“Zegt aan de wereld dat zij Mijn Moeder meer moeten liefhebben” – Jezus tot Marguerite

Uit een tijdschrift van het Legioen Kleine Zielen:

Wij hebben een machtige voorspreekster in de hemel. Veel Kleine Zielen bidden regelmatig de litanie ter ere van Onze Lieve Vrouw. Nadat wij God in zijn heilige Drie-eenheid aangeroepen hebben, vragen wij de hulp van Maria. Wij noemen haar op de eerste plaats “heilig” en vuren vervolgens een aaneenschakeling van nog 49 eretitels op haar af. Zoals wij in de vijf tientjes van het Rozenhoedje Maria 50 maal groeten, zo smeken wij haar in de litanie ook 50 maal om voor ons te bidden. Wanneer je een litanie bidt, sta dan ook eens stil bij de beeldspraak die er gebruikt wordt en laat de kracht van de aanroeping tot je komen. Ontdek de werkelijkheid die verscholen zit achter het beeld. Maak het stil in je hart en wordt ontvankelijk, zoals Maria ontvankelijk was voor het woord van God. Ook zij begreep niet altijd wat God met haar voor had of waarom Hij bepaalde dingen liet gebeuren. Maar haar groot geloof en een rotsvast vertrouwen schonken haar de zekerheid dat God haar geest wel zou verlichten, als Zijn uur daartoe gekomen was.

Lucas verwoordt deze ingesteldheid van Maria in één prachtige zin. Jozef en Maria hebben de 12-jarige Jezus terug gevonden in de tempel en “Hij ging met hen mee naar Nazareth en was aan hen onderdanig. Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart.” (Luc. 2,51).

Het kan heel goed zijn dat bepaalde aanroepingen uit de litanie je niet aanspreken of dat je ze zelfs niet begrijpt. Ik denk aan bv. ark van het verbond, toren van David, geestelijk vat. Dit zijn met een bijbelse betekenis beladen beelden en symbolen, die niet in enkele woorden uit te leggen zijn. Maar dat is niet erg. Het nadenken en mediteren over het grote mysterie dat God in Maria tot stand heeft gebracht, zal stilaan je geloofsleven verdiepen en verrijken. Af en toe eens iets niet onmiddellijk begrijpen prikkelt de geest, en doet ons op zoek gaan naar de diepere betekenis en achtergrond. Misschien moeten wij al eens vaker bidden: “Kom heilige Geest, verlicht mijn verstand en vervul het hart van uw gelovige met de kracht van uw liefde. Geef mij het gelovige inzicht in wat de hemelse Vader van mij verlangt.” Het loont de moeite om je aandacht ook eens te richten op de vele mariale titels die niet in de litanie vernoemd worden en waarmee onze hemelse Moeder zo gul geëerd en vereerd wordt. Je staat werkelijk versteld van de grote verscheidenheid die er wereldwijd bestaat. Hier volgen enkele bekende titels en namen ter illustratie: Moeder van God, Middelares van genade, Sterre der Zee, Toevlucht van de zondaars (Rue du Bac 1830), De wenende Lieve Vrouw (La Salette 1846), Onbevlekte Ontvangenis (Lourdes 1858), Moeder van de Hoop, (Pontmain 1871). Wanneer ik aan Maria in Pellevoisin (1876) een naam moet toekennen volgens de boodschap die zij meegeeft gaat mijn voorkeur uit naar: Moeder van goedheid en genade. O.-L.-Vrouw van de Rozenkrans (Fatima 1917), Koningin van de Hemel (Beauraing 1932), Maagd der armen (Banneux 1933), De Vrouwe van alle volkeren (Amsterdam 1945-1959), moeder van smarten, Onze Lieve Vrouw van Rust…

Overal ter wereld worden namen aan Maria gegeven. Iedere naam “is een eerbewijs en een teken van liefde. En Maria is dat waard.

