De Schepping

DE SCHEPPING

Het bestaan van het heelal kan niet op een bevredigende manier worden uitgelegd door de rede alleen. De grootste genieën uit de Oudheid zijn tot het besef gekomen van een eerste universele oorzaak van het bestaan van alle levende wezens, van de beweging en de orde, maar niet van een schepping die in wezen vrij is en die de volmaakte goddelijke onveranderlijkheid niet beroert.

Reeds in de eerste regel van het boek Genesis, openbaart God zich als de Schepper van alle dingen: “In het begin schiep God hemel en aarde.” Hoe indrukwekkend is de plechtige bevestiging van een waarheid, die de mens niet uit zichzelf heeft kunnen achterhalen!

De Boodschap van het Barmhartig Hart van Jezus aan de Kleine Zielen bevat een aantal uitspraken die uitwijden over het Bijbelse gegeven, die het mysterie onaangetast laten en die het menselijk verstand altijd zullen blijven aanspreken.

De fragmenten die wij ontlenen aan de Boodschap kunnen gegroepeerd worden onder drie titels:

1.God is Schepper
2.De teleurstellende houding van de mens tegenover deze waarheid
3.Wat de Schepper van ons verwacht

 

 1.God is Schepper 

1.1. “Ik ben de Schepper van al wat bestaat”. 7.6.66 
”Ik ben de grootmeester van het geschapene en het ongeschapene.” 26.l.70 
De schepping, het gezamenlijke werk van de drie goddelijke Personen, wordt aan de Vader toegeschreven, “oorsprong zonder oorsprong”.
“… de hemelse Vader, Schepper van al wat beslaat.” 31.1.67 
Hij heeft alles gemaakt uit het niets, dat wil zeggen dat alle schepsels per definitie uit niets ontstaan zijn of, als men wil, vanuit het niets.
“Ik maak uit niets. Uit niets heb Ik de wereld geschapen.“ 10.10.66 

1.2. God schept uit Liefde
God is Liefde. Zo kunnen zijn werken, te beginnen met de schepping, er slechts zijn door de Liefde.
“Het mysterie van de schepping schuilt in de liefde van een God voor een mensheid die Hij naar zijn beeld geschapen heeft.” 6.9.67 
”Bedenkt hoezeer ge door uw Schepper wordt bemind.” 24.6.66 
“Maar zie, uw Schepper is bezield door liefde voor u. Hij schenkt u het leven.” 25.8.6
“Eens heeft God in zijn vurige liefde de wereld geschapen om aan die liefde een reden van bestaan te verlenen.” 7.9.72 
Laten we elkaar goed begrijpen: het gaat hier om een liefde die voorbestemd is om met zijn schepsels gedeeld te worden. Maar in God die uit vrije wil schept, rechtvaardigt deze Liefde zich uit zichzelf en zij heeft geen andere bestaansreden dan zichzelf.
”Koester grote eerbied voor al wat leeft. Want Ik ben de Schepper van al wat bestaat.“ 7.6.66
“De goddelijke liefde weerspiegelt in elke mens de Liefde en de goedheid van de Schepper.” 23.7.66 
“In de persoon van mijn welbeminde Zoon heb Ik u willen ontmoeten, u mensen die Ik heb geschapen en tot leven gewekt in mijn Liefde.” 20.5.68 

1.3. God schept voor zijn Liefde
“Ik heb de mensheid niet geschapen voor zichzelf maar wel om mijnentwil.” 4.8.68 
“Ik heb de mens niet geschapen voor zijn genot op deze wereld, maar wel om de hemelse glorie te verwerven door de liefde die hij Mij hier beneden heeft getoond.” 4.8.68 
“De mens vernietigt de mens die Ik geschapen heb VOOR MIJ.” 23.6.68 

1.4. God schept de mens naar Zijn beeld en naar dat van zijn veelgeliefde Zoon.
De schoonheid van de mens, die de schoonheid van elke zichtbare schepping overtreft, komt door zijn geestelijke ziel, vooral wanneer deze gesierd wordt door de genade:
“Schoonheid die Ik niet voor Mij alleen houden kan en die Ik graag vol tederheid uitstort op deze zozeer gezegende ziel, tot ze het levende evenbeeld wordt van haar Schepper”. 19.12.66 

In dit verband moeten we zeker dat mooie fragment vermelden van de brief van de H. Paulus aan de Romeinen waarin hij verklaart dat zij zijn “bestemd tot gelijkvormigheid met het beeld van zijn Zoon” (Rom. 8,29) en waarvan de volgende zin uit de Boodschap de echo is:
”Ge werdt geschapen naar het beeld van de Geliefde Zoon en uw hart naar het beeld van zijn Hart. Ge zijt gemaakt om te beminnen.” 10.2.67 

 

2.De teleurstellende houding van de mens

2.1. Zijn ondankbaarheid
”Deze wereld heeft niet opgehouden haar Schepper te ontgoochelen. Thans is de maat vol en als de wereld zich niet bekeert zal ze terugkeren tot het niets waaruit Ik haar heb doen ontstaan.” 7.9.72 
Er is hier geen sprake van de vernietiging van de onsterfelijke ziel, die bestemd is voor de hemelse zaligheid of de verdoemenis, maar van een toestand die uiteindelijk erger zou zijn dan het niets.
“Verlangen naar de Hemel is zeldzaam, gehoorzaamheid is een ijdel begrip. Ik, de God van liefde, Ik heb aan mijn schepselen gehoorzaamd; deze schepselen zelf zijn ongehoorzaam aan hun God en met bitterheid ben Ik getuige van de ontaarding van de geesten en van de harten.” 16.8.72 
”In naam van de gerechtigheid en van het recht waarop zij zich beroepen, vermoorden ze ongestraft het werk van de Schepper in zijn schepsel, vermoorden ze het kleine wezentje in de schoot van zijn moeder.” 18.7.73 

2.2. De gevolgen
“Bij velen is het besef van goed en kwaad uitgeroeid. En het gevolg van die jammerlijke toestand? Leed en bitterheid wacht degenen die gefaald hebben in de taak die de Schepper hun toewees, namelijk de gezonde opvoeding van de kinderen. Leed en bitterheid om de afwijzende houding en de onverschilligheid van hen die zij op de arm hebben gedragen en die zij zien ontglippen omdat hun liefde slechts een ik-zuchtige liefde was, zonder de grondslag die de levenskracht waarborgt. Terwijl zij meenden te beminnen, bewerkten ze hun ongeluk.” 22.5.73 

Een ernstige waarschuwing aan de ouders die vandaag de dag veel moeite moeten doen om hun kinderen te beschermen tegen de verderfelijke invloeden van de wereld, de school en de media.

 

3.Wat de Schepper van ons verwacht. 

3.1. Onze dankbaarheid
“Uw hart weze een en al liefde en erkentelijkheid tot meerdere eer en glorie van uw Schepper.” 18.8.70

3.2. Onze liefde
“(De mens is) het wezen dat zij (de Liefde) heeft geschapen om lief te hebben en dat door zijn eigen schuld alleen maar ontrouw en ondankbaar kan zijn.” 4.9.71 
“Lieve vriendin, stort uw hart uit in het Mijne. Bezing de liefde van uw Schepper en zijn Schoonheid. Geloof dat ik u liefheb.” 15.7.66 
“Als ge niet genoeg liefde schenkt aan de mensen rondom u, dan mist ge het doel dat door uw Schepper bepaald werd.” 4.7.73 
“Ge zijt gemaakt om te beminnen.” 10.2.67 
“De Schepper geeft. Het schepsel ontvangt om te geven.” 22.11.66 

3.3 Onze vereniging (met onze Schepper)
“De jeugd van het hart bestaat in een liefdevolle opmerkzaamheid voor de Schepper van alle goed.”1.7.75 
“De wereld moet het bewijs krijgen dat de ziel in de moeilijkste situaties één kan zijn en moet zijn met haar Schepper.” 11.5.67 
Allerlei beproevingen moeten deze eenheid niet in de weg staan; integendeel! Nooit is God dichter bij ons dan wanneer we lijden.
“Er is een lijden van de volgelingen van het kruis, gewenst lijden, liefdevol aanvaard voor de zonden van de wereld. Nobel lijden, dat de ziel op niet te verwoorden wijze met haar Schepper verenigt.” 30.11.66 
Het doel van ons bestaan is de vereniging met onze Schepper die gesublimeerd al worden in de hemelse glorie en slechts door de Liefde bereikt kan worden. Een typische eigenschap van de goddelijke Liefde bestaat er nu juist in dat er voortdurend contact is tussen onze ziel en zijn Maker.

Wanneer we zo het doel verwezenlijken waartoe Hij ons geschapen heeft, verschaffen wij Hem een onuitsprekelijke vreugde, waarvoor de beloning evenredig al zijn met de liefde die wij Hem betoond hebben, want “de Schepper kan niet onderdoen voor zijn schepsel.” 31.3.67 

De mens behoort zichzelf niet toe, want hij heeft zichzelf niet geschapen. Daarom mag hij niet vergeten dat de Schepper alle rechten op hem heelt. Als hij dit respecteert, zal hij zelf recht hebben op een geluk dat hij niet kan vermoeden, voornamelijk omdat het elke verbeelding en de hoogste verlangens van het menselijk hart te boven gaat: “Geen oog heeft het gezien, geen oor heeft het gehoord, geen mens kan het zich voorstellen, al wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben” (l Kor. 2,9).


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 40-42.

 

De Tederheid van God

Onze relatie met God is een fundamentele kwestie. De kwaliteit van deze relatie hangt voornamelijk af van het beeld dat wij van Hem hebben. God is oneindig groot en machtig. Hij is de absolute volmaaktheid. Anders zou Hij God niet zijn. Dat is wat de rede ons kan leren over God. En dat is ook het enige dat zij over Hem kan zeggen. Maar wij hebben een andere bron die ons iets over God kan leren: het geloof, gebaseerd op de Openbaring van God over Zichzelf. In het Oude Testament noemde Hij zich “Ik ben”, ofwel “het Wezen bij uitstek, zonder wie alle andere wezens niet zouden bestaan”. In het Nieuwe Testament heeft Hij ons een werkelijk prachtige definitie van Zichzelf gegeven van de hand van zijn geliefde leerling: “God is Liefde”, schrijft Johannes ons in zijn eerste brief (4,8). Welnu, deze Liefde in God verleent alle andere typische goddelijke eigenschappen een oneindig karakter: zijn grootsheid, zijn almacht, zijn schoonheid, enz. Hij is grenzeloos zoals zijn eigenschappen grenzeloos zijn.

Er bestaat een nuance van de Liefde die verwant is aan de Barmhartigheid, namelijk de Tederheid. Wij vinden hierover sprekende getuigenissen in het Oude Testament: Jes. 66,13; Hos. 11,14; Psalm 103.

Terwijl de transcendentie van God ons, die slechts nietige wezens zijn tegenover Hem, een zekere angst inboezemt, stelt zijn tederheid ons gerust en weerhoudt ons ervan om ons afstandelijk te gedragen tegenover Hem. Onze terughoudendheid zou Hem kwetsen. Deze tederheid wordt ons bijzonder duidelijk geopenbaard in het evangelie (parabel van de verloren zoon, van de goede herder, het verhaal van de boetvaardige zondares; Lc. 7,36-50). En dus buigt God zich naar ons toe, ondanks de oneindige afstand die ons van Hem scheidt, en wil Hij met ons omgaan zoals een vader met zijn kinderen, zoals vrienden met elkaar, zoals een man met een vrouw. Hoe sterk deze vergelijkingen ook mogen lijken, toch doen ze afbreuk aan de werkelijkheid.

De Boodschap van de Barmhartige Liefde spreekt ons ook graag over deze onuitsprekelijke tederheid die onze relatie met God volledig kan wijzigen, naarmate wij erin willen geloven en ons erin willen verdiepen. In de persoon van Jezus definieert God zich als de tederheid zelf. Zijn houding tegenover ons en de manier waarop Hij werkt, dragen altijd de stempel van zijn buitengewone tederheid. Hij vraagt ons ook dat wij zijn gevoelens zouden delen of, zoals men tegenwoordig zegt, dat wij op dezelfde golflengte zouden zitten.

1.God is de tederheid zelf: 

“Ik ben de Koning der harten, Ik ben de miskende tederheid.” 10.3.66 
“Ik koester voor u de tederheid van een vader, de liefde van een moeder en de genegenheid van een echtgenoot.” 4.4.68 
“Ik ben de troost van de bedroefden, de onuitsprekelijke tederheid voor de nederigen.” 25.6.67 

De Boodschapster is blij dat ze de tederheid mag verkondigen en dankt Hem daarvoor:
“Weest geloofd, Heer, voor uw goedheid, voor de onuitsprekelijke Tederheid van uw goddelijk Hart voor uw kinderen” 1.6.70 

 2.Zijn houding tegenover ons en de manier waarop Hij werkt, dragen altijd de stempel van de tederheid. 

2.1. Jezus heeft dit heel speciaal getoond gedurende zijn verschrikkelijke Lijden. Op een zekere Goede Vrijdag verklaarde Hij aan Marguerite:
“Binnen enkele uren de kruisdood. Met een oneindige Tederheid… Ik had al uw zonden op Mij genomen en in mijn gebroken Hart was er zoveel tederheid, zoveel medelijden met mijn beulen.” 8.4.66 

2.2. Zijn tederheid geldt allen zonder onderscheid, om de eenvoudige reden dat Jezus alle mensen wil redden. Maar vooral de kleinen.
“De wereld van de kleinen heeft antennes die goed opvangen en niet bedriegen. De onuitputtelijke Bron van tedere liefde, die aan mijn open Hart ontspringt, is voor allen bestemd, zonder onderscheid.” 4.11.66 

2.3. Jezus zelf is teder:
Om naar ons te luisteren:
“Zeg Mij alles, Ik luister met zoveel tederheid naar u.” 15.2.67 

Om onze geringste gemoedsneigingen te bespieden:
“Kind, bemint ge Mij? Zeg het en herhaal het maar. Mijn tedere liefde bespiedt uw geringste gemoedsneigingen tot Mijn Hart. Wees niet gierig. Hadt ge er enig idee van!” 17.2.67 

Om de zalving van Zijn Geest over ons te verspreiden:
“Ik dring in de diepten van uw wezen. Met tederheid zalf Ik uw ziel met mijn Geest.” 21.6.66 

Om ons te beminnen en ons te verzekeren van Zijn liefde:
“Denkt niet, dat ge te onwaardig zijt om Mij te benaderen. Ik zal u de heilige stoutmoedigheid geven van de kinderen Gods. Want met heel de tederheid van mijn Hart heb Ik u allen lief zoals ge nooit zult bemind worden.” 11.4.67 
“Ik heb met tederheid naar u gekeken. Ieder van u heb Ik bij zijn naam genoemd.” 4.11.71 
“De onuitputtelijke tederheid van mijn Hart, geloof Mij, zou u onmogelijk in de steek kunnen laten, en Ik zal komen, dat beloof Ik u.” 7.5.67 

Om de zondaars te redden:
“Wie zal gered worden? Die het wenst met geloof en vertrouwen. Mijn Hart neigt zich met tederheid over wie zich vernedert.” 4.10.67 

Om het kwaad te vernietigen:
“Het is helaas gemakkelijker, in weinig tijd een wereld op te bouwen, dan het kwaad uit te roeien in één enkele ziel. En soms, wanneer de tederheid niet volstaat, moet men krachtdadige middelen aanwenden.” 5.6.67 

Om onze ellende te verhelpen:
“Besef goed uw ellende. Betreur ze, maar bekommer er u niet om. Ik genees met tederheid.” 21.2.68 

Om te antwoorden op de roep van hen die lijden:
“Hoe bedroevend toch! Is het dan echt nodig, dat mijn kinderen lijden opdat ze zich zouden verwaardigen te gedenken dat Ik besta? En mijn tederheid voor hen is dan weer zo, dat Ik niet altijd kan weerstand bieden aan hun tranen.” 15.10.66 

Om het getuigenis van de liefde van de kleinen te ontvangen:
“Wees geloofd, Heer,” roept de Boodschapster uit, “voor uw goedheid, voor de onuitsprekelijke tederheid van uw goddelijk Hart voor uw kinderen.” 1.6.70 

2.4. Zijn speciale tederheid voor Marguerite en elke Kleine Ziel:
“En Ik, Ik heb heel de tederheid van mijn Hart in mijn kind gelegd, dat het erover beschikken kan voor allen.” 28.11.67 
“Mijn kind, ontvang elke Kleine Ziel met tederheid, wees voor haar een klein lichtje.” 
“Zeg hun (de mensen) dat Ik, hun God, hen niet aan hun lot overlaat, dat Ik vol tederheid waak over de Kleine Zielen van barmhartigheid.” 19.1.70 

3.Hoe moeten wij deze tederheid beantwoorden? 

