige Mis met preek
Aansluitend: Aanbidding met rozenkransgebed en biechtgelegenheid
16.15 uur: Zegen met het Allerheiligst Sacrament en Tantum Ergo

Aansluitend gezellig samenzijn in de rectoraatwoning naast de kapel

Locatie: Kerk van St. Jozef, Sint Jozeflaan 58, Smakt
Contactpersoon: mevr. Beurskens – tel. 077-4722959, e-mail: hbcb@hetnet.nl


Woensdag 13 mei – Gebedsdag LKZ Amsterdam
(Geestelijke leiding: pastoor Knudsen of pater Hagenbeek)
Programma:
11.00 uur: H. Mis, met aansluitend Lof en conferentie in de pastorie tot ongeveer 14.00 uur

Locatie: Sint-Agneskerk, Amstelveenseweg 161-163, Amsterdam
Info: mevr. Anki Garthoff – e-mail: anki.garthoff@kpnmail.nl


Zaterdag 16 mei – Busbedevaart naar de kapel van de Barmhartige Liefde te Chevremont (nabij Luik)
(Geestelijke leiding: mgr. E. De Jong, pastoor Vernooij en kapelaan Austin)

Programma:
11.00 uur: Heilige Mis met mgr. E. De Jong als hoofdcelebrant
12.15 uur: Lunchpauze in de refter
13.30 uur: Aanbidding met rozenkransgebed en biechtgelegenheid
14.30 uur: Lezing/presentatie in de refter
16.00 uur: Vertrek naar en bezoek aan Banneux
16.30 uur: Gebed bij de Verschijningskapel
Rond 18.45 uur: Vertrek naar huis

Kosten busreis: € 15
Info: e-mail: legioenkleinezielen@live.com


Dinsdag 19 mei – Gebedsavond LKZ Heer (Maastricht)
(Geestelijke leiding: mgr. E. De Jong)

Programma:
18.30 uur: Rozenkrans en Marialitanie
19.00 uur: H. Mis
19.30 uur: Aanbidding van het H. Sacrament met o.a. Barmhartigheidsrozenkrans, zang, korte lezing uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde en biechtgelegenheid

Aansluitend gezellig samenzijn in de sacristie

Locatie: RK-kerk St. Petrus’ Banden, Heer (Maastricht)
Contact: mevr. Ria Schrijnemaekers – tel. 043-3618906, e-mail: m.schrijnemaekers@ziggo.nl


Zondag 31 mei – Gebedsmiddag LKZ Berg en Terblijt
(Geestelijke leiding: kapelaan Austin)

Programma:
15.00 uur: Aanbidding van het H. Sacrament met o.a. Barmhartigheidsrozenkrans, zang, lezing en biechtgelegenheid
16.00 uur: Gezellig samenzijn in de parochiezaal

Locatie: Dagkapel RK-kerk H. Monulphus en Gondulfus, Rijksweg 73, Berg en Terblijt
Info: Marco Bosch – e-mail: marco.bosch112@gmail.com


Vrijdag 5 juni – Gebedsavond LKZ Parkstad
(Geestelijke leiding: pastoor F. Sweer)

Programma:
19.00 uur: Heilige Mis
Aansluitend: Aanbidding van het H. Sacrament met rozenkransgebed en biechtgelegenheid

Aansluitend gezellig samenzijn op de pastorie

Locatie: RK-kerk van Terwinselen, Kerkrade
Info: e-mail: legioenkleinezielen@live.com


6 t/m 15 juli 2026 – Busbedevaart naar Krakau en Praag
(Geestelijke leiding: mgr. E. De Jong, kapelaan Austin en pastoor Horsch)

Bezoek aan o.a.:
– Heiligdom van de Goddelijke Barmhartigheid van de heilige zuster Faustina (Krakau)
– Czestochowa
– Wadowice
– Heiligdom van het Kindje Jezus van Praag

Inmiddels 67 inschrijvingen!
Info: Angelique en Raimond – e-mail: legioenkleinezielen@live.com


20 (of 21) t/m 23 augustus 2026 – Stille retraite Legioen Kleine Zielen te Banneux
(verblijf te Chaityfontaine)

Info: mevr. Jo Frederickx – e-mail: jo.frederickx1@telenet.be

Mijlpaal van genade – voor de kleine zielen

Mijlpaal van genade – voor de kleine zielen

Geliefde kleine zielen,

Met een dankbaar hart mogen wij een bijzondere mijlpaal delen. Sinds het begin van deze website in 2012 hebben inmiddels meer dan 150.000 bezoekers deze plaats mogen vinden.

Maar voor ons is dit geen getal op zich. Het zijn geen anonieme bezoekers, maar zielen — kleine zielen — die zoeken naar licht, naar troost, naar waarheid en naar de liefde van de Gekruisigde en Verrezen Heer.

Wat hier geschreven en gedeeld wordt, wil niets anders zijn dan een eenvoudig instrument in Gods hand. Als deze woorden ook maar één ziel dichter brengen bij Jezus, dan heeft alles zijn doel bereikt.

Dat zovelen hun weg hierheen vinden, zien wij als een teken dat de Heer zelf werkt in het verborgene. Zoals zo vaak in het geestelijk leven gebeurt het meest vruchtbare in stilte, buiten het zicht van de wereld, maar gekend door God alleen.

Moge deze plaats ook in de toekomst een kleine, verborgen tuin blijven waar zielen mogen rusten bij het Hart van Jezus en groeien in overgave, eenvoud en liefde.

Wij danken u — kleine zielen — voor uw aanwezigheid, uw trouw en uw verborgen gebed.

Een van de beheerders, pastoor Geudens

Laten wij de H. Maagd Maria en onze engelen navolgen

In de school van Maria – een geestelijke weg voor het Legioen Kleine Zielen

Geliefde kleine zielen,

Aan het begin van deze beschouwing wil ik u allen van harte begroeten. Als kleine zielen zijn wij geroepen om een eenvoudige maar diepe weg te gaan: de weg van nederigheid, vertrouwen en gehoorzaamheid aan God. Juist in onze kleinheid mogen wij leren leven zoals Maria heeft geleefd en zoals ook onze heilige engelen leven: geheel gericht op God, zonder eigenbelang, in stille trouw en liefdevolle gehoorzaamheid.

De (onder)titel In de school van Maria vraagt daarom om een korte toelichting. Met deze uitdrukking wordt geen institutionele of devotionele school bedoeld, maar een geestelijke leerschool. In de christelijke traditie wordt Maria immers gezien als het zuivere voorbeeld van het gelovige antwoord op Gods openbaring. Zij ontvangt het woord van God niet vanuit beheersing of volledig begrip, maar vanuit vertrouwen, openheid en gehoorzaamheid. In haar houding wordt zichtbaar wat het betekent wanneer het schepsel zich laat vormen door het handelen van God.

Voor ons, als kleine zielen, ligt hierin een belangrijke uitnodiging. Wie klein wil zijn voor God, leert zich niet te verheffen boven zijn wijsheid, maar buigt zich in vertrouwen onder zijn leiding. Zoals Maria haar fiat sprak – “Mij geschiede naar uw woord” – zo worden ook wij uitgenodigd om ons leven in diezelfde geest van geloof en gehoorzaamheid te plaatsen. Ook onze engelbewaarders tonen ons deze houding: zij leven volledig in trouw aan God en begeleiden ons opdat ook wij leren wandelen op de weg van nederigheid en liefde.

Zo wordt de school van Maria voor het Legioen Kleine Zielen een innerlijke leerschool van het hart. In deze school leren wij klein te worden voor God, gehoorzaam aan zijn wil en ontvankelijk voor zijn genade, opdat ons leven – hoe verborgen en eenvoudig ook – een stille weerspiegeling mag worden van de liefde van Christus.

Juist vanuit deze geestelijke leerschool krijgt ook een andere theologische vraag een diepere betekenis. Wanneer wij nadenken over gehoorzaamheid, nederigheid en openheid voor Gods plan, komt onvermijdelijk ook de vraag naar voren wat er gebeurt wanneer een schepsel zich juist niet opent voor God. Daarmee raken wij aan de oude en moeilijke thematiek van de gevallen engelen.