Embryowet en verkiezingen – UPDATE

Wat er allemaal aan de hand is op de wereld, is heel triest maar niet vreemd. Als we zonder God willen leven of denken te kunnen leven, dan gaat alles mis. Hij is onze Schepper, Christus is onze Redder en de Heilige Geest is onze Helper en Trooster. Blijven we trouw en spreken we elkaar moed in! Paulus schrijft in zijn brief aan de Hebreeën het volgende:

“Spreekt elkaar moed in, elke dag, zolang dat `heden’ duurt, zodat niemand zich door de zonde tot zulk een halsstarrigheid laat verleiden.  Want wij zijn Christus’ deelgenoten geworden, mits we ons aanvankelijk vertrouwen ongeschokt bewaren tot het einde.  De Schrift zegt: Heden, als gij zijn stem hoort, weest dan niet halsstarrig, zoals eertijds bij het oproer.  Wie waren dat die zijn stem hoorden en rebelleerden? Allen die onder Mozes uit Egypte waren getrokken.  En op wie was God toornig, veertig jaar lang? Op hen die gezondigd hadden, wier lijken lagen in de woestijn.  En aan wie anders heeft Hij onder ede de toegang tot zijn rustplaats ontzegd dan aan hen die weigerden te geloven? Het is duidelijk dat ongeloof hen belet heeft zijn rust in te gaan.”

Er zijn een heleboel thema’s die zeer belangrijk zijn bij de aanstaande provinciale staten verkiezingen zoals allerlei soorten van vrijheden, boeren, internationaal pandemie verdrag, stikstof, medische integriteit van mensen, woningennood, contant geld, immigranten etc etc.  Maar al die normaliter zeer belangrijke zaken  vallen eigenlijk in het niets in vergelijking met de wil tot uitbreiding van de embryowet.

Hieronder ziet u twee video’s staan. Sven Hulleman legt uit wat die wetswijziging inhoudt en hoe essentieel het is. Moreel gezien is het zo iets slechts. Het is al erg in Nederland want men mag al experimenteren met embryo’s, maar het wordt dadelijk nog veel erger als het kabinet en minister Ernst Kuipers hun zin krijgen. Geen enkele kerkleider / bisschop heeft hier iets over gezegd helaas.  En CDA en CU zijn echt niet tegen deze voorstellen, heel triest. Stem geen CDA of CU, geen D66, geen PvdA, geen VVD, geen Groen Links.  

De tweede video is de hele uitzending van het programma, heel interessant! U krijgt eerst een schermpje met de mogelijkheid tot het doen van een donatie, maar dan kunt u gewoon even wachten (ongeveer drie minuten, de tijd telt af). Daarna kunt u de uitzending bekijken.  


Anti abortus / embryo-experimenten geluiden in de politiek

Hierboven heb ik wat partijen genoemd die echt geen ethische houding innemen in het onderwerp abortus of wat betreft de embryowet. Wie doen dat wel? De SGP, dat is duidelijk. Die zijn echter bij deze verkiezingen niet in Limburg vertegenwoordigd. De partijen / politici die iets over abortus zeggen, zijn er niet heel veel. Ik laat u er een paar zien en betwijfel of er heel veel meer te vinden is. De eerste twee filmpjes laten Pepijn van Houwelingen zien van Forum voor Democratie. Van Houwelingen spreekt zo duidelijk en goed wat betreft abortus en experimenten met embryo’s ! Wat betreft de embryowet, abortus en transgendergebeuren staan zij veruit het dichtste bij de kerkelijke visie, onze katholieke leer. Niet wat alle onderwerpen betreft hebben ze dezelfde overtuigingen als ons katholieken, maar wel wat de op dit moment belangrijkste onderwerpen betreft.


Nicki Pouw-Verweij (ja21): de-woke-ideologie-is-een-religie-op-zich-aan-het-worden


Caroline van der Plas is weliswaar niet voor abortus, maar heeft als één van de weinige kamerleden, het regenboogverdrag getekend. https://www.dagelijksestandaard.nl/politiek/caroline-van-der-plas-doet-een-d66-tje-bbb-tekent-radicaal-woke-regenboogakkoord

Dus daar – bij de laatste twee – moeten we het denk ik ook niet zoeken.