3.1. Maar al te vaak ontmoet de tederheid van Jezus’ Hart slechts onverschilligheid, ondankbaarheid en kilte.
“Ik breng hun (de mensen) het heil door de Liefde. Zij houden niet op Mij te beledigen. Mijn tederheid stuit op ironie en misprijzen.” 

3.2. Wat Jezus aan de mensen vraagt:
Er niet aan te twijfelen:
“Twijfelt nooit aan mijn tedere liefde!” 10.2.67 

Ervan te leven:
“Leef van mijn tedere liefde. Leer het kwaad grondig verafschuwen. Verkwist de tijd niet die u gegund is om lief te hebben.” 23.2.67 

Niet vrezen onze tederheid aan Jezus te tonen:
“Zoveel zielen vrezen Mij te mishagen door zich vrijmoedig te uiten. Ze bidden tot Mij als een verre en onbewogen God. En mijn Hart dat brandt van tedere liefde is niet voldaan wanneer ze zich zo plechtig tot Mij wenden.” 10.3.67 

Er de schatten van benutten:
“O mijn geliefde kinderen, laat de schatten van tederheid, die Ik u wil geven, niet ongebruikt in mijn Hart.” 14.4.67

Haar gebruiken als krachtbron:
“Wie zonder troost is, is daarom nog niet zonder genade. Zo weinig zielen blijven trouw in de beproeving. Gij, kind, wees sterk door al mijn tederheid. Vergeet nooit, dat in u het leven is.” 17.5.67 

Haar gebruiken om beter te beminnen:
“Heer, geef me wat ontbreekt om U beter lief te hebben.”
“Is de tederheid van mijn Hart U niet voldoende?” 20.7.67 

Alle mensen hebben een hart om te beminnen. Alleen hiervoor hebben ze het gekregen: om God bovenal te beminnen. Helaas lijken velen zich hiervan niet bewust. En terwijl zij hun Schepper, Hun Verlosser en Vriend beschouwen als een Wezen dat zich ver van hen bevindt, denken zij dat zij Hem niet moeten beminnen. Misschien omdat zij het een onmogelijke zaak vinden, hechten zij zich liever – en vaak in overdreven mate – aan het schepsel (i.c. de mens), en behandelen zij de Heer als een vreemde, een ongewenste, een ongenode gast.

Nochtans is God één van ons geworden door de Menswording. Door ons lot in alles behalve de zonde te delen, maakt Hij vreemd genoeg deze belangrijke plicht van de liefde gemakkelijker. Door niet alleen zijn goddelijke, maar ook zijn menselijke tederheid kwistig uit te delen. Tederheid die zonder maat is en tegelijkertijd op maat, passend bij onze meest verborgen persoonlijke voorkeuren. Indien zij ons onverschillig laat, bewijst dit eenvoudigweg dat wij nog gebonden zijn aan en overheerst worden door een heerszuchtige eigenliefde, waarvan wij ons eerst dringend zouden moeten ontdoen. Indien wij er de moed toe hadden, zou ons hart, onthecht van het geschapene, zich gemakkelijk aan zijn Schepper kunnen hechten en Zijn Liefde met liefde kunnen beantwoorden.

Ten slotte citeren wij nog uit de Boodschap:
“Laat uw hele leven rusten in de onuitsprekelijke tederheid van uw God.” 1.2.67 


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 36-39.

Mgr. Everard de Jong: Jaar van Barmhartigheid

lkz huw gezin 2Het heilig jaar van Barmhartigheid is inmiddels flink gevorderd. Overal zie je initiatieven, die de oproep van Paus Franciscus om Gods barmhartigheid indachtig te zijn, gestalte geven. Natuurlijk is een van de belangrijkste plaatsen waar dat kan gebeuren bij u thuis… Hoe beleeft u de barmhartigheid? Onze Paus heeft vaker gezegd dat er drie woordjes echt belangrijk zijn in het gezin: permesso, grazie en scusi, “Mag ik?”, “Dank je!” en “Het spijt me!” Dat laatste woordje verwacht dan natuurlijk ook een antwoord als: “Ik vergeef je van harte!” Lukt dat altijd van harte?

Een hulp bij het beleven van de barmhartigheid kan zijn het door een priester plechtig laten installeren van een afbeelding van het H. Hart van Jezus. Zoals u wellicht weet heeft Jezus veel beloften verbonden aan allen die zijn Allerheiligst Hart, dat brandt van barmhartige liefde, aanbidden.

De heilige zuster Margaretha Maria Alacoque (1647-1690) ontving tijdens verschijningen van Jezus in Paray le Monial o.a. de belofte dat de huisgezinnen die zijn H. Hart aanbidden vrede zullen krijgen (2e belofte) en dat de woningen waar een afbeeldíng van zijn H. Hart geplaatst en vereerd zou worden, gezegend zouden worden (9e belofte).

Ook de door Jezus aan zuster Faustina Kowalska (1905-1938) geopenbaarde afbeelding, waar rode en witte stralen uit Jezus’ hart stromen, heeft een wonderbare uitwerking op de verharde harten van mensen. Het bidden van de rozenkrans van barmhartigheid kan veel genaden verkrijgen van de Barmhartige God!

Dan vraagt de paus de 7 lichamelijke en de 7 geestelijke werken van barmhartigheid te doen. Wellicht kunt u zelf eens samen in uw gezin nadenken hoe u binnen uw gezin gestalte kunt geven aan die uitnodiging; de hongerigen te spijzen, de dorstigen te laven, de naakten te kleden, de vreemdelingen te herbergen, de zieken te verzorgen, de gevangenen te bezoeken en de doden te begraven.

Maar ook hoe u onwetenden kunt onderrichten, degenen die moeilijkheden ondervinden goede raad kunt geven, de bedroefden kunt troosten, de zondaars vermanen, het onrecht geduldig kunt lijden, aangedane beledigingen vergeven en voor de levenden en overledenen bidden.

Wat betreft dat laatste is het wellicht een idee om regelmatig met het gezin een Heilige Deur van Barmhartigheid door te gaan. Dan heeft u de mogelijkheid om de aflaten te verdienen die daaraan verbonden zijn. D.w.z. dat als u binnen een week voor of na de doortocht biecht, een mondgebed (Onze Vader en Wees Gegroet) bidt tot intentie van de paus, en de H. Communie ontvangt, u (in het geval dat u geheel vrij bent van alle gehechtheid) alle, of meerdere tijdelijke straffen na de dood kwijtgescholden krijgt.

* Everard de Jong

Gedeelten uit; Nieuwsbrief, Centrum voor Huwelijk en Gezin, Roermond, 2016, blz. 1.


 

De Barmhartigheid van God

DE BARMHARTIGHEID VAN GOD

Het parool dat de Heilige Vader gaf voor de herdenking van de 1950e verjaardag van de verlossing ‘Opent uw poorten voor de Verlosser’, doet ons dadelijk denken aan zijn meesterlijke encycliek over de goddelijke Barmhartigheid. Alle mensen zijn geroepen om te genieten van de vruchten van de Verlossing. Maar dit kan alleen maar, als zij zich richten tot het Barmhartig Hart van Jezus, dat de schatten van vergeving van de ‘Vader van Barmhartigheid’ herbergt om ze aan ons uit te delen.

God is liefde. Maar aangezien Hij zich richt tot zondige mensen, hult Hij hen in zijn barmhartige en medelijdende liefde om hen zo naar hun redding te leiden. Wanneer de vertalers van de Bijbel ons ‘Eeuwig is zijn Liefde’ laten zingen, gaat het in wezen om zijn barmhartigheid, een term die een nuance van deze liefde beter doet uitkomen.

De H.Teresia van het Kindje Jezus zei dat ‘men nooit genoeg vertrouwen kan stellen in een God die zo barmhartig en goed is.’

De Kleine Zielen delen deze overtuiging. Zij hebben eveneens enthousiast het jubeljaar ontvangen, dat werd aangeboden door onze Heilige Vader Johannes Paulus II, die hiermee op gepaste wijze de actualiteit van de Boodschap van Jezus’ Hart onderlijnt. Het is de drijfveer die ons ertoe aanzet de rijkdom van zijn onderrichtingen omtrent de barmhartigheid te inventariseren: wat verstaan we onder de Barmhartigheid van God en de zondige mens en welke houding moeten we tegenover haar aannemen.

 

1. De barmhartigheid in God

1.1. God identificeert zich met deze essentiële karakteristieke eigenschap:
“Ik ben de oneindige Barmhartigheid.” 6.7.68

Zij hunkert ernaar zich mee te delen:
“Mijn barmhartigheid hunkert ernaar, zich mee te delen. Ze wordt in bedwang gehouden door mijn gerechtigheid.” 22.10.65 

God stort schatten van barmhartigheid uit in de ziel:
“Het heeft mijn liefde behaagd, schatten van barmhartigheid over uw ziel uit te storten.” 28.4.66
“Mijn barmhartigheid beschut de ziel van de arme zondaars. Ze staat op de uitkijk en wacht de gelegenheid af om zich voor hun heil totaal in te zetten.” 28.2.66
“De vruchten van barmhartigheid zullen talrijk zijn.” 8.4.71 

Klinkt dit niet als de echo van Psalm 130?
“Want bij de Heer is genade, kwijtschelding bij Hem menigvuldig.” 

1.2. Haar relatie met de gerechtigheid:
“De hemel ontsluit zich en mijn barmhartigheid gaat aan mijn heilige gerechtigheid vooraf.” 1.6.70 

De gerechtigheid wil graag voor haar wijken:
“Dwaas is hij die mijn gerechtigheid loochent. Maar voorwaar, Ik zeg u: zij schept er genoegen in, te wijken voor de Barmhartige Liefde.” 3.4.67 

Zij is bedreven in het zich meester maken van de zielen:
“Hadt ge enig idee van de werking van mijn barmhartigheid en de middelen die ze aanwendt om zich van de zielen meester te maken!” 10.11.66 

Zij wedijvert met de gerechtigheid die zij in bedwang houdt en overwint:
“Er is zoveel liefde nodig om het kwaad te overwinnen, zoveel barmhartigheid om mijn gerechtigheid in bedwang te houden.” 30.1.71

Geen zonde weerstaat haar:
“Voor elke zonde, hoe groot zij ook weze, is er bij Mij vergeving, als ge maar wilt.” 21.7.66

 

2. De rol van de barmhartigheid

2.1. Haar opmerkelijke rol bij de Verlossing:
“Voor ieder van mijn beulen heb Ik alleen maar liefde en barmhartigheid overgehad. Dit is de prijs van de Verlossing.” 4.9.71
“En de oneindige Barmhartigheid zal de wonden van deze helse tijd met zoveel liefde verzorgen, dat ze de zielen zal vernieuwen door hen tot nieuw leven te wekken, een leven van rechtvaardigheid en naastenliefde.” 22.8.68 
“Ja, Ik bid voor u tot de Vader van Barmhartigheid, opdat uw oren en uw hart zich ten slotte zouden openen voor de Waarheid.” 1.4.70 

2.2. Tegenover de zondaars
“De zondaars hebben inderdaad grote nood aan barmhartigheid.” 2.1.67 
“Mijn barmhartigheid wil niet de dood van de zondaar maar zijn bekering.” 25.9.68
“En deze zielen (die met de diepste menselijke ellende hebben kennis gemaakt) zijn de geliefde kinderen van mijn barmhartigheid.” 11.3.67 
“Uw ellende trekt mijn barmhartigheid aan en vervult haar met vreugde.” 24.10.69
”Geloof maar, dat Ik geen ziel aan de hel prijsgeef vooraleer Ik alle middelen heb beproefd waarover mijn barmhartigheid beschikt om haar te redden.” 4.10.67 
“Hadt ge er enig idee van, hoe één moment van spijt over uw fouten de barmhartigheid van uw God in beweging kan brengen, hoe die u niet alleen vergeving kan schenken, maar ook weer de onschuld van uw kinderjaren.” 8.3.67

In verband met een zelfmoord:

“Geloof maar, dat mijn barmhartigheid de dwaasheid van de mens bemantelt.” 22.7.67
“De heilzame wateren van mijn barmhartigheid zullen over hun zielen (van de zondaars) stromen als ze voor een vernieuwde woonplaats zorgen, en mijn eeuwige vergeving zal hun toekomen.” 11.4.67

 

3. Haar teleurstellingen en mislukkingen

“… met bitterheid ben Ik getuige van de ontaarding van de geesten en van de harten. Vergeefs heb Ik schatten van liefde en barmhartigheid uitgeput om hen tot Mij terug te voeren; mijn gerechtigheid baant zich een weg doorheen de hindernissen die de mededogende en tedere Maagd haar in de weg legt.” 16.8.72
“De door mijn barmhartigheid nog beperkte verliezen zullen helaas veel te zwaar zijn.” 12.1.69 
“Ik zeg u met smart, dat een aanzienlijk deel aan het vuur zal prijsgegeven worden. Ik ben nochtans geheel en al barmhartigheid en vergeving.” 23.6.68

 

4. De barmhartigheid en Marguerite, de Boodschap en het ‘legioen van de kleine zielen’

4.1. “Zoals zij (de Kleine Teresia) zijt gij het geliefd kind van mijn barmhartigheid. Terwijl zij voor het kwaad gevrijwaard bleef; werd gij ervan bevrijd. Mijn barmhartige Goedheid heeft dat alles bewerkt.” 14.3.67
“Ik heb u ermee belast, de grootheid van mijn barmhartigheid aan de wereld kenbaar te maken.” 3.1.69 