Inleiding

De vraag naar de gevallen engelen raakt aan een van de meest fundamentele en tegelijk meest raadselachtige thema’s van de christelijke theologie: de oorsprong van het morele kwaad binnen een schepping die door God goed is voortgebracht. Wie de werkelijkheid ernstig beziet, ontkomt immers niet aan de vaststelling dat het menselijk bestaan wordt doorkruist door goed en kwaad, waarheid en misleiding, gehoorzaamheid en verzet.

Voor het goede biedt het geloof een relatief heldere horizon: al wat waarachtig goed is, vindt zijn oorsprong in God, de ene Schepper van hemel en aarde. Veel moeilijker wordt het wanneer wij het kwaad proberen te begrijpen. Indien God goed is, kan Hij immers niet de oorzaak zijn van het kwaad als kwaad.

Juist daarom heeft de christelijke traditie steeds gezocht naar een verantwoorde duiding van de boze macht, zonder te vervallen in dualisme enerzijds of symbolische reductie anderzijds. De katholieke leer verwerpt zowel de gedachte dat de satan een goddelijke tegenmacht naast God zou zijn, als de opvatting dat hij louter een stijlfiguur of mythologische verbeelding van het kwaad is. Binnen de klassieke geloofsleer wordt de duivel verstaan als een gevallen engel: een persoonlijke, geestelijke werkelijkheid, oorspronkelijk goed geschapen, maar door een vrije afwending van God in het kwaad terechtgekomen.

Daarmee is echter het eigenlijke probleem niet opgelost, maar juist aangescherpt. Want indien de gevallen engel een goed geschapen geest is, niet getekend door erfzonde en niet onderhevig aan wanordelijke neigingen zoals de mens, hoe kan zijn val dan worden verstaan? Hoe kan een zuiver geestelijk schepsel, dat God kent op een wijze die het menselijke kennen ver overstijgt, zich toch van Hem afwenden?

Deze studie vertrekt vanuit de overtuiging dat de val van de engelen slechts kan worden benaderd in het kader van de vrijheid van het geestelijke schepsel en van diens verhouding tot de goddelijke openbaring. De centrale vraag luidt daarom niet alleen of hoogmoed een rol speelt, maar ook in welke gestalte die hoogmoed zich voordoet. Het is theologisch denkbaar dat de weigering van de gevallen engelen niet allereerst verschijnt als een openlijke rebellie, maar als een vorm van gesloten trouw: een religieuze houding die vasthoudt aan een ontvangen waarheid, maar zich afsluit voor de verdere diepte van Gods heilsplan.

In dat perspectief wordt de engelenval niet enkel een verhaal over zelfverheffing, maar ook over de dramatische mogelijkheid dat een geschapen geest zich aan de levende God onttrekt juist op het punt waar God méér openbaart dan het schepsel bevatten kan. Wanneer God zijn plan verdiept — wanneer zijn transcendente majesteit zich onverwacht openbaart in de nederigheid van de incarnatie — kan het schepsel kiezen tussen twee houdingen: een open geloof dat zich laat verrassen door Gods wijsheid, of een gesloten religiositeit die slechts wil instemmen met wat binnen de grenzen van het eigen begrip blijft.

Hier verschijnt opnieuw de betekenis van de titel. Indien de engelenval kan worden verstaan als een weigering om zich te laten verrassen door Gods diepere plan, dan wordt Maria het tegenovergestelde voorbeeld. Waar Lucifer zich sluit voor de nieuwe diepte van Gods handelen, opent Maria zich voor het mysterie van de incarnatie. Waar hoogmoed vasthoudt aan het eigen inzicht, kiest zij voor een vertrouwen dat ruimte laat voor Gods grotere wijsheid.

Zo wordt Maria de leermeesteres van het geloof. In haar leert de Kerk dat ware wijsheid niet ligt in het beheersen van het mysterie, maar in de bereidheid zich door God te laten leiden. Wie deze weg volgt, treedt binnen in wat men met recht kan noemen: de school van Maria.


Tussen God en stijlfiguur

Wie aandachtig naar de werkelijkheid om zich heen kijkt, stelt onvermijdelijk vast dat het menselijk bestaan wordt gekenmerkt door een mengeling van goed en kwaad. Het bestaan van het goede vormt voor de meeste gelovigen weinig probleem. Binnen de christelijke traditie wordt het goede verstaan als voortkomend uit God zelf: een goede God schept goede dingen. De schepping is in haar oorsprong goed, omdat zij voortkomt uit de scheppende liefde van God.

De verklaring van het kwaad daarentegen stelt de menselijke geest voor een aanzienlijk grotere moeilijkheid. Indien God goed is, kan Hij niet de oorzaak zijn van het kwaad als zodanig. Doorheen de geschiedenis hebben verschillende religieuze en filosofische stromingen geprobeerd dit probleem op te lossen door een tweede goddelijke macht te postuleren: een god van het kwaad naast een god van het goede. Deze dualistische visie — die bijvoorbeeld voorkomt in bepaalde gnostische of manichese systemen — oefent een blijvende aantrekkingskracht uit op het menselijk denken, omdat zij het probleem van het kwaad ogenschijnlijk eenvoudiger maakt.

De katholieke traditie heeft dit dualisme echter steeds resoluut verworpen. In continuïteit met het joodse geloof belijdt zij het monotheïsme: er is slechts één God, Schepper van hemel en aarde. Het eerste gebod — “Gij zult geen andere goden hebben naast Mij” (vgl. Ex. 20,3) — sluit elke gedachte aan een zelfstandige macht van het kwaad uit. Satan kan daarom niet worden beschouwd als een goddelijke tegenmacht tegenover God.

Aan de andere kant bestaat in de moderne cultuur een tegengestelde tendens. Velen beschouwen de duivel niet langer als een reële geestelijke werkelijkheid, maar slechts als een symbolische voorstelling of een stijlfiguur: een oosterse of mythologische manier om over het kwaad te spreken. In deze interpretatie wordt de duivel gereduceerd tot een literaire of culturele metafoor voor menselijke destructiviteit.

De klassieke christelijke leer neemt echter een andere positie in. Volgens de traditie van de Kerk is de duivel noch een goddelijke tegenmacht, noch louter een stijlfiguur. Hij wordt verstaan als een gevallen engel: een zuivere geest die door God goed werd geschapen, maar die zich in vrijheid tegen God heeft gekeerd. In de Aanvulling bij de Nieuwe Katechismus wordt dit uitdrukkelijk verwoord: “De opstand van de boze geesten wordt een bron van kwaad voor onze menselijke wereld.”

Het kwaad dat aan deze gevallen engelen wordt toegeschreven, is voornamelijk van morele en religieuze aard. Het betreft niet in de eerste plaats fysiek lijden of natuurlijke rampen, maar de poging om de mens van God te vervreemden en tot zonde te verleiden. In deze zin wordt de satanische macht binnen de christelijke theologie begrepen als een persoonlijke en geestelijke realiteit die werkzaam is in de geschiedenis van de mens.

Toch roept deze leer onmiddellijk een nieuwe vraag op. Indien de duivel een schepsel van God is, dan moet hij oorspronkelijk als een goede engel zijn geschapen. God kan immers geen kwaad scheppen. Hoe kan een goede geest tot een boze geest worden? Hoe kan een engel tot duivel worden?

Bij de mens kan men de mogelijkheid van zonde gedeeltelijk verklaren vanuit de gebrokenheid van de menselijke natuur. De christelijke traditie spreekt in dit verband over de erfzonde, waardoor de menselijke wil wordt verzwakt en geneigd raakt tot het kwaad. Bij de engelen lijkt een dergelijke verklaring echter niet mogelijk. Engelen zijn zuivere geesten en waren, vóór hun val, niet getekend door de gevolgen van de erfzonde. Zij bezaten geen innerlijke neigingen die hen spontaan tot het kwaad zouden kunnen drijven.