150 jaar Theresia van Lisieux

150 jaar Theresia van Lisieux

Beste lezer,

2 januari dit jaar was het precies 150 jaar geleden dat Therese van Lisieux geboren werd. Voor die gelegenheid is heel 2023 uitgeroepen tot jubileum jaar van de H. Therese.
Deze “kleine heilige” zoals ze ook wel wordt genoemd is een bijzonder voorbeeld. In haar “kleine weg” beschrijft zij hoe eenvoudige liefde groots kan worden. Hoe we mogen vertrouwen op God zoals een kind zich in de armen van zijn vader kan laten vallen.

In haar kindertijd lijdde ze aan wat men tegenwoordig angst-stoornissen zou noemen. Ze was gevoelig, aanhankelijk en enorm bang te zondigen. Ze kon zo last hebben van haar psyche dat ze er letterlijk ziek van werd. Door speciale genades en hulp van Maria wist ze er bovenop te komen. 

Op haar 15e trad ze in bij de Karmel in Lisieux. Toen ze op 24-jarige leeftijd stierf, wist de overste niet goed wat ze over haar zou moeten schrijven. Ze was een eenvoudige zuster geweest die niet veel bijzonders had gedaan. Pas toen men haar geschriften vond ontdekte men de grootsheid van deze “kleine heilige”. Nu is zij een van de meest populaire heiligen en is haar afbeelding in vele kerken en huiskamers te vinden.

Zo zie je maar, eenvoud en liefde. De kleine weg, met grootse gevolgen. De liefde is nooit te klein om groot te kunnen zijn. Vertrouwen op God als een kind, liefhebben als een kleine heilige. Heiligheid is voor iedereen weggelegd!

Uit:

Nieuwsbrief   Vastentijd 2023   Kollenberg 2, 6132 AL SITTARD
Website: www.reginacarmeli.nl

Vurige liefde van God voor zijn menselijk schepsel

Ter voorbereiding op Pasen

De Gezellen en Gezellinnen van de Gekruisigde en Verrezen Jezus en Maria Onbevlekt Ontvangen

Hoofdstuk 3: ‘Vurige liefde van God voor zijn menselijk schepsel’, uit het boek: Goddelijke Oproepen

Schepping van de mens

De zielloze natuur had Ik mooi geschapen, maar zonder ziel om Mij te loven evenmin als de dieren.

Zou ik dan van de stof geen lof ontvangen? Ik zou niets ontvangen van dit stoffelijk en tastbaar schepsel, dat Ik mooi vond, waarvan Ik ook de Schepper was en dat Ik met welbehagen bekeek!

Neen, mijn Liefde van Schepper zou niet voldaan geweest zijn, indien er zelfs maar een klein deeltje van mijn schepping levenloos en zonder stem bleef, onbekwaam Mij te loven! In mijn Ogen zou dit onmogelijk geweest zijn! Ik verlangde zozeer naar dit universeel Concert, dat opklonk uit alles, wat Ik had geschapen en dat intens, subliem en volledig tot Mij, de Schepper opsteeg!

Daarom heb Ik de mens geschapen…

Ik heb gezegd: «Laten wij de mens maken naar ons Beeld en onze Gelijkenis!»

In hem verenigde Ik geest en stof, hier gaf Ik heel de schepping een stem, om Mij lof te zingen!

Door de mens zou als ’t ware geen enkel grassprietje zonder leven blijven, onbekwaam Mij te loven, vermits mijn menselijk schepsel Mij om alles zou loven. Dit menselijk wezen, dat Ik schiep, zou Ik beminnen en Ik zou erdoor bemind worden! O! Welke liefdeplannen heb Ik voor dit bevoorrecht schepsel niet gemaakt. Nauwelijks was mijn meesterwerk uit mijn scheppende Handen tevoorschijn gekomen, of het werd Mij brutaal door Satan ontrukt!

Ik schepte mijn welbehagen in dat mooi schepsel, samengesteld uit ziel en lichaam, opdat er door de band met de ondergeschikte natuur, geen onderbreking zou zijn in de heerlijke ladder van wezens, uit mijn scheppende Handen gekomen. In dit geheel van een lichaam, gebonden aan de ondergeschikte natuur en van een ziel, adem van Mijzelf, schepte Ik Mijn behagen.