4.2. “Tot hen die twijfelen (aan de Boodschap) zeg Ik: misprijst niet wat van Mij komt en wat Ik u in mijn barmhartigheid zend om u te herinneren aan uw essentiële plichten tegenover Mij en mijn Heilige Moeder.” 24.8.66 

4.3. “In mijn barmhartigheid heb Ik een middel gezocht om een groot aantal besluitelozen en opstandigen te redden: een leger van zuivere kleine zielen oprichten voor hun redding.” 16.4.70
“Vele verborgen zielen verkrijgen voor de anderen wonderen van genade en barmhartigheid.” 31.5.67

 

5. Welke houding moeten wij aannemen tegenover de goddelijke barmhartigheid? 

5.1. Eerst en vooral:

Erin geloven
“Tot hen die twijfelen (aan de Boodschap) zeg Ik: misprijst niet wat van Mij komt en wat Ik u in mijn barmhartigheid zend.” 24.8.66
“Wees ervoor beducht, dat ze voor u een oorzaak van verderf kan worden als ge weigert er de betekenis van te vatten en ze te beantwoorden met uw inkeer.” 5.5.71

Erop hopen
“Gelooft ge in mijn goedheid? Hoopt ge op mijn barmhartigheid? Vertrouwt ge op Mij?” 29.9.67

 

5.2. Om barmhartigheid te verkrijgen:

5.2.1. Zich vernederen
“Wie zich voor Mij vernedert en zijn fouten bekent met een waarachtig en oprecht berouw, verkrijgt van Mij vergeving.” 23.9.66
“Wees u ervan bewust wat ge Mij verschuldigd zijt. Beken nederig uw fouten. Mijn barmhartigheid zorgt voor het overige.” 22.4.68
“Uw gevoel van onmacht verheft u tot op de hoogte van mijn liefde en van mijn barmhartigheid.” 21.2.68
 “Het bewustzijn van uw geringheid trekt mijn barmhartigheid aan, die zich haast om u met weldaden te overladen.” 10.11.65 

5.2.2. Bidden
“Kind, dring gerust aan om van Mij barmhartigheid te verkrijgen voor allen. Ik laat mij zo graag bidden, laat mij zo graag overwinnen door uw volharding.” 28.4.67
“Wees waakzaam en smeek onophoudelijk de goddelijke barmhartigheid af voor de zonden van de wereld.” 21.3.68 

5.2.3. Vertrouwen hebben
“Geholpen door een groter vertrouwen in mijn barmhartigheid zal de liefde bergen van harten doen ontstaan, die de plannen van de vijand verijdelen… en vol vreugde en tedere liefde begroet worden door de hemelse Vader, Schepper van al wat bestaat.” 31.1.67 

5.2.4. Zelf ook barmhartigheid betonen
“Wees barmhartig jegens u zelf zoals Ik zelf barmhartig ben jegens mijn arme zondige kinderen.” 23.8.67

5.2.5. Barmhartigheid opwekken door onze goede werken
“Bedenk dat uw werken, goede of kwade, u overal volgen en meteen mijn barmhartigheid stellen tegenover mijn gerechtigheid. Kwijt u van uw schuld tegenover Mij met veel liefde, en Ik zal u de geheimen van mijn barmhartige goedheid openbaren.” 31.8.67 
“Velen… miskennen in zekere zin de goddelijke rechten. Door opnieuw te leren beminnen, verlenen ze mijn gerechtigheid en mijn barmhartigheid wat deze van rechtswege toekomt.” 11.2.67
“Gaat ge mijn Werk dwarsbomen door uw weigering allerbarmhartigst te zijn voor allen? Door veel liefde te schenken aan de mensen rondom zich wapent men de goddelijke barmhartigheid ten bate van de zondige ziel.” 29.6.72 

Men zou ons kunnen verwijten dat we teveel citaten over de barmhartigheid aanhalen. Maar als de Heilige Geest er in de H. Schrift al zo de nadruk op legt, is het toch niet te verwonderen dat de Boodschappen die door de Kerk authentiek verklaard zijn – te beginnen met die van de Heilige Margareta-Maria, van de Heilige Teresia van het Kindje Jezus en andere van recenter datum – , zo graag hun onderrichtingen onze moderne wereld insturen tezamen met dringende oproepen tot gebed en boetedoening.

Als vele zielen, volgens de H. Julien Eymard, hun zieleheil prijsgeven uit wanhoop, dan spreekt het voor zich dat dit voortkomt uit een gebrek aan vertrouwen in de oneindige barmhartigheid. Terwijl de geredde zielen, die allen in een bepaalde mate hiervan afhankelijk waren, zich gelukkig prijzen Hem eeuwig hun hymne van dankbaarheid en liefde te kunnen zingen.

En was dat niet het uiteindelijke doel dat de Heer nastreefde toen Hij de Verlossing verkondigde door zijn H.Bloed? Niemand kan ontkennen dat vooral tijdens het jubeljaar de heilzame werking van zijn verlossing zichtbaar wordt. Mogen alle kleine Zielen worden tot onvermoeibare apostelen van het Barmhartig Hart van Jezus, de onuitputtelijke bron van vergeving voor de zielen in nood en al diegenen die op zoek zijn naar de volmaakte liefde!


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 32-35.


 

Verering van en devotie tot het Heilig Hart van Jezus

HET HEILIG HART VAN JEZUS

Op 15 mei 1956 publiceerde Paus Pius XII de encycliek over de “Verering van en devotie tot het Heilig Hart“ ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de beslissing van Pius IX om de Mis van het Heilig Hart, die tot dan toe was voorbehouden aan bepaalde bisdommen en religieuze families, uit te breiden tot de universele Kerk.

Dit nieuwe pauselijke document wilde duidelijkheid brengen aan allen die, reeds voor het Tweede Vaticaans Concilie, deze devotie in twijfel trokken en deze niet alleen ontkenden maar zelfs lasterden.

Neen, deze devotie die door verschillende Pausen (waaronder Paus Paulus IV) warm werd aanbevolen, is verre van ouderwets of achterhaald.

Pius XII gaat zelfs zover dat hij de verering van het Heilig Hart ‘dé religieuze daad bij uitstek’ noemt. Door deze verering niet ernstig te nemen, zouden wij ons schuldig maken aan lichtzinnigheid. De Kleine Zielen moeten haar, meer dan wie ook, in hun geestelijk leven een ereplaats toekennen. Zij beschouwen de ‘Boodschap’, waarvan zij de apostelen en ijverige verspreiders zijn, als een zuiver uitvloeisel van het ‘Barmhartig Hart van Jezus’.

 

1. De redenen voor onze devotie tot het Heilig Hart

 1.1. Deze verering, deze devotie heeft vooral het fysiek Hart van Onze-Lieve-Heer tot voorwerp. Dit hoeft ons niet te verwonderen, aangezien de Persoon van Christus aanbeden kan worden in zijn twee naturen. In zijn lichaam en in zijn ziel, waarmee het Woord van God zich wezenlijk verenigd heeft. Hier vereren wij dat gedeelte van het lichaam dat, samen met het hoofd, het edelste is, namelijk het Hart.

Iedereen weet dat dit orgaan een weerslag krijgt van alle hartstochten of emoties van de ziel, voornamelijk deze die zijn liefde uitdrukken. Het is natuurlijk niet de oorzaak van de liefde, maar een echo ervan.

Welnu, de liefde van Jezus is niet alleen de liefde van een God, die daardoor oneindig is, maar ook de liefde van een absoluut volmaakte Mens. Het Hart van Jezus wordt terecht gebuikt als symbool van zijn Liefde, die tegelijkertijd goddelijk en menselijk is. Door ons zijn Hart te geven; “Ziehier het Hart dat de mensheid zozeer heeft bemind”, geeft Jezus ons tegelijkertijd de Liefde van een vrijgevige Reddende God en de liefde die klopte in zijn mensenhart. In deze concrete en tastbare vorm begrijpen wij de Liefde van God veel beter. Deze Liefde is letterlijk ‘onbe-grijp-elijk’. We lezen in de Boodschap over dit onderwerp:

“Mijn kind, ge zijt zeer eng betrokken bij een groot mysterie: de ondoorgrondelijke Liefde van mijn goddelijk Hart voor alle mensen.” 31.10.65 

Paulus herinnerde de Efeziërs dus terecht aan de “grote liefde waarmee God ons heeft liefgehad” (Ef.2,4).

1.2. Anderzijds is de Liefde de directe oorzaak van alles wat God heeft ondernomen voor de mensen.

Het is uit liefde dat Hij ons heeft geschapen, om ons niet alleen deelgenoten te maken van zijn Wezen, maar ook van zijn Zaligheid, terwijl Hij van in alle eeuwigheid aan ons dacht. Het is uit liefde dat Hij zijn Zoon in de wereld heeft gezonden om ons te verlossen: “Zozeer immers heeft God de wereld lief gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat de wereld zou worden gered” (Joh. 3,6-17). Het is uit liefde dat Hij ons heiligt, om ons in staat te stellen om op een dag deel te kunnen hebben aan zijn geluk in datgene wat men in de theologie de ‘zaligmakende liefde’ noemt.

De wonderlijke gaven van zijn liefde zijn: de goddelijke Eucharistie – evenals de andere sacramenten -‚ de H. Geest, de H. Maagd Maria, de Kerk zelf, en niet te vergeten alle persoonlijke en bijzondere genaden die God graag schenkt aan elke ziel.

Al deze gaven ontspringen aan het Heilig Hart van Jezus, dat door de lans van de soldaat doorboord werd. Indien wij het H. Hart niet zouden vereren op de wijze die het toekomt, zouden wij het zwaar te kort doen. En dan begrijpen we waarom Paus Pius XII zo aandrong en deze ‘zoete vorm van devotie’ zo aanprees. Wie deze weldaad, door Jezus Christus aan zijn Kerk geschonken, onderschat, handelt slecht en roekeloos en beledigt God zelf.

Voor ons is het belangrijk stil te staan bij de houding die de Kleine Zielen moeten aannemen tegenover het H. Hart.

 

2. Om Jezus waardig te zijn, moet de liefde van de Kleine Zielen volgende eigenschappen bezitten: 

2.1. Nederig zijn
Laat ons luisteren naar wat de Boodschap zegt over dit onderwerp:
“Mijn Hart neigt zich met tederheid over wie zich vernedert.” 4.10.67
“Er zijn royale gebeden die mijn goddelijk Hart diep ontroeren: het gebed van de nederigen in de zuiverste broederlijke liefde.” 9.1.67
“De nederigheid, die mijn Hart zo dierbaar is, ontbreekt in uw ziel.” 24.2.69 

Deze laatste woorden zijn bestemd voor hen die de oproepen tot liefde afwijzen en die in een staat van onverschilligheid en zonde vervallen.

2.2. Vertrouwen
“Denkt niet dat ge te onwaardig zijt om Mij te benaderen. Ik zal u de heilige stoutmoedigheid geven van de kinderen Gods. Want met heel de tederheid van mijn Hart heb Ik u allen lief zoals ge nooit zult bemind worden.” 11.4.67
“Bemint Mij met een hart vol vertrouwen.” 28.1.67
“Uw liefde, dat weet ge, stemt mijn Hart opgetogen. Maar Ik zou oneindig verdrietig zijn als ge aan Mij twijfelde.” 15.5.67
“Wie op Mij al zijn vertrouwen stelt, al zijn hoop, die is het gezegende kind van mijn Allerheiligste Hart.” 9.9.67 

En verder, vol overgave:
“De liefdevolle overgave treft Mij op lieflijke wijze in mijn goddelijk Hart.” 21.4.72 

2.3. Als onze liefde waarachtig en intens is, heeft ze invloed op het Hart van Jezus.
“Kent ge de macht van een klein kind? Op het hart van zijn ouders? Op het Hart van zijn God?” 13.11.66 
“Ge kent uw invloed op mijn Hart niet.” 14.4.67 

2.4. Hartstochtelijk
Onze liefde voor Hem zou zo hartstochtelijk moeten zijn, als de liefde van alle Heiligen, die de volledige betekenis begrepen van het gebod ‘Gij zult de Heer uw God beminnen, met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht’. In dit verband houdt Jezus ons het voorbeeld van de bekeerlingen voor ogen, die beminnen zonder berekening en die zich ten volle geven.
“De bekeerlingen, kind, waren en zijn de hartstochtelijkste minnaars van mijn goddelijk Hart. Meer dan anderen vatten zij de waarde van de liefdeblijken die ze van Mij ontvangen.” 9.11.66 

Dat is trouwens de reden waarom Hij onverschilligheid verafschuwt;
“De onverschilligheid kwetst mijn Hart wreedaardiger dan de lans die het doorboorde.” 12.4.68

 

3. Hoe kunnen wij onze liefde uitdrukken?

3.1. We moeten ons realiseren dat onze weigering om Hem te beminnen tot gevolg kan hebben dat we zijn goddelijke vriendschap verliezen en dat we daardoor ten onder kunnen gaan.
“Wat is deze tijd smartvol voor mijn Hart! Moet Ik dan in mijn onmacht zoveel bitterheid doorstaan omdat ge weigert Mij te beminnen met al de eerbied die ge Mij verschuldigd zijt?”11.9.68
“Mijn Hart dat vol liefde is siddert smartelijk, omdat ze niet openstaan voor de Waarheid. Ze stellen alle hoop op hun gouden kalf, overladen het met eerbewijzen, eerbewijzen bestaande uit compromitterend geschipper en ondeugd.” 10.12.68 

3.2. Wenen om onze zonden en die van de wereld
“Beween veeleer de zonden van de wereld, die zo smartelijk het Hart van uw Vriend treffen”. 3.7.67
“Smeek onverpoosd om vergeving voor de zonden die ononderbroken mijn goddelijk Hart kwetsen.” 10.10.67 

3.3. Zonden weer goed maken
“Maak door veel liefde de tekorten, de beledigingen en de krenkingen goed, die mijn goddelijk Hart vandaag zullen kwetsen.” 27.2.67 

3.4. Hem troosten
“Mijn Kleine Zielen zullen mijn goddelijk Hart troosten. Met almaar meer tederheid en edelmoedigheid. Zo zullen ze de liefdedorst lessen die Mij kwelt.” 19.1.67 
“Troost vandaag mijn goddelijk Hart door veel liefde.” 11.3.68 
“Harten waarin Ik mijn toevlucht zoeken kan, vind Ik niet veel; ze zijn in beslag genomen door hun ijdelheden. ” 22.2.67 

3.5. Hij vraagt ons te bidden, met Hem verbonden te blijven, bij zijn Hart uit te rusten en Hem steeds weer onze liefde te verklaren.
“Zeg Mij en herhaal Mij deze woorden: ik bemin U! Als een gloeiende straal dringen ze diep in mijn goddelijk Hart en branden daar heerlijke wonden.” 9.8.66 
“Ik wil u hebben daar waar gij zijt, onbegrepen, heel en al verscholen in het Hart van uw God.” A1
Zie de wijd open armen van uw God. Kom rusten aan mijn goddelijk Hart, mijn welbemind kind, en vergeet al uw zorgen.“ 16.2.66 
“Mijn Hart is uw heiligdom. Daar houd Ik mijn lief kind gevangen.” 15.6.66 

Hij houdt ons voor dat zijn Hart de ‘onschendbare schuilplaats van de goddelijke liefde’ is. (29.7.07); en dat wij zijn Hart kunnen dwingen wanneer wij met aandrang bidden.
“Dwing mijn goddelijk Hart.” 6.7.68 
“Wanneer ge bidt, laat dan uw zorgen buiten bij de deur. Maar als de zwakheid dit verhindert, kom dan met de zorgen uw toevlucht zoeken aan mijn Hart. Ik zal er mijn deel van overnemen.” 27.8.68 

3.6. Hij verheugt zich over onze inspanningen
“Uw inspanningen, kindertjes, om te getuigen voor uw God, vervullen mijn Hart met zoete vreugde.” 29.3.72 

3.7. Ze moeten ingegeven worden door de liefde, die ons genoeg kracht zal geven om het lijden te aanvaarden.
“Wie lijdt vertoeft dicht bij mijn Hart.” 14.7.70 

3.8. Zo zullen wij de genade verkrijgen te beminnen wie ons kwaad doet.
“Beminnen wie u bemint houdt geen enkele verdienste in. Maar beminnen al wie u kwaad doet, daardoor verwerft ge de hemel en het Hart van uw God.” 13.3.67 

“God is Liefde” (1 Joh. 4, 16). Hoe kon Hij het ons beter duidelijk maken, dan door ons zijn Hart te laten zien? Een ‘mens met een hart’ kan ons bekoren en veroveren. Waarom zouden wij onverschillig blijven, wanneer het gaat om het Hart van een God dat zelfs niet te vergelijken is met het hart van de beste mens?