Indien de boosheid van de duivel dus noch uit God kan voortkomen, noch uit een aangeboren neiging tot het kwaad, blijft uiteindelijk slechts één mogelijkheid over: zij moet haar oorsprong vinden in de vrijheid van de engel zelf. De val van de engelen kan slechts worden verstaan als een vrije keuze van een geschapen geest die zich van God heeft afgekeerd.

Maar ook deze verklaring laat nog een moeilijkheid bestaan. Hoe kan een vrije keuze tegen God ontstaan in een wezen dat oorspronkelijk goed en helder van geest was? Indien er geen slechte neigingen aanwezig waren, moet de oorsprong van deze keuze gezocht worden in een vorm van schijnbaar goede ingesteldheid — een verkapte deugd die zich tegen God keert. De traditie heeft hier vaak gewezen op hoogmoed: de wil van de engel om zichzelf tot centrum te maken in plaats van God.

In deze richting wordt doorgaans gezocht naar een verklaring voor de val van de engelen, hoe paradoxaal dit ook lijkt. God verlangt van al zijn schepselen liefde. Maar liefde kan slechts bestaan waar vrijheid is; zij kan niet worden afgedwongen. Een wezen dat werkelijk vrij is, kan ook weigeren te antwoorden op het aanbod van liefde. Vanuit deze gedachte hebben verschillende theologen gesuggereerd dat de val van een deel van de engelen mogelijk te verklaren is door het uitblijven van een vrij “amen” op Gods liefdevolle roep.

Doorheen de geschiedenis hebben talrijke denkers geprobeerd dit mysterie te verhelderen. Zowel theologen als dichters hebben zich over de val van de engelen gebogen. Namen als Johannes Duns Scotus, Robertus Bellarminus en — in de literatuur — Joost van den Vondel hebben elk op hun wijze geprobeerd een plausibele interpretatie te geven van deze oeroude vraag.

Elke poging tot verklaring blijft echter noodzakelijkerwijs hypothetisch. De Schrift geeft slechts fragmentarische aanwijzingen, en de theologische reflectie kan deze slechts voorzichtig uitwerken. Wat hier wordt voorgesteld, kan daarom niet meer zijn dan een mogelijkheid: een theologische hypothese die probeert te begrijpen hoe een geschapen geest in vrijheid de weg van het kwaad kon kiezen.

Het mysterie van de gevallen engelen blijft uiteindelijk verbonden met het diepere mysterie van de vrijheid zelf: het vermogen van een schepsel om zich tot God te richten — of zich van Hem af te keren. In dat spanningsveld tussen genade en vrijheid, tussen liefde en weigering, situeert de christelijke traditie het drama van de engelenval.


Uit hoogmoed?

Een theologische reflectie over de mogelijke beweegredenen van de gevallen engelen

In de christelijke traditie wordt vaak gesteld dat een deel van de engelen ten val is gekomen door hoogmoed. Deze verklaring heeft een lange geschiedenis en wordt onder meer teruggevonden bij kerkvaders en middeleeuwse theologen. In zekere zin is zij ook begrijpelijk, omdat hoogmoed het merkteken draagt van elke zonde: waar de schepselmatige orde wordt doorbroken, plaatst het schepsel zichzelf tegenover God. Toch blijkt bij nader onderzoek dat deze verklaring niet zonder meer alle vragen oplost. De werkelijkheid van de engelenval lijkt theologisch complexer.

Bij de mens kan men inderdaad spreken over verschillende morele neigingen. Sommige mensen vertonen van nature een meer nederige houding, anderen een sterkere neiging tot zelfverheffing. Deze variatie hangt samen met de gewonde menselijke natuur na de erfzonde. De menselijke vrijheid is reëel, maar zij wordt uitgeoefend binnen een natuur die reeds innerlijk verdeeld is.

Bij de engelen ligt dit anders. Volgens de klassieke theologie zijn de engelen volmaakt goede schepselen bij hun schepping. Zij dragen geen erfzonde en hun natuur is niet innerlijk gebroken. Daarom kan men moeilijk aannemen dat sommige engelen reeds bij hun schepping een natuurlijke aanleg tot hoogmoed hadden, terwijl anderen spontaan tot nederigheid geneigd waren. Indien dit zo zou zijn, zou men kunnen veronderstellen dat de engelen met een aanleg tot hoogmoed noodzakelijkerwijs tot duivelen zouden vervallen, terwijl de anderen vanzelf trouw zouden blijven. Een dergelijke opvatting zou echter de vrijheid van de engelen ondermijnen en bovendien impliceren dat God ongelijke morele disposities in hen had gelegd.

Daarom kan men een andere hypothese overwegen: het is mogelijk dat de engelen niet gevallen zijn uit pure hoogmoed, maar uit wat zij zelf als trouw en godsdienstigheid hebben ervaren. Op het eerste gezicht lijkt deze gedachte paradoxaal of zelfs absurd. Hoe zou immers een deugd tot zonde kunnen leiden? Toch kan men deze hypothese onderzoeken aan de hand van twee aanwijzingen: ten eerste een analogie met de houding van sommige tijdgenoten van Jezus; ten tweede enkele spaarzame gegevens uit de openbaring.

Het spiegelbeeld van de Joden

Als eerste hulpmiddel kan men kijken naar het gedrag van bepaalde groepen binnen het jodendom ten tijde van Jezus. Uiteraard moet men hierbij voorzichtig zijn, want het gaat slechts om een analogie, geen directe identificatie. Toch kan deze vergelijking helpen om een mogelijke geestelijke dynamiek te begrijpen.

Wie de geschiedenis van de mens wil reconstrueren, kan soms inzicht verkrijgen door hedendaagse voorbeelden te bestuderen. Zo kan men bepaalde aspecten van het leven van de oermens beter begrijpen door te kijken naar stammen die nog in relatief traditionele omstandigheden leven. De analogie is niet perfect, maar zij kan wel een aanwijzing bieden.

Op een vergelijkbare manier kan men het gedrag van sommige tijdgenoten van Jezus beschouwen als een spiegelbeeld van een diepere geestelijke houding. Jezus zegt immers in het Johannesevangelie tot zijn tegenstanders: “Gij hebt de duivel tot vader en gij wilt de verlangens van uw vader doen” (Joh. 8,44). Wanneer Jezus deze woorden uitspreekt, suggereert Hij dat in het gedrag van zijn tegenstanders iets zichtbaar wordt van de geestelijke logica van het kwaad.

Ook ten aanzien van de verwerping van Jezus wordt vaak gezegd dat deze voortkwam uit hoogmoed: men wilde zijn eigen positie beschermen en zag in Jezus een bedreiging voor religieuze en sociale macht. Hoewel dit element zeker een rol kan hebben gespeeld, toont het evangelie dat er ook andere motieven aanwezig waren.

Een van de belangrijkste motieven was namelijk trouw aan de Wet van Mozes. In het Johannesevangelie lezen wij dat de tegenstanders van Jezus zeggen: “Wij hebben een Wet, en volgens die Wet moet Hij sterven” (Joh. 19,7). Hier spreekt geen expliciete hoogmoed, maar een beroep op religieuze loyaliteit. In hun eigen beleving verdedigen zij de heiligheid van de goddelijke wet. De motivatie kan dus oprecht zijn geweest, ook al was zij objectief gezien tragisch misleid.

Daarnaast noemt Jezus nog een tweede motief: godsdienstige ijver. Tegen zijn leerlingen zegt Hij: “Het uur komt dat ieder die u doodt, meent God een dienst te bewijzen” (Joh. 16,2). Hier wordt een opvallende paradox zichtbaar: een daad die objectief gezien een misdaad is, kan subjectief worden ervaren als een religieuze plicht.

Een mogelijke analogie met de engelenval

Wanneer men deze dynamiek in overweging neemt, kan men zich afvragen of iets dergelijks ook een rol kan hebben gespeeld in de engelenwereld. Als Jezus zegt dat bepaalde mensen “de verlangens van hun vader de duivel” vervullen (Joh. 8,44), dan zou men kunnen vermoeden dat in hun houding een echo van de oorspronkelijke opstand van de duivel aanwezig is.

