Emeritus paus Benedictus XVI overleden: ‘Een echte man Gods is van ons heen gegaan’

Op zaterdag 31 december 2022 is in de ochtend emeritus paus Benedictus XVI overleden. Dat heeft het Vaticaan bekend gemaakt. “Paus Benedictus XVI was een trouwe en moedige behoeder van het ‘depositum fidei’, de door God aan de Kerk toevertrouwde geloofsschat. Een echte man Gods en een paus naar Jezus’ hart is van ons heengegaan,” aldus kardinaal Eijk in een eerste reactie op het overlijden.

Het pontificaat van paus Benedictus XVI duurde een korte tijd: van 2005 tot 2013. Hij was al 78 jaar toen hij deze nieuwe verantwoordelijkheid aanvaardde. Daarvoor was hij zo’n 25 jaar in Rome werkzaam als prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer. Eerder was hij als theoloog wereldwijd bekend als adviseur tijdens het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965).

Kardinaal Joseph Ratzinger, later paus Benedictus, heeft als toenmalig adviseur en kenner van Vaticanum II benadrukt dat dit Concilie geen breuk heeft veroorzaakt maar de continuïteit van het geloof in onze Kerk heeft bestendigd (‘hermeneutiek van de continuïteit’) ten dienste van haar zending in de wereld van vandaag, in het licht van de traditie. In deze overtuiging initieerde paus Benedictus rond de vijftigste verjaardag van de opening van Vaticanum II het Jaar van het Geloof in de wereldwijde Kerk.

Mgr. Van den Hende, voorzitter van de Nederlandse Bisschoppenconferentie: “Het ging paus Benedictus steeds om het geloof dat de liefde van Christus in ons versterkt. Geloof, zo stelde hij, vindt haar voltooiing in de liefde, zoals het sacrament van de doop voorafgaat aan de Eucharistie en daarop gericht is (Boodschap Veertigdagentijd 2013). Gesterkt door ons geloof en de viering van de sacramenten, mogen wij vanuit de ontmoeting met Christus die liefde verspreiden.”

Paus Benedictus schreef in 2009 in zijn encycliek Caritas in Veritate (Liefde in Waarheid) dat juist de liefde de rode draad is in de sociale leer van de Kerk. Geloof en liefde horen bij elkaar.

Mgr. Van den Hende: “Toen ik in 2006 door paus Benedictus tot bisschop was benoemd mocht ik hem in 2007 kort ontmoeten. In een uitwisseling van amper drie minuten getuigde hij opnieuw van zijn geloof dat wij als Kerk steeds de liefde van Christus nodig hebben. Hij zei: ‘die Kirche lebt weil Gott die Kirche liebt’ (de Kerk leeft omdat God de Kerk liefheeft).”

Bidden voor zijn zielenrust
“Van harte nodig ik allen uit om voor de zielenrust van paus Benedictus te bidden. Tevens spreek ik de hoop uit dat wij in en vanuit onze Kerk als leerlingen van Christus, naar het voorbeeld van paus Benedictus XVI, ook nu in ons dagelijks leven steeds opnieuw het geloof en de liefde die wij van Christus ontvangen hebben daadwerkelijk bij elkaar houden als bron en opdracht,” aldus mgr. Van den Hende.

Bron: www.aartsbisdom.nl


Encyclieken en apostolische exhortaties van Benedictus XVI

Encyclieken

Deus caritas est (25 december 2005)

Spe salvi (30 november 2007)

Caritas in veritate (29 juni 2009)

Apostolische exhortaties

Sacramentum Caritatis: Postsynodale Apostolische Exhortatie over de Eucharistie als de bron en hoogtepunt van het leven en de zending van de Kerk (22 februari 2007)

Africae Munus: Postsynodale Apostolische Exhortatie over de Kerk in Afrika in dienst van verzoening, gerechtigheid en vrede (19 november 2011)

Verbum Domini: Postsynodale Apostolische Exhortatie over het Woord van God in het leven en de zending van de Kerk (30 september 2010)

Ecclesia in Medio Oriente: Post-Synodale Apostolische Exhortatie over de Kerk in het Midden-Oosten: gemeenschap en getuigenis (14 September 2012).


Kardinaal Eijk: “Paus Benedictus heb ik voor het eerst gezien, toen hij op de Diesviering van Rolduc, 8 december 1980, een nieuwe vleugel van het groot-seminarie Rolduc inzegende. Hij was toen nog Joseph kardinaal Ratzinger en aartsbisschop van München-Freising. Tot een persoonlijke ontmoeting kwam het op dat moment niet. Aan het eind van 1981 benoemde Paus Johannes Paulus II hem tot prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer”.

Lees hier het artikel met de persoonlijke reactie van kardinaal Eijk op het overlijden

Paus Benedictus spreekt over het laatste oordeel

Op (zondag 23 november 2008), de laatste zondag van het kerkelijk jaar, vieren we het feest van Christus Koning. We weten dat in de Evangeliën Jezus de titel van koning afwijst, als dat begrepen wordt in aardse zin, in de geest van ‘de heersers van de volkeren’ (cf. Mt.20,25). Maar toen Christus tijdens Zijn passie voor Pilatus stond, eiste Hij een ander soort koningschap op. Pilatus vroeg Hem openlijk: ‘Zijt Gij koning?’ En Jezus antwoordde daarop: ‘Ja, koning ben Ik’. Vlak daarvoor had Jezus verklaard: ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld’ (cf. Joh.18,36-37).

Het koningschap van Christus is de openbaring en de realisatie van het koningschap van God de Vader, die alles beschikt in liefde en gerechtigheid. De Vader belastte de Zoon met de zending de mensen het eeuwige leven te geven, in Zijn liefde voor hen tot het uiterste, tot in het hoogste offer aan het kruis. Tegelijkertijd gaf de Vader Hem de macht hen te oordelen, vanaf het moment dat Hij ‘mensenkind’ werd, in alles aan ons gelijk (cf. Joh. 5,21-22, 26-27).

Het Evangelie van vandaag brengt uitdrukkelijk dat universele koningschap van Christus als Rechter naar voren, met de indrukwekkende parabel over het laatste oordeel, dat Matteüs ons vertelt vlak voor zijn passieverhaal (zie Mat.25,31-46). De beeldspraak is simpel, de taal eenvoudig en duidelijk voor het volk, maar de boodschap is uiterst belangrijk. Het is de waarheid over onze uiteindelijke bestemming en het stelt de criteria vast, aan de hand waarvan wij geoordeeld zullen worden. ‘Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen’ enz. (Mat.25,35).

Wie kent deze evangeliepassage niet? Het is een deel van onze beschaving geworden. Het heeft de geschiedenis getekend van de volkeren van christelijke cultuur, hun hiërarchie van waarden, hun instellingen, hun vele sociale en liefdadigheidsinstellingen. Inderdaad, het koningschap van God is niet van deze wereld, maar het brengt al het goede tot vervulling, dank zij God, dat er is onder de mensen, in de geschiedenis. Indien wij onze liefde voor de evennaaste in praktijk kunnen brengen, volgens deze boodschap van het Evangelie, dan maken wij ruimte voor de heerschappij van God, en dan zal Zijn Koninkrijk vanzelf in ons midden tot stand komen. Als daarentegen ieder van ons alleen maar aan zijn eigen belangen denkt, dan kan het niet anders of de wereld zal ten onder gaan.

Beste vrienden, het Koninkrijk van God is geen kwestie van eerbetuigingen, plichtplegingen en andere uiterlijke verschijnselen, maar, zoals Sint-Paulus schrijft, het is ‘gerechtigheid, vrede en vreugde door de Heilige Geest’ (Rom.14,17). De Heer draagt zorg voor ons eigen bestwil, d.w.z. dat iedereen het leven zal ontvangen en dat heel speciaal de ‘minsten’ van Zijn kinderen toegelaten zullen worden tot het feest, dat Hij bereid heeft voor allen. Daarom ook heeft Hij geen behoefte aan de schijnheiligen die wel zeggen: ‘Heer, Heer’, maar die Zijn geboden verwaarlozen (cf. Mat.7,21).

God zal in Zijn eeuwig Koninkrijk diegenen toelaten die elke dag weer opnieuw zich ingespannen hebben om Zijn woorden in praktijk te brengen. Dat is dan ook de reden waarom de Maagd Maria, de nederigste van alle schepselen, in Gods ogen de grootste is en dat zij mag zitten als Koningin aan de rechterzijde van Koning Christus. Wij willen ons met kinderlijk vertrouwen telkens weer toevertrouwen aan haar hemelse voorspraak, zodat wij onze christelijke opdracht in deze wereld kunnen vervullen.

Angelustoespraak van Paus Benedictus XVI op zondag 23 november 2008

De Heilige Communie eerbiedig ontvangen

De H. Communie op de tong en geknield ontvangen: Paus Benedictus XVI drong erop aan

Herhaaldelijk – o.m. tijdens zijn reis naar Frankrijk – heeft Paus Benedictus XVI de wens te kennen gegeven dat de gelovigen de heilige Communie op de tong en geknield zullen ontvangen. Mgr Athanasius Schneider, hulpbisschop van Kazakhstan, legt deze wens van de Paus uit in zijn boek Dominus est [De Heer zelf is er].

Waarom, Monseigneur, hebt U dit boek uitgegeven?

Er is geen twijfel aan: het gaat om een urgente zaak, zelfs buitengewoon urgent. Op tal van plaatsen in de wereld, behoudens enkele uitzonderingen, is het uitreiken van de heilige Communie een banaal en ordinair moment geworden. Ik durf te zeggen dat het ontdaan is van zijn heilig en subliem karakter, in zo’n ernstige mate dat er nauwelijks een precedent van te vinden is in de geschiedenis van de Kerk. Men kan niet aan de indruk ontkomen dat men in ruime mate aan die toestand gewend is geraakt. Het is dan ook hoog tijd de gewetens en gevoelens wakker te schudden om de herders en de gelovigen er werkelijk van bewust te doen worden wat er gebeurt, als zij op het ogenblik van de heilige Communie geconfronteerd worden met de nederige Eucharistische gedaanten. God de Heer zelf – werkelijk en waarachtig – hebben zij voor zich, waarlijk en wezenlijk aanwezig, met Zijn Lichaam en Zijn Ziel, met Zijn godheid, met heel Zijn goddelijke Persoon. Derhalve: Dominus est – de Heer zelf is er aanwezig!

In uw boek vermeldt U – haast met emotie – de grote eerbied van de eerste Christenen voor de geconsacreerde Hostie. Hoe valt uit te leggen dat deze eerbied verdwenen is in onze westerse landen?

Als een levendige eerbied voor en verering van de Eucharistische gedaanten in de westerse landen verloren zijn geraakt, dan komt dat naar mijn mening doordat het geloof verzwakt is. Het geloof in het bovennatuurlijke is aangetast. In het centrum van de aandacht en van het leven, zowel persoonlijk als liturgisch, geeft men een veel grotere plaats aan het menselijke, aan het natuurlijke, dan aan het bovennatuurlijke, aan Christus zelf. Het besef van het bovennatuurlijke, van de genade, van het mysterie, van de Hemel en van de eeuwigheid is minimaal geworden.

Men zegt zo vaak dat een volwassen geloof geen behoefte heeft aan die gebaren en riten, die uit het verleden zijn overgekomen.

Laten we eerst en vooral eens vaststellen dat Christus niet heeft gezegd: ‘Als ge niet wordt als volwassenen, zult ge het Koninkrijk der Hemelen niet binnengaan’. Hij heeft precies het tegenovergestelde gezegd: ‘Als ge niet opnieuw wordt als kleine kinderen, zult ge het Koninkrijk der Hemelen zeker niet binnengaan’ (Mt 18,3). En dat is nu juist een centraal thema van het onderricht van onze Verlosser en van heel het Nieuwe Testament. God zelf is kind geworden. Voor de heidense godsdiensten en de Griekse filosofie van de oudheid, zoals trouwens ook voor heel de Grieks-Romeinse cultuur ten tijde van Jezus Christus, telde het kind nauwelijks mee. Er werd alleen maar om gelachen. Het is kenmerkend dat de gnostische Christenen van de tweede eeuw, om te beginnen met Marcion, categorisch de kindsheid verworpen hebben, zodanig zelfs dat deze gnosis de evangeliën van de kindsheid van Jezus Christus verwijderd heeft. Des te uitdagender lijken in dit verband deze woorden van Jezus of evenzeer die van Zijn Apostelen, als bijv. Sint-Petrus schrijft: ‘Weest als pasgeboren kinderen begerig naar de geestelijke, onvervalste melk die u wasdom zal schenken ter zaligheid’ (1Petr 2,2). Wat is ons ‘verleden’ anders dan de Christus zelf, en ook de Apostelen, hun geschriften, hun voorbeeld? Wij willen er niet van weten dat allerlei nieuwe inzichten van de gnosis, van het pelagianisme, noch van eender welk hedendaags naturalisme, binnendringen in het leven van de Kerk en zo openlijk hun stempel gaan drukken op het liturgische leven.