Deze devotie heeft Jezus zelf ons willen inprenten in een tijd waarin het jansenisme hoogtij vierde ‘de donkerste dwaling, de gevaarlijkste die ooit de hel uitbraakte’, omdat zij de zielen afkeerde van de H. Eucharistie. De devotie tot het H. Hart is waarlijk de school van de liefde. “Wij aarzelen niet om de devotie tot het Allerheiligste Hart van Jezus voor te stellen als de meest doeltreffende school van de goddelijke liefde” (Pius XII). En daarmee is zij meer dan genoeg gerechtvaardigd.

Als we deze devotie in de praktijk brengen, hoeven wij, Kleine Zielen, het goddelijk oordeel niet te vrezen.
“De Kleine Zielen van mijn goddelijk Hart staan onder mijn bescherming.” 27.3.70
“In de tederheid van mijn Hart zal Ik u oordelen. Ge kent de liefde die Ik voor u gevoel.” 27.3.67 

Wat kunnen wij nog meer zeggen ten voordele van deze devotie, de bestaansreden van de Kleine Zielen? Zij ontspruiten immers als het ware uit het Barmhartig Hart van Jezus, uit zijn zijde die met een lans doorboord werd, om de wereld beter de ‘onmetelijke rijkdommen’ van de liefde van God te leren kennen. De mensen hebben deze liefde zo hard nodig. Nooit zullen zij hun leven kunnen beteren, als zij zich niet resoluut tot Hem wenden, de Enige die hen kan helpen om hun problemen en hun moeilijkheden op te lossen en hen kan troosten bij hun beproevingen.

“Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken” (Mt. 11,30).


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 19-23.


 

De Hemelse en Barmhartige Vader is een en al Liefde

DE HEMELSE BARMHARTIGE VADER

Heel de menselijke broederschap berust op het geloof in één enkele Vader, die in de hemel is en in de liefde die wij Hem verschuldigd zijn.

Het is in Hem en door Hem dat wij ons allen verenigen. Het is door Hem te beminnen dat wij onze broeders kunnen beminnen, dat wij onszelf en onze broeders kunnen erkennen als kinderen van dezelfde Vader. Telkens als wij het ‘Onze Vader’ bidden, worden wij aan deze fundamentele waarheid herinnerd. De Boodschap zegt het ons uitdrukkelijk:
”… Ik vraag dat ge elkaar zoudt liefhebben als kinderen van een zelfde Vader die elkeen onder u teder bemint. En allen verbonden door de zoete banden der broederlijke liefde.” 2.4.68. 

Laten wij proberen om zijn Liefde beter te begrijpen. In de Boodschap spreekt Jezus ons over deze Liefde en verwijst Hij dikwijls naar zijn hemelse Vader, wiens wil Hij is komen volbrengen. Het is dus interessant voor ons om te weten in welke bewoordingen Hij tot ons spreekt. Zo zullen we beter onze plichten tegenover Hem begrijpen en het vertrouwen dat Hij van ons verwacht leren kennen.

1. De Vader beter kennen 

God de Vader wordt in de geloofsbelijdenis voorgesteld als de Schepper van alle dingen. Hij verwekt Zijn Zoon in eeuwigheid. De H. Geest is de levende Band tussen hen beiden. Daardoor is Hij de bron, waaruit alle liefde ontstaat. Wat we vooral van Hem moeten weten, is dat Hij Liefde is!

1.1. De Vader is één en al Liefde
”En Ik heb u  met een uitzinnige liefde bemind, dezelfde waardoor mijn hemelse Vader voor elkeen van u bezield was in de hemel.” 12.10.66. 

Waar zou Jezus deze uitzinnige liefde, waarmee Hij ons bemint, anders kunnen vinden dan in het Hart van de Vader? De liefde van de Vader voor zijn arme schepselen, die onderworpen zijn aan zoveel ellende, neemt de vorm aan van barmhartigheid. Hij is de “Vader van alle Barmhartigheid en de God van alle vertroosting”.
“Mijn Hart wacht op u en bemint u, niettegenstaande uw fouten, uw ongerechtigheden. Gij zijt de kindertjes van uw hemelse Vader. Want uw zonden hebben Hem niet voor eeuwig van u afgewend.” 22.8.67. 
”Ik waarschuw, Ik berisp, Ik vermaan en Ik bid. Ja, ik bid voor U tot de Vader van Barmhartigheid, opdat uw oren en uw hart zich tenslotte zouden openen voor de Waarheid.” 1.4.70. 
“Er zijn kinderen die zich weerspannig gedragen tegenover hun Vader die hen met genaden overstelpt heeft, en de Vader oefent geduld en kijkt aanhoudend uit naar enig teken van berouw om te vergeven.” 14.9.71. 
“Als voor kleine verloren zonen die spijt hebben over hun fouten, zo zal de hemelse Vader zijn armen voor hen openen.” 26.2.68. 

1.2. Zijn barmhartigheid doet Hem afdalen naar ons, kleine kinderen. Zo hebben de Kleine Zielen een bijzondere plaats in zijn Hart.
“De kleinen komen naar de Vader met al hun miseries omdat zij ernaar streven ervan verlost te worden, maar dit niet vermogen zonder Hem. Men moet klein zijn vooraleer groot te worden. Het Onuitsprekelijke laat zich enkel vatten door de kleinen en die op hen gelijken.” 26.11.72 

1.3. Toch geeft Hij niets prijs van zijn gezag.
“Alles moet onderworpen zijn aan mijn wet. Niet allen aanvaarden deze wet en komen ertegen in opstand. Dit zijn de verloren zonen, die zich verzetten tegen het gezag van de Vader. En hoevelen helaas zullen nooit in het ouderlijk huis terugkeren?” 29.7.67 

Hij zal dus zijn gerechtigheid uitoefenen met goddelijke strengheid. Jezus spreekt met kennis van zaken, want Hij heeft het zelf ervaren tijdens zijn Lijden.
“Ik heb op Mijn ziel de last voelen drukken van uw zonden en de gerechtigheid van mijn Vader”. 12.10.66 
“Volgens de enen zou lk God en Vader zijn, volgens de anderen God en Gerechtigheid. Ik ben liefhebbende God voor allen.” 14.9.71 

2. Jezus verwijst naar de Vader 

Want het is door Jezus dat wij naar de Vader gaan. Hij leert ons, naar Zijn voorbeeld, om in alles de heilige Wil te volbrengen. “Mijn voedsel…”

2.1. Hij leert ons de Vader kennen:
“Niemand kent de Vader als hij Mij niet reeds kent. (Om de eenvoudige reden dat de Vader en Hij slechts Eén zijn.) Want zoals Ik één ben in Mijn Vader, zo is Hij één in Mij. 18.5.70.

Jezus verklaart zich verschillend van de Vader als Persoon, terwijl Hij zich door zijn goddelijke natuur toch met Hem identificeert en Zichzelf ook onze Vader noemt. Dit door de genade die ons ‘deelachtig maakt aan de goddelijke natuur’.
”Zowel in twijfel, in wanhoop als in vreugde sta Ik u bij, omdat Ik uw almachtige Vader ben, die zijn kleinen liefheeft met een ongeschapen liefde.” 24.5.70 
”Als de mensen weigeren zich aan de wet te onderwerpen die Ik aan Petrus heb overgedragen, dan zal Ik Mij van mijn plichten als Vader tegenover hen ontslagen achten. Enkel spijt en waarachtig berouw zal Mij tot hen doen terugkeren.” 4.8.68 
”Weest één ziel in mijn goddelijk Hart. Omdat Ik u heb uitverkoren onder zoveel anderen en omdat ge Mij verschuldigd zijt wat ge zijt: voor Mij gelijken, met dezelfde hoedanigheid, kinderen van eenzelfde Vader en eenzelfde Moeder.” 17.7.68 
“Ik ben in wie Mij met de Vader en de Geest liefheeft, en leef in zijn hart met heel mijn volheid.” 31.5.67 
“Ben Ik Vader, Ik ben ook God, en als zodanig eis Ik geëerbiedigd te worden in mijn Liefdesakrament dat men hoont en belachelijk maakt.” 27.3.70 
“Leef een leven van diepe eensgezindheid in het Hart van uw Vader.” 24.5.70 

2.2. Hij offert zich aan de Vader als zoenoffer voor ons.
“Zie mijn met nagels doorboorde handen in een vurig smeekgebed voor allen naar de Vader opgeheven.” 23.2.67 
”Ik liet hen (zijn vijanden) zich verzadigen aan mijn lijden want in mijn Hart had Ik het offer, dat door mijn Vader was gevraagd, aanvaard. Mijn smart werd echter vertienvoudigd, doordat Ik wist dat Ik door mijn overgave aan hun folteringen toch niet al mijn kinderen zou redden en dat voor velen mijn offer vruchteloos zou zijn.” 30.3.72 

2.3. Hij zal onze Rechter zijn, maar om ons naar de Vader te leiden en ons in zijn Handen over te geven.
“Gered worden alleen zij die wensen gered te worden alsmede alle zielen van goede wil. En bij het laatste oordeel zal Ik hun zeggen: “Komt gezegenden van mijn Vader, komt bezit nemen van het Rijk dat Ik u bereid heb door mijn bloedig Kruisoffer.” 8.8.71 

3. Wat de Vader vraagt: liefde en vertrouwen 

“Geholpen door een groter vertrouwen in Mijn Barmhartigheid, zal de liefde bergen van harten doen ontstaan, die de plannen van de vijand verijdelen. Bergen die door hun getuigeniskracht de hoogste hemel raken en vol vreugde een tedere liefdesgroet worden voor de Hemelse Vader, Schepper van al wat bestaat.” 31.1.67 
“Wat doet het ertoe dat men arm is? Heb Ik niet als God en Vader de plicht bescherming te verlenen aan hen die enkel op Mij rekenen?” 2.10.67 

De actuele miskenning en geringschatting van het vaderschap is waarschijnlijk de oorzaak van de onverschilligheid en zelfs het wantrouwen van sommige mensen tegenover de hemelse Vader.

Zijn onvergelijkbaar gezag en Majesteit vormen zijn aureool, dat enkel aanbiddende bewondering kan opwekken bij rechtschapen mensen. Bovendien is Hij geheel en al Liefde, de bron zelf van de Liefde, zoals we hierboven beschreven. Waarom is Hij dan bij zoveel mensen in ongenade gevallen? Waarschijnlijk omwille van zijn superieure grootheid die de eigenliefde kwetst van schijnbaar democratische geesten die aanhangers zijn van het egalitarisme.

Wij kunnen Hem natuurlijk niet behandelen als onze ‘makker’. Waar zouden dan het respect en de liefdevolle aanbidding blijven? Maar als we Hem respecteren, mogen we op vertrouwelijke wijze tot Hem spreken, van persoon tot persoon. Hij is in de hemel, ja, maar tegelijkertijd zo dicht bij ons!

Ja, laten wij gelukkig zijn dat wij een Vader in de hemel hebben, die ons bemint en die in onze harten aanwezig is. Een Vader aan wie niets ontsnapt dat ons aangaat en wiens aandachtige zorg tot in de kleinste details van ons leven te voelen is. Wij kunnen dus nooit overdrijven in ons vertrouwen en onze kinderlijke overgave!


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 16-18.

De Boodschap aan de Kleine Zielen: De Allerheiligste Drievuldigheid

DE ALLERHEILIGSTE DRIEVULDIGHEID

Het atheïsme kent een grote toename en richt zware schade aan op het einde van deze eeuw, waarin de mens, in de roes van de wetenschap en de ongekende vooruitgang van de technologie denkt dat hij het wel zonder God kan. Deze denkwijze is, doordacht of niet, gemakkelijk voor hen die alleen van zichzelf afhankelijk willen zijn.

Maar kan een rechtschapen geest twijfelen aan het bestaan van God?

Openbaart Hij zich niet aan elke verstandige geest die zonder vooroordelen kijkt naar het schouwspel dat de natuur ons biedt? “Van de schepping der wereld af wordt zijn onzichtbaar wezen door de rede in zijn werken aanschouwd, zijn eeuwige macht namelijk en zijn Godheid,” schrijft St. Paulus in zijn brief aan de Romeinen (Rom. 1,20) en hij zegt dat mensen die het bestaan van God ontkennen ‘niet te verontschuldigen’ zijn.

De wonderlijke complexiteit van het universum in haar onmetelijke uitgestrektheid doet ons versteld staan. Alleen een almachtige Intelligentie kon dit alles organiseren en maken tot een harmonieus geheel. Neem nu bijvoorbeeld de buitengewoon ingewikkelde wetten die het atoom regeren. Kan men te goeder trouw beweren dat zij louter toevallig zijn ontstaan? De blinde materie zou uit zichzelf nooit zulke wetten kunnen ontwikkelen.

Hoe onaangenaam het ook klinkt in de oren van mensen die onafhankelijk willen zijn, deze waarheid erkennen heeft ook gevolgen op moreel vlak. En daar wringt het schoentje!

We zouden dan ook zelfs de meest overtuigde atheïst de volgende vriendelijke raad in de oren willen fluisteren: “Laat uw geweten ernaar verlangen dat God bestaat en gij zult er nooit meer aan twijfelen.”

Deze waarheid is toegankelijk voor de menselijke rede, die soms niet verder kan reiken. Gelukkig komt het geloof ons te hulp met een superieur, bovennatuurlijk licht. Het leert ons dat God in de wereld ingrijpt en zich laat kennen door de openbaring van het onuitsprekelijke mysterie van de Drieëenheid door Onze Heer Jezus Christus.

Merk op dat de Drieëenheid, fundamenteel kenmerk van het christendom, de structuur vormt van ons Credo.

De Boodschap van het Hart van Jezus aan de Kleine Zielen kon in geen geval de Drieëenheid negeren en moest er wel over spreken.