Het is daarom denkbaar dat de gevallen engelen — traditioneel aangeduid als Lucifer en zijn aanhangers — hun opstand niet hebben ervaren als een daad van hoogmoed, maar als een vorm van trouw aan hun eigen interpretatie van Gods eer. Wat zij zelf als loyaliteit en godsdienstigheid beleefden, kan in werkelijkheid een weigering zijn geweest om Gods plan te aanvaarden.

De christelijke traditie heeft vaak gesuggereerd dat de engelen geconfronteerd werden met het mysterie van de menswording van het Woord. Indien dit inderdaad het geval was, zou het mogelijk zijn dat sommige engelen moeite hadden met het idee dat God zich zo diep met de menselijke natuur zou verenigen. Vanuit hun perspectief kon dit misschien lijken als een aantasting van de goddelijke majesteit.

In dat geval zou hun verzet niet noodzakelijk voortkomen uit een expliciete wens om God te vervangen, maar uit een misbegrepen religieuze overtuiging. Wat zij in hun subjectieve beleving als trouw beschouwden, werd door God zelf gezien als ongehoorzaamheid.

Subjectiviteit en objectiviteit

Hier raakt men aan een belangrijk theologisch onderscheid: dat tussen subjectieve intentie en objectieve waarheid. Een handeling kan vanuit het perspectief van de handelende persoon gerechtvaardigd lijken, terwijl zij in werkelijkheid in strijd is met Gods wil.

Precies dit lijkt ook zichtbaar in de geschiedenis van de mensheid. Vele conflicten en vervolgingen zijn voortgekomen uit mensen die oprecht meenden God te dienen, terwijl zij in feite zijn gebod van liefde schonden.

Indien men deze analogie toepast op de engelenval, kan men zich voorstellen dat de opstand van Lucifer en zijn aanhangers niet louter een uitbarsting van arrogantie was, maar een tragische vergissing van verstand en wil, waarbij een vermeende trouw aan God in werkelijkheid een verzet tegen Gods plan werd.

Conclusie

De traditionele verklaring van de engelenval als gevolg van hoogmoed blijft theologisch geldig, omdat elke zonde uiteindelijk een vorm van zelfverheffing tegenover God bevat. Toch kan men overwegen dat deze hoogmoed zich niet noodzakelijk manifesteerde als een openlijke rebellie, maar mogelijk als een misbegrepen religieuze trouw.

In dat perspectief wordt de val van de engelen niet alleen een verhaal over arrogantie, maar ook een dramatische illustratie van een diep geestelijk gevaar: dat zelfs trouw, ijver en godsdienstigheid kunnen ontsporen wanneer zij loskomen van de levende gehoorzaamheid aan Gods wil.

Deze gedachte werpt ook licht op de menselijke geschiedenis. Zij herinnert eraan dat ware trouw aan God niet bestaat in het verdedigen van onze eigen interpretaties, maar in de nederige bereidheid ons te laten corrigeren door het mysterie van Gods handelen, dat vaak anders is dan wij verwachten.


Omwille van Maria

Een theologische hypothese over het incarnatiemysterie als geloofsproef voor de engelen

Binnen de heilsgeschiedenis vormt de overgang van het Oude Verbond naar het Nieuwe Verbond een beslissend moment. Het Nieuwe Verbond neemt zijn aanvang met de menswording van Gods Zoon, die in de tijd geboren wordt uit Maria. Met dit mysterie van de incarnatie wordt een nieuw en beslissend geloofspunt geopenbaard: dat Jezus van Nazareth, de Zoon van Maria, waarlijk één is met de Vader (vgl. Joh. 5,18).

De evangelies tonen aan dat juist dit punt voor velen een struikelblok vormde. Zodra Jezus duidelijke tekenen gaf van zijn goddelijke identiteit, ontstond er weerstand. Het Johannesevangelie beschrijft hoe sommigen Hem wilden doden “omdat Hij niet alleen de sabbat brak, maar ook God zijn Vader noemde en zich zo met God gelijk stelde” (Joh. 5,18).

De verwerping van Jezus werd vaak gemotiveerd vanuit een beroep op de trouw aan de Wet. De leiders van het volk konden zich beroepen op teksten als Deuteronomium 13, waar gewaarschuwd wordt tegen het volgen van vreemde goden. Vanuit het perspectief van het Oude Verbond leek de claim dat een mens — Jezus van Nazareth — goddelijke waardigheid bezat immers problematisch. In het religieuze bewustzijn van Israël was God radicaal transcendent en uniek; het idee dat een mens deel zou hebben aan Gods eigen wezen kon daarom als een bedreiging van het monotheïsme worden ervaren.

In zekere zin kan men zeggen dat hier een nieuw geloofsmysterie naar voren treedt dat de grenzen van het eerdere religieuze begrip overschrijdt. Het Nieuwe Verbond introduceert immers het paradoxale gegeven dat de transcendente God zich werkelijk met de menselijke natuur verenigt.

Een analoge situatie in de engelenwereld

Men kan zich nu afvragen of een vergelijkbare dynamiek zich — mutatis mutandis — ook in de engelenwereld heeft voorgedaan. Uiteraard kan men hierbij slechts spreken in termen van analogie, aangezien menselijke categorieën als tijd en geschiedenis slechts beperkt toepasbaar zijn op de werkelijkheid van de eeuwigheid.

Toch lijkt het onvermijdelijk om, wanneer men over deze mysteries nadenkt, bepaalde temporele begrippen te gebruiken. In onze manier van denken moet er immers een moment zijn geweest dat correspondeert met wat wij “vóór” en “na” noemen. Zo kan men zich bijvoorbeeld afvragen hoe het plan van de menswording zich verhoudt tot de schepping van de mens zelf. De mens is immers een schepsel dat in de tijd verschijnt; pas wanneer de mensheid als mogelijkheid gedacht wordt, kan men spreken over de incarnatie van Gods Zoon in de menselijke natuur.

Vanuit dit perspectief kan men hypothetisch spreken over een soort eerste openbaringsfase voor de engelen, waarin zij kennis ontvingen van Gods wezen en zijn transcendentie — een geloofsinhoud die analoog is aan wat het Oude Verbond later aan Israël openbaart. Vervolgens kan men zich een tweede openbaringsmoment voorstellen waarin het plan van de incarnatie werd geopenbaard: dat Gods Zoon mens zou worden in de schoot van een vrouw, Maria.

Indien deze analogie enige waarde heeft, zou men dit tweede moment kunnen aanduiden als het “Maria-mysterie”: het goddelijke besluit dat een menselijke vrouw bestemd zou zijn om de moeder te worden van de geïncarneerde Zoon van God.

Het Maria-mysterie als teken van tegenspraak

Binnen de christelijke traditie zijn er mystieke getuigenissen die dit perspectief op symbolische wijze verwoorden. Zo vertelt de Franse mysticus Père Lamy dat hij in een visioen Maria samen met de duivel zag. Volgens dit getuigenis zou de duivel tot Maria hebben gezegd: “Om uwentwil ben ik gevallen.”

Hoewel dergelijke mystieke ervaringen geen dogmatische bewijskracht bezitten, drukken zij wel een theologische intuïtie uit die in de Schrift zelf reeds aanwezig lijkt te zijn. In het boek Genesis wordt immers gesproken over een blijvende vijandschap tussen de vrouw en de slang (Gen. 3,15). Deze passage wordt in de christelijke traditie vaak gelezen als een profetische verwijzing naar Maria en haar rol in het heilsplan.

Vanuit dit perspectief kan men zeggen dat de vijandschap tussen de vrouw en de slang niet enkel een historisch gegeven is dat pas na de zondeval ontstaat, maar ook een diepere geestelijke realiteit weerspiegelt die reeds in het goddelijke heilsplan aanwezig was.

Men kan zich daarom voorstellen dat het incarnatieplan — inclusief de rol van Maria — reeds in de hemel bekend was voordat het in de geschiedenis werd gerealiseerd. In de menselijke theologie spreekt men in dat verband van voorbestemming: het goddelijke besluit dat bepaalde gebeurtenissen in de geschiedenis hun oorsprong hebben in het eeuwige raadsbesluit van God.