De Communie, op de tong ontvangen, schijnt men te beschouwen als iets uit het verleden, waarop men niet kan terugkomen. Denkt U dat een bisschop in zijn bisdom deze praktijk zou kunnen aanmoedigen?

Juridisch gesproken is de Communie op de tong de gewone vorm van communiceren, terwijl de Communie op de hand vanuit canoniek oogpunt altijd nog een uitzondering vormt op de algemene norm, dat is dus een ‘indult’ (iets waarvoor toestemming gegeven moet worden).

Aanmoedigen de Communie op de tong en geknield te ontvangen – dat zou een van de meest weldadige en noodzakelijke maatregelen moeten zijn, die een bisschop vandaag de dag behoort te treffen in zijn bisdom. Maar vanzelfsprekend altijd met goedheid en geduld! Men kan de Kerk alleen krachtig vernieuwen en herstellen als men uitgaat van de Eucharistie: dan alleen zullen andere pastorale maatregelen (verkondiging, charitatieve activiteit) blijvende vrucht dragen.

Ik had nooit kunnen denken dat er op mijn boek zoveel positieve reacties zouden komen: meer dan tachtig bisschoppen en kardinalen hebben mij geschreven en mij ook bedankt. Ontelbare leken – vooral jongeren – en ook bekeerlingen hebben mij dankbrieven geschreven: ik heb er ontvangen uit Japan, Australië, de Verenigde Staten, Zuid-Amerika, Italië, Frankrijk, Duitsland, Polen en Rusland, om slechts enkele landen te noemen.

Wat de communie op de hand betreft en zeker ook betreffende andere zaken, zo lijkt het wel, zijn de gedachten van de Vaders van het Tweede Vaticaans Concilie volledig gepasseerd. Hebben wij volgens U een hervorming van de liturgische hervorming nodig om tot datgene te komen wat de Concilievaders eigenlijk wensten?

Er is geen twijfel aan dat we behoefte hebben aan een waarachtige hervorming van de liturgie. Ongelukkig genoeg zijn de wensen van de Concilievaders slechts ten dele gerealiseerd. Bepaalde zaken die wij nu zien in de actuele vorm van de liturgie, zouden hun geheel vreemd zijn voorgekomen. Naar mijn mening zitten wij nog steeds te wachten op een ware hervorming zoals de Concilievaders die gewild hebben. Ik beschouw de huidige liturgische vorm als iets voorlopigs, als een toestand ‘ad experimentum’, d.w.z. in een experimenteel stadium.

De Heilige Vader heeft voorzeker de eerste noodzakelijke stap in die richting al gezet met zijn Motu proprio Summorum Pontificum. Er zal veel gebeden moeten worden, bewijzen van veel geduld en bovennatuurlijke geest zullen er getoond moeten worden, om geleidelijk aan te komen tot realisering van de intenties van het Concilie, op de basis die gelegd is met Summorum Pontificum. Men zou aldus voorzichtig tot verrijking kunnen komen, en dat op goed georganiseerde manier, van de buitengewone vorm van de Romeinse ritus, uitgaande van de wijze intenties van de constitutie Sacrosanctum Concilium, die in de praktijk reeds het bewijs van hun grote waarde hebben getoond. Dat hoop ik!

Bron: L’Homme Nouveau (nr 1430, 11-10-2008), Loic Mérian

Franse vertaling: Michel Hourst; Nederlandse vertaling (uit het Frans): L.A.

Translation to 9 languages – het Legioen Kleine Zielen in 9 talen

Bron: Legioen Kleine Zielen Internationaal

TRANSLATE TO OWN LANGUAGE:

DE – EN – ES – FR – IT – BE – PL – PT – VN

Betekenis afkortingen:

DE: Die Legion der Kleinen Seelen

BE: Het Legioen Kleine Zielen (Internationaal)

PT : Legião das pequenas almas

FR: La Légion des Petites Âmes

ES : LA LEGIÓN DE LAS ALMAS PEQUEÑAS

EN: THE LEGION OF LITTLE SOULS

PL: LÉGION MAŁYCH DUSZ

VN : ĐẠO BINH HỒN NHỎ

IT LA LEGIONE DELLE PICCOLE ANIME

Theresia van Lisieux en de Kleine Zielen

Overweging van de H. Theresia:

Maar als ik mezelf met de grote heiligen vergeleek, zag ik een even groot verschil als tussen een berg met zijn top in de wolken en een zandkorreltje dat onder de voeten van de voorbijgangers verborgen gaat. Maar dat ontmoedigde me niet. Ik dacht: ‘Hoe klein ik ook ben, God heeft me die grote verlangens ingegeven. Groter worden blijkt niet te lukken. Ik moet me dus nemen zoals ik ben, mét al mijn tekortkomingen en onvolmaaktheden en zó heilig worden. Er moet dus een kleine weg naar de hemel te vinden zijn. Rechttoe, rechtaan, en helemaal nieuw”.

«Ik sterf niet, ik ga het Leven binnen. Mijn leven is slechts een ogenblik, een voorbijgaand uur. Mijn leven is slechts één dag die mij ontsnapt en die wegvlucht. Gij weet het, o mijn God! Ik heb slechts vandaag om U op deze aarde te beminnen!« (Uit: Mijn lied van vandaag, H. Theresia van Lisieux)

Dit zijn woorden van de heilige Theresia van het Kind Jezus en van het heilig Aanschijn. En het is waar, haar verlangen om verenigd te zijn met haar Goddelijke Bruidegom was eenvoudigweg volmaakt. De heilige Theresia is de patroonheilige van de Kleine Zielen in de meest volledige zin van het woord. Haar ‘Kleine Weg’ van het geestelijk kindschap staat heel dicht bij de «Kleine Zielen» en daarom ook is zij onder de heiligen degene die onze voornaamste patroonheilige is. Zoals ik het reeds heb vermeld, heb ik mijn seminariestudies gedaan in de stad Przemysl. Daar waren en zijn nog altijd vele religieuze congregaties en vast en zeker ook een Karmel.

Ik heb een boek dat dateert uit 1927 (van de Karmel van Przemysl in Polen) en dat handelt over de heilige Theresia, en waar de auteur, waarschijnlijk één van de zusters Karmelietessen, letterlijk de uitdrukking gebruikt: «haar (kleine) weg is bedoeld voor de Kleine Zielen». Haar zending draagt bij aan de vermenigvuldiging van de Kleine Zielen die beminnen zoals zij (die God beminnen en hun naaste), opdat zij zich zouden heiligen en tot de heerlijkheid van God toegang hebben.

Het geestelijk kindschap van de heilige Theresia, is de gewone weg van een verborgen leven, niet alleen voor de wereld, maar ook een manier om niet de aandacht te trekken van de omgeving, zodat men volledig vergeten kan worden. «U ziet, mijn welbeminde Moeder, dat ik een kleine ziel ben die slechts kleine dingen kan geven aan de goede God, en zelfs dan gebeurt het me nog dat ik gelegenheden laat voorbijgaan om kleine offertjes te brengen die zoveel vrede aan mijn ziel geven …»

Op 30 augustus 1966, toont de Heer Jezus aan Marquerite de zin van de kleinheid en de schoonheid ervan: «De kleine bloemen kunnen evenzeer gewaardeerd worden als de allerzeldzaamste. Deze wordt zeker meer bewonderd, maar de kleine bloemen ziet men liever omdat ze binnen het bereik blijven van wat klein is. Weet ge, een kleine bloem is zo intiem, zo teder. Men voelt er zich zo vertrouwd mee. Men kan haar alles zeggen. Ze begrijpt zo goed…» Deze tekst bevestigt hetgeen de heilige Theresia schreef toen zij begreep wat Jezus bedoelde toen Hij innerlijk tot haar sprak: «Alle bloemen geschapen door Hem (God) zijn mooi, de schittering van de rozen, de geur van de lelies ontnemen niets van het parfum van een klein viooltje of van de delicate eenvoud van een margrietje… Ik heb begrepen dat indien alle kleine bloempjes rozen zouden willen zijn, de natuur haar mooie lenteschoonheid zou verliezen.»

Als Kleine Zielen door God uitverkoren om een speciale getuigenis van liefde en nederigheid te geven, hebben wij van Jezus zoveel hulpmiddelen gekregen, uiteraard allereerst het Evangelie, maar ook «onze Boodschap van de Barmhartige Liefde» en bovendien de «Geschiedenis van een ziel» van de heilige Theresia waarover ik hier schrijf.

«Jezus aanvoelen» is onze dagelijkse taak, en hoe moeten wij daartoe komen? De nog zo jonge heilige Theresia geeft ons enkele tips: «Ik begrijp en weet uit ervaring dat het Rijk van God in ons is». Jezus heeft geen boeken of geleerden nodig om de zielen te leiden: Hij, de Leraar der leraren, leert zonder geluid van woorden. Ik heb Hem nooit horen spreken, maar ik voel dat Hij in mij is op elk ogenblik, Hij leidt mij en geeft mij in wat ik zeggen of doen moet. Ik ontdek zijn Licht dat mij onbekend was, Zijn Licht dat mij verlicht op het moment dat ik het nodig heb, en dat komt het meest voor, niet tijdens het gebed, maar bij de dagelijkse bezigheden.»

Zo leert onze Heiland ons dat de nederigheid, de kleinheid en de vernederingen toestanden zijn die nodig zijn voor ons om werkelijk kinderen van onze Hemelse Vader te worden. De Meester heeft aan de heilige Theresia toegestaan om deze ingewikkelde mysteries te begrijpen: «De Almachtige God heeft grote dingen voor mij gedaan, en het grootste daarvan is dat Hij me zo duidelijk mijn niets-zijn heeft getoond, mijn onbekwaamheid om het goede te doen. Nederig zijn in geest en in waarheid betekent; onze ellende liefhebben en ons verheugen over het feit dat we van onze Hemelse Vader in alles afhankelijk zijn.»

Als we deze woorden lezen, keren we dan in onszelf en geven we nederig toe hoeveel eigenliefde er nog in ons is. In feite is de weg van de Kleine Zielen een bijzonder charisma door Jezus gegeven om de heiligheid samen met Hem te «scheppen»: «Gij lijdt, Ik lijd met u. Gij bemint, Ik bemin in u».

De weg van de Kleine Zielen is een koninklijke weg, zegevierend! (Boodschap van 14 juli 1970). Het doel en zo te zeggen de samenvatting van de kleine weg van het geestelijk kindschap van de heilige Theresia is de totale opoffering aan de Barmhartige Liefde van de goede God.

We halen nog enkele zinnen aan uit de Akte van Overgave aan de Barmhartige Liefde die Marguerite heeft gedaan: «Ik verlang Uw Wil volmaakt te vervullen en te komen tot de graad van glorie, die Gij me in Uw Rijk hebt voorbehouden, in één woord, ik verlang heilig te worden, maar ik voel mijn onmacht aan en ik vraag U, o mijn God! dat Gij zelf mijn heiligheid zoudt zijn.»

Laten wij onszelf ook opdragen aan deze Liefde die ons zuiveren zal van alles wat van de wereld is, want deze is leeg en zonder band met de Hemel (cf. boodschap van 20.12.1965).

Pater Mariusz Zima, Internationale Hulpaalmoezenier Legioen Kleine Zielen

Uit; Nieuwsbrief December 2022, Legioen Kleine Zielen Nederland, blz. 8-9.

Website www.hetlegioenkleinezielen.com

Pater Mariusz Zima: Internationaal Hulpaalmoezenier van het Legioen Kleine Zielen

Toelichting


Het Legioen Kleine Zielen is een “private vereniging van gelovigen, erkend door de Katholieke Kerk”. Zij valt onder de verantwoordelijkheid van de bisschoppen van Luik.

Het was in feite Mgr. G.M. van Zuylen die op 21 november 1983 haar statuten goedkeurde, en die tien jaar later werden gewijzigd en goedgekeurd door Mgr. Albert Houssiau op 5 maart 1993. De werking van onze beweging valt dus onder de verantwoordelijkheid van de bisschop van Luik, en het is in deze hoedanigheid dat Mgr. Jean-Pierre Delville eind 2019 de volgende beslissing heeft genomen; hij benoemt E.P. Mariusz Zima tot internationale hulpaalmoezenier van het Legioen.

De tekst van deze benoeming luidt: “E.P. Mariusz ZIMA, parochiepastoor van Marbais, Saint-Martin en Marbisoux-Notre Dame (vicariaat van Waals-Brabant), wordt ook benoemd tot internationaal hulpaalmoezenier van Het Legioen Kleine Zielen, in overleg met Mgr. Jean-Luc Hudsyn, hulpbisschop voor Waals-Brabant, voor een hernieuwbare termijn van drie jaar.

Pater Mariusz Zima krijgt daarom de kans om een aantal keer per maand naar Chèvremont te komen om met pater Marcel te werken.