Wij citeren twee passages die worden toegeschreven aan het Woord dat Mens geworden is. Zijn Hart, dat tegelijkertijd goddelijk en menselijk is, bundelt de brandende stralen van de Drievuldige liefde ten gunste van de mensen. “Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken?” (Rom. 8,32) Wat ons het meest treft is de goddelijke aanwezigheid in ons, de onuitputtelijke en vruchtbare bron van ons leven met God, vruchtbeginsel voor ons eeuwig leven.

“De Heilige Drievuldigheid heeft in u haar intrek genomen. Wees opmerkzaam voor deze Tegenwoordigheid, lief kind.” 11.11.65.
“De Heilige Drievuldigheid straalt haar werking enkel uit in zuivere harten. Als de gave van uzelf aan de Liefde niet volledig is, zal ze noodzakelijkerwijze onvolmaakt zijn… De Heilige Drievuldigheid, in u, BEMINT, HANDELT en STORT ZICH UIT.” 21.5.67.


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 15.


Boodschappen van de Barmhartige Liefde

BOODSCHAPPEN van de BARMHARTIGE LIEFDE

De Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen is een dialoog tussen Jezus, onze Verlosser en Marguerite, een eenvoudige moeder.

Deze Boodschap heeft een grote invloed doordat zij reeds in 21 talen vertaald werd en in 91 landen verspreid. Zij kent een groot succes, omdat zij een zuivere weerklank is van de H. Schrift.

“Deze handleiding voor het geestelijke leven is in het bereik van ieder verstand en Ik ben erop gesteld alle kleine zielen te treffen. Want Ik verwacht veel van hun edelmoedigheid. “ (Boodschap 24.6.67) 
“Ik ben u geen nieuwigheden komen leren. Wie hoopt in deze Boodschap ‘openbaringen’ te vinden zal ontgoocheld zijn. Bezorgdheid om gebed en boete, zelfovergave aan de liefde: ziedaar wat Ik u opleg.” (Boodschap 12.2.67) 

In 1971 verscheen de Boodschap met het Nihil Obstat en het Imprimatur van de Bisschop van Luik (België). Zij is de bron van de ‘gedachten van Jezus’ die in dit werk aan bod komen en die vroeger reeds gepubliceerd werden als een reeks artikelen in het maandelijkse tijdschrift van het Legioen Kleine Zielen.

Toen de Voorzitter van het Internationaal Centrum van het Legioen Kleine Zielen de auteur, R. Jaouen, vroeg om zijn artikelen uit te brengen, heeft deze geprobeerd de gedachten van Jezus te rangschikken volgens thema om zo de lezer een idee te geven van wat het geestelijk leven kan inhouden.

Het Geestelijk Kindschap

Een Geestelijke Levensweg

Een Liefdezending

De allerheiligste Drievuldigheid

De Hemelse Vader

Het Heilig Hart van Jezus

De Barmhartigheid van God

De Tederheid van God

De Schepping

De Verlossing

Het Lijdensverhaal

De heilige Wonden van Jezus

De Heilige Kerk

Maria Middelares

De Hemel


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 3.

 

De Boodschap aan de Kleine Zielen: Een liefdezending

EEN LIEFDEZENDING

De roeping van de christen is subliem. Ieder mens mag van zichzelf zeggen dat God in alle eeuwigheid aan hem persoonlijk gedacht heeft.

St. Paulus zegt: “Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in de hemelen in Christus heeft gezegend met elke geestelijke zegen. In Hem heeft Hij ons uitverkoren, voor de grondlegging der wereld, om heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons voorbestemd zijn kinderen te worden door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van zijn genade. Hiermee heeft Hij ons begiftigd in de Geliefde” (Ef. 1,3-6).

Deze tekst laat zien hoe hoog God ons acht, ons, die Hij door zijn genade tot Zijn kinderen wilde maken.

Maar naast deze algemene roeping, die voor alle gedoopten geldt, heeft ieder van ons nog een speciale roeping te vervullen binnen het mystieke Lichaam, een persoonlijke taak die hem onvervangbaar maakt en waarbij niemand anders zijn plaats kan innemen.

Marguerite is zich in de ’Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen’ volledig bewust van de rol die haar is toegewezen als persoonlijke roeping. Zij verlangt ernaar iets groots voor de Heer te verwezenlijken en opent zich in alle eenvoud voor Hem. Het antwoord van de Heer laat niet op zich wachten:
“Uw kleinheid is het grootste dat ge zult doen. Daarin ligt uw roeping. Daarvoor zijt ge tot het genadeleven geboren.” 10.12.66.

Roeping doet ons denken aan een opdracht die vervuld moet worden. Een opdracht waarvan het belang en de omvang sterk kunnen verschillen van persoon tot persoon. Dit is het geval bij Marguerite, dunkt ons. Wij leiden het af uit de lezing van haar teksten, met het voorzichtige en respectvolle voorbehoud, geformuleerd in de bemerking toegevoegd aan het imprimatur van de Boodschap.

1. De opdracht van Marguerite

1.1. Wij kunnen deze niet anders omschrijven dan ‘liefdeopdracht’.
Ziehier in welke termen de Boodschap erover spreekt:

1.1.1. De Heer beminnen en doen beminnen
”… gij hebt als roeping Mij lief te hebben, Mij te dienen en Mij te doen beminnen. ” 18.11.66.
“Iedereen hier op aarde heeft een opdracht te vervullen. De uwe is ervoor te zorgen, dat Ik beter gekend ben en meer bemind word. Gij moet de mensen herinneren met welke liefde Ik hen bemin.” 2.7.67.

1.1.2. In Zijn Naam spreken
”Uw zending, kind, is te spreken in mijn Naam.” 29.7.70.

De profeet Joël verkondigde dat het Messiaanse tijdperk gekenmerkt zou worden door een universele uitstorting van de H. Geest: ”Ik zal mijn Geest uitstorten over alle mensen, uw zonen en dochters zullen profeteren, uw grijsaards dromen zien, uw jonge mannen visioenen krijgen. Zelfs over de slaven en slavinnen start Ik mijn geest uit in die dagen. ” Joël, 3, 1-2

De H. Petrus citeert deze passage om te verwittigen dat het charisma van de profetie niet langer uitzonderlijk zal zijn, hoewel het altijd onderworpen moet blijven aan de controle van de Kerk. Dit vraagt Paulus ook: “Omnia probate” (“Beproeft alle dingen”).

1.1.3. De Weg van de liefde bewandelen en hem wijzen aan zoveel zielen die hem niet kennen of niet willen kennen.
“Kind, uw zending is afgelijnd. Het is de weg van de liefde en van de overgave.” 5.5.71.

1.1.4. Kortom, een zending waarop de Heer haar reeds lang van tevoren had voorbereid.
“Kind, heel de tijd die ge ver van Mij hebt doorgebracht, bereidde Ik u reeds voor op de liefdeopdracht die Ik u voorbehield.” 5.9.67.

1.2. Belang van deze zending

1.2.1. In tegenstelling tot de kleinheid van de boodschapster.
Marg.: “Heer, ik ben zo klein, en deze zending die Gij me toevertrouwt is zo groot. ” ”Gij zijt inderdaad klein. Maar Ik ben groot. En wat kan uw kleinheid verenigd met mijn grootheid niet verwezenlijken?” 6.5.70.

1.2.2. Belang van deze zending.
“Maar gij, kind, die Ik voor een belangrijke opdracht heb uitverkoren…” 29.5.67.
“Wees een bron van troost voor allen en beschouw uw opdracht als van het grootste belang.” 23.5.75.

Zo belangrijk zelfs, dat Marguerite ervoor terugschrikt. Maar toch krijgt zij een speciale bescherming van haar goddelijke gesprekspartner. Eerst van Onze Lieve Vrouw:
“OLV: Ik zal uw zending op aarde beschermen.” 19.2.67.
En vervolgens van Jezus zelf:
”… kind… twijfel nooit aan mijn bescherming en aan mijn liefde.” 29.5.67.

1.3. De opdracht van Marguerite wordt gerealiseerd door de stichting van het Werk van de Kleine Zielen.

”De stichting van de Geestelijke Orde van de Kleine Zielen is uw taak. Zet maar flink door, met de volle instemming van uw bisschop.” 12.8.74.
”Dit Werk is een werk van de Kerk en het moet dat zijn.” 28.10.74.
“De uitstraling van het Werk, die steeds krachtiger wordt en tot het uiteinde van de wereld reikt, zal uw vooruitzichten ver overtreffen.” 6.12.74.
“Het Legioen is thans op een keerpunt gekomen en het gaat een nieuwe snelle opgang kennen door de verenigde kracht van onze Heilige Harten, aan wie het werd toegewijd.” 25.8.74.

1.4. Wat de Heer verwacht van Marguerite.

1.4.1. Haar zending beleven.
“Wat in uw bestaan telt, kleine ziel, is het beleven van uw zending in evangelische geest en in totale overgave aan mijn wil.” 9.6.71.

1.4.2. Zich nog meer moeite getroosten voor deze zending.
“Mijn kind was meer mededeelzaam, dat is waar, maar ze heeft ook meer geleden en Mij elke dag haar ellende en haar verdriet opgedragen. En mijn hart dringt er vol tederheid bij haar op aan, zich nog meer moeite te geven voor haar liefdezending.” 24.6.70.

1.4.3. Haar opdracht volbrengen met liefde en vastberadenheid.
“En gij, kind, op wie Ik mijn stempel heb gedrukt, voer uw opdracht uit met liefde en vastberadenheid. Straal mijn liefde uit tot aan het uiteinde van de wereld.” 6.12.74.

Door haar trouw aan haar roeping doet zij de flatterende naam die de Heer haar geeft alle eer aan:
“In mijn wijsheid heb Ik u met een ruime maat liefde bedacht, omdat ge mijn kleine missionaris van de liefde zijt.” 20.4.70.

2. De opdracht van de Kleine Zielen

Hun opdracht zal, relatief gezien, analoog moeten zijn aan die van hun voorgangster:

2.1. Een precieze zending
”Ik heb met tederheid naar u gekeken. Ieder van u heb Ik bij zijn naam genoemd. Zo heb Ik u als apostelen van de nieuwe tijd een precieze zending toevertrouwd. Ik verlang edelmoedigheid van u, zonder evenwel uw vrijheid aan te tasten.” 4.11.71.

2.2. Een liefdezending, die dus zeer veeleisend is.
“Bemint elkaar, geliefden. Ik ben uw liefdebron. Lest uw dorst aan haar heldere wateren. Uw zending is een liefdezending voor het geluk en de vrede van de mensheid” 24.5.70.
“Weest leraars in de liefde voor de mensen rondom u.” 30.3.72.
“Kindertjes, weest de ’zachte’ revolutionairen van mijn liefde.” 23.6.75.
“Mijn Werk is een liefdewerk dat berust op vertrouwen en naastenliefde.” 25.6.72.
“Laat de voortreffelijkste naastenliefde uw daden beheersen, hoe onbeduidend ze ook mogen wezen.” 24.3.74.
“Nooit geeft ge voldoende liefde rondom u.”

2.3. Een zending die nog maar pas begint.
“Uw zending begint pas en er is zoveel zelfverloochening nodig om ze tot een goed einde te brengen.” 9.6.72.

Het ‘Dagboek van Marguerite’ wordt steeds actueler. Het spreekt voor zich dat alleen de liefde onze waanzinnige wereld kan redden. Deze bezielde bladzijden herhalen in alle toonaarden dat de weg van de liefde en het geestelijk kindschap van de H. Teresia van het Kind Jezus de enige remedie is voor deze tragische situatie: “Als gij niet wordt als kleine kinderen, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan.”
“Kind, laat het liefdegraan ontkiemen dat mijn kleine bruid Teresia van het Kind Jezus in de zielen gezaaid heeft.” 2.7.72.
“De Boodschap is inderdaad de voortzetting van de Teresiaanse werking in de zielen.” 22.6.71.


Uit; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 11-14.


Verering van de goddelijke Barmhartigheid volgens de openbaringen aan de zalige zuster Faustina

De barmhartigheid en de gerechtigheid van God

Verering van de goddelijke Barmhartigheid volgens de openbaringen aan de zalige zuster Faustina

IMG_Jezus

Jezus zei tot zuster Faustina:

“Voordat Ik als rechtvaardige Rechter verschijn, kom Ik eerst nog als Koning van Barmhartigheid. Voordat de dag van de gerechtigheid aanbreekt, zal er aan de hemel en op de aarde een teken zijn. Dan zal aan de hemel het teken van het Kruis verschijnen: uit elke wonde van mijn handen en voeten zullen lichtstralen tevoorschijn komen, die voor korte tijd de aarde verlichten. Dit zal geschieden, korte tijd voor de laatste dag.”


Inhoud

-De barmhartigheid en de gerechtigheid van God
-In het vagevuur
-Afdaling in de hel
-Blik in de hemel
-Verering van de goddelijke Barmhartigheid
-Het genadebeeld van de barmhartige Jezus
-De noveen tot de goddelijke Barmhartigheid
-Het feest van de goddelijke Barmhartigheid
-De rozenkrans van de goddelijke Barmhartigheid
-Toewijding aan de barmhartige Jezus
-Lofprijzing van de goddelijke Barmhartigheid
-Het uur van barmhartigheid
-Orden van de goddelijke Barmhartigheid
-Aanwijzingen voor de vereerders van de goddelijke Barmhartigheid
-Gebeden
-Levensbeschrijving van Zr. Maria Faustina


De barmhartigheid en de gerechtigheid van God

Uittreksel uit de openbaringen van Jezus aan de Poolse zuster Faustina Kowalska (1905-1938) van de congregatie van de Zusters van “de Moeder van Barmhartigheid”; door Paus Johannes Paulus II op 18-4-1993 zalig verklaard:

“Verkondig aan de wereld mijn grote, ondoorgrondelijke barmhartigheid. Bereid de wereld voor op mijn tweede komst. Voordat Ik als rechter kom, zet Ik eerst de poorten van mijn barmhartigheid nog heel ver open. De vlammen van mijn barmhartigheid verteren Mij. Ik voel me gedrongen deze over de zielen uit te storten. Uit al mijn wonden, in ’t bijzonder uit mijn Hart, vloeien stromen van liefde. Om te straffen heb Ik de hele eeuwigheid; nu verleng Ik nog de tijd van mijn barmhartigheid. Ik straf alleen als men Mij daartoe dwingt. Ik wil, dat de zondaars zonder enige vrees tot Mij komen. De grootste zondaars hebben heel speciaal recht op mijn barmhartigheid. Ik ben verheugd als zij hun toevlucht nemen tot mijn barmhartigheid. Ik overlaad hen met liefde, meer nog dan zij verwachten. Omwille van hen ben Ik naar deze aarde gekomen; omwille van hen heb Ik mijn bloed vergoten. Ik kan niemand straffen, die op mijn barmhartigheid vertrouwt. Geen enkele zonde, al was zij een afgrond van slechtheid, kan mijn barmhartigheid uitputten; want hoe meer men neemt, des te rijkelijker stroomt zij. Al waren zijn misdaden zo zwart als de nacht, toch zal de zondaar, die zijn toevlucht neemt tot mijn barmhartigheid Mij verheerlijken en mijn lijden eren. In het uur van zijn dood zal Ikzelf hem verdedigen als mijn eer.