Indien dit het geval is, zou Maria in zekere zin reeds een teken van tegenspraak in de hemel zijn geweest, nog voordat zij op aarde geboren werd. Zoals haar Zoon later op aarde “een teken van tegenspraak” zou worden (vgl. Lc. 2,34), zo kan ook haar uitverkiezing een beslissend moment zijn geweest in de engelenwereld.

Twee verschillende reacties

Binnen deze hypothese zou de engelenwereld verdeeld zijn geraakt in twee groepen. Enerzijds waren er de engelen die men traditioneel Michaëlisten kan noemen, naar de aartsengel Michaël. Anderzijds waren er de engelen die men Luciferisten zou kunnen noemen, naar hun leider Lucifer.

Beide groepen zouden aanvankelijk dezelfde fundamentele geloofswaarheden hebben gedeeld: het geloof in de eenheid en de transcendentie van God. Hun wegen zouden echter uiteen zijn gegaan op het moment dat het mysterie van de incarnatie werd geopenbaard.

De Michaëlisten zouden het goddelijke plan hebben aanvaard, ook al konden zij het niet volledig begrijpen. Zij erkenden dat Gods wil de ultieme norm van waarheid is en stemden daarom in met het incarnatiedecreet. Hun houding kan worden samengevat als geloofsgehoorzaamheid: het vertrouwen dat Gods plan waar is, zelfs wanneer het het verstand overstijgt.

De Luciferisten daarentegen zouden dit plan hebben verworpen. Niet noodzakelijk omdat zij het monotheïsme of de transcendentie van God ontkenden, maar juist omdat zij meenden dat het incarnatiemysterie onverenigbaar was met Gods transcendentie. In hun redenering leek het ondenkbaar dat een schepsel — de mens Jezus, Zoon van Maria — werkelijk gelijk zou zijn aan God.

Zo ontstaat een paradoxale situatie. Het mysterie van de incarnatie lijkt immers twee tegengestelde uitspraken te verenigen: God blijft oneindig verheven boven alle schepselen, en toch wordt het Woord werkelijk mens in Jezus van Nazareth. Voor het menselijke verstand is deze spanning moeilijk te bevatten, maar voor een engelenverstand zou zij eveneens een mysterie kunnen vormen. Zowel de trouwe als de gevallen engelen stonden dus voor een werkelijkheid die hun begrip te boven ging. Het verschil lag in hun reactie: aanvaarding of verwerping.

Open en gesloten trouw

In dit perspectief kan men zeggen dat beide groepen aanvankelijk trouw bleven aan wat men het Mozes-mysterie zou kunnen noemen: het geloof in Gods eenheid en transcendentie. Hun wegen scheidden zich echter bij het Maria-mysterie, dat wil zeggen bij het plan van de incarnatie.

De Michaëlisten bleven trouw aan het oorspronkelijke geloof, maar waren tegelijk bereid een nieuw mysterie te aanvaarden dat dit geloof verdiept. Hun trouw was open: zij bleef ontvankelijk voor de verdere openbaring van Gods plan.

De Luciferisten daarentegen bleven vasthouden aan de eerdere waarheid, maar sloten zich af voor de nieuwe dimensie ervan. Hun trouw werd daardoor gesloten: zij wilden slechts datgene aanvaarden wat volledig binnen hun bestaande begrip paste.

Een spiegel voor de menselijke geschiedenis

Deze hypothese werpt ook een interessant licht op de menselijke geschiedenis. De houding van de Michaëlisten vindt immers een parallel in het geloof van christenen, die het mysterie van de incarnatie aanvaarden op grond van Gods openbaring, ook wanneer het hun verstand overstijgt.

De houding van de Luciferisten daarentegen kan men vergelijken met bepaalde vormen van religieuze rationalisering waarin men slechts datgene wil erkennen wat volledig door het menselijke verstand kan worden begrepen. In dat geval wordt het geloof gereduceerd tot wat rationeel controleerbaar lijkt.

Zo bezien kan het mysterie van Maria en de incarnatie worden opgevat als een beslissende geloofsproef: zowel voor de engelen in de hemel als voor de mensen op aarde. Het confronteert het schepsel met een fundamentele keuze: vertrouwen op Gods openbaring, ook wanneer zij het verstand overstijgt, of slechts datgene aanvaarden wat volledig binnen het eigen begrip past.

Volgens deze interpretatie werd Maria, door haar uitverkiezing tot Moeder van de Zoon van God, een centraal teken in deze kosmische geloofsproef. Voor de trouwe engelen werd zij een teken van verheffing en vreugde; voor de gevallen engelen werd zij een blijvend teken van tegenspraak.

Zo verschijnt het Maria-mysterie niet alleen als een gebeurtenis binnen de menselijke geschiedenis, maar ook als een element van het grotere drama van de schepping, de vrijheid en de openbaring van God.


Strijd in de hemel

Een theologische beschouwing over de kosmische strijd tussen Michaël en Lucifer

Volgens de christelijke traditie heeft de verdeeldheid tussen de trouwe engelen en de gevallen engelen geleid tot een dramatische confrontatie die in de Schrift symbolisch wordt beschreven als een strijd in de hemel. De aanleiding tot deze tegenstelling kan, binnen de eerder geschetste hypothese, worden gezocht in de verschillende reacties van de engelen op het mysterie van de menswording. Waar sommigen het goddelijke plan hebben aanvaard, hebben anderen het verworpen. Uit deze tegenstelling zou een diepe vijandschap zijn ontstaan tussen wat men traditioneel de Michaëlisten en de Luciferisten zou kunnen noemen.

De Openbaring van Johannes verwijst naar deze kosmische strijd in symbolische taal: “Toen barstte er een strijd los in de hemel: Michaël en zijn engelen vochten tegen de draak. Ook de draak en zijn engelen vochten” (Openb. 12,7).

De apocalyptische beeldspraak van deze passage maakt duidelijk dat het hier niet gaat om een fysieke oorlog in menselijke zin, maar om een geestelijke confrontatie die haar oorsprong vindt in een fundamentele tegenstelling van overtuiging en wil. Men zou kunnen spreken van een soort religieuze strijd, waarin verschillende interpretaties van Gods plan met elkaar botsen.

Religieuze conflicten ontstaan doorgaans niet uit onverschilligheid ten opzichte van geloofsvragen. Integendeel, zij ontstaan juist wanneer overtuigingen diep geworteld zijn en wanneer twee groepen zich met grote intensiteit verbonden weten met religieuze waarheden die zij als absoluut beschouwen. Wanneer deze overtuigingen elkaar uitsluiten, kan een scherpe tegenstelling ontstaan die zelfs tot openlijke strijd leidt.

In dat opzicht biedt de menselijke geschiedenis talrijke parallellen. Religieuze conflicten op aarde hebben vaak hun oorsprong in een intense betrokkenheid bij geloofsmysteries. Een bekend voorbeeld is het conflict dat leidde tot de marteldood van de martelaren van Gorcum in de zestiende eeuw. In dit geval stond het geloof in de werkelijke aanwezigheid van Christus in de Eucharistie centraal.

Voor de katholieke traditie vormt de eucharistische aanbidding een logisch gevolg van het geloof dat brood en wijn door de consecratie werkelijk worden veranderd in het lichaam en bloed van Christus. Vanuit deze overtuiging wordt de Eucharistie vereerd als de werkelijke aanwezigheid van de verrezen Heer.

Voor bepaalde protestantse groepen werd deze praktijk echter opgevat als een vorm van afgoderij. Vanuit hun perspectief leek het alsof katholieken een stuk brood als God vereerden. In hun ogen was dit vergelijkbaar met de afgodendienst van het gouden kalf uit het Oude Testament. Vanuit deze religieuze overtuiging ontstond een conflict dat uiteindelijk leidde tot vervolging en martelaarschap.

In dergelijke gevallen handelen beide partijen vanuit een vorm van religieuze trouw. Het verschil ligt in de vraag of deze trouw objectief overeenstemt met de waarheid of slechts subjectief als trouw wordt ervaren. Waar de ene partij meent God te eren, kan de andere partij menen dat juist Gods eer wordt geschonden.