Getuigenis

Wie is hij? We laten hem zichzelf voorstellen! Getuigenis van Pater Mariusz Zima:

Geloofd zij Jezus-Christus!

Laat me eerst Jezus citeren die op 30 augustus 1978 tot Marguerite sprak: “Vergeet niet dat uw ziel een tabernakel is …” Dankzij deze vanzelfsprekendheid zijn we allemaal de tempel van de Heilige Geest en hebben we geen keus, we moeten – door onze doop – deze vreugde uitstralen dat we bij Christus horen. Om te beginnen moet ik zeggen dat de boodschap van Jezus aan Marquerite mij intrigeerde bij het begin van mijn verblijf in België in 2004.

Veel mensen hebben nog nooit gehoord van het Legioen Kleine Zielen of van de “intieme dialogen” tussen Jezus en Marguerite. Ik had natuurlijk al eerder van deze beweging in Polen gehoord, maar ik had er toen nog geen aandacht aan besteed. Toen mij echter werd aangeboden om voor een groep Kleine Zielen te zorgen in mijn parochie in België, accepteerde ik dat en begon ik de inhoud ervan te waarderen. Ik ontdekte dat deze dialogen heel dicht bij de “Kleine Weg” van de heilige Theresa van het Kind Jezus lagen. Het is waar dat we weten dat zij één van de beschermheiligen is van het Legioen Kleine Zielen. Marguerites geschriften maakten indruk op mij door hun eenvoud.

Nu, “eenvoud is volmaaktheid, want God is eenvoudig, dat betekent dat Hij volmaakt is, Hij heeft de volheid van volmaaktheid” (aartsbisschop Ablewicz).

De woorden van Jezus aan Marguerite zijn ook woorden van Jezus aan ieder van ons. Ze zijn in zo’n taal geschreven dat iedereen het kan begrijpen. Iedereen kan door hen de liefde begrijpen die God geeft aan iedereen die zich bewust is van de Liefde die ons is gegeven door Degene die ons heeft geschapen. Het probleem is duidelijk het ontvangst en aanvaarding van dit Woord van God. Voor ons is het fundament van ons geloof de Bijbel en de traditie van de Kerk, maar het geloof kan ook komen via “boodschappen” van de Verlosser via mensen die daarvoor gekozen zijn, zodat christenen niet lauw zouden zijn (Openbaring 3,15-16).

Ik werd 34 jaar geleden tot priester gewijd in Polen en ben 18 jaar in België. Ik hoop dat ik met deze ervaring pater Marcel kan helpen in zijn onmiskenbare gehechtheid aan de boodschap van Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen. Ik groet van harte al degenen die tot het Legioen behoren en degenen die ermee sympathiseren.

Ik hoop dat we kunnen samenwerken zodat het woord van de Psalm uitkomt: “Alle einden der aarde aanschouwen (of zullen zien) het heil van Hem, onze God. Juich, aarde alom, voor de Heer, zet de zang in, speelt op de snaren! (Ps 98,3b-4).

Pater Mariusz Zima

Uit; Nieuwsbrief December 2022, Legioen Kleine Zielen Nederland, blz. 7.

Website www.hetlegioenkleinezielen.com

Indringende Boodschap van Jezus van 8 september 1992

Met dank aan Jan van de Oever voor de keuze van deze tekst.

Jezus zegt tot Marguerite: “Ze is geboren, de nieuwe Eva. En in een tijd, die geen tijd is voor Mij, die Ben, zal Ik in Haar het vlees aannemen.

Mijn Vader is altijd van zijn Schepping blijven houden. Hij heeft Mij naar u gezonden om u te redden. Hij noemde Mij: de Verlosser. Misschien lijkt het erop dat Ik in deze wereld in mijn opdracht gefaald heb. Niets daarvan! De mensen verscheuren elkaar, maar Mijn zending is een voorbereiding voor de glorie van de Vader en de Zoon, door de Heilige Geest.

Het goede en het kwade in elke ziel wordt gewikt en gewogen. Ieder krijgt zijn deel.

De oogsttijd is aangebroken en mijn wederkomst kom steeds naderbij.

lk kom het veld wieden, het kaf verbranden, opdat de oogst, die God voorbehouden heeft aan zijn getrouwen, maximaal zou opbrengen.

Vanaf de geboorte van mijn eerbiedwaardige Moeder werd het lot van de mensheid bevestigd en de hele Hemel was verblijd, omdat hij wist dat Zij het Kind aan deze wereld zou schenken. De Verlossing kwam samen met Haar. Toen Zij nog als kind in de wieg lag, was Ik reeds in Haar aanwezig.

Dit mooie Schrijn (mijn Moeder) heeft Mij gedragen, buiten haar weten om, tot het uur dat mijn Vader koos, om Mij naar u, arme kinderen, te zenden.

Zoals door mijn Vader bepaald werd, ben Ik na de vormingstijd (van de Apostelen) door de wreedheid en de ondankbaarheid van de mensen het zoenoffer geworden dat alle zoenoffers omvat die de wereld door de eeuwen heen zou kennen.

Door zelf zoenoffer te worden, heeft mijn Moeder gedeeld in het afschuwelijk verraad waarvan Ik het slachtoffer werd.

Maar Ze zal zegevierend aan Mijn zijde wederkeren, want Ze is steeds mijn Deelgenote geweest.

Maar nu zeg Ik u dat het onmogelijk zal zijn alle zielen te redden. Ze zijn te ver gegaan. Het deel van het vuur zal belangrijk zijn. De vijand van de zielen zal de weerspanningen meenemen naar de verdoemenis. Zelfs mijn Barmhartigheid zal niet kunnen tussenbeide komen, terwijl Ze haar ogen sluit voor de afschuwelijke wonde van een satan-aanbiddende wereld. Tot op de bodem van Mijn heilige Gerechtigheid zal Ik ziften, en vol liefde Mijn kleintjes komen halen. Maar koester geen valse dromen! lk herhaal: Ik kom in Glorie om te redden wat er nog te redden valt. Door de terugkeer van de gewetens naar het goede, zullen een nieuwe aarde en een nieuwe hemel opengaan; en het zal een tijdperk van vrede en vreugde zijn.

Degenen die elkaar liefhadden, zullen voor eeuwig verenigd zijn. Taboes zullen verdwijnen door de triomf van de Liefde, in een verruiming van de geesten en de harten die met vreugde en verwondering haar opbloei zullen zien in de voor eeuwig verenigde uitverkoren zielen. Het kwaad zal overwonnen zijn, het lijden zal plaatsmaken voor gelukzaligheid in de verenigde harten.

Hetgeen ge zojuist hebt geschreven, zal gebeuren zoals Ik zeg. Sluit uw hart voor alles wat Ik niet ben. Vergeet niet dat de opstandige engelen aan het werk zijn. Ik heb het altijd voorspeld.

Wees op uw hoede, want de wolven hebben zich met een schapenvacht bedekt, om de kinderen van God te misleiden. Bid! Bid! Houd niet op te bidden en lief te hebben.”

De 7 smarten van Maria

Beheerder Website's avatarHeer, Jezus Christus

Donderdag 15 september staat op de heiligenkalender “Onze-Lieve-Vrouw van Smarten”. Het is een van de vele titels die de Kerk aan Maria heeft gegeven. In ons land zijn er heel wat kapelletjes en afbeeldingen te vinden van de Moeder van Smarten. Eigenlijk heel begrijpelijk. Mensen nemen hun toevlucht tot Maria vanuit de gedachte: Moeder Maria heeft ook moeilijke en pijnlijke momenten meegemaakt, zij weet wat ik doormaak.

Maria werd door God uitgekozen om de moeder van Zijn Zoon te worden. Die uitverkiezing heeft haar niet gevrijwaard van pijn en lijden en verdriet. Het evangelie laat ons een aantal van die momenten zien. In die momenten van lijden, pijn en verdriet bleef ze de sterke gelovige, ze liep niet weg, ze bleef standvastig, ze wist zich sterk door haar levende relatie met God. Aan die sterke houding van Maria in die momenten van lijden en tegenslag hebben gelovigen gedacht wanneer ook…

View original post 629 woorden meer

De Eucharistie (H. Mis)

I.

Deze overweging willen we wijden aan het kostbaarste “geheim” van het christelijk geloof, nl. de Eucharistie. Neen, het gaat niet over een vrome ritus voor enkele ‘pilarenbijters’. Dit “mysterie” was vanaf het begin van het christendom het hart van iedere gemeenschap van christenen. In de huidige samenleving blijkt ze nauwelijks nog enige betekenis te hebben voor het openbare leven. Zo was het aanvankelijk ook in het Romeinse Rijk. Christenen lieten zich echter door een heidense overheid niet voorschrijven of en hoe zij Eucharistie zouden vieren. Zij gingen ondergronds en organiseerden vieringen in de catacomben, in de grootste verborgenheid. Het Romeinse Imperium stortte in, terwijl Kruis en Eucharistie overeind bleven.

Doorheen de eeuwen werd Eucharistie op de meest verschillende wijzen genoemd én gevierd: Dankzegging, Laatste Avondmaal, Maaltijd des Heren, Breking van het Brood, Heilig Offer, Heilige en Goddelijke Liturgie, Mis…In de sobere en donkere Romeinse kerken was een viering indrukwekkend door zijn eenvoud. In de kathedralen en barokkerken werden de vieringen omgeven door de overvloedige luister van processies, wierook en gezangen met orgelspel, waarvan de klanken langs het plafond rolden. Meer dan een halve eeuw geleden genoot ik als priesterstudent van pauselijke vieringen op het St Pietersplein te Rome, speciaal op hoogfeesten. Het was telkens weer een ongelooflijke pracht aan polyfonische gezangen, schitterende gewaden, processies en wierook, met een benedictijnse waardigheid. Het Woord Gods werd gezongen met een heldere stem en een indrukwekkende melodie. Meest ontroerend zijn wellicht nog de verslagen uit de concentratiekampen aan het einde van de oorlog, toen de nazi’s hun greep op de gevangenen moesten lossen. Had iemand een beetje brood en wijn kunnen bemachtigen, dan werd in een verdoken hoek Eucharistie gevierd. Een priester sprak enkele Schriftwoorden en de consecratiegebeden, waarna een vredewens en de heilige communie. Een goddelijke lichtstraal voor gevangenen in de barak van een hel.

Rond 155 geeft de heilige martelaar Justinus volgende eenvoudige beschrijving: “(Op de ‘dag van de zon’) komen alle bewoners samen… Er wordt gelezen uit de gedenkschriften van de apostelen of de geschriften van de profeten… (dan) spreekt hij die voorgaat een woord van vermaning en aansporing… Vervolgens staan wij allen gezamenlijk op en spreken onze gebeden uit… voor onszelf en voor allen die elders zijn. Wij bidden dat wij waardig bevonden zullen worden nu wij de waarheid hebben leren kennen… (dan) groeten wij elkaar met een kus. Dan wordt aan de celebrant brood en een beker water en wijn gebracht… hij brengt lof en eer aan de Vader van het al door de naam van de Zoon en de heilige Geest en hij spreekt een lange dankzeggen (Grieks: eucharistia) uit … (en) heel het aanwezige volk zegt: Amen… dan geven …diakens aan ieder die aanwezig is van het eucharistisch brood en de wijn en het water. Zij brengen het ook aan de afwezigen” (Justinus, Apologiae 1, 65).

Het Oude Verbond is vol met voorafbeeldingen van de Eucharistie. Melchisedech, een heiden, biedt Abraham brood en wijn aan (Genesis 14, 18-20). Hij is koning van Salem, een “vredevorst” met verfwijzing naar Jeruzalem (psalm 76, 3). Hij zegent Abraham op mysterieuze wijze en Abraham geeft hem 1/10e deel van alles. “Hij (Melchisedech) lijkt op de Zoon van God. Hij blijft voor altijd priester” (Hebreeën 7,3). Een sterke verwijzing naar de Eucharistie is het offer van Abraham, die bereid is het dierbaarste, nl. zijn enige zoon Isaak te offeren (Genesis 22). Zijn geloofsgehoorzaamheid volstaat. Het echte offer zal Jezus zijn, de nieuwe Isaac, die op het laatste ogenblik niet gespaard zal worden. De voornaamste voorafbeelding van de Eucharistie in Het Oude Testament is de Uittocht van het joodse volk uit de slavernij in Egypte, met de doortocht door de Rode Zee, de tocht door de woestijn en de intocht in het Beloofde Land. Het volk laat zich herhaaldelijk verleiden om te morren bij moeilijkheden en daarbij zijn bevrijding en zijn beloften te vergeten. Dan wordt hun “brood uit de hemel” gegeven in de vorm van “een fijne korrelige laag” en misprijzend vragen ze “wat is dat?” (Exodus 16, 15; Hebreeuws: man hoe = wat dat?) Het werd “manna” genoemd. Jezus zal zich openbaren als het echte brood uit de hemel (Johannes 6, 31 vv) en velen zullen er zich eveneens aan ergeren. Uittocht uit Egypte, de woestijntocht en de intocht in het Beloofde Land zijn tevens het beeld van ieder volk en van het leven van ieder mens.