De grootste zondaar ontwapent mijn toorn, als hij roept om mijn medelijden. Ik zal hem recht doen door mijn ondoorgrondelijke, oneindige barmhartigheid. Ik ben heilig en de kleinste zonde vervult mij met afschuw. Als de zondaars echter berouw hebben, is mijn barmhartigheid grenzeloos. Ik achtervolg hen met mijn barmhartigheid op al hun wegen. Als zij tot Mij terugkeren, vergeet Ik alle bitterheid en verheug me over hun thuiskomst. Zeg hen, dat Ik nooit ophoud op hen te wachten: Ik luister naar hun harten om de geringste hartslag op te vangen, die voor Mij bedoeld is. Ik achtervolg hen met wroeging en beproevingen, met storm en bliksem en met de lokroep van de Kerk: Als zij echter al mijn genaden afwijzen, laat Ik hen aan zichzelf over en geef hen nog, hetgeen zij wensen. Wie niet door de deur van mijn barmhartigheid wil gaan, moet voor mijn gerechtigheid verschijnen.
Ik ben blij, als men veel van Mij verlangt; want het is mijn verlangen veel te geven, steeds meer en meer. Bekrompen mensen, die weinig verlangen, maken me verdrietig. Mijn dochter, laat iedereen weten dat Ik een en al liefde en barmhartigheid ben. Eenieder, die met vertrouwen tot Mij komt, ontvangt mijn genade zo overvloedig, dat hij ze niet bevatten kan en hij zal ze ook naar andere mensen laten stromen. Als een ziel mijn goedheid prijst, beeft satan en vlucht naar het diepste van de hel. Zeg tegen de priesters, die zij hun best doen om apostelen van mijn barmhartigheid te worden, dat Ik aan hun woorden een onweerstaanbare kracht en overtuiging geef en de harten zal aanraken van eenieder, die zij aanspreken.

Niets kwetst Mij zo zeer als het gebrek aan vertrouwen van een godgewijde ziel. Haar ontrouw doorboort mijn Hart. De zonden van twijfel aan mijn goedheid treffen mij het wreedst! Gelooft dan toch minstens mijn wonden!

De zielen, in de wereld en in het klooster, die Mij zonder voorbehoud beminnen, zijn een vreugde voor mijn hart en de blik van mijn Vader rust met welbehagen op hen. Zij zijn degenen, die een dam opwerpen tegen mijn gerechtigheid en de sluizen van mijn barmhartigheid openzetten. De liefde van deze zielen draagt de wereld.


 In het vagevuur
In het begin van haar kloosterleven, tijdens een korte ziekte, vroeg zuster Faustina aan Jezus voor wie zij nog moest bidden? Jezus antwoordde mij: “Hij zou het mij laten beseffen…” De volgende nacht zag ik mijn engelbewaarder, die mij bevel gaf hem te volgen. Plotseling bevond ik mij in een nevelige plaats vol vuur bij veel lijdende zielen. Deze zielen bidden heel innig, maar zonder resultaat voor zichzelf. Alléén wij kunnen hen helpen. De vlammen om hen heen deden mij niets. Mijn engelbewaarder verliet mij geen moment. Ik vroeg de zielen wat hun grootste lijden was. Als uit één mond antwoordden zij, dat hun grootste kwelling was het verlangen naar God. Ik zag ook O.L. Vrouw, hoe Zij de zielen in het vagevuur bezocht… Zij brengt hen verzachting. Ik wilde nog meer met hen spreken, maar mijn engelbewaarder gaf me een wenk om te gaan. Een stem in mijn binnenste zei me: “Mijn barmhartigheid wil dit niet, maar de gerechtigheid eist het.” Sinds die tijd onderhoud ik een innigere relatie met de lijdende zielen.


Afdaling in de hel
Eind oktober 1936 moest zuster Faustina afdalen in de hel, plaats van de verschrikkingen, om daarover te berichten. Zij schrijft in haar dagboek: “Vandaag werd ik door een engel in de diepten van de hel gebracht. Het is een plaats van grote kwellingen, ze is geweldig uitgestrekt. De soorten kwellingen, die ik zag, zijn de volgende: – De eerste kwelling waaruit de hel bestaat, is het verlies van God; – De tweede: de voortdurende gewetenswroeging; – De derde: deze toestand verandert nooit meer; – De vierde: het vuur doordringt de zielen zonder ze te vernietigen; dat is een verschrikkelijk lijden; het is een zuiver geestelijk vuur, dat voortkomt uit Gods toorn; – De vijfde kwelling: de constante duisternis en een vreselijke stank. Ondanks de duisternis zien de duivelen en de verdoemde zielen elkaar. Ze zien al het kwaad van de anderen alsook dat van henzelf; – De zesde kwelling: het onafgebroken gezelschap van satan. – De zevende kwelling: de verschrikkelijke wanhoop, de haat tegen God, de godslasteringen, vloeken en scheldwoorden. Dat zijn kwellingen, waar alle verdoemden gemeenschappelijk onder lijden, maar dat is nog niet alles. Er zijn nog speciale kwellingen voor de afzonderlijke zielen, namelijk; de kwellingen van de zintuigen. Iedere ziel ondergaat verschrikkelijk en onbeschrijflijk lijden, dat verband houdt met de manier waarop zij gezondigd heeft. Er zijn vreselijke spelonken en martelputten, waarin de vorm van foltering verschillend is.

Alleen al bij het zien van deze ontzettende straf zou ik gestorven zijn, als de almacht van God mij niet ondersteund had. De zondaar moet weten dat hij de hele eeuwigheid gemarteld wordt met het zintuig, waarmee hij zondigt. Ik schrijf hierover op bevel van God, zodat geen enkele ziel de uitvlucht kan gebruiken dat de hel niet bestaat of kan zeggen dat daar nooit iemand geweest is en men niet weet hoe het daar is. Ik, zuster Faustina, was op bevel van God in de diepten van de hel om de zielen te vertellen dat de hel bestaat en daarvan te getuigen. Ik kan daar nu niet over spreken, want God heeft bepaald, dat ik dit schriftelijk moet nalaten. De duivels hadden een grote haat tegen mij, maar op bevel van God moesten zij mij gehoorzamen. Wat ik opgeschreven heb, is slechts een zwakke afspiegeling van de dingen, die ik zag. Een ding viel mij op, daar zijn voornamelijk zielen, die niet geloofd hadden dat de hel bestaat. Toen ik weer terug was, kon ik me niet herstellen van de schrik, hoezeer de zielen daar lijden. Daarom bid ik nu nog vuriger voor de bekering van de zondaars. Ik smeek zonder ophouden om Gods barmhartigheid voor hen.”


Blik in de hemel
Enkele weken later, op 27 november 1936, mocht zuster Faustina in een onbeschrijflijk gelukzalig visioen de heerlijkheid van de hemel zien. Ze schrijft hierover in haar dagboek: “Vandaag was ik in de geest in de hemel en zag het onvoorstelbaar mooie en het geluk, dat ons na de dood wacht. Ik zag hoe alle schepselen zonder ophouden God loven en eren. Ik zag hoe groot de gelukzaligheid van God is, die uitstroomt over alle schepselen en hen vervult met onmetelijk diepe vreugde en hoe alle roem en eer uit dit geluk terugkeert naar de Bron.

Ze dringen door in de diepten van God, het innerlijke leven van God beschouwend – van de Vader, van de Zoon en van de H. Geest – dat ze nooit zullen begrijpen of doorgronden. Deze Bron van geluk is in haar wezen onveranderlijk, maar toch altijd nieuw. Er borrelt vreugde en zaligheid uit op voor alle schepselen. Nu begrijp ik de H. Paulus, die gezegd heeft: “Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, in geen mensenhart is opgekomen, hetgeen God bereid heeft voor degenen, die Hem liefhebben.” En God liet mij begrijpen, dat er maar één ding is dat in zijn ogen oneindige waarde heeft en dat is de liefde tot Hem, liefde, liefde en nog eens liefde. Niets is te vergelijken met één enkele daad van zuivere liefde tot God. Welke onvoorstelbare gunsten geeft God aan de ziel, die Hem oprecht liefheeft. O, gelukkig de zielen in wie Hij reeds hier op aarde welbehagen heeft; het zijn de kleine, nederige zielen [ zie ook website van pastoor Geudens ‘Legioen Kleine Zielen’: https://hetlegioenkleinezielen.wordpress.com ]. De grote heerlijkheid van God, die ik waarnam, wordt door allen die in de hemel zijn geprezen, naargelang de trap van genade en rangorde, waarin zij zijn ingedeeld. Toen ik deze macht en majesteit van God zag, werd mijn ziel niet vervuld van huiver, ook niet van angst. Nee, helemaal niet. Mijn ziel werd vervuld van vrede en liefde. Hoe meer ik de majesteit van God leer kennen, des te meer ben ik erover verheugd dat God is zoals Hij is. Ook zijn majesteit verheugt mij oneindig en ook, dat ik maar zo klein ben. Omdat ik zo klein ben, draagt God mij in zijn hand en drukt mij aan zijn Hart.

“O mijn God, wat heb ik medelijden met de mensen, die niet in het eeuwige leven geloven. Ik bid vurig voor hen, dat ook zij door een straal van barmhartigheid geraakt worden en God hen aan zijn vaderlijk Hart zal drukken”.


Verering van de goddelijke Barmhartigheid
Tot de zending van zuster Faustina hoort: zich in totale overgave en met grenzeloos vertrouwen inzetten voor de verering van de goddelijke Barmhartigheid. En dit in zulke mate dat zij zegt: “O God, inhoud van mijn liefde, ik weet, dat op de dag van mijn dood mijn opdracht pas zal beginnen.”

Jezus verzekert haar nadrukkelijk: “Jouw opdracht is het, een grenzeloos vertrouwen te stellen in mijn goedheid en Ik zal je alles geven wat je nodig hebt. Door je vertrouwen sta Ik bij jou in de schuld. Als je vertrouwen groot is, zal mijn goedgeefsheid mateloos zijn. Schrijf zorgvuldig elke zin op, die betrekking heeft op mijn barmhartigheid, die Ik je dicteer tot nut van talrijke zielen.”
Uitdrukkelijk verlangde Jezus:
1. De afbeelding van de barmhartige Jezus
2. Het feest van de goddelijke Barmhartigheid met de daaraan voorafgaande noveen
3. De rozenkrans van de goddelijke Barmhartigheid en lofprijzingen
4. De stichting van de orde van de goddelijke Barmhartigheid.
Schietgebeden:
Jezus, zachtmoedig en nederig van Hart, maak ons hart gelijkvormig aan uw Hart en schenk ons een grenzeloos vertrouwen! Allerbarmhartigste Verlosser, ik wijd mij volledig en voor altijd aan U toe. Maak van mij een gewillig instrument van uw barmhartigheid. Een andere keer zegt Jezus: «Bid een noveen tot intentie van de Heilige Vader. Deze noveen bestaat uit 33 akten, dit wil zeggen: herhaal 33 maal het kleine gebed tot de Barmhartigheid dat Ik u geleerd heb: O bloed en water, die uit het Hart van Jezus stroomden als bron van Barmhartigheid voor ons, ik vertrouw op U!» (1. 142)


Het genadebeeld van de barmhartige Jezus

Zuster Faustina bericht: “Het was in Plock, op zondag 22 februari 1931, de eerste zondag van de vastentijd. ’s Avonds, toen ik in mijn kloostercel was, zag ik Jezus, in het wit gekleed. Een hand was omhoog geheven in een zegenend gebaar, de andere rustte op de borst. Ter hoogte van het hart was het kleed een beetje geopend en liet twee stralenbundels tevoorschijn komen; de ene was rood, de andere wit. Stil bekeek ik de Heer. Mijn ziel was met ontzag vervuld, maar ook met grote vreugde.”

Kort daarna sprak Jezus tot mij: “Schilder een afbeelding van Mij, zoals je Me ziet en schrijf er onder: Jezus, ik vertrouw op U! Ik verlang dat deze afbeelding vereerd wordt; eerst in jullie kapel, daarna over de hele wereld. Ik beloof dat allen, die deze afbeelding vereren, niet verloren zullen gaan. Ik beloof hen de overwinning op de vijand tijdens hun leven en speciaal in het uur van de dood. Ikzelf zal hen verdedigen als mijn eigen eer.” – “De huizen, ja zelfs de steden, waar deze afbeelding vereerd wordt, zal Ik sparen en beschermen.”

Later in 1934, in Vilnius, vroeg zuster Faustina in opdracht van haar biechtvader naar de betekenis van de beide stralen. Toen hoorde ze in haar binnenste: “De twee stralen duiden bloed en water aan. De witte straal betekent het water, dat de ziel reinigt; de rode straal betekent het bloed, dat aan de ziel het leven geeft… Deze twee stralen kwamen vanuit de diepte van mijn barmhartigheid naar boven, toen mijn hart met de lans geopend werd op het kruis. Zij beschermen de zielen voor de toorn van mijn Vader. Gelukkig degene, die in hun schaduw leeft, want de hand van de goddelijke gerechtigheid zal hen niet treffen. De mensheid zal noch rust noch vrede vinden, totdat zij zich vol vertrouwen tot mijn barmhartigheid wendt. Maak bekend, dat de barmhartigheid de voornaamste eigenschap van God is. Alle werken van mijn handen zijn gekroond door mijn barmhartigheid.”

“Ik geef de mensen een vat, waarmee ze naar de bron van de barmhartigheid moeten komen om genaden te putten. Het vat is deze beeltenis met het onderschrift: Jezus, ik vertrouw op U.”

“Niet in de schoonheid van de kleuren ligt de grootheid van deze beeltenis, maar in mijn genade. Ik verlang dat deze beeltenis openlijk vereerd wordt.” “Mijn blik op deze afbeelding is dezelfde als mijn blik op het Kruis” (I.138). “Door middel van dit beeld zal Ik veel genade geven aan de zielen. Men moet hen echter herinneren aan de vereiste voorwaarden van mijn barmhartigheid, want het geloof; al is het krachtig, zal niet baten zonder de werken” (II, 162-163).


De noveen tot de goddelijke Barmhartigheid
Jezus beval zuster Faustina deze noveen op te schrijven als voorbereiding op “het feest van de goddelijke Barmhartigheid”, dat overeenkomstig zijn wens op de eerste zondag na Pasen moet worden gevierd. Vandaar dat op Goede Vrijdag met de noveen moet worden begonnen. Men kan ze echter ook op elk moment van het jaar houden.