Hoewel deze vergelijking slechts analogisch is, kan zij helpen om de aard van de strijd tussen de engelen beter te begrijpen. Engelen bezitten immers volgens de klassieke theologie een veel grotere helderheid van inzicht en een intensere kracht van liefde dan mensen. Wanneer zij zich engageren in een conflict dat betrekking heeft op de waarheid over God, kan de intensiteit van hun betrokkenheid des te groter zijn.

Toch bestaat er een fundamenteel verschil tussen conflicten onder mensen en een strijd tussen engelen. Mensen zijn sterfelijke wezens; hun conflicten kunnen leiden tot fysieke vernietiging en dood. Engelen daarentegen zijn onsterfelijke geestelijke wezens. Hun strijd kan daarom niet leiden tot lichamelijke vernietiging, maar manifesteert zich als een definitieve scheiding van gemeenschap en bestemming.

Volgens de christelijke traditie eindigde deze strijd met de overwinning van Michaël en de engelen die het goddelijke plan hadden aanvaard. Lucifer daarentegen verloor zijn plaats in de hemelse gemeenschap. In de Schrift wordt zijn naam vervolgens vervangen door symbolische aanduidingen als de draak, de satan of de oude slang.

De Apocalyps beschrijft deze gebeurtenis in krachtige beelden: “Er was geen plaats meer voor hem in de hemel. De grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die duivel en satan wordt genoemd” (Openb. 12,8-9).

De straf die Lucifer treft is niet de vernietiging van zijn bestaan, maar verbanning uit de hemelse gemeenschap. Terwijl de hel in de theologische traditie wordt beschouwd als de plaats van definitieve straf, wordt de aarde voorgesteld als een domein waar de gevallen engelen nog een zekere bewegingsruimte bezitten. In dat opzicht kan de aarde symbolisch worden beschreven als een soort voorlopig werkterrein waar de satan zijn invloed uitoefent.

De evangeliën verwijzen eveneens naar deze gebeurtenis. Jezus zegt tot zijn leerlingen: “Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen” (Lc. 10,18). Met deze woorden wordt de dramatische ommekeer gesuggereerd die plaatsvond bij de val van Lucifer. Degene die volgens de traditie oorspronkelijk een lichtende engel was — een lucifer, een “lichtdrager” — wordt nu voorgesteld als een draak of slang, symbolen van verzet tegen God.

Volgens de klassieke leer betekent deze val tevens een definitieve fixatie in het kwaad. In tegenstelling tot de mens, die binnen de tijd leeft en de mogelijkheid heeft tot bekering, hebben engelen hun keuze in een ogenblik van vol bewustzijn gemaakt. Hun beslissing krijgt daardoor een definitief karakter.

De Schrift zelf verwoordt dit drama in termen van een paradox die ook in het evangelie naar voren komt. Jezus zegt immers dat Hij gekomen is “opdat wie niet zien, zouden zien, en wie menen te zien, blind zouden worden” (Joh. 9,39). Binnen dit perspectief kan Lucifer worden gezien als degene die meende te zien. Hij vertrouwde op zijn eigen inzicht en concludeerde dat het incarnatiemysterie een aantasting van Gods transcendentie moest zijn. Juist dit vermeende inzicht leidde tot blindheid voor de diepte van Gods heilsplan.

Michaël daarentegen vertegenwoordigt de houding van geloofsvertrouwen. Ook hij kon het mysterie van de incarnatie niet volledig begrijpen, maar hij koos ervoor Gods plan te aanvaarden. In die zin kan zijn houding worden vergeleken met die van Maria zelf, die volgens het evangelie bepaalde woorden en gebeurtenissen “niet begreep”, maar ze toch in haar hart bewaarde (vgl. Lc. 2,50).

De tegenstelling tussen Lucifer en Michaël kan daarom worden opgevat als een fundamentele keuze tussen autonome zelfverzekerdheid en vertrouwende gehoorzaamheid. Waar Lucifer zijn eigen inzicht boven Gods openbaring plaatste, bleef Michaël standvastig in de waarheid die God had geopenbaard.

Vanuit dit perspectief kan men ook begrijpen waarom de Apocalyps de satan beschrijft als degene “die de hele wereld verleidt” (Openb. 12,9). Zijn verzet tegen Gods plan beperkt zich niet tot zijn eigen val, maar richt zich op het meesleuren van de mensheid in dezelfde opstand.

Volgens de bijbelse traditie werd deze poging reeds zichtbaar aan het begin van de menselijke geschiedenis, wanneer de slang Adam en Eva verleidt tot ongehoorzaamheid. De kosmische strijd die in de hemel begon, krijgt zo een voortzetting in de geschiedenis van de mensheid.

De theologische betekenis van deze strijd ligt uiteindelijk in de openbaring van de vrijheid van het schepsel. Zowel engelen als mensen worden geconfronteerd met de keuze om Gods plan te aanvaarden of te verwerpen. De Apocalyps verbeeldt deze keuze niet alleen als een historisch gegeven, maar als een blijvend geestelijk drama dat zich in verschillende vormen door de geschiedenis heen blijft afspelen.


Neergesmakt op aarde

De val van Satan in bijbels-theologisch perspectief

Binnen de christelijke traditie vormt de val van de engelen een belangrijk onderdeel van de theologische reflectie over het ontstaan van het kwaad. Wanneer men spreekt over de verdrijving van de gevallen engelen uit de hemel, rijst onmiddellijk de vraag naar hun bestemming. De traditie onderscheidt daarbij twee mogelijke domeinen: de hel en de aarde. De hel wordt in de klassieke theologie verstaan als de plaats van de definitieve straf, waar het kwaad zijn uiteindelijke voltooiing vindt en waar geen vrijheid meer bestaat om te handelen of te verleiden. De aarde daarentegen wordt voorgesteld als de ruimte waar de duivel voorlopig nog een zekere bewegingsvrijheid bezit om de mens te beïnvloeden en te verleiden. In die zin kan de wereld worden opgevat als een tijdelijke arena van geestelijke strijd, een soort buitengebied waarin de macht van het kwaad nog werkzaam is totdat de definitieve overwinning van God wordt geopenbaard.

Deze verbanning van Satan naar de aarde wordt op symbolisch krachtige wijze beschreven in het boek van de Openbaring. Daar wordt verteld hoe in de hemel een strijd ontstaat en hoe de draak wordt neergeworpen: “Er was voor hem geen plaats meer in de hemel. De grote Draak werd neergesmakt, de oude slang, die Duivel en Satan heet” (Openb. 12,8).

De apocalyptische taal van deze tekst drukt een theologische werkelijkheid uit: het kwaad kan geen blijvende plaats hebben in de nabijheid van God. Het wordt uit de sfeer van het goddelijke licht verdreven en naar de lagere orde van de geschapen wereld verwezen.

De traditie heeft deze gebeurtenis vaak verbonden met de figuur van Lucifer, de “lichtdrager”. Oorspronkelijk werd deze engel beschouwd als een van de schitterendste schepselen van God. Zoals de morgenster straalt in het begin van de dag, zo werd Lucifer gezien als een wezen dat door Gods liefde en schoonheid werd verlicht. De tragiek van zijn val bestaat juist hierin dat een wezen dat geschapen was voor het licht zich heeft afgekeerd van de bron van dat licht. In de symbolische taal van de Schrift verandert de lichtengel daarom in een draak: een beeld dat de ontwrichting en de misvorming van het goede uitdrukt.

Ook in het evangelie verwijst Jezus naar deze gebeurtenis wanneer Hij tegen zijn leerlingen zegt: “Ik zag Satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen” (Lc. 10,18). Deze uitspraak suggereert niet zozeer een historisch verslag van een zichtbaar gebeuren, maar een geestelijke realiteit: het kwaad is radicaal uit de goddelijke gemeenschap verwijderd en heeft geen plaats meer in de orde van de waarheid.