Ook het Nieuwe Testament is helemaal gericht op de eucharistie, het hoogtepunt van Jezus’ leven, dat beschreven wordt als een “opgaan naar Jeruzalem” om daar het doel van zijn komst, zijn levensoffer te volbrengen tot vergeving van de zonden. De vermeldingen over een “wonderbare spijziging” zijn een voorafbeelding. Mattheus, Marcus en Lucas vertellen de instelling van de Eucharistie en Johannes spreekt in hoofdstuk 6 uitvoerig over “het brood van het leven” en de noodzaak van het eten van Jezus’ Lichaam en het drinken van zijn Bloed. In de plaats van de instelling van de Eucharistie geeft Johannes de beschrijving van het Laatste Avondmaal met de voetwassing waarbij Jezus knielt tot op de grond. Tenslotte vermeldt ook Paulus uitdrukkelijk de instelling van de eucharistie (1 Korintiërs 11). Wanneer de paaslammeren op vrijdagnamiddag geslacht worden, sterft Jezus op het kruis als hét Paaslam voor altijd. Hiermee werd de Eucharistie een historische werkelijkheid, die alle voorafbeeldingen vervult.

In de tijd van de Kerk wordt dit offer voortdurend hernieuwd en sacramenteel gevierd onder de tekenen van brood en wijn. Offeraar en Offer – zij het onbloedig – zijn dezelfde en de priester handelt als “een andere Christus” en in naam van de Kerk. Dit zal blijvend gevierd worden tot aan het Bruiloftsmaal aan het einde der tijden en de vervulling van de verzuchting van het slot van de Openbaring: “Kom, Heer Jezus”.

Doorheen de eeuwen is de fundamentele structuur van de Eucharistie met enkele gebaren en woorden onveranderd gebleven: een dienst van het woord met de lezingen, homilie en voorbeden en een dienst van de eucharistie met brood en wijn, consecratie en communie. In de Latijnse kerk waren de vieringen eerder rationeel en sober. In de oosterse kerk meer mystiek en uitgebreid met vele litanieën, processies, wierook en iconen. Zij beschouwen deze vieringen als een aansluiten bij een hemelse liturgie die al lang begonnen is en daarna ook verder gaat. Het is evenwel hetzelfde levensoffer van Jezus Christus tot verzoening van alle zonden. Deze totale gave van zichzelf is tevens de kern van ieder mensenleven.

Eucharistie is in feite alles en alles is eucharistie. Eucharistie vormt het hart van de Kerk en van de mensheid, van de geschiedenis en van het universum. Heel de geschiedenis, vanaf de schepping tot aan de Wederkomst des Heren is hierop gericht.

II

De Schriften van het Oude en Nieuwe Verbond tonen ons hoezeer heel de christelijke openbaring gericht is op de Eucharistie. Alles verwijst naar dit hoogtepunt en hierin ligt ook alles vervat. Op gelijkaardige wijze beschouwen we nu de Eucharistie vanuit de consecratie als een allesomvattend gebeuren. Door de consecratie worden het brood en de wijn omgevormd tot het Lichaam en Bloed van de gestorven en verrezen Heer Jezus Christus, als voorafbeelding van de omvorming van heel de schepping waarin God alles in alles/allen zal zijn. En tevens worden de gelovigen daardoor omgevormd tot het alomvattend Mystieke Lichaam van Christus.

Brood en wijn vertegenwoordigen de schepping. In het Hebreeuws staat hetzelfde woord (lamed-chet-mem) zowel voor “lechem” (brood) als voor “lacham” (strijden). De voornaamste levensstrijd is immers die voor het voedsel en het belangrijkste voedsel is het dagelijks brood. Als iemand niet meer kan werken voor zijn levensonderhoud spreken wij ook van “broodroof”. Welnu, Jezus wordt geboren in Beth-lechem (= huis van het brood). Hij zal hét Brood van het Leven zijn. Wijn en bloed zijn verwant. De wijn is “het bloed van de druiven” (Deuteronomium 32, 14), die geperst worden. En het bloed is in de joodse opvatting de drager van het leven. Het is daarom heilig omdat het leven aan God toebehoort: “Want de levenskracht van mens en dier zit in het bloed. Ik sta u alleen toe het te gebruiken op het altaar om verzoening te bewerken…” (Leviticus 17, 10). Bij Jezus’ veroordeling tot de Kruisdood zal het volk de profetische woorden roepen: “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!” (Mattheus 27, 25).

De consecratiewoorden van de Eucharistie werden door Jezus uitgesproken tijdens het Laatste Avondmaal, zoals de synoptische Evangeliën eensgezind getuigen. Jezus neemt brood en wijn en zegt: “Neemt en eet hiervan gij allen, want dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt… Neemt deze beker en drinkt hier allen uit, want dit is de beker van het nieuwe, altijddurende verbond; dit is mijn bloed dat voor u en alle mensen wordt vergoten tot vergeving van de zonden. Blijft dit doen om Mij te gedenken”. Hiermee verwijst Jezus naar drie centrale gebeurtenissen uit het Oude Verbond en geeft er een geheel nieuwe en definitieve betekenis aan.  

Vooreerst de unieke offerritus van Mozes. Mozes doet de helft van het bloed van stieren in schalen waarmee hij het volk besprenkelt en de andere helft sprenkelt hij over het altaar, dat God vertegenwoordigt en hij zegt: ”Dit is het bloed van het verbond” (Exodus 24, 8). Er wordt voorgelezen uit het verbondsboek en zij aten en dronken. Welnu, het is naar deze offerritus dat Jezus verwijst wanneer Hij zegt: “…dit is de beker van het nieuwe, altijddurende verbond; dit is mijn bloed…”. Hij offert geen stierenbloed meer, Hij offert zichzelf. Vervolgens vernieuwt Jezus het hoogste feest uit heel de joodse liturgische kalender: Jom kippoer = de Grote Verzoening.  Aaron moet het brandoffer opdragen om zichzelf en het volk te reinigen en te heiligen en het heiligdom binnengaan op de grote verzoendag: “… om het brandoffer op te dragen voor zichzelf en voor het volk en zo voor zichzelf en het volk de verzoening te voltrekken” (Leviticus 16, 24). Hiernaar verwijst Jezus wanneer Hij zegt: “…dit is mijn bloed dat voor u en alle mensen wordt vergoten tot vergeving van de zonden…”. Jezus hoeft niet zoals Aaron te offerenvoor de vergeving van eigen zonden.  Hij geeft zijn Bloed voor de verzoening van allen. Tenslotte is er “de gedachtenis. Het joodse volk is bij uitstek het volk van de herinnering, de gedachtenis. Het is geroepen om de weldaden van God te blijven gedenken en op die wijze de gaven hiervan te blijven ontvangen. Dat is ook de betekenis van iedere liturgische viering: gedenkend vieren en er nu de vruchten van ontvangen. Het joodse volk moet het grote bevrijdingsfeest van Pasen vieren door op de 14e Nissan in de namiddag een lam, een schaap of een geit te slachten en ’s avonds samen in familie te eten ter gedachtenis aan de bevrijding uit Egypte: “Deze dag moet gij tot een gedenkdag maken…” (Exodus 12, 14). Hiernaar verwijst Jezus wanneer Hij opdraagt: “Blijft dit doen om Mij te gedenken”. Hij vraagt ons dat we zijn levensoffer als hét nieuwe Pasen zouden blijven gedenken en vieren om aan deze bevrijding deel te nemen. Ziedaar het totaal nieuwe van Jezus’ Eucharistie als vervulling van het Oude Verbond. Hij is tegelijk de ware Hogepriester, het Offerlam en de Tempel.  Hij draagt zichzelf op en geeft zijn eigen bloed tot verzoening van de zonden van alle mensen.

Tijdens het Tweede Vaticaans Concilie was er onder de Latijnse kerkvaders behoorlijk wat wrevel omdat vertegenwoordigers van de oosterse kerken telkens maar wezen op de noodzaak om een grotere aandacht te geven aan de heilige Geest. Ik was op het einde van het concilie als priesterstudent in Rome en herinner mij de gesprekken nog. En deze discussies hebben dieper inzicht gebracht. De omvorming van de Eucharistie is slechts mogelijk door de Geest. Jezus heeft zich uiteindelijk geofferd “door de eeuwige Geest” (Hebreeën, 9, 14). In de heilige Drie-eenheid is de Geest het zich wegschenken van de Vader aan de Zoon en van de Zoon aan de Vader. In de heilsgeschiedenis is de Geest het zich wegschenken van God aan ons. En nu is de Geest de kracht waardoor wij ons kunnen geven aan God. Uiteindelijk werden door Vaticanum II in de nieuwe ritus voor de Eucharistie twee uitdrukkelijke “epicleses” (afsmeking van de heilige Geest) opgenomen: vóór de consecratie vraagt de priester dat door de heilige Geest dit brood en deze wijn omgevormd zouden worden “tot Lichaam en Bloed van Jezus Christus, onze Heer” en na de consecratie opdat wij allen “één lichaam worden en één geest in Christus”, nl. omgevormd mogen worden tot één Mystiek Lichaam van Christus.

Door de consecratie worden brood en de wijn het Lichaam en Bloed van Christus. Dit is echter nog maar het begin van een alomvattende omvorming. Wij allen zijn geroepen om Jezus Christus na te volgen en om zoals Hij ook Eucharistie te worden.  En zelfs heel de schepping kijkt ernaar uit: “Ook de schepping verlangt vurig naar de openbaring van Gods kinderen” (Romeinen 8, 19). God heeft de schepping gemaakt voor de mens, niet omgekeerd. Omwille van de zonde deelt ook de schepping in de gevolgen, nl. de vergankelijkheid door wanorde, lijden en sterven. Wordt de mens verlost, dan zal ook de schepping eens bevrijd worden: “Want ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij der vergankelijkheid en delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods” (Romeinen 8, 21).

Zo is de omvorming van een weinig brood en wijn tot de gestorven en verrezen Heer Jezus het begin van een proces van omvorming waardoor God aan het einde der tijden heel de schepping zal vernieuwen en omvormen. Dan zal God “alles in allen/alles” zijn (1 Korintiërs 15, 28). Dat zal de ‘echte’ “Great Reset” zijn.

III

De Eucharistie is als een prisma die telkens anders schittert vanuit een andere hoek. Ze is een alomvattend mysterie. Met de consecratiewoorden verwijst Jezus uitdrukkelijk naar de belangrijkste gebeurtenissen uit het Oude Testament, die Hij tot algehele vervulling brengt. Nu overwegen we de Eucharistie vanuit de Communie.

Jezus zegt: “Ik ben het brood des levens… Het brood dat Ik zal geven is mijn Vlees…”  (Johannes 6, 35.51). Met grote nadruk blijft Jezus vervolgens zeggen en herhalen dat het brood en de wijn die Hij geeft zijn Lichaam en zijn Bloed zijn en dat het eten van zijn Vlees en het drinken van zijn Bloed noodzakelijk zijn om eeuwig Leven te ontvangen. “Zoals Ik door de Vader, die leeft, gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet, leven door Mij” (Johannes 6, 57). We begrijpen goed dat verschillende toehoorders daardoor erg geschokt waren. Het lijkt een taal voor kannibalen en menseneters. Velen trekken zich daarom uit Jezus’ gezelschap terug. Wanneer ook de apostelen het hiermee moeilijk hebben, stelt Hij hen gewoon voor de keuze: aanvaarden of ook weggaan (cf. Joh 6, 67). Jezus doet geen enkele moeite om zijn uitspraken te veranderen of te verzachten. Petrus geeft zich dan in vertrouwen over: “Heer, waar zouden we anders naartoe gaan, U hebt de woorden van het eeuwige leven” (Joh 6, 67). Ooit kreeg ik een boze brief van een mevrouw nadat ik over dit Evangelie gepredikt had. Zij was zeer categoriek: “dit kan Jezus nooit gezegd hebben!”. Zij vertrok van de algemene menselijke opvatting van toen en van nu. Wanneer twee mensen elkaar extreem haten zeggen wij: ze kunnen elkaars bloed wel drinken! Vanuit deze hoek zijn Jezus’ uitspraken inderdaad helemaal niet te begrijpen. Het goede vertrekpunt, dat helaas ook door bijbelgeleerden wel eens uit het oog wordt verloren, ligt niet in de poging om het Woord Gods in overeenstemming te brengen met de openbare opinie. Neen, eerder omgekeerd: Hoe kunnen we dit Woord van Jezus onverkort verstaan?