Immers, ook dat lichaam zou door de invloed, door het meesterschap, dat de ziel er in werkelijkheid moest op hebben, heerlijk zijn; al leek het in zekere zin van ondergeschikte aard, toch wilde Ik het zó in dienst van de ziel, dat het zelf ook een pracht zou zijn !

Zonder de erfzonde zou men geen uitdrukkingen hebben moeten gebruiken, die een soort schaamtegevoel weergeven over het feit, dat het menselijk schepsel deels uit een lichaam is samengesteld. Door de erfzonde is het lichaam erbarmelijk onteerd. In het eerste Plan moest de mens zich niet schamen over zijn lichaam, er zich niet door vernederd voelen, hij moest het niet aan zien als een soort dier, dat hij met zich mee zou sleuren.

In mijn Goddelijk Plan zou de hele mens zijn God loven. Hoe zou men er zich over verwonderen, als men bedenkt, dat Ik, de Schepper, de mens had geschapen om Mij lof en aanbidding te schenken.

Mijn Plan was zo mooi. Ik hield zoveel van het Werk van mijn Handen. De mens was harmonisch samengesteld uit lichaam en ziel! Ik hield zoveel van dit menselijk lichaam, zonder twijfel van een ondergeschikte natuur, maar in werkelijkheid zo verheven, omdat het volledig beheerst werd door de zuivere ziel, zijn trouwe gezel, een heerlijkheid op zichzelf!

Die ladder van geschapen wezens moet haar God loven in een volmaakte orde, elk schepsel op zijn plaats, volgens de inzichten, welke de Schepper over elk heeft.

De zielloze natuur, de plantenwereld, de dierenwereld loofden Mij, elk op haar manier, door haar bestaan zelf maar op een onbewuste manier.

Ziehier de mens! Zal zijn lichaam samensmelten met de ondergeschikte natuur van het dier?

Zeker niet, zo had Ik het niet gewild. Het was een schoonheid te meer, te zien, hoe deze tastbare werkelijkheid, deze stof in zekere zin vergeestelijkt werd, vermits ze zo intiem met de geest verbonden was, dat ze er een geheel mee vormde. Ze was als ‘t ware de veruiterlijking van die geest.

Deze geest, deze zuivere ziel zong de lof van haar Schepper, en bezat als ’t ware twee stemmen om Hem te loven. Enerzijds was die wijze van lofzingen die van de Engelen, die zuivere geesten.

Dit is echter niet alles, want Ik zou niet voldaan zijn, indien de mens in het onmetelijke Concert van lof en aanbidding, dat Mij toekomt, dezelfde noot zong als de Engel.

Van de stof verwachtte Ik een heel aparte noot; onder invloed van de ziel zou ze gebed en aanbidding worden.

O! Wie zal mijn Gedachte kunnen doorgronden? Wie zal ooit vermoeden, welke geneugten Ik van dit schepsel verwachtte, van dit lichaam van de mens, dat zijn ziel veruiterlijkte?

De val van de mens

Maar de zonde is gekomen!

Dit lichaam was zo verschillend van het lichaam van het dier, in deze zin, dat het er onvergelijkelijk boven stond. Dit lichaam, Werk van de Goddelijke Kunstenaar, Werk van mijn Goddelijk Welbehagen, gaat nu gelijken op dat van het dier; het zal zelfs nog dieper vallen, want het dier is op zijn plaats gebleven, het is niet afgeweken van de rol, die Ik het had toegewezen; het lichaam van de mens integendeel. O ! Hoe werd de Goddelijke fijngevoeligheid van de Kunstenaar – Schepper hier gekwetst! Hij had daar immers van een verfijnde schoonheid, van een kostbare zuiverheid gedroomd! Wie had beter kunnen dromen? Wie had die droom beter kunnen verwezenlijken? De Schepper moest echter aanzien, hoe zijn kunstwerk Hem bijna onmiddellijk uit de Handen werd gerukt en in de modder geworpen.