Volgens de klassieke theologie heeft deze val een beslissend gevolg: Satan wordt gefixeerd in het kwaad. Anders dan bij de mens bestaat voor de gevallen engelen geen mogelijkheid tot bekering of verandering. Waar de mens zich kan bekeren en kan terugkeren naar het huis van de Vader — zoals in de parabel van de verloren zoon — is de keuze van de engelen definitief. Hun geestelijke natuur maakt dat hun beslissing een onherroepelijk karakter draagt. De demonische wil blijft daarom onveranderlijk gericht tegen God.

In de christelijke interpretatie van deze gebeurtenis speelt ook het mysterie van de menswording een belangrijke rol. Sommige theologen hebben gesuggereerd dat de opstand van Lucifer samenhangt met zijn weigering om het goddelijke plan te aanvaarden waarin de Zoon van God mens zou worden. Vanuit zijn eigen inzicht zou hij de incarnatie hebben beschouwd als een vernedering van het goddelijke wezen. Wat hij meende te zien als een verdediging van de goddelijke majesteit, werd in werkelijkheid een daad van hoogmoed.

Het evangelie van Johannes bevat woorden die deze dynamiek treffend verwoorden: “Opdat de blinden zouden zien en de zienden blind zouden worden” (Joh. 9,39). Lucifer meende te zien, maar juist in dat vermeende inzicht werd hij blind voor de diepere wijsheid van God. Zijn weigering om het goddelijke plan te aanvaarden werd uiteindelijk een vorm van geestelijke blindheid.

In contrast hiermee staat de figuur van de aartsengel Michaël, die in de christelijke traditie wordt gezien als de leider van de hemelse machten die trouw bleven aan God. Waar Lucifer zijn eigen inzicht boven het plan van God stelde, koos Michaël voor een houding van gehoorzaamheid en vertrouwen. In deze houding wordt hij vaak verbonden met Maria, die eveneens het goddelijke mysterie ontving zonder het volledig te begrijpen. Het evangelie merkt immers op dat zij “het woord niet begreep dat men tot haar sprak” (vgl. Lc. 2,50), maar het toch in geloof aanvaardde.

Deze tegenstelling tussen hoogmoed en gehoorzaamheid wordt in de Schrift ook uitgedrukt door Jezus’ woorden: “Als gij blind waart, hadt gij geen zonde; maar nu gij zegt: wij zien, blijft uw zonde” (Joh. 9,41). Lucifer werd niet veroordeeld vanwege onwetendheid, maar vanwege zijn pretentie te zien en te oordelen onafhankelijk van God. Zijn val kan daarom worden verstaan als een radicale vorm van geestelijke hoogmoed.

De evangelist Johannes beschrijft de duivel bovendien als degene die “geen stand kon houden in de waarheid” (Joh. 8,44). Waarheid is in bijbelse zin niet alleen een intellectuele categorie, maar een existentiële houding van trouw aan God. Door zijn eigen visie boven Gods wijsheid te stellen verloor Lucifer zijn plaats in de waarheid en daarmee ook zijn plaats in de hemel.

De apocalyptische tekst van Openbaring vervolgt met een dramatische beschrijving van de gevolgen van deze val: “De Satan, die de ganse aarde verleidt, is neergesmakt op aarde, en neergesmakt zijn ook zijn engelen met hem” (Openb. 12,9). Hier wordt duidelijk dat de val van Satan niet alleen een kosmisch drama is, maar ook een gebeurtenis met gevolgen voor de menselijke geschiedenis. Het kwaad probeert zijn invloed uit te oefenen op de aarde door de mens te verleiden en hem mee te trekken in dezelfde beweging van opstand tegen God.

Volgens de bijbelse traditie wordt deze verleiding voor het eerst zichtbaar in het paradijsverhaal van Genesis. In de figuur van de slang verschijnt het kwaad dat de mens uitnodigt om, net als Lucifer, zijn eigen inzicht boven het woord van God te stellen. Adam en Eva worden daardoor betrokken in een drama dat zijn oorsprong vindt in de geestelijke wereld van de engelen.

De val van Satan wordt in de christelijke theologie daarom niet alleen gezien als een gebeurtenis uit een verre oertijd, maar als een blijvende realiteit die de menselijke geschiedenis doorkruist. Tegelijk blijft de Schrift benadrukken dat de macht van het kwaad uiteindelijk begrensd is. Het boek van de Openbaring laat immers zien dat de draak uiteindelijk definitief overwonnen zal worden door het Lam.

Zo wordt de val van Lucifer uiteindelijk onderdeel van een groter heilsmysterie. Het kwaad kan tijdelijk werkzaam zijn in de wereld, maar het heeft geen laatste woord. De geschiedenis van de verlossing, die haar hoogtepunt vindt in de menswording, het kruis en de verrijzenis van Christus, openbaart dat het licht sterker is dan de duisternis en dat de waarheid uiteindelijk zal zegevieren.


Nabeschouwing

Wat in deze beschouwingen naar voren treedt, is dat het mysterie van de gevallen engelen niet los kan worden gezien van het bredere drama van vrijheid, openbaring en gehoorzaamheid. Het kwaad verschijnt dan niet als een zelfstandige macht naast God, maar als de mogelijkheid dat een geschapen geest zich afsluit voor de waarheid die hem wordt aangeboden. Juist omdat de engel een hooggeordend geestelijk wezen is, krijgt zijn keuze een bijzondere ernst: niet onwetendheid, maar een bewuste weigering van instemming met Gods weg maakt zijn val begrijpelijk binnen de grenzen van het theologisch denken.

Daarmee wordt ook zichtbaar dat de kern van het drama niet eenvoudig ligt in een grove of oppervlakkige vorm van hoogmoed. Het gaat eerder om een dieper geestelijk verzet: de weigering om Gods plan te aanvaarden waar dit het geschapen inzicht te boven gaat. In dat licht kan de engelenval worden verstaan als een conflict tussen twee vormen van trouw: een open trouw die ook het onbegrijpelijke uit Gods hand ontvangt, en een gesloten trouw die slechts instemt met wat binnen de grenzen van het eigen begrip blijft.

Deze tegenstelling wordt in de traditie op symbolische wijze zichtbaar in de figuren van Michaël en Lucifer. Michaël vertegenwoordigt de houding van het schepsel dat zich buigt voor Gods grotere wijsheid. Zijn naam — Wie is als God? — is geen vraag uit twijfel, maar een uitroep van aanbidding. In hem wordt zichtbaar dat ware trouw bestaat in nederige gehoorzaamheid aan de levende God. Lucifer daarentegen verbeeldt de houding van een geest die zich vastklemt aan het eigen inzicht en zich afsluit voor de verrassende diepte van Gods handelen. Zijn tragedie ligt niet enkel in ongehoorzaamheid, maar in de weigering zich te laten verrassen door Gods plan.

Juist hier verschijnt opnieuw de betekenis van Maria. Zij is het tegenbeeld van deze geslotenheid. Wanneer haar het mysterie van de incarnatie wordt aangekondigd, begrijpt zij het niet volledig. Toch sluit zij zich niet af. Zij stelt haar vertrouwen in Gods woord en spreekt haar fiat uit. In dit antwoord wordt zichtbaar wat het betekent om werkelijk schepsel te zijn: niet zichzelf tot maatstaf maken, maar ruimte geven aan Gods handelen.

Daarom is de vraag naar de gevallen engelen uiteindelijk geen louter speculatieve kwestie over de structuur van het universum. Zij raakt aan het hart van het geestelijk leven. Ook de mens staat telkens opnieuw voor de keuze tussen twee houdingen: een geloof dat zich laat vormen door Gods openbaring, of een religiositeit die uiteindelijk slechts zichzelf bevestigt.

Wanneer de mens zijn eigen inzicht tot maatstaf maakt, kan het geloof onmerkbaar verstarren. Het verandert dan in een systeem dat niet langer openstaat voor Gods verrassende handelen. In zo’n houding schuilt dezelfde geestelijke verharding die de traditie beschrijft bij de gevallen engelen. Daartegenover nodigt het Evangelie uit tot de weg van Maria: de weg van nederigheid, vertrouwen en luisterende gehoorzaamheid.