Wanneer wij gewoon voedsel tot ons nemen, wordt het mindere door het meerdere opgeslorpt: het minerale, plantaardige of dierlijke voedsel wordt door ons lichaam geassimileerd. Bepaalde elementen daarvan worden uitgescheiden en andere worden uiteindelijk een deel van ons lichaam om dus te delen in de waardigheid van onze menselijke persoon. Door de Communie is het eerder omgekeerd en is het God die ons opneemt en opheft tot op zijn goddelijk niveau. Hij vormt ons om, zodat we steeds meer gaan gelijken op Hem, die zelf het Beeld van de Vader is. Het uiteindelijke doel is dat we met Paulus kunnen zeggen: “Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij” (Galaten 2, 20). Dat bedoelt Jezus met de woorden: “Hij die Mij eet, zal leven door Mij” (Johannes 6, 57). Zo worden we in de Communie één met Christus, met de Vader en met de Geest. Tegelijk worden we één met onze medebroeders en -zusters in die ene gemeenschap van het Mystieke Lichaam van Christus.

Het gaat om de meest omvattende en de meest intieme eenheid. Zoals het brood gemaakt wordt uit vele graankorrels en de wijn uit vele geperste druiven, zo worden onder het “Lichaam” van Christus alle aspecten van zijn leven verstaan en onder “Bloed” alle aspecten van zijn lijden en sterven. Een wijnstok en zijn ranken zijn één, maar dit is een onbewuste eenheid. Man en vrouw kunnen één vlees worden, wat mogelijk zichtbaar wordt in het kind dat uit hen geboren wordt, maar daarmee zijn ze zelf nog niet één geest. We kunnen eerder stellen dat de lichamelijke eenheid van man en vrouw elkaar des te meer één en ook gelukkig maakt, indien ze vooraf geestelijk één zijn. Ongetwijfeld is het omgekeerde ook waar. Een geestelijke verdeeldheid zal door de lichamelijke eenheid nog meer scheiding en pijn veroorzaken. Welnu, deze eenheid van geest is slechts mogelijk door een totale wederzijdse overgave en wordt uiteindelijk bewerkt door de heilige Geest. Aan mensen die in Jezus’ Geest – de geest van de Eucharistie – willen leven zal God deze gelukkig makende eenheid schenken.

De geschiedenis van ons heil is niet een opgaan van de mens naar God, maar een steeds meer afdalen van God naar ons, totdat Hij ons één gemaakt heeft met Hem. Het is Gods passie om ons op te nemen in zijn volmaakt geluk, maar wij moeten meewerken. God laat zich kennen door de schepping. In de schoonheid en grootsheid van het geschapene, kunnen we een afstraling zien van Gods grootheid, goedheid en volheid van leven, wat ons uitnodigt de Schepper te erkennen. Dat is het verwijt dat Paulus aan de heidenen richt: “Want ofschoon zij God kenden, hebben zij God niet de Hem toekomende eer en dank gebracht” (Romeinen 1, 21). Op een tweede manier heeft God zich aan ons geopenbaard, nl. in de heilige Schriften. In het Woord Gods kunnen we Hem lezen en horen. Een derde en definitieve manier is de Menswording van Jezus Christus geweest. Wat dat betekent drukt de heilige Johannes uit in het begin van zijn eerste brief: “Wat vanaf het begin bestond hebben wij gehoord en met eigen ogen gezien, we hebben het aanschouwd en onze handen hebben het aangeraakt, daarover spreken wij, over het woord dat leven is…” (1 Johannes 1, 1-4). Johannes kijkt terug op wat hij met Jezus heeft meegemaakt en is zo overweldigd dat hij nauwelijks uit zijn woorden kan komen en steeds maar hetzelfde blijft herhalen: we hebben het echt gezien, gehoord en meegemaakt. Het zijn eerder uitroepen van overweldigende verwondering. Hij beseft dat het allemaal gebeurde opdat wij met God gemeenschap zouden hebben en ten diepste gelukkig zijn: “… opdat ook gij gemeenschap moogt hebben met ons. En onze gemeenschap is er een met de Vader en met Jezus Christus zijn Zoon. En wij schrijven dit om ons aller vreugde volkomen te maken” (1 Johannes 1, 3-4). God heeft in Jezus Christus evenwel nog een diepere eenheid met ons voorzien. In de schepping kunnen we Hem zien, in de Schrift kunnen we Hem horen, door zijn komst op aarde konden sommigen Hem aanraken en met hem samen zijn, maar in de Communie van de Eucharistie kunnen we Hem eten en drinken, waardoor Hij ons opneemt in zijn goddelijk Leven. Zo is de Communie de diepste neerdaling van God naar ons toe en de meest intieme eenheid met ons, waardoor Hij ons vergoddelijkt. Hierdoor wordt de Communie een overstijgen van onszelf. Terwijl door bepaalde sterke dranken onze vermogens verminderd worden, zullen ze door de Communie juist vermeerderd worden.

Vele westerse samenlevingen evolueren nu steeds meer naar verdeeldheid en discriminatie. Mensen worden als geïsoleerde partikels in een kneedbaar deeg, onder het voorwendsel van gezondheidszorg. Het maakt hen steeds meer ongelukkig. Dit is het tegendeel van onze roeping en van Gods bedoeling met ons. God is volmaakte liefde en geluk. Hij wil mensen steeds meer in harmonie en gemeenschap verenigen tot hun eigen geluk. De Communie in de Eucharistie is hiervan de hoogste uitdrukking. Ontelbaar vele christenen hebben dit in de kerkgeschiedenis begrepen en ook voorgeleefd met een aantrekkelijke creativiteit.

IV

Na onze overwegingen over de menselijke waardigheid hebben we eind oktober vorig jaar onze aandacht gericht op de Eucharistie. Na enkele onderbrekingen beschouwen we nu de Eucharistie nog vanuit het verleden, het heden en de toekomst. Eerst handelen we over de Eucharistie als “herinnering” of “gedachtenis”.

De woorden van Jezus: “Doe dit tot, mijn gedachtenis” nodigen ons uit, niet alleen om de ritus van de Eucharistie te blijven vieren, maar ook om zijn levensoffer in gedachten te houden en na te volgen, zoals we een vorige keer al hebben toegelicht met “het charisma van de voetwassing”.  Dit is als het ware de objectieve realisatie van de Eucharistie als gedachtenis. We voegen hier nu een subjectieve betekenis aan toe, nl.  de persoonlijke beschouwing en aanbiddingHiervan gaven zovele gewone gelovigen, heiligen en mystici doorheen de eeuwen ons een voorbeeld. Het is de subjectieve weg van de beschouwing. Met beschouwing, de gedachtenis of de “her-innering (het Latijnse “re-cor-dare” = opnieuw een hart geven), bedoelen we het liefdevol gedenken, waarbij hart en geheugen intens met elkaar verbonden zijn (wat juist de betekenis is van het Hebreeuwse woord: lamed vav: lev = hart).

De Emmaüsgangers zijn hiervan een goed voorbeeld. Na het drama van Golgota, gaan ze zeer droevig naar huis. Onderweg ontmoeten zij de verrezen Heer die ze niet herkennen maar die hen de Schriften verklaart. Zij kenden de Schriften en hadden ook het verschrikkelijk lijden en sterven van Jezus meegemaakt. Aan hun geheugen haperde niets maar er was een kortsluiting met hun hart. Nu zijn ze totaal verward en geestelijk verlamd. Jezus herstelt deze verlamming door zijn uitleg en ze zeggen: “Brandde ons hart niet in ons terwijl Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?” (Lucas 24, 32). De kortsluiting is hersteld. Het “liefhebben met het geheugen” gaat weer samen met een “branden van het hart”. Dit is uiteindelijk de zin van iedere liturgische viering: men herdenkt een heilsgebeuren uit het verleden en men ontvangt daarvan nu dezelfde vruchten: een liefdevol vieren en tegelijk beleven.

Deze “eucharistische gedachtenis” is gericht op God én op de mens. Het is als een kind dat aan zijn vader het goede in herinnering brengt: Gedenk Vader, het offer van uw Zoon…. De consecratie is als een vertellen aan de Vader wat Jezus deed. Verder wordt in deze gedachtenis heel de Kerk betrokken, de zegevierende, lijdende en strijdende Kerk: Herinner U Abraham, Isaak en Jakob, herinner U David, herinner u de namen van onze dierbare overledenen, herinner U hen die ons nu besturen…Vervolgens is de “dienst van het Woord” eveneens een uitnodiging tot gedachtenis. Het Woord Gods wordt ons gegeven opdat we het in ons hart-geheugen zouden bewaren en ernaar handelen. Ook de voorbereiding op de Communie en de dankzegging daarna zijn geschikte ogenblikken om in beschouwing bij de Heer te vertoeven. “Zie het Lam Gods…”  is een uitnodiging tot biddend beschouwen.

In de christelijke traditie zijn verschillende vormen ontwikkeld om te komen tot een voortdurend liefdevol denken aan Jezus.  Eén bijzondere vorm hiervan is het Jezusgebed, vooral in het Oosten ontwikkeld: het voortdurend herhalen van de naam van Jezus of “Jezus, Zoon van de levende God, ontferm U over mij” naar het voorbeeld van het beroemde en ontroerende verhaal van de Russische pelgrim (“De ware verhalen van de Russische pelgrim”). Hierdoor kunnen onze al te menselijke gedachten gelouterd worden om in de geest steeds meer één te worden met God. Een uitmuntende vorm van beschouwing is de stille aanbidding voor het uitgestelde Allerheiligste Sacrament, waarover de Catechismus van de Katholiek Kerk (1992) kortweg zegt: “Door de verdieping van het geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in zijn Eucharistie heeft de Kerk de zin ontdekt van de stilzwijgende aanbidding van de Heer, aanwezig onder de eucharistische gedaanten” (nr. 1379). Sinds de late middeleeuwen is er nauwelijks nog een heilige geweest die niet in deze zin een bijzondere “eucharistische heilige” kan genoemd worden. De heilige Johannes Paulus II geeft in zijn brief van Witte Donderdag (1980) verschillende vormen aan: persoonlijk gebed voor het Allerheiligste Sacrament, aanbiddingsuren, uitstelling voor korte of lange tijd, een jaarlijks veertigurengebed, het eucharistisch lof, de sacramentsprocessie en de eucharistische congressen. Deze brief eindigt met de verzuchting: “Dat onze aanbidding toch nooit ophoude”. In de ijver voor grote pastorale activiteiten wordt aanbidding dikwijls vergeten. Nochtans kunnen pastorale projecten slechts vrucht dragen vanuit een geest van aanbidding. De praktijk van aanbidding bij het Uitgestelde Sacrament is in het oosten als zodanig minder ontwikkeld omdat heel hun liturgie beschouwd wordt als één aanbidding, die aansluit bij de hemelse liturgie, die reeds lang bezig was en die verder gaat wanneer de aardse viering eindigt. Deze hemelse aanbidding wordt overigens ook uitgedrukt door de vele iconen van Christus, Maria en de heiligen op het plafond en de muren van oosterse kerken.

Tenslotte is Maria bij uitstek de “Moeder van de herinnering” en de stille liefdevolle aanbidding. Zoals de heilige Augustinus het met een Latijnse woordspeling uitdrukt, heeft zij Jezus in geloof in haar geest ontvangen vooraleer Hem fysisch in haar schoot te ontvangen (“prior in mente deinde in ventre”). Bij het terugvinden van de 12-jarige Jezus in de tempel, schrijft Lucas (3, 51): “Zijn moeder bewaarde alles wat gebeurd was in haar hart”. Vervolgens is Maria de eerste leerlinge van Jezus tijdens zijn openbaar leven. Ze is Hem gevolgd en heeft zijn woord ook volbracht. Moeder wordt men door leven te ontvangen en het ter wereld te brengen. Daarop zinspeelt Jezus wanneer Hij zegt: “Mijn moeder en mijn broeders zijn zij, die het woord van God horen en er naar handelen” (Lucas 8, 21). “Veeleer gelukkig die naar het woord van God luisteren en het onderhouden” (Lucas 11, 28), En dit geldt op de eerste plaats voor Maria. Zij heeft niet zoals Hagar haar kind in de woestijn onder een struik alleen gelaten en gezegd: “Ik kan mijn kind niet zien sterven” (Genesis 21, 15). Maria was welbewust in Jeruzalem gedurende zijn dramatische veroordeling, geseling en verschrikkelijke kruisweg en zij stond onder zijn Kruis terwijl Hij stierf! Moeders hebben meestal de herinnering van de geboorte van hun kind en verder van een groot deel van hun leven, maar zijn reeds gestorven wanneer hun kinderen zelf oud worden. Maria heeft alles van Jezus’ leven zeer intens en van nabij meegemaakt, van voor zijn geboorte tot na zijn dood, verrijzenis en hemelvaart. Zij staat in het hart van het mysterie van de Menswording, van Pasen en van Pinksteren. En bij het ontstaan van de Kerk verzamelen de apostelen zich eensgezind rond Maria (cfr. Handelingen 1, 14). Zij draagt in zich de gehele schat van de herinnering van de Christus mysteries. Bovendien heeft zij op eminente wijze deze mysteries beleefd. Zij is bij uitstek de “Moeder van de herinnering” en van de stille aanbidding, die de bron zijn van het christelijk leven.