De Heer wil dat daartoe “de rozenkrans van de goddelijke Barmhartigheid” dagelijks gebeden wordt en wel voor de intenties, die Hijzelf aan zuster Faustina aangaf. “Ik verlang dat je gedurende deze negen dagen alle zielen naar de bron van mijn barmhartigheid leidt, zodat zij daar kracht en troost putten en allerlei genaden, die zij nodig hebben voor de moeilijkheden van het leven, maar vooral in het uur van de dood. Elke dag moet je een andere groep zielen naar mijn Hart brengen en hen onderdompelen in de oceaan van mijn barmhartigheid. Je zult dat doen in dit leven en in het toekomstige. Aan de bron van mijn barmhartigheid zal Ik aan geen enkele ziel iets weigeren. Iedere dag moet je mijn Vader, omwille van mijn smartelijk lijden, om genade smeken voor deze zielen.”
Eerste dag

Jezus zegt: “Breng vandaag bij Mij de hele mensheid, in het bijzonder alle zondaars, en dompel hen in de oceaan van mijn barmhartigheid. Daarmee verminder je mijn bittere droefheid om de verloren zielen.”
Bidden wij op voorspraak van “de Moeder van Barmhartigheid” om erbarmen voor de hele mensheid, in het bijzonder voor de zondaars.
Barmhartige Jezus, U die vol erbarmen en vergeving bent, let niet op onze zonden, maar op het vertrouwen dat wij in uw oneindige goedheid stellen. Neem ons op in uw medelijdend Hart. Daarom smeken wij U, omwille van de liefde, die U met de Vader en de H. Geest verenigt.
Onze Vader… Weesgegroet… Eer aan de Vader…
Eeuwige Vader, zie barmhartig neer op de hele mensheid, in het bijzonder op de zondaars. Wees barmhartig voor ons, omwille van het smartelijk lijden van uw Zoon, onze Heer Jezus Christus, zodat wij allen de almacht van uw barmhartigheid prijzen tot in eeuwigheid. Amen.
Onder uw bescherming nemen wij onze toevlucht, o heilige Moeder van God. Versmaad onze gebeden niet in onze nood, maar verlos ons altijd van alle gevaren, o glorierijke en gezegende Maagd, onze Vrouwe, onze Middelares, onze Voorspreekster. Verzoen ons met uw Zoon, beveel ons aan uw Zoon, plaats ons voor uw Zoon. Amen.
Tweede dag
Jezus zegt: “Breng vandaag bij mij alle priesters en alle godgewijde personen en dompel hen in mijn onpeilbare barmhartigheid. Zij zijn het, die Mij de kracht gaven mijn bitter lijden te verduren. Zij zijn de kanalen, waardoor mijn barmhartigheid over de hele mensheid wordt uitgestort.”
Bidden wij voor de priesters en kloosterlingen op voorspraak van de “Moeder van de Kerk, de Middelares van alle genade”.
Barmhartige Jezus, van U komt alle goedheid. Wij bidden U, vermeerder de genaden in de zielen van de priesters en de kloosterlingen, zodat zij zich hun heilige roeping ten diepste bewust zijn en zich vol vertrouwen toeleggen op de werken van uw barmhartigheid. Geef dat zij door hun voorbeeld de zielen brengen naar de Vader van barmhartigheid en Hem verheerlijken.
Onze Vader… Weesgegroet… Eer aan de Vader…
Hemelse Vader, zie vol goedheid neer op uw uitverkorenen en geef hen de genade van uw zegen, zodat zij door de verdiensten van uw Zoon vol ijver werken voor het heil van de mensen en voor hen de volheid van uw barmhartigheid verkrijgen. Amen.
Onder uw bescherming nemen wij onze toevlucht…
Derde dag
Jezus zegt: “Breng vandaag bij Mij alle trouwe en vrome zielen en dompel hen in de oceaan van mijn barmhartigheid. Deze zielen hebben Mij getroost op mijn kruisweg. Zij waren de druppel troost in de oceaan van mijn smart.”
Bidden wij voor allen, die trouw blijven aan het ware geloof, op voorspraak van “Maria, hulp der Christenen.”
Barmhartige Jezus, U wilt de genadeschatten van uw barmhartigheid aan alle mensen in overvloed schenken. Wij bidden U, bemoedig alle trouwe zielen met de genade van volharding en ontsteek in hen met uw onpeilbare liefde, de liefde tot uw hemelse Vader.
Onze Vader… Weesgegroet… Eer aan de Vader…
Algoede Vader, zie vol liefde neer op de trouwe zielen. Sterk hen, omwille van het smartelijk lijden van uw Zoon, met de volheid van genaden van uw H. Geest, zodat zij met alle engelen en heiligen uw oneindige barmhartigheid prijzen tot in eeuwigheid. Amen.
Onder uw bescherming nemen wij onze toevlucht…
Vierde dag
Jezus zegt: Breng vandaag bij Mij zij, die niet in Mij geloven en zij, die Mij nog niet kennen. Tijdens mijn bitter lijden dacht Ik ook aan hen en hun ijver in de toekomst was een troost voor mijn Hart. Dompel hen in de oceaan van mijn barmhartigheid.”
Bidden wij voor degenen, die niet in God geloven en voor degenen, die God nog niet kennen, op voorspraak van “de Moeder van alle Volkeren”.
Barmhartige Jezus, U bent het Licht van de wereld. Bevrijd allen, die U nog niet kennen uit de duisternis van hun geest en laat hen in uw Hart rust en de ware vrede vinden. Mogen de stralen van uw genade hen verlichten, zodat ook zij de heerlijkheid van uw barmhartigheid prijzen.
Onze Vader… Weesgegroet… Eer aan de Vader…
Eeuwige Vader, zie genadig neer op de zielen van degenen, die niet in U geloven en degenen die U nog niet kennen. Breng hen tot de erkenning van de waarheid van het Evangelie van uw Zoon, zodat zij de eeuwige vreugde van de hemel verwerven en tot in eeuwigheid uw barmhartigheid prijzen. Amen.
Onder uw bescherming nemen wij onze toevlucht…
Vijfde dag
Jezus zegt: “Breng mij vandaag de zielen van de afgescheiden broeders en dompel hen in de oceaan van mijn barmhartigheid. Tijdens mijn bitter lijden verscheurden zij mijn lichaam en mijn Hart. Wanneer zij terugkeren in de schoot van de Kerk, genezen zij mijn wonden en troosten Mij in mijn smart.”
Bidden wij voor degenen die van het geloof zijn afgevallen en voor de verdwaalden met groot vertrouwen op de machtige voorspraak van Maria, “Toevlucht van de zondaars”, de overwinnares van alle duivelse boosheid en van alle misstanden.
Barmhartige Jezus, U bent de goedheid zelf en weigert niemand het licht van uw genade, als hij U erom vraagt. Neem alle afgescheiden broeders op in uw barmhartig Hart en breng hen terug in de schoot van de Kerk, zodat zij uw onpeilbare barmhartigheid loven en prijzen.
Onze Vader… Weesgegroet… Eer aan de Vader…
Oneindig heilige God, eeuwige Vader, heb medelijden met de afgescheiden en ontrouw geworden broeders, die uw genaden misbruiken. Let niet op hun slechtheid, omwille van het smartelijk lijden van uw Zoon, die zo innig voor de eenheid van zijn Kerk gebeden heeft. Amen.
Onder uw bescherming nemen wij onze toevlucht…
Zesde dag
Jezus zegt: “Breng vandaag bij Mij de zachtmoedige, nederige zielen en de zielen van de kleine kinderen en dompel hen in mijn barmhartigheid. Zij lijken het meest op mijn Hart. Zij sterkten Mij in mijn bittere doodsangst. Over hen stort Ik stromen van genade uit. Alleen nederige zielen zijn in staat mijn genaden te ontvangen. Aan nederige zielen schenk Ik mijn vertrouwen.”
Bidden wij voor de zachtmoedige zielen, die een kinderlijk vertrouwen bezitten en voor de kinderen op voorspraak van onze hemelse Moeder, de nederigste “Dienstmaagd van de Heer”. Haar heeft God verheven tot Koningin van hemel en aarde. Barmhartige Jezus, U hebt gezegd: “Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van Hart” (Mt. 11,29). Wij vragen u, trek de kinderen en de zielen, die zoals zij zachtmoedig en nederig geworden zijn, tot uw heilig Hart. Mogen zij U verblijden als geurige bloemen voor uw goddelijke troon. Bewaar ze in uw Hart als een loflied op uw barmhartige liefde.
Onze Vader… Weesgegroet… Eer aan de Vader…
“Vader vol ontferming en God van alle vertroosting” (2 Kor 1,3), zie genadig neer op deze zielen, die IJ welgevallig zijn en lijken op het Hart van uw Zoon. Zegen omwille van hen de hele wereld, ·zodat allen uw onmetelijke barmhartigheid mogen prijzen. Amen.
Onder uw bescherming nemen wij onze toevlucht…
Zevende dag
Jezus zegt: “Breng vandaag bij Mij de zielen die mijn barmhartigheid bijzonder vereren en verheerlijken. Deze zielen delen het meest in mijn lijden en dringen het diepst door in mijn geest. Als levende, afbeeldingen van mijn barmhartig Hart zullen zij in het hiernamaals met een bijzondere glans schitteren. Geen van hen zal in het vuur van de hel terechtkomen. In het uur van de dood zal Ik hen allen bijstaan.”
Bidden wij voor degenen, die Gods barmhartigheid bijzonder vereren en verheerlijken op voorspraak van de “Moeder van Barmhartigheid”.
Goede Jezus, uw Hart stroomt over van barmhartige liefde. Laat alle apostelen van uw barmhartigheid zich veilig weten in uw bescherming. Sterk hun vertrouwen op uw almachtige hulp in alle lijden en beproevingen, die zij op zich nemen, om in vereniging met U van de hemelse Vader onafgebroken genade en barmhartigheid voor de hele mensheid te verkrijgen. Geef dat zij nooit verflauwen in hun ijver. Wees voor hen in het uur van de dood geen Rechter, maar de barmhartige Verlosser.
Onze Vader… Weesgegroet… Eer aan de Vader…
Eeuwige Vader, zie genadig neer op de zielen, die uw ondoorgrondelijke barmhartigheid bijzonder vereren en verheerlijken. In de trouwe navolging van uw Zoon doen zij vol overgave hun best getuigen te zijn van uw barmhartigheid. Ontsteek in hen een steeds grotere liefde en schenk hen een grenzeloos vertrouwen in uw goedheid, zodat zij tijdens hun leven de belofte van de Verlosser verkrijgen. Laat hen in het uur van de dood heel bijzonder de bescherming van uw barmhartigheid ervaren. Amen.
Onder uw bescherming nemen wij onze toevlucht…
Achtste dag
Jezus zegt: “Breng vandaag hij Mij de zielen die in het vagevuur zijn en dompel hen in de afgrond van mijn barmhartigheid, zodat de stromen van mijn bloed hun lijden verzachten. Deze zielen heb Ik zeer lief daar zij genoegdoening verschaffen aan mijn gerechtigheid. Jullie kunnen hen verlichting bezorgen uit de schatten van de Kerk: door aflaten, gebeden en offers van eerherstel. O, als jullie wisten welke kwellingen zij ondergaan, dan zouden jullie onafgebroken voor hen bidden en offers brengen om hun schuld aan mijn gerechtigheid af te lossen.”
Bidden wij voor de arme zielen in het vagevuur op voorspraak van de “Troosteres der bedroefden”, die onophoudelijk bij Gods troon voor hen ten beste spreekt. Barmhartige Heiland, U hebt gezegd: “Weest barmhartig, zoals mijn Vader barmhartig is” (Lc. 6,36), wij vragen U: ontferm U over de zielen in het vagevuur. Laat de stromen van uw kostbaar bloed en water, die uit uw Hart gekomen zijn, de gloed doven van het vuur dat hen reinigt, zodat het onmetelijk leed van deze zielen veranderd wordt in bevrijdende vreugde en zij tot in eeuwigheid de macht van uw barmhartigheid prijzen.
Onze Vader… Weesgegroet… Eer aan de Vader…
Barmhartige Vader, zie met uw oneindige liefde neer op de zielen in het vagevuur. Omwille van het smartelijk lijden van uw Zoon schenk hen door zijn bloed en zijn wonden de volheid van uw erbarmen. Amen.

Salve Regina – Wees gegroet, Koningin, Moeder van Barmhartigheid; ons leven, onze vreugde en onze hoop, wees gegroet! Tot U roepen wij, ballingen, kinderen van Eva; tot U smeken wij, zuchtend en wenend in dit dal van tranen. Daarom dan, onze Voorspreekster, sla op ons uw barmhartige ogen, en toon ons na deze ballingschap Jezus, de gezegende vrucht van uw schoot. O goedertieren, o liefdevolle, o zoete Maagd Maria.
Negende dag
Jezus zegt: “Breng Mij vandaag de lauwe zielen en dompel hen in de oceaan van mijn barmhartigheid. Deze zielen verwonden mijn Hart het meest pijnlijk. In de Hof van olijven ondervond mijn ziel de grootste walging door deze zielen. Zij deden Mij de klacht slaken: “Vader, als Gij wilt, laat dan deze beker aan Mij voorbijgaan. Maar toch: niet mijn wil, maar uw wil geschiede” (Luc. 22,42). Voor hen is mijn barmhartigheid de laatste redding.”
Bidden wij voor de lauwe zielen en bevelen wij hen aan de bijzondere voorspraak van Maria, “Toevlucht van de zondaars”.
Allerwelwillendste Jezus, met uw verlossend lijden omvat Gij alle zielen. Berg, in uw oneindige barmhartigheid, alle lauwe en koud geworden zielen in uw gemarteld Hart en verwarm hen met het vuur van uw goddelijke liefde. Beziel hen met nieuwe ijver om U te dienen en om door uw oneindige verdiensten hun eeuwig heil te verlangen.
Onze Vader… Weesgegroet… Eer aan de Vader…
Eeuwige Vader, zie vol erbarmen neer op de lauwe zielen, die het Hart van uw Zoon onmetelijk pijn hebben gedaan. Laat U verzoenen door zijn heilig lijden en sterven, dat Hij op onze altaren in elk heilig Misoffer tegenwoordig stelt. Schenk hen de genade van bekering, zodat zij uw goddelijke Barmhartigheid nu en later in de hemel zalig prijzen. Amen.
Onder uw bescherming nemen wij onze toevlucht…


Het Feest van de goddelijke Barmhartigheid

“Ik verlang, dat het feest van mijn Barmhartigheid een toevlucht zal zijn voor alle zielen, maar vooral voor de arme zondaars. Op die dag staan alle schatkamers van mijn Barmhartigheid voor iedereen open. Ik zal een oceaan van genaden uitstorten over de zielen, die naar de bron van mijn Barmhartigheid komen. Allen, die op deze dag biechten en de H. Communie ontvangen, krijgen niet alleen vergeving van hun zonden, maar ook kwijtschelding van de straffen, die zij door hun zonden verdiend hebben. Niemand moet bang zijn om tot Mij te komen, zelfs niet al zouden zijn zonden rood zijn als scharlaken. Mijn barmhartigheid is zo groot, dat geen verstand, noch dat van de mensen, noch dat van de engelen haar ooit zou kunnen doorgronden. Het feest van de Barmhartigheid komt voort uit mijn diepste Wezen. Ik verlang, dat het op de eerste zondag na Pasen feestelijk gevierd zal worden. Dit feest zal een troost zijn voor de hele wereld.”


De rozenkrans van de goddelijke Barmhartigheid

Over het ontstaan van deze rozenkrans schrijft zuster Faustina op 13-9-1935 in haar dagboek: “’s Avonds in mijn cel zag ik een engel, de uitvoerder van Gods toorn. Hij droeg een licht gewaad, zijn aangezicht straalde. Onder zijn voeten was een wolk, waaruit donder en bliksems kwamen…, die de aarde moesten treffen. Ik smeekte de engel te wachten, totdat de wereld boete zou hebben gedaan. Gelet op de goddelijke toorn was mijn smeken nutteloos.