Wie zal de gevolgen van de zonde kunnen peilen? Alleen de Genade kan er aan de ziel enig idee van geven en in dit licht kan men begrijpen, waarom Ik aan dit hele wezen, lichaam en ziel, een leven heb willen geven, dat de uitbloei zou zijn, van hetgene Ik er bij het begin had ingelegd, het nog meer verdiepend en verheffend…

Ik heb de verrijzenis van het vlees gewild. Ik heb gewild, dat bij het trompetgeschal op het einde van de Tijden de zielen van de Rechtvaardigen (hier spreken we slechts over de Rechtvaardigen) hun lichaam zouden terugvinden, alsof het in zekere zin op dat ogenblik uit de Handen van zijn Schepper zou te voorschijn komen in al zijn schoonheid en sublieme zuiverheid. Ze zal eeuwig duren…

Menswording en verlossing

Ik schep er behagen in, de ziel aan te zetten tot de studie en de beschouwing van al, wat Ik geschapen heb.

Ik, God de Vader, Schepper, wordt niet zozeer bemind en ben niet zo goed door de menselijke ziel gekend als de Zoon, Die Mens geworden is.

Nochtans moeten al de voortreffelijkheden van de drie Goddelijke Personen, al de gebaren en werken van deze drie Personen het voorwerp zijn van de lofbetuigingen van de mens.

Opdat de mens zijn lof zou kunnen betuigen, is het nodig, dat hij begrijpt en bemint.

Ik sta erop, dat mijn Werking in de zielen onbegrensd zou zijn.

Ik wil aanbeden en verheerlijkt worden als nooit tevoren, want Ik wil, dat de menselijke ziel in haar aanbidding en lofbetuiging de hele kringloop van mijn goddelijke volmaaktheden doormaakt.

Het gevallen menselijk schepsel moet vrijgekocht worden.

Mijn Almacht had andere middelen kunnen gebruiken, maar mijn Liefde voor de mens, mijn Liefde voor dat menselijk schepsel (lichaam en ziel) heeft Mij, Tweede Persoon van de Heilige Drievuldigheid, ertoe aangezet, te komen, uit eigen beweging en tegelijkertijd door het machtig Liefdegebaar van mijn Vader.

Ik ben dus gekomen. Ik heb een menselijke ziel en een menselijk lichaam aangenomen.

Met welke onuitsprekelijke geestdrift heeft de Vader Mij in zijn welbemind schepsel teruggevonden! Later zou Ik beladen worden met de menselijke misdaden. Dan zou de Vader in Mij niet meer de mens zien, zoals Hij hem had geschapen, maar als de gevallen mens, ver van Hem verwijderd. Hij zou in Mij als ’t ware de schuldige mens zien en al de slagen van zijn wrekende Almacht zouden op Mij neerkomen.

Zó echter kocht Ik de mens vrij…

De menselijke ziel was dus weer in staat haar God te beminnen en door Hem bemind te worden!

Ik, Jezus Christus, Tweede Persoon van de Heilige Drievuldigheid, heb, door Mens te worden, het vlees niet aangenomen als een soort geleende mantel, een mantel, die Ik in zekere zin had kunnen onderscheiden van Mijzelf, Ik ben God met mijn Lichaam, mijn Bloed, mijn Ziel; het vlees, dat Ik heb aangenomen, is werkelijk één geworden met mijn Godheid.

In Mij is alles God!

Uit mijn scheppende Handen is het Werk van Liefde ontsnapt, omdat de mens, door te zondigen, dit lichaam, dat mijn Almacht door mijn Adem van Schepper uit het niet trok, heeft verlaagd en als ’t ware in het stof doen vallen! Ik heb echter willen aantonen, welke waarde Ik hecht aan heel mijn Werk, lichaam en ziel, aangezien mijn Zoon vlees is geworden.

Ik wil behagen scheppen in al, wat Ik geschapen heb zelfs wanneer dit geschapene misbruik maakte van zijn vrijheid, om aan Mij te ontsnappen. Ik tuchtig de enkelingen, maar in het diepste van Mezelf bewaar Ik mijn Liefde voor het Werk, zoals het uit mijn Handen gekomen is. Ik, Schepper, zal het laatste woord hebben.

De mens zal met ziel en lichaam opnieuw het voorwerp uitmaken van mijn Liefde en mijn Welbehagen.

God heeft de mens vrij gemaakt, noodzakelijkheid van de beantwoording aan de Genade

Ik heb de mens geschapen naar mijn Beeld en Gelijkenis. Ik wil, dat deze modder, door Mij gezuiverd, de klei wordt, die Ik ongedwongen kan boetseren.