P. Daniel

Bron: nieuwsbrief van pater Daniel


Pater Daniel

De Vlaamse pater Daniël Maes (°1939) leeft in Syrië, in het zesde-eeuwse Mar Yakub klooster in het stadje Qara, 90 kilometer ten noorden van de hoofdstad Damascus.
Zijn ethiek voor het leven en de steun voor het gezin steekt hij niet onder stoelen en banken.

Het Eucharistisch Offer

De vruchten van het H.Misoffer.

Christus, eindelijk, heeft met een liefdevolle vrijheid dat offer aanvaard en opgedragen; « men heeft Hem het leven ontnomen, alleen omdat Hij het gewild heeft » (Joh. 1018); en Hij heeft het gewild, alleen « omdat Hij zijn Vader beminde »: Ut cognoscat mundus quia diligo Patrem, sic facio (Jes. 1431).

Ook heeft die slachtofferande van een God, een vrijwillige en liefdevolle slachtofferende, het heil van het menselijk geslacht bewerkt: Jezus’ dood koopt ons vrij, verzoent ons met God, herstelt het verbond waaruit voor ons alle goederen voortvloeien, heropent ons de poorten des hemels, schenkt ons weer het erfdeel van het eeuwig leven. Dat sacrificie voortaan volstaat voor alles: daarom, wanneer Christus sterft, scheurt het voorhangsel van Israëls tempel in tweeën, om te tonen dat de oude sacrificiën voor immer worden afgeschaft en vervangen door het enige offer dat God waardig is. Voortaan bestaat er slechts heil en gerechtigheid in het deelachtig zijn aan het offer van het kruis, welke vruchten onuitputtelijk zijn. « Door dat éne offer, zegt St. Paulus, heeft Christus in eeuwigheid de volmaaktheid verworven voor degenen, die moeten geheiligd worden » (Hebr. 10 14).

De H.Mis;

  1. Zijn Vruchten,
  2. Bron van vertrouwen en van vergeving,
  3. Dankzegging bij uitstek,
  4. Een smeekoffer.

Zijn Vruchten

De vruchten der Mis zijn onuitputtelijk, want het zijn de vruchten zelf van het sacrificie van het kruis. Dezelfde Christus Jezus offert zich voor ons op aan zijn Hemelse Vader.

Volgens het Concilie van Trente is het na de sacramenten vooral in de Mis, dat ons die verdiensten het overvloedigst toegepast worden.

Daarom draagt elke priester niet de Mis op voor zichzelf, maar voor allen die er aanwezig zijn, voor alle gelovigen, levenden en doden.

Zo rijk, zo onmetelijk zijn de vruchten van dat sacrificie, zo verheven is de glorie, die er door aan God toekomt! Voelen wij in ons het verlangen om Gods oneindige grootheid te erkennen en om Hem, spijts onze armoede als schepsel, een hulde aan te bieden zijn majesteit waardig, een hulde die zeker uit onze handen zal worden aangenomen, laten we dan het H. Misoffer opdragen, ofwel laten we er in tegenwoordig zijn, en laten we aan God het goddelijk slachtoffer aanbieden: de eeuwige Vader ontvangt daar, evenals op Kalvarië, een hulde van oneindige waarde, een hulde zijn oneindige volmaaktheden volkomen waardig.

Bron van vertrouwen en van vergeving

Wanneer we ons neergedrukt voelen door de herinnering aan onze misslagen, en we naar middelen zoeken om onze beledigingen te herstellen en meer volkomen aan de goddelijke rechtvaardigheid te voldoen, opdat de straffen der zonde ons zouden worden kwijtgescholden, kunnen we er geen krachtiger, geen meer geruststelling vinden dan de H.Mis.

Luistert naar het Concilie van Trente: « Wijl God, verzoend door de opoffering der Mis, de genade en de gave van boetvaardigheid verleent, vergeeft Hij de misdaden en zelfs de zeer zware zonden »: Vergeeft de Mis rechtstreeks de zonden? Neen, dat wordt aan het Sacrament van boetvaardigheid en aan het volmaakt berouw voorbehouden: maar de Mis bevat overvloedige en machtige genaden, die de zondaar verlichten en hem akten van spijt en berouw doen verwekken, die hem tot boetvaardigheid zullen brengen en hem, daardoor, Gods vriendschap zullen terugschenken.  

De Mis niet alleen een aanbiddingsoffer is, of een eenvoudige ‘herinnering aan dat van het kruis; maar ’t is een waarachtig zoenoffer, door Christus ingesteld « om ons dagelijks de verlossende kracht van het offer van het kruis toe te passen »

Daarom zien we de priester, die reeds Gods vriendschap bezit, het offer opdragen « voor zijn zonden, zijn beledigingen en zijn ontelbare tekortkomingen ».

Het goddelijk slachtoffer verzoent God en maakt Hem goedgunstig jegens ons.

« O eeuwige Vader, aanschouw dit altaar, aanschouw uw Zoon, die mij bemind en die zichzelf voor mij op Kalvarië heeft geleverd; die U voor mij zijn oneindige voldoeningen aanbiedt: Respice in faciem Christi tui (Ps, 8310), en vergeet de fouten die ik tegen uw goedheid heb bedreven. Ik draag U dit offer op, waar Gij uw welbehagen in vindt, tot herstel voor al de beledigingen; aan uw goddelijke majesteit aangedaan ».

Zo, een gebed kan niet anders dan door God verhoord worden, omdat het steunt op de verdiensten van de welbeminde Zoon, die door zijn lijden alles heeft geboet.

Dankzegging bij uitstek

De Mis is de dankzegging bij uitmuntendheid, de volmaaktste en aangenaamste, die wij ooit aan God kunnen geven. Het Evangelie zegt dat Onze Heer, alvorens dit sacrificie in te stellen, zijn Vader « dank zei »: eucharistèsas. St. Paulus bezigt dezelfde uitdrukking, en de Kerk heeft dat woord, bij voorkeur boven elk ander, alhoewel het de andere kenmerken der Mis niet uitsluit, bewaard om het Altaaroffer aan te duiden: Eucharistisch offer, dat wil zeggen offer van dankzegging. Ziet: in elke Mis, na de offerande en vóór de consecratie, zingt de Priester, in navolging van Jezus, een dankgebed:

« ’t Is waarlijk passend en billijk, redelijk en heilzaam, o heilige Heer, almachtige God, U altijd en overal dank te zeggen… door Christus Onzen Heer »: Per Christum Dominum nostrum.

Vervolgens draagt hij het H. Slachtoffer op: dat bedankt voor ons, dat erkent op passende wijze, want Jezus is God. — al de weldaden, die ons van boven werden toegezonden uit de schoot van de eeuwige vader.

Een smeekoffer

Onze behoefte is onmetelijk: voortdurend hebben wij licht, sterkte, troost nodig. Dat alles zullen wij in de Mis vinden.

Inderdaad, daar is waarlijk Hij die gezegd heeft: « Ik ben het licht der wereld; Ik ben de weg, Ik ben de waarheid, Ik geef het leven. Komt tot Mij, gij allen die vermoeid en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken. Indien iemand tot Mij komt, zal ik hem niet verstoten » : Et eum qui venit ad me, non ejiciam foras (Joh. 637), Hij is dezelfde Jezus, die « overal is doorgegaan al weldoende » ; die aan de Samaritaanse vrouw en aan Magdalena, die aan de goede moordenaar vergeving heeft geschonken; die de bezetenen verloste, de zieken genas, de blinden deed zien en de kreupelen liet gaan; dezelfde Jezus, die St. Johannes’ hoofd op zijn heilig Hart liet rusten… Doch merkt wel op dat Hij daar, op het altaar, in een gans bijzondere hoedanigheid is: Hij is daar als ‘heilig’ slachtoffer, hetwelk op dat ogenblik zichzelf opoffert aan zijn Hemelse Vader en zichzelf opoffert voor ons; Hij is daar geslachtofferd, en toch levend en biddend voor ons: Semper vivens ad interpellandum pro nobis (Hebr. 725).

De genadestroon, tot welke wij met vertrouwen moeten naderen, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade en hulp voor gepaste tijden (Hebr. 4 16).

Hoe moeten wij de H.Mis bijwonen?

Onthoudt wel deze woorden van St. Paulus: Cum fiduciá « met vertrouwen ». ’t Is de voorwaarde om verhoord te worden. We moeten het H. Sacrificie opdragen of het bijwonen met geloof en vertrouwen. Dat offer werkt in ons niet, gelijk de sacramenten, ex opere operato. Zijn vruchten zijn onuitputtelijk, doch zij worden ons grotendeels volgens onze inwendige gesteldheid toegevoegd. In elke Mis zijn er, voor ons, oneindige mogelijkheden van volmaaktheid en van heiligheid; doch de maat van genaden, die wij er ontvangen, is die van ons geloof en van onze liefde.

Ge zult reeds opgemerkt hebben dat de priester, wanneer, hij, vóór de consecratie, opnoemt wie hij aan God wil aanbevelen, op het einde van al de aanwezigen spreekt, doch ‘terzelfder tijd melding maakt van de gesteldheid hunner harten: Et omnium circumstantium quorum tibi fides cognita est et nota devotio, «

Gedenk o Heer… allen die hier tegenwoordig zijn, wier geloof en godsvrucht U bekend zijn ».

Die woorden duiden ons aan dat de genaden, die uit de Mis voortvloeien, ons worden medegedeeld naarmate de levendigheid van ons geloof en de oprechtheid onzer godsvrucht. Wat het geloof is,’ heb ik u gezegd; doch wat is de nota devotio? Het is de vaardige en volkomen toewijding of schenking van geheel onszelf aan God, aan zijn wil, aan zijn dienst; God, die alleen in het diepste van ons hart leest, ziet daar ons verlangen, onze wil om Hem getrouw te zijn, om Hem toe te behoren, oprecht is. Is dat alzo, dan behoren we tot degenen, voor wie de priester in ’t bijzonder bidt, en die rijkelijk zullen putten uit de oneindige verdienstenschat van Christus, die voor hen wordt opgeofferd.

Indien we dan de diepe overtuiging hebben dat alles ons toekomt van de Hemelse Vader door Christus Jezus, dat God in Christus heeft neergelegd al de schatten van heiligheid, die de mensen kunnen verlangen, dat die Jezus op het altaar is met zijn schatten, dat Hij er niet alleen tegenwoordig is, doch zich opoffert voor ons tot glorie van zijn Vader; Hem op dat ogenblik de volmaaktste hulde aanbiedt die Hem kan behagen; het sacrificie van het kruis vernieuwt om er de opperste kracht van te bestendigen en ze ons toe te passen ; indien wij, zeg ik, die diepe overtuiging hebben, zal er geen genade zijn of wij zullen ze kunnen vragen en verkrijgen. Want op dat ogenblik is het alsof wij met Maria, met Johannes en Magdalena aan de voet van het kruis staan, aan de bron zelf van alle heil en van alle verlossing. O, kenden we de gave Gods!

Er bestaat een inniger deelneming, en die moeten we trachten te verwezenlijken. Welke is zij? Ons zo volmaakt mogelijk vereenzelvigen met Christus Jezus in zijn tweevoudige hoedanigheid van hogepriester en van slachtoffer, ten einde in Hem veranderd te worden. Is dat mogelijk?

In zijn Menswording heeft het Woord, door een mystieke vereniging, de gehele mensheid aan zijn mysteriën en aan zijn Persoon verbonden. Geheel de mensheid maakt één mystiek lichaam uit, waarvan Christus het hoofd is, één maatschappij, waarvan Hij de Heer is en wij de ledematen zijn. In grondbeginsel kunnen de ledematen zich niet van het hoofd scheiden noch aan zijn werking vreemd blijven. Jezus’ handeling bij uitmuntendheid, die geheel zijn leven samenvat en het zijn volle waarde geeft, is Zijn Offer.

Beschouwen we een ogenblik de stof van het sacrificie, het brood en de wijn, die zullen veranderd worden in ’t lichaam en bloed van Jezus Christus. De H.H. Kerkvaders hebben onze aandacht gevestigd op de zinnebeeldige betekenis van die twee elementen. Het brood wordt gemaakt van graankorrels, gemalen, en met elkaar verenigd, zodat ze slechts één zelfstandigheid uitmaken; de wijn, van druiven, samengebracht en geperst tot één drank: dat is het beeld van de vereniging der gelovigen met Christus en van al de gelovigen met elkander.