Toen zag ik de heilige Drievuldigheid; de majesteit van haar verhevenheid doordrong mijn hele wezen en ik had niet de moed mijn smeekbede te herhalen. Op hetzelfde moment voelde ik de macht van de genade van Jezus in mijn ziel…, en ik begon God voor de wereld te smeken met de woorden, die ik in mijn binnenste hoorde. Terwijl ik zo bad, zag ik dat de engel, die de rechtvaardige straf voor de zonden van de mensen moest uitvoeren, geen kracht meer had. Nooit eerder had ik met zo’n innerlijke kracht gebeden als toen. Dit zijn de woorden, waarmee ik God smeekte: “Eeuwige Vader, ik offer U op het Lichaam en Bloed, de Ziel en de Godheid van uw welbeminde Zoon, onze Heer Jezus Christus, tot vergeving van onze zonden en die van de hele wereld. Omwille van zijn smartelijk lijden, wees barmhartig voor ons en voor de hele wereld.” De volgende morgen hoorde ik bij het binnengaan van de kapel: “Deze gebeden worden gebruikt om mijn toorn te bedaren. Je moet ze bidden op de gewone rozenkrans als volgt:

Eerst een Onze Vader, een Weesgegroet en de geloofsbelijdenis. Op de grote kralen: Eeuwige Vader enz. Op de kleine kralen: Omwille van zijn smartelijk lijden enz. Tot slot drie maal: Heilige God, heilige Sterke, heilige Onsterfelijke, ontferm U over ons en over de hele wereld.”

“Bid heel vaak de rozenkrans, die ik je geleerd heb. Iedereen die hem bidt zal mijn barmhartigheid tijdens zijn leven ervaren, maar vooral in het uur van zijn dood.” `Als deze rozenkrans hij de stervenden gebeden wordt, neemt de toorn van God af en de ziel wordt omgeven met zijn barmhartigheid. Bid zoveel mogelijk voor de stervenden. Smeek voor hen vertrouwen af op mijn barmhartigheid, want dat ontbreekt hen het meest.”

Met het oog op de toenemende goddeloosheid met alle funeste gevolgen en het duidelijke gevaar van een wereldwijde opstand worden de verschijningen en boodschappen van O.L. Vrouw, waarin Zij waarschuwend oproept tot bekering en om gebed en boete vraagt, steeds talrijker. Het is een bewijs, hoezeer Maria voor ons als Moeder en Medeverlosseres bij God voor ons opkomt.

Jezus zelf bevestigt dit geheim, als Hij tegen ieder van ons in “de boodschap van de barmhartige Liefde aan de kleine zielen” op 21 maart 1968 zegt: “Denk eraan dat het Hart van jullie Moeder nu als in een gruwelijke druivenpers wordt uitgeperst en bloed en tranen in overvloed opwellen; deze tranen zijn het enige offer, dat mijn toorn tegen de goddelozen nog kan temperen.” Het is God dan ook zeer welgevallig, als wij bij het bidden van de rozenkrans tot de goddelijke Barmhartigheid deze tranen en smarten gedenken en (in ieder geval privé) als volgt bidden:

Begin: Onze Vader, Weesgegroet, geloofsbelijdenis. Op de grote kralen: Eeuwige Vader, ik offer U op het Lichaam en het Bloed, de Ziel en de Godheid van uw welbeminde Zoon onze Heer Jezus Christus – en de tranen en bitterheden van zijn allerheiligste Moeder – tot vergeving van onze zonden en die van de hele wereld. Op de kleine halen: Omwille van zijn smartelijk lijden en dat van zijn Moeder, wees barmhartig voor ons en voor de hele wereld. Tot slot driemaal: Heilige God, heilige Sterke, heilige Onsterfelijke, ontferm U over ons en over de hele wereld.


Toewijding aan de barmhartige Jezus
Barmhartige Jezus, uw goedheid is oneindig en de schatten van uw genade zijn onuitputtelijk. Ik vertrouw grenzeloos op uw barmhartigheid, die al uw werken overtreft (Ps. 144,9). Ik wijd mij volkomen aan U en wil leven in de stralen van uw genade en liefde, die op het kruis uit uw Hart gevloeid zijn. Ik wil uw barmhartigheid bekend maken en vooral bidden voor de bekering van de zondaars. Ik wil de armen, de bedroefden en de zieken troosten en steunen. U echter zult mij beschermen als uw eigendom en uw eer, want ik vrees alles van mijn zwakheid en verwacht alles van uw barmhartigheid. Moge de hele mensheid de onbegrijpelijke diepte van uw barmhartigheid kennen, haar hele hoop erop stellen en haar loven en prijzen tot in eeuwigheid. Amen. Jezus, ik vertrouw op U! “O bloed en water, die uit het Hart van Jezus stroomden als bron van Barmhartigheid voor ons, ik vertrouw op U!” (Schietgebed dat Jezus zuster Faustina gedicteerd heeft)


Lofprijzing van de goddelijke Barmhartigheid

Op 12 februari 1937 schrijft zuster Faustina in haar dagboek: “Gods liefde is de bloem, de barmhartigheid is de vrucht. Als een ziel twijfelt, laat haar de lofprijzingen van de goddelijke Barmhartigheid bidden en ze zal vertrouwen krijgen.”

Goddelijke Barmhartigheid, onbegrijpelijk geheim van de allerheiligste Drievuldigheid, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, grootste eigenschap van God, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, uitdrukking van de hoogste macht van God, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, uit wie alle leven en geluk voortkomt, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, bron van wonderen en geheimen, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, het heelal omvattend, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die uit het Hart van Jezus stroomt, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons de Maagd Maria tot Moeder van Barmhartigheid gegeven hebt, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, zichtbaar in het fundament en de verbreiding van de Kerk, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, zichtbaar in het geschenk van de heilige sacramenten, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, onuitputtelijk in de sacramenten van het doopsel en van de biecht, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, wonderbaarlijk in het sacrament des Altaars en van het priesterschap, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, oneindig luisterrijk in alle geheimen van het geloof, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons uit het niet tot bestaan roept, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons heel ons leven begeleidt, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons behoedt voor verdiende straffen, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons het heilig geloof geeft, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons vult met genaden, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons bevrijdt uit de ellende van de zonde, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons speciaal in het uur van de dood omhelst, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons het eeuwig leven schenkt, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons behoedt voor het vuur van de hel, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die de zondaars bekeert, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die de rechtvaardigen heiligt, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die de heiligen tot volmaaktheid brengt, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, toeverlaat voor de zieken en de lijdenden, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, toevlucht van de armen en de bedrukten, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, hoop van de wanhopigen, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, rust en vrede van de stervenden, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, troost van de arme zielen in het vagevuur, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, verrukking van alle heiligen, wij vertrouwen op U.

Laat ons bidden:
Vader van ontferming en God van alle troost, uw goedheid is grenzeloos. Wij bidden U, zie genadig op ons neer en vermeerder in ons de werkzaamheid van uw barmhartigheid, zodat wij ook in zware beproevingen niet de moed verliezen, maar ons steeds vol vertrouwen overgeven aan uw heilige Wil, door onze Heer Jezus Christus, de Koning van Barmhartigheid, die met U en de H. Geest leeft en heerst in eeuwigheid. Amen.


Het uur van barmhartigheid

Om drie uur… verdiep je tenminste even in mijn lijden, met name in mijn grote eenzaamheid bij het sterven. Het is het uur van de grote barmhartigheid… Roep de almacht van de barmhartigheid af over de hele wereld, vooral over de arme zondaars. In dit uur staat de barmhartigheid voor elke ziel wijd open en kun je alles vragen voor jezelf en voor anderen. De barmhartigheid heeft over de gerechtigheid getriomfeerd… Daarom verlang ik van elke ziel dat zij mijn barmhartigheid prijst”. “Zeg steeds de rozenkrans of het kroontje, dat Ik u geleerd heb. Hij die hem bidt zal grote barmhartigheid ondervinden in het uur van zijn dood. Zelfs de meest verstokte zondaar zal, zelfs als hij slechts éénmaal dit kroontje bidt, genade ontvangen van mijn oneindige barmhartigheid” (Ik 129).


Orde van de goddelijke Barmhartigheid
Het laatste doel van de zending van zuster Faustina is het stichten van een kloosterorde van de goddelijke Barmhartigheid. Zuster Faustina kreeg daarover verschillende ingevingen. Zij sprak daar allereerst met haar biechtvader over. Pas later toen hij ernaar vroeg, sprak ze over de instructies, die Jezus haar gegeven had. “God wil”, schrijft ze, “dat deze kloostergemeenschap het uitstorten van de goddelijke Barmhartigheid over de mensheid afsmeekt.” Ik hoorde in mijn ziel de volgende woorden: “Jouw doel en dat van je medezusters is je met de grootst mogelijke liefde niet Mij te verenigen, de aarde met de hemel te verzoenen, de rechtvaardige toorn van God te kalmeren en voor de wereld barmhartigheid af te smeken.” Het moet een slotklooster zijn naar het voorbeeld van de Karmelieten. Haar invloed op de samenleving moet de gemeenschap uitoefenen door gebed, boete en liefdadigheid van lekezusters. Deze werken van naastenliefde moeten vooral gericht zijn op thuisloze kinderen en op eenzamen. Dat geldt ook voor lekemedewerkers.

Zuster Faustina was overtuigd dat deze orde gesticht moest worden en deed moeite om de toestemming daarvoor te krijgen. Zover kwam het echter niet. God wilde alleen, dat zij het plan daartoe uiteenzette, door de verplichtingen van de nieuwe orde bekend te maken. Zij zou slechts de geestelijke stichteres zijn. In juni 1937, zij was toen al zwaar ziek, zag zij kort voor haar dood in een droom het eerste klooster. Zij zag hoe haar biechtvader, in een kleine houten kapel, midden in de nacht de geloften van de eerste zes vrouwelijke leden in ontvangst nam. Wat zij voorzien had werd op 10 november 1944 werkelijkheid in Vilnius in de door bommen verwoeste kapel van de Karmelieten.


Aanwijzingen voor de vereerders van de goddelijke Barmhartigheid door pater Stanislas Skudrzuyk S.J.

De vereerders moeten:
1. de afbeelding van de barmhartige Jezus in hun woning vereren en zich met al hun intenties en moeilijkheden vol vertrouwen tot Hem wenden.
2. zich toewijden aan de barmhartige Jezus.
3. leven in de genadestralen van de barmhartige Jezus d.w.z. hun best doen om hun hart altijd zuiver te houden en streven naar de christelijke volmaaktheid.
4. aan de dagelijkse gebeden het schietgebed: “Jezus, ik vertrouw op U”, toevoegen. Indien enigszins mogelijk dagelijks de rozenkrans van de goddelijke Barmhartigheid bidden of Gods barmhartigheid met andere gebeden eren.
5. de Moeder van God eren als “Moeder van Barmhartigheid” en onze hemelse Moeder bijzonder liefhebben en eren.
6. Gods barmhartigheid bekend maken door het verrichten van geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid.
De zeven lichamelijke werken van barmhartigheid

  1. de hongerigen te eten geven
    2. de dorstigen te drinken geven
    3. de naakten kleden
    4. vreemdelingen opnemen
    5. de gevangenen bevrijden
    6. zieken bezoeken
    7. de doden begraven

De zeven geestelijke werken van barmhartigheid

  1. de zondaars terechtwijzen
    2. de onwetenden onderrichten
    3. de vertwijfelden goede raad geven
    4. de bedroefden troosten
    5. de lastigen geduldig verdragen
    6. degenen die ons beledigen graag vergeven
    7. voor de levenden en overledenen bidden

Gebeden

Voor de H. Kerk en voor de priesters

O mijn Jezus, ik smeek U voor de hele Kerk. Schenk haar liefde en het licht van uw heilige Geest. Geef kracht aan de woorden van de priesters, zodat de meest verstokte zondaars tot inkeer komen en terugkeren naar U. Goddelijke Hogepriester, geef ons heilige priesters, bewaar hen in heiligheid. Moge de kracht van uw barmhartigheid hen overal begeleiden en hen beschermen tegen de hinderlagen en valstrikken van de duivel, die de zielen van de priesters voortdurend bedreigen. O Heer, moge de kracht van uw barmhartigheid alles wat de heiligheid van de priesters kan aantasten, doen mislukken, want Gij kunt alles. Ik vraag U, Jezus, een bijzondere zegen en licht voor de priesters, bij wie ik gedurende mijn leven te biechten zal gaan. Amen. (III. 13; I.110)

Gebed van dankzegging

O Jezus, eeuwige God, ik dank U voor uw talloze genaden en zegeningen. Moge elke klop van mijn hart een nieuw lied zijn van dankzegging voor U. Moge elke druppel van mijn bloed door mijn aderen stromen voor U. Mijn ziel is een lofzang ter ere van uw barmhartigheid. Ik heb U lief, 0 God, om Uzelf alleen. Amen. (VI.138)

Gebed van zuster Faustina

Jezus, eeuwige Waarheid, sterk mijn zwakke krachten. U, Heer kunt alles. Zonder U zijn mijn inspanningen nutteloos. O Jezus, verberg U niet voor mij, want zonder U kan ik niet leven. Verhoor het roepen van mijn ziel. Uw barmhartigheid is niet uitgeput; ontferm U dus over mijn ellende. Uw barmhartigheid gaat het verstand van engelen en mensen ver te boven. Ofschoon het lijkt, dat U mij niet hoort, stel ik mijn hele vertrouwen op uw barmhartigheid. Ik weet dat U mij niet teleurstelt. Amen.


Levensbeschrijving van Zr. Maria Faustina
Haar burgerlijke naam was Helena Kowalska. Zij werd op 25 augustus 1905 geboren in het Poolse dorp Glogowiec, in de buurt van Lodz. Zij groeide op in een gezin met negen broers en zussen. Haar ouders voedden haar zeer zorgzaam op. Door de armoedige omstandigheden waarin het gezin leefde, kon zij slechts drie jaren de Lagere School volgen. Toen zij 20 jaar was trad zij in in de orde van de Zusters van de “Moeder van Barmhartigheid”. Zij werkte in verschillende kloosters in de keuken en ook als lekezuster in de tuin. Ze stierf op 5 oktober 1938 in het klooster JozfowLagiewniki in Krakau aan tuberculose. Op 25 november 1966 werd haar lichaam opgegraven en haar graf verplaatst naar de kloosterkerk. Op 20 september 1967 werd het informatief proces over haar leven en deugden afgesloten door kardinaal Karol Woytila en werden de akten naar Rome gestuurd. Op 18 april 1993 mocht hij haar, nu als Paus Johannes II, zalig verklaren.

“De zielen, die de verering van mijn barmhartigheid verspreiden, zal Ik heel hun leven beschermen zoals een tedere moeder haar zuigeling. In het uur van hun dood zal Ik voor hen geen rechter zijn, maar een barmhartige Verlosser.” (III.20)

Deze brochure werd uit het Duits vertaald door: Stichting Medjugorje Centrum, Kremerslaan 30, Landgraaf.

Bewerking door pastoor Geudens, Landgraaf