Om het te scheppen, had Ik mijn schepsel niet nodig. Mijn Liefde en mijn Almacht hadden geen andere hulp nodig. Doch opdat het deze soepele klei in mijn Handen zou worden, heb Ik de wil van mijn schepsel nodig. Immers, als Ik het schiep, heb Ik er een te duchten iets in gelegd, waarvan mijn Liefde heel de draagwijdte overzag. Ik wist goed, dat daardoor velen van mijn schepselen in het beginstadium van hun bovennatuurlijke ontwikkeling zouden blijven staan.

Ik wist goed, dat velen zich tegen Mij zouden keren. Ook wist Ik, dat velen Mij zouden herkennen, Mij volgen en Mij Liefde voor Liefde geven.

Deze uitwisseling, deze vrijwillige uitwisseling was Mij zo aangenaam, de Liefde van mijn schepsel was Mij zoveel waard, dat Ik om ze te bezitten, erin toegestemd heb, het dat geduchte ‘iets’ te geven, dat vrijheid heet!

Het zal vrij zijn, maar dan zal het zich van Mij kunnen afkeren, zich tegen Mij keren, het zal mijn Hart kunnen martelen!

Ja, Ik weet het, maar indien Ik het die vrijheid niet gaf, welke persoonlijke liefde zou Ik er dan van kunnen ontvangen? Het zou als een dode lofzang zijn of op zijn minst een lofzang gemaakt voor Mij maar door Mijzelf.

Deze onuitsprekelijke bekoorlijkheid, te voelen, dat een ziel Mij kan verlaten, maar Mij integendeel volgt, dat ze Mij kan haten en Mij toch bemint, deze onuitsprekelijke bekoorlijkheid, waar Ik zo naar hunker, zou Ik die dan nooit kennen?

Neen! Neen! Lijden, afwijzing, haat. Ik aanvaard alles, omdat Ik door alles heen de trouwe ziel ontwaar, die zich kan verwijderen van Mij maar die blijft, die Mij kan haten, maar die liefheeft!

Ik heb dus de vrije wil van mijn schepsel nodig, opdat het de soepele klei wordt, die Ik volgens mijn welbehagen kan boetseren naar mijn Goddelijke Wilsbeschikkingen!

Ik hunker er zozeer naar, mijn Beeld in de ziel te drukken. Ik hunker ernaar, vrij te zijn en haar volgens mijn goeddunken toe te spreken, om haar te zeggen; Mijn oneindige Grootheid, Mijn oneindige Almacht, Mijn oneindige Barmhartigheid, Mijn oneindige Rechtvaardigheid (die ze steeds zonder vrees zal zien doorheen mijn Barmhartigheid, doorheen mijn Bloed, waarvan de verdiensten onophoudelijk op haar worden toegepast!)

Ik smeek er haar om, Mij toe te laten, in haar de wonderen van mijn Genade op te stapelen. Wanneer de ziel, bij het zien van zoveel Goddelijke Voorkomendheid, een soort van ontsteltenis ervaart, omdat ze zich zwak voelt en niets uit zichzelf, dan vooral verheug Ik Mij! Zó is het, dat Ik handel: Ik neem een «niets» om er alles in te leggen!

Dat ze dus aan mijn genade beantwoordt!

Vurig verlangen van God, zielen te vinden, die aan Zijn tegemoetkomingen beantwoorden

Er zijn zielen, die Mij volgen! Er zijn er, die Mij liefhebben! Er zijn er, die Ik zulke Liefde toedraag, dat de mens er zich geen idee kan van vormen… een Liefde van Uitverkiezing.…

Er zijn er, die Mij toelaten, in haar dwaasheden van goedheid te doen. Er zijn er, aan wie Ik Mij kan mededelen, Mij laten kennen, Mij tonen…

Aan deze zielen behaagt het Mij mee te delen:

  • Mijn oneindige Grootheid en terzelfdertijd mijn vurig verlangen, Mij over de mens neer te buigen of liever, hem tot Mij te verheffen, om hem toe te laten, Mij te beminnen;
  • Mijn oneindige Macht te hunner beschikking gesteld, indien ze volle vertrouwen hebben;
  • Mijn oneindige Barmhartigheid, in dewelke zij moeten putten met een alles verterende ijver voor henzelf en vooral voor de zielen van de zondaars, van de stervenden, voor de zielen van het Vagevuur;

Mijn oneindige Rechtvaardigheid; Mijn oneindige Liefde. Mijzelf!