Op het ogenblik der offerande giet de priester in de kelk, die reeds wijn bevat, een druppel water. Wat betekent die ceremonie? Zij wordt uitgelegd door het haar begeleidend gebed:

« o God, die de waardigheid der menselijke natuur op een wonderbare wijze hebt geschapen, en op een nog meer wonderbare wijze hersteld hebt: laat ons door het geheim van dit water en deze wijn deelachtig worden aan de Godheid van Hem, die zich gewaardigd heeft, aan onze mensheid deelachtig te worden: Jezus Christus, uw Zoon; onze Heer, die met U leeft en heerst in de eenheid van de heilige Geest, God door alle eeuwen der eeuwen. Amen ».

Vervolgens offert de priester de kelk, opdat hij voor Gods aanschijn opstijgt in geur van zoetheid, in odorem suavitatis. Bijgevolg het geheim, door deze vermenging van water en wijn verzinnebeeld, is vooreerst de vereniging, in Christus, van de godheid met de mensheid; uit dat geheim vloeit er een tweede, insgelijks door dat gebed aangeduid: onze vereniging met Christus in zijn sacrificie: de wijn vertegenwoordigt Christus, het water het christenvolk.

Wij behoren met Christus verenigd te zijn in zijn slachtoffering, wij moeten onszelf met Hem opofferen, dan neemt Hij ons met Hem, Hij; slachtoffert ons met Hem, Hij brengt ons voor zijn Hemelse Vader, in odorem suavitatis. Onszelf moeten wij opdragen met Jezus Christus. Indien door het Doopsel de gelovigen deelachtig zijn aan Christus’ priesterschap, dan is dat, zegt de H. Petrus, « ten einde geestelijke offers op te dragen, aangenaam aan God door Jezus Christus »: Sacerdotium sanctum, offerre spirituales hostias acceptabiles Deo per Jesum Christum (I Petr. 2 5).

Dat is zó waar dat de Kerk, in meer dan één gebed dat volgt op de offerande, die zij daar juist aan God heeft opgedragen in afwachting van het ogenblik van de consecratie, de vereniging van ons offer met dat van haar Bruidegom aanduidt.

 « Wil, smeken we, Heer, deze gaven goedgunstig heiligen: en bij het aanvaarden deze geestelijke offerande onszelf tot een voortdurend offer voor U maken. Door Onzen Heer Jezus Christus ».

Wat ons aangaat, wij sterven slechts met Hem, indien wij ons met het altaarsacrificie verenigen. En hoe ons met Christus Jezus als slachtoffer verenigen? Door, gelijk Hij, onszelf volkomen over te leveren, onszelf volkomen te onderwerpen aan het goddelijk welbehagen.

God moet volkomen kunnen beschikken over het slachtoffer dat Hem opgedragen wordt; onze hoofdgesteldheid moet zijn, alles aan God te willen geven, onze werken van zelfverloochening en van versterving te volbrengen, het lijden, de beproeving en de last van elke dag aan te nemen uit liefde tot Hem, zodat wij, gelijk Jezus Christus ten dage van zijn lijden, kunnen zeggen: Ut cognoscat mundus quia diligo Patrem, sic facio; laat de wereld weten dat ik de Vader liefheb, en dat doe ik ook.

Dat is met Jezus zich opofferen. Wanneer wij aan de eeuwige Vader zijn goddelijke Zoon opofferen, en wij onszelf opofferen. met « de heilige Hostie », met dezelfde gesteldheid, die Christus’ heilig Hart bezielde aan het kruis: vurige liefde tot zijn Vader en tot zijn broeders, innig verlangen naar de zaligheid der zielen, volkomen overgave aan elke wil van God, vooral in hetgeen die pijnlijks of met onze natuur tegenstrijdigs vertoont, alsdan brengen wij aan God de volmaaktste hulde die Hij van ons kan ontvangen. Dan ook vinden we ’t zekerste middel om ons in Jezus te veranderen, bijzonder wanneer wij ons met Hem verenigen in de H. Communie, die de vruchtbaarste deelneming is aan het altaarsacrificie. Want wanneer Christus ons met Hem verenigd vindt, slachtoffert Hij ons met Hem, maakt ons aangenaam aan zijn Vader, en doet ons, door zijn genade, al meer en meer gelijkvormig aan Hem worden.

Die waarheid wordt uitgedrukt door het geheimenisvolle gebed van de priester, na de consecratie:

« Deemoedig bidden wij U almachtige God, laat dit offer door de handen van uw heilige Engel overdragen op uw hoogverheven altaar, vóór het aanschijn van uw goddelijke Majesteit: opdat wij allen, die aan dit offer deelnemen door het nuttigen van het allerheiligste lichaam en bloed van uw Zoon, met alle hemelse zegening en genade vervuld worden ».

Dit is dan een allerbeste manier om het H. Misoffer bij te wonen, met het oog, met de geest en met het hart te volgen wat er op het altaar geschiedt, zich te verenigen met de gebeden, die de Kerk op dat zo heilig ogenblik haar bedienaars op de lippen legt. Wanneer wij ons aldus verenigen, door een diepe eerbied, een levendig geloof, een vurige liefde, een waarachtig leedwezen over onze fouten, met Christus, hogepriester en slachtoffer van zijn sacrificie, alsdan neemt Christus, die in ons leeft, in zijn hart al onze meningen op en biedt zijn Vader een volmaakte aanbidding, een volkomen voldoening aan; Hij doet Hem een waardige dankzegging en zijn gebed is alvermogend.

De sacramentele Communie

De sacramentele Communie, vrucht van het Eucharistisch Offer, is voor de ziel het zekerste middel om met Jezus verenigd te blijven.

In de vereniging met Christus bestaat, het ware leven der ziel, de bovennatuurlijke heiligheid; Jezus is de wijnstok, wij zijn de ranken, de genade is het sap dat in de takken omhoog stijgt om ze vruchten te doen dragen. Welnu, vooral door de gave van zichzelf in ’t H. Sacrament doet Christus in ons de genade overvloedig stromen.

Laten we met geloof en eerbied, met liefde en vertrouwen, dit mysterie van leven overwegen, waarin we ons verenigen met Hem, die én ons goddelijk toonbeeld én onze oneindige voldoening én de bron zelf van geheel onze heiligheid is. Vervolgens zullen we zien, in welke gesteldheid wij hem behoren te ontvangen om tot die volmaakte vereniging te komen, welke Christus door de gave van zichzelf met ons wil verwezenlijken.

Hij geeft ons vooreerst het antwoord dat Hij de eerste maal heeft laten horen, toen Hij de Joden de instelling van het H.Sacrament aankondigde: « Gelijk de levende Vader mij zond, en Ik leef door de Vader, zó ook wie Mij eet, ook hij zal door Mij leven », Sicut misit me vivens Pater, et ego vivo propter Patrem, et qui manducat me et ipse vivet propter me (Joh. 657).

 ’t Is alsof Hij zei: Mijn verlangen is, u mijn goddelijk leven mede te delen. Ik heb mijn wezen, mijn leven, alles, van mijn Vader; en omdat Ik alles van Hem heb, leef Ik slechts voor Hem: Ik verlang met een brandend verlangen dat gij ook, alles van Mij hebbende, slechts leeft voor Mij. Uw lichamelijk leven onderhoudt en ontwikkelt gij door het voedsel; Ik wil het voedsel zijn van uw ziel, om haar leven, dat Ikzelf ben, te onderhouden en te ontwikkelen.

Het goddelijk leven kan in ons door andere wegen binnenkomen, maar ’t is door de heilige Communie dat het onze zielen « als een onstuimige vloed » overstroomt. De Communie is zozeer een sacrament dat leven geeft, dat zij door zichzelf de dagelijkse zonden, waaraan wij niet meer gehecht zijn, vergeeft en uitwist; zij bewerkt dat het goddelijk leven in de ziel, wederom zijn kracht en schoonheid krijgt, groeit, zich ontwikkelt en overvloedige vruchten voortbrengt.

« In Christus blijven », is vooreerst door de genade deel hebben aan zijn goddelijk zoonschap: het is één zijn met Hem daar wij gelijk Hij, alhoewel op een andere wijze, het kind van God zijn. Dat is de eerste en voornaamste vereniging, die Christus zelf aanduidt in de gelijkenis van de wijnstok: « Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, draagt vele vruchten ».

Die vereniging is niet de enige. In Christus « blijven » is zich met Hem vereenzelvigen in alles wat ons verstand, onze wil, onze werkdadigheid betreft.

Wij blijven in Christus door het verstand, wanneer we, door een akte van eenvoudig, zuiver en volledig geloof, alles aannemen wat Christus ons zegt. Het Woord is altoos in de schoot van de Vader; Het ziet de goddelijke geheimen, en Het deelt ons mede wat het ziet: Unigenitus Filius, qui est in sinu Patris, ipse enarravit (Joh. 118).

Door het geloof zeggen wij: « Ja », Amen, op alles wat het mensgeworden Woord, ons zegt; we nemen zijn woord aan; en op die wijze vereenzelvigen we ons met Christus in ons verstand. De H. Communie doet ons in Christus blijven door het geloof; we kunnen Hem niet ontvangen, dan indien we door het geloof aannemen alles wat Hij zegt en alles wat Hij is. Hoort wat Onze Heer tot de Joden zegt, wanneer Hij hun de instelling van ’t H. Sacrament aankondigt: « Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt zal geenszins honger lijden, en wie in Mij gelooft zal nimmer dorst lijden » (Joh. 6 35).

In Hem blijven, is nog onze wil aan Hem onderwerpen, het is geheel onze bovennatuurlijke werkdadigheid van zijn genade afhankelijk maken. — Dat betekent, dat wij in zijn liefde moeten blijven, door in alles zijn Wil aan te nemen: Si praecepta mea servaveritis, MANEBITIS IN DILECTIONE MEA, sicut et ego Patris mei praecepta servavi, et manco in ejus dilectione (Joh. 1510).

Het is zijn belangen behartigen, het is zich geheel aan Hem overleveren, zonder berekenen, zonder iets voor zich te houden of iets te hernemen; want, is men niet vastberaden en standvastig, dan kan men niet blijven met dit volle vertrouwen dat de bruid heeft in de bruidegom.

Wanneer we lichamelijk voedsel in ons opnemen, veranderen we dat in onze eigen zelfstandigheid; doch Christus geeft zichzelf tot voedsel aan ons, om ons in Hem te veranderen.

De H.Leo schrijft deze merkwaardige woorden: « De deelneming aan Christus’ lichaam en bloed brengt in ons, geen ander uitwerksel voort dan ons te doen overgaan in hetgeen wij nemen », Nihil aliud agit participatio corporis et sanguinis Christi, quam ut in id quod sumimus transeamus. (Het delen van Christus’ lichaam en bloed doet niets anders dan doorgeven aan wat we eten.).

St. Augustinus is nog uitdrukkelijker; hij doet Christus zeggen: « Ik ben het voedsel der sterken; heb geloof en eet Mij. Maar gij zult Mij niet in u veranderen; doch gij zult in Mij veranderd worden ».

En St. Thomas, « Ik leef, neen, ik ben het niet meer die leef, maar Christus leeft in Mij ».

Maar hoe geschiedt die geestelijke verandering?

Met Jezus Christus te ontvangen, ontvangen wij Hem geheel en gans: zijn vlees, zijn bloed, zijn ziel, zijn mensheid, zijn godheid. Christus deelt ons zijn gedachten mee, laat ons aan zijn gevoelens deelnemen; Hij deelt ons zijn deugden mee, maar bovenal « ontsteekt Hij, in ons het vuur, dat Hij op aarde is komen, brengen » (Luc. 1249), het vuur der goddelijke Liefde, der goddelijke minne dat is het doeleinde der verandering, door het H. Sacrament voortgebracht. « De kracht van dit sacrament, zo schrijft St. Thomas, bestaat in een zekere verandering in Christus bij middel van de liefde. En dat is zijn bijzondere vrucht… Het is eigen aan de liefde, hem die bemint te veranderen in het voorwerp zijn liefde ». — Dat wil, zeggen dat ‘Christus komst’ in ons van nature er naar streeft, tussen zijn en onze gedachten, zijn en onze gevoelens, zijn en onze wil, zulk een ruiling, zulk een gemeenschap, zulk een gelijkenis te scheppen dat wij geen andere gedachten, noch gevoelens, noch wil hebben dan die van Christus: Hoc enim sentite in vobis, quod et in Christo Jesu (Phil. 25). En dat, door de liefde; de liefde levert de wil aan Christus over, en door de wil geheel ons wezen, geheel onze krachtdadigheid; en omdat de liefde de gehele mens overlevert, is zij het middel, van onze bovennatuurlijke verandering, van onze bovennatuurlijke wasdom. Zeer wel heeft de H. Johannes gezegd « Hij. die blijft in de liefde, blijft in God, en God in hem » (1 Joh. 416).