De school van Maria is daarom geen vrome metafoor, maar een blijvende oproep tot geestelijke bekering. Zij leert dat ware wijsheid niet bestaat in het bezitten van de waarheid, maar in het ontvangen ervan. Zij leert dat het geloof groeit waar de mens bereid is zijn eigen inzichten te laten zuiveren door Gods licht.

Zo wordt Maria de gids van het geloof. In haar zien wij hoe het schepsel zijn roeping vervult: niet door God te beheersen met zijn verstand, maar door zich met vertrouwen open te stellen voor het mysterie van zijn liefde. Wie haar navolgt, leert dat de ware wijsheid niet ligt in het vasthouden aan het eigen inzicht, maar in de bereidheid zich telkens opnieuw te laten verrassen door God.


Toepassing

De geest van Michaël en de geest van Lucifer

Wanneer men de tegenstelling tussen de geest van Michaël en de geest van Lucifer toepast op het geestelijk leven, wordt duidelijk dat het niet enkel gaat om een gebeurtenis uit de engelenwereld, maar om een houding die ook in het hart van iedere gelovige aanwezig kan zijn. Het onderscheid tussen beide geesten raakt aan de wijze waarop een mens zich verhoudt tot Gods waarheid, tot zijn openbaring en tot het mysterie van zijn handelen.

Allereerst gaat het om het onderscheid tussen nederigheid en geestelijke hoogmoed. De geest van Michaël wordt gekenmerkt door een houding waarin God werkelijk centraal staat. Wie deze geest volgt, erkent dat Gods wijsheid groter is dan het menselijke verstand en dat de mens geroepen is die wijsheid te ontvangen in vertrouwen. De geest van Lucifer daarentegen maakt het eigen inzicht tot norm. Het gevaar bestaat dan dat men Gods handelen niet meer ontvangt, maar beoordeelt vanuit zichzelf. In het geestelijk leven betekent dit dat een gelovige zich in het gebed niet allereerst afvraagt of hij zelf gelijk heeft, maar veeleer bidt: Heer, toon mij uw waarheid. Zo leert men innerlijke bescheidenheid tegenover het mysterie van God.

Daarmee hangt een tweede onderscheid samen: open gehoorzaamheid tegenover gesloten trouw. Wie de geest van Michaël volgt, blijft trouw aan de ontvangen openbaring, maar doet dat met een luisterend hart dat openstaat voor Gods levende leiding. Gehoorzaamheid is dan geen star vasthouden, maar een voortdurend luisteren naar de stem van God. De geest van Lucifer daarentegen kan zich eveneens op waarheid beroepen, maar zonder nog werkelijk open te staan voor Gods verdere handelen. In het concrete geloofsleven betekent dit dat men trouw blijft aan het geloof van de Kerk, terwijl men tegelijk bereid is dat God het eigen begrip verdiept, corrigeert of verruimt.

Een derde verschil betreft geloofsvertrouwen tegenover controle. De geest van Michaël aanvaardt dat het geloof soms verder reikt dan het eigen begrip. Men is bereid te geloven ook wanneer niet alles onmiddellijk te doorzien is. De geest van Lucifer daarentegen wil eerst begrijpen voordat hij gehoorzaamt; het geloof wordt dan afhankelijk gemaakt van het menselijke oordeel. In het christelijk leven betekent dit dat men leert aanvaarden dat geloof ook een weg van vertrouwen is. Het voorbeeld van Maria is hier beslissend. Zij probeert het mysterie niet te beheersen, maar spreekt eenvoudig haar fiat uit: “Mij geschiede naar uw woord.”

Nauw daarmee verbonden is ontvankelijkheid voor het mysterie tegenover verharding. In de geest van Michaël wordt het mysterie van God met eerbied ontvangen. Men erkent dat Gods plan groter is dan menselijke schema’s en blijft open voor het onverwachte van zijn genade. De geest van Lucifer daarentegen aanvaardt slechts wat binnen het eigen denkkader past. Wat daarbuiten valt, wordt al snel afgewezen. Voor het geestelijk leven betekent dit dat een gelovige leert verwonderd te blijven over Gods handelen en ruimte laat voor het onverwachte in de weg die God met hem gaat.

Een vijfde tegenstelling betreft aanbiddende waarheidsliefde tegenover het bezit van waarheid. In de geest van Michaël wordt de waarheid ontvangen in aanbidding. Zij is geen bezit van de mens, maar een licht waaraan de mens mag deelnemen. De geest van Lucifer daarentegen gebruikt waarheid als middel om gelijk te krijgen of om zichzelf te bevestigen. In de praktijk van het geloof betekent dit dat men het geloof nooit gebruikt als wapen tegen anderen. Waarheid wordt gezocht om God te dienen en om dichter bij Hem te komen, niet om zichzelf te rechtvaardigen.

Ten slotte verschijnt het onderscheid tussen luisteren en oordelen. De geest van Michaël houdt de gelovige in de houding van een leerling. Men blijft luisteren naar God, naar de Schrift en naar de stem van de Kerk. De geest van Lucifer meent daarentegen reeds te zien en houdt daardoor op met luisteren. In het geestelijk leven vraagt dit om een voortdurende oefening in innerlijk luisteren: in gebed, in het overwegen van de Schrift en in de nederige openheid voor de traditie van de Kerk. Tegelijk vraagt het voorzichtigheid tegenover snelle religieuze oordelen.

Deze inzichten kunnen een gelovige helpen tot een eerlijk innerlijk onderzoek. Men kan zichzelf bijvoorbeeld regelmatig de vraag stellen: laat ik mij door God corrigeren? Kan ik erkennen dat Gods wijsheid groter is dan mijn eigen begrip? Gebruik ik mijn geloof om werkelijk te luisteren, of vooral om mijn eigen gelijk te bevestigen? En blijf ik ontvankelijk voor het mysterie van God dat mij altijd te boven gaat?

Samenvattend kan men zeggen dat de geest van Michaël gekenmerkt wordt door nederigheid, vertrouwen, gehoorzaamheid, ontvankelijkheid en aanbidding. De geest van Lucifer daarentegen openbaart zich in geestelijke hoogmoed, de drang tot controle, innerlijke geslotenheid, religieuze zelfverzekerdheid en een oordelende houding.

Daarom ligt de kern van het geestelijk leven uiteindelijk in een eenvoudige maar beslissende keuze: laat de mens zich vormen door Gods wijsheid, of maakt hij van zijn eigen inzicht de maatstaf van waarheid?

Maria toont de weg van het geloof door haar nederige fiat. Michaël bevestigt diezelfde houding van trouw en aanbidding. En iedere gelovige wordt uitgenodigd om in zijn eigen leven diezelfde weg te kiezen.

Bibliografie

A. Ory, De Vorst van deze Wereld, Sint-Truiden, 1979, p. 29–41

Pastoor Geudens, St Jozef Smakt, 13 maart 2026

Gebedsdag op de sterfdag van Marguerite

Gebedsdag op de sterfdag van Marguerite

14 maart – Nijmegen

Op 14 maart, de sterfdag van Marguerite, wordt in Pelgrimshuis Casa Nova te Nijmegen een gebedsdag gehouden van het Legioen van Kleine Zielen.

Marguerite staat in de spiritualiteit van de Kleine Zielen als een getuige van vertrouwen op de Barmhartige Liefde van Jezus.

Op deze dag komen we samen voor gebed, Eucharistie en geestelijke verdieping. Iedereen die zich verbonden voelt met deze spiritualiteit of eenvoudig wil deelnemen aan een dag van stilte en gebed, is van harte welkom.

Programma

10.30 uur – Rozenkransgebed
11.00 uur – Heilige Mis
12.00 uur – Lunchpauze
13.00 uur – Conferentie en Lof
(tot ongeveer 15.00 uur)

Geestelijke leiding: pastoor H. Vernooij

Locatie

Pelgrimshuis Casa Nova
Pastoor Rabouplein 5
6564 BP Heilig Landstichting (bij Nijmegen)

Informatie

Joep Habets
✉️ habetsjoep@gmail.com
📞 06 – 22951332

Van harte welkom.