Welke horizonten zou Ik voor hen ontvouwen…

Daarvoor is het echter nodig, dat ze zich in een voortdurende staat van ontvankelijkheid houden en van beantwoording aan de Genade.

Ik zal hen zeer hoog laten opklimmen om hen mijn Geheimen mede te delen… Ik zal hen tot Mij verheffen, zodat Ik slechts zacht en liefelijk hoef te fluisteren, om Mij door hen te doen verstaan…

Hoe beter men Mij kent, hoe meer men Mij bemint.

Omdat men Mij niet voldoende kent, bemint men Mij zo weinig! Omdat men Mij in de Hemel kent zonder schaduw of sluier, bemint men er Mij.

Ik ben van de lofzang van mijn schepsel beroofd geworden in de Hof van Geneugten, die Ik ervoor had gemaakt (Aards Paradijs). Alle bijzonderheden waren er door mijn Liefde in gelegd met de bedoeling, dat Ik zou bemind worden, zodat Ik mijn schepsel gelukkig kon maken, om Mij in dit geluk steeds intenser te laten zien.

Ik had Me de moeite getroost, prachtig de heerlijkheid van de sterren te scheppen, liefdevol elk klein bloempje, ieder grassprietje te doen leven en Ik had gewild, dat mijn schepsel er zou blijven bij stilstaan, trillend van vreugde en bewondering.

Ik had verwacht, dat mijn schepsel, wel wetend, vanwaar zoveel heerlijkheden vermengd met zoveel kostelijke zoetheid kwamen, zich tot Mij zou hebben gewend, om Me te beminnen, Mij te aanbidden, Mij te loven…

Ik heb de beschouwende zielen gekozen, om hun al mijn ontgoochelingen te vertellen, (dit sluit de Goddelijke Alwetendheid helemaal niet uit) om hen al de verzuchtingen van hun Schepper mede te delen. Ik wil, dat zij, die door de beantwoording aan mijn Genade, in die Hof van Geneugten zijn geplaatst, Mij hun lof zouden zingen, de ononderbroken lofzang, de lofzang om alles. Alles moet hen dichter tot Mij brengen.

God komt terug op de gevreesde gave van de vrijheid

Ik had van de mens een wezen kunnen maken, dat noodzakelijkerwijs, door de conditie van zijn schepping zelf, uit natuur naar Mij toekwam. Ik heb de lichamen wel aan de wet van de zwaartekracht onderworpen; in de ruimte losgelaten, valt een lichaam willens nillens.

De ziel van de mens had kunnen genoodzaakt zijn, Mij lief te hebben, zoals een lichaam steeds op de aarde valt, als het losgelaten wordt. Ik heb zijn ziel willen begunstigen met een schoner eigenschap, schoner dan al de andere, in deze zin, dat ze aan alle andere een waarde geeft zonder weerga: Ik heb de ziel vrij willen maken.

Ik ben in wezen vrij! Ik heb willen bemind worden door een vrij wezen.

Dit menselijk wezen, dat Ik zo schiep, zou Mij liefhebben, het zou Mij liefhebben tot mijn Genot, want bemind worden door dit schepsel, zou willen zeggen: zijn voorkeur genieten, erdoor gekozen worden.

Ik zou dan de liefde van de mens smaken met al de heerlijke zoetheid, waarvan Ik had gedroomd.

O afgrond…

De Schepper en zijn schepsel… Degene, Die alles is en dat, wat niets is… zodanig niets, dat het niet zou bestaan, als Hij het niet maakte en bezielde door een Daad van zijn Almacht. De Schepping van de mens is een uitstorting van de Almacht en de Liefde van de Schepper.

Heeft de Schepper, Die het uit het niets verhief, zijn schepsel tenminste ten volle in zijn bezit?

Neen, niet noodzakelijk. Dit wezen, dat Ik uit het niets tevoorschijn haalde, dit wezen, dat Mij alles verschuldigd is, kan Mij ontsnappen, want Ik heb het vrij gemaakt.

Deze vrijheid is voor Mij dikwijls een bron van onzeglijke beledigingen… maar ze is een bron van lofprijzing, wanneer Ik zie, dat dit wezen, dat Ik schiep, tenvolle aan mijn Oproepen beantwoordt!

Om de ziel te scheppen, heb Ik haar niet nodig gehad. Ik heb alleen gehandeld, Ik ben als God opgetreden.

Om haar echter de groei te schenken van leven en heiligheid, waarnaar Ik zozeer dorst, wil Ik haar toestemming en medewerking.

O verheven en onbegrijpelijke dwaasheid van mijn Liefde, die zozeer haar arm schepsel bemint, dat ze het terzelfdertijd wil overstelpen met Genaden en het de vrijheid laat!

In het niet kon de ziel Mij niet beminnen. Wanneer Ik haar schiep, wanneer Ik haar riep, is ze niet opgesprongen, is ze niet op mijn scheppende Wil afgekomen, ze was niets.

Wanneer Ik haar daarentegen door mijn Genade roep, verwacht mijn Liefde, dat ze voldoende wordt bemind opdat de ziel zou opspringen op mijn Wenk, opdat ze naar Mij toe zou snellen en dat ons beider Liefde mekaar zou ontmoeten. Zo zal mijn Genade zich overvloedig verspreiden in mijn schepsel, zulke voren trekkend, dat de Stroom van mijn Goddelijk Leven ze vult en alles in haar levend maakt!

Macht van de Genade

De Genade is een deelname aan mijn Goddelijk Leven. Dit Leven gaat van Mij uit en schenkt de zielen, die Ik geschapen heb, Leven. Ik zou er niet mee ophouden dit overdadig Leven groeiend uit te storten, indien de ziel Mij maar liet doen…

Wat wil mijn Genade doen?

Zij wil op de ziel het Zoenoffer van Christus toepassen.

O! Welke wonderen zou de Genade niet bewerken, indien de ziel maar volle vertrouwen in Mij had.

Men begrenst echter mijn Macht, men gelooft niet in de volheid van mijn Beloften en onder voorwendsel van wijsheid houdt men mijn Werking tegen of op zijn minst de uitwerking ervan.

Waarom?

Dat men toch het vertrouwen preekt, het mateloos vertrouwen!

Mijn Genade wil de zielen voortdurend zuiveren, zodanig dat ze altijd in staat van ontvankelijkheid verkeren.

O! Indien de zielen maar wilden! Met welke geestdrift, met welke volheid zou Ik hun mijn Adem, mijn Leven, mijn Genade meedelen.

Onder de niet gedwarsboomde werking van mijn Genade, zou Ik heiligen vormen, veel heiligen! Ik zou het niet moe worden, Mij « uit te spreken » in mijn schepselen op aarde, zoals Ik het niet moe word, Mij « uit te spreken » in mijn Uitverkorenen in de Hemel. Ik zou in elke ziel een wonderlijke verscheidenheid van bijzondere schakeringen storten, schakeringen zonder einde…

Ik zou er mijn Behagen in vinden, indien men Mij liet doen.

Men moet zich niet inbeelden, dat hiervoor een hoge graad van heiligheid nodig is, nee, men moet alleen maar geloven, daadwerkelijk en zonder grenzen in Mij geloven! De heiligheid zou nadien als vanzelf volgen, omdat Ik het ben, die haar door mijn Genade in de ziel zou bewerken met de medewerking van de ziel natuurlijk.

Door ten volle in Mij te geloven, laat men Mij toe, uit te voeren, wat Ik verlang en zoals Ik het wil. De ziel laat Mij in haar vrij, ze laat Me vrij in haar een heiligheid tot stand te brengen, zoals Ik ze voor haar hebben wil, ze laat Me vrij, om Mij op aarde te verlustigen op de manier, die Ik voor elke ziel verlang.

Dit volle geloof vestigt de ziel in een staat van zuiverheid, een staat, die Ik verlang en die