Zonder dat is er geen waarachtige « communie », geen waarachtige vereniging met Christus; wij ontvangen Christus met de lippen, maar terzelfder tijd moeten wij ons met Hem verenigen met de geest, met het hart, met de wil, met geheel onze ziel, om, zoveel ons dit hierbeneden mogelijk is, aan zijn goddelijk leven deel te nemen; zodat door ons geloof in Hem, door onze liefde tot Hem, werkelijk zijn leven en niet meer ons eigen « ik » het grondbeginsel van ons leven zijn. Dat wordt duidelijk te kennen gegeven door een gebed, dat de Kerk de priester na de Communie doet opzeggen: « Moge, o Heer, zo smeken we de werking van deze hemelse gave onze zielen en lichamen geheel doordringen: opdat niet onze zinnen, maar de kracht van dit Sacrament in ons steeds de overhand heeft ».

De Kerkvaders spreken zelfs van een nog rechtstreekser invloed. Is dat, te verwonderen? Toen Christus Jezus op aarde leefde, was de enkele aanraking van zijn mensheid voldoende om de lichamen te genezen. Zou die macht verminderd zijn, omdat Christus zich verbergt onder de sacramentele gedaanten? « Meent gij, mijn dochters, zei de H. Teresia, dat dit allerheiligste voedsel ook het lichaam niet ondersteunt, en geen hulpmiddel is voor zijn kwalen?

Ik echter, ik weet dat het die kracht heeft. Ik ken iemand (zonder twijfel spreekt de heilige van zichzelf), die buiten haar grote kwalen dikwijls hevige pijnen voelde terwijl zij naar de communiebank ging, en die nauwelijks het Brood des levens had ontvangen, of zij voelde alle kwalen verdwijnen, als werden ze met de hand weggenomen…

Vóór de Communie vraagt de priester aan Christus, dat « het ontvangen van zijn heilig lichaam een heilmiddel mag zijn voor ziel en lichaam ».

Datzelfde gebed doet ons de Kerk herhalen in meer dan een van haar Postcommunio’s, op het ogenblik dat wij God bedanken voor de ontvangen goddelijke gave: « Zuiver onze zielen, o Heer, vernieuw ze door uw hemelse sacramenten, opdat onze lichamen zelf in deze wereld zowel als in de andere uw almogende kracht ondervinden ».

God beminnen door het hart van Christus, God loven door de lippen van Christus, leven door zijn leven. De goddelijke tegenwoordigheid van Jezus en zijn heiligmakende kracht doordringen zo innig ons wezen, onze ziel en ons lichaam met al hun vermogens, dat wij een andere Christus worden.

Dat is het waarlijk verheven einddoel der vereniging met Christus in het H. Sacrament, welke vereniging iedere Communie volmaakter wil verwezenlijken. Kenden we toch de gave Gods! Want zij, die uit die bron het water der genade putten, lijden nimmer dorst, hun dorst is voor immer gelest: Qui autem biberit ex aqua quam ego dabo ei, non sitiet in aeternum (Joh. 413).

Zulke wonderbare uitwerksels worden in de ziel niet voortgebracht, zonder dat zij zich heeft voorbereid tot de uitstorting van zoveel goederen. Weliswaar, de sacramenten brengen uit zichzelf de vrucht voort, waarvoor zij ingesteld zijn; doch op voorwaarde dat geen beletsel hun werking in de weg sta: Non potentibus obicem. — Wat is hier nu het beletsel?

Er kan er natuurlijk geen zijn vanwege Christus: « In Hem zijn al de schatten der godheid », en door zich aan ons te geven verlangt Hij oneindig ze ons mee te delen ; Hij is er niet zuinig mee, want indien Hij komt om ons het leven te geven, wil Hij het ons overvloedig geven ;tot ieder van ons herhaalt Hij, wat Hij tot zijn Apostelen heeft gezegd op de avond der instelling van het H. Sacrament: « Met een vurig verlangen heb ik begeerd dit paaslam met u te eten », Desiderio desideravi hoc pascha manducare vobiscum (Luc. 2215).

Het beletsel is dan in ons. — Welk is dat beletsel?

Om het te kennen, hebben wij slechts de natuur van het H. Sacrament te beschouwen. ’t Is een voedsel, dat het leven der ziel moet onderhouden en de vereniging moet duurzaam maken.

Al wat dus het bovennatuurlijk leven en de vereniging in de weg staat, is een beletsel tot het ontvangen en tot het vrucht voortbrengen van het H. Sacrament. De zware zonde, die de dood der ziel veroorzaakt, is het volkomen beletsel; gelijk het voedsel slechts aan de levenden wordt gegeven, zo wordt het H. Sacrament slechts aan hen gegeven, die reeds het leven der genade bezitten. ‘Dat is de eerste voorwaarde: samen met « de oprechte mening », is zij voldoende opdat elke gelovige moge tot Christus naderen en het Brood des levens ontvangen.

Alzo heeft, in een gedenkwaardig document, de grote Paus Pius X vastgesteld. Het sacrament werkt ex opere operato: door zichzelf voedt het H. Sacrament des Altaars de ziel, vermeerdert de genade en meteen de vurigheid der blijvende liefde. Dat is de eerste en wezenlijke vrucht van het sacrament.

Gij ziet dus dat Onze Heer acht geeft op de gesteldheid, op de liefdeblijken, waarmee we Hem ontvangen. De H. Communie is het Sacrament van vereniging, en hoe minder beletselen tot die volmaakte vereniging Christus ontmoet, des te groter zijn in ons de genade-uitwerksels van zijn Sacrament. De Catechismus van het Concilie van Trente zegt ons « dat wij heel de overvloed van Gods gaven ontvangen, wanneer wij aan de H.            Communie met een wel gesteld en volkomen voorbereid hart deelnemen ».

We mogen, indien we die vereniging in haar volmaaktheid verlangen, met Christus niet « dingen » om de vrijheid van ons hart; we mogen in ons hart geen plaats, hoe klein ook, voorbehouden voor het schepsel om zichzelf bemind; wij moeten ons van onszelf ontdoen, los worden van het schepsel, verlangen naar de volmaakte komst van Christus’ rijk in ons, door de onderwerping van geheel ons wezen aan zijn Evangelie en aan de werking van zijn Geest.

Wanneer Onze Heer een ziel alzo gesteld vindt, volkomen en zonder voorbehoud aan zijn werking overgeleverd, dan handelt Hij in haar met een goddelijke kracht die, daar zij geen hinderpaal ontmoet, wonderen van heiligheid voortbrengt. Het gebrek aan zulke dispositio unionis legt uit waarom menige ziel, niettegenstaande haar veelvuldige communiën, zo weinig vordering maakt in de volmaaktheid. In die zielen vindt Christus niet de bovennatuurlijke buigzaamheid, die Hem zou toelaten met volkomen vrijheid in hen te handelen; zij worden verdeeld door vrijwillige niet gewraakte gehechtheden, die hen vasthouden aan hun ijdelheid, hun eigenliefde, hun lichtgeraaktheid, hun zelfzucht, hun jaloersheid, hun zinnelijkheid, en die beletselen zijn dat de vereniging tussen hen en Christus geschiede met die kracht, met die volkomenheid, welke de herschepping der ziel teweegbrengt en voltooit.

Maar, indien het waar is « dat wij niets kunnen zonder Christus Jezus, hoeveel meer wordt dat woord bewaarheid, is ’t voor ons zake, de heiligste daad van onze dag te vervullen! Zichzelf sacramenteel met Christus Jezus in de H. Communie verenigen, is voor het schepsel het verhevenste werk dat er bestaat; alle menselijke wijsheid, hoe uitstekend ook, is niets, met dat werk vergeleken. Zonder de hulp van Christus zelf kunnen wij ons daartoe, niet behoorlijk voorbereiden.

Het moment van de H. Communie zelf.

Is nu eenmaal het moment gekomen om te communiceren, dan blijft slechts de onmiddellijke voorbereiding over.

Onze Heer wil, met een vurige wil, ze ons mededelen; maar Hij vraagt dat we onze harten zouden verruimen door het verlangen en het vertrouwen. God weet zonder twijfel wat we nodig hebben, zegt St. Augustinus, maar Hij wil dat door het gebed ons verlangen zal ontvlammen, ten einde ons bekwamer te maken om te ontvangen wat Hij voor ons gereed maakt. We zullen des te bekwamer zijn om het Brood des levens te ontvangen, naarmate ons geloof in dat leven groter zal zijn, ons vertrouwen standvastiger, ons verlangen vuriger ».

« Open u door het geloof, door het vertrouwen, door de liefde, door heilige verlangens, door uw overgeving aan Mij, en Ik zal u vullen ». — « Waarmee, o Heer? » « Met Mijzelf ».

Ik zal Mij aan u geven, geheel en gans, met mijn mensheid en mijn godheid, met de vrucht mijner mysteriën, met de verdiensten mijner werken, met de voldoening mijner smarten, en met de prijs van mijn lijden.

Ik zal in u neerdalen, zoals weleer op aarde, om er « het werk van de duivel te vernietigen » (I Joh. 38); om er, samen met u, mijn Vader goddelijke hulde aan te bieden; Ik zal u doen deelhebben aan de schatten van mijn godheid, van mijn goedheid, van het eeuwig leven dat Ik heb van mijn Vader en dat mijn Vader u door Mij wil mededelen, opdat gij aan Mij zou gelijk wezen Ik zal u met mijn genade vervullen, om zelf uw wijsheid, uw heiliging, uw weg, uw waarheid, uw leven te worden. Gij zult een ander Mijzelf worden, voorwerp, gelijk Ik dat ben, van het welbehagen van mijn Vader ».

« Open uw ziel, en Ik zal ze vullen ».

Dankzegging

Wanneer we alzo met Jezus verenigd zijn en we onszelf aan Hem geven, voert Hij ons, door het geloof dat wij in Hem hebben, tot in het Heilige der heiligen, Usque ad interiora velaminis (Hebr. 619). Aldaar kunnen we ons verenigen met de akten van vurige aanbidding, die de H. Drieëenheid van ‘Christus’ mensheid ontvangt. Op dat ogenblik zijn we zo innig met Christus verenigd, dat we onszelf de akten zijner heilige mensheid kunnen toe-eigenen, en de eeuwige Vader, in de eenheid van de H. Geest, uiterst aangename huldebewijzen aanbieden. Christus zelf wordt onze dankzegging, onze Eucharistie; Hij is, vergeet dat nooit, onze aanvulling voor al onze zwakheden, voor al onze ziekten, vooral onze ellenden. Wat een onbeperkt vertrouwen verwekt de tegenwoordigheid van Christus niet in onze ziel!

We kunnen, met Magdalena neergezeten aan de voeten van Jezus, vertrouwelijk spreken met Hem, luisterend naar wat Hij hun zegt in ’t diepste hunner ziel, en bereid om Hem alles te geven wat Hij vraagt; want in die ogenblikken dat het goddelijk licht in ons is, toont Jezus dikwerf aan de edelmoedige, ziel wat Hij van haar verlangt. « ’t Zijn de kostbare stonden, zegt de H. Teresia, die volgen op de H. Communie; alsdan schept de goddelijke Meester er behagen in, ons te onderwijzen: luisteren we naar Hem, en uit erkentenis, daar Hij zich gewaardigt ons zijn lessen mee te delen, kussen we Hem zijn voeten en smeken we hem dat Hij zich niet van ons verwijderd.

Ook nog kunnen we inwendig spreken met Onze Heer, alsof we ons aan de voet van het kruis bevonden; of we kunnen mondelinge gebeden doen, zoals psalmen opzeggen die betrekking hebben op de H. Eucharistie: « De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken; Hij heeft mij op vette weiden neergezet, en heeft mij geleid bij verfrissende wateren, Hij verkwikt mijn ziel… Al moest ik ook gaan te midden des doods, geen kwaad zou ik vrezen; want Gij, o Heer, Gij zijt met mij » (Ps. 221-4).

Christus geeft alles wanneer Hij zichzelf geeft; wij ook, wij behoren alles te geven, door Hem uit de grond des harten het woord te herhalen, dat Hijzelf zei: Quae placita sunt ei facio semper, Ik wil steeds volbrengen wat U behaaglijk is » (Joh. 829); of nog, dit woord van Jezus tot zijn Vader in het Laatste Avondmaal, woord dat zelf de uitdrukking is der volmaakte vereniging: « Al het mijne is het uwe, en het uwe is het mijne », Et mea omnia tua sunt, et tua mea sunt (Joh. 1710).

Dat is inderdaad, ik herhaal het nogmaals, de bijzondere vrucht der H. Communie: onze vereenzelviging, door het geloof en de liefde, met Christus. Ontvangt gij behoorlijk het lichaam van Christus, zegt St. Augustinus, dan zijt gij wat gij ontvangt.

De eigenaardige kracht van dat voedsel bestaat in de eenheid voort te brengen, in ons zo innig met Christus’ lichaam te verenigen dat wij, zijn lede, maten geworden, zelf zijn wat wij ontvangen »

Bron: Christus, het leven der ziel, 1942, de zalige Dom Columba Marmion

Bewerkt; Br. Hendrikus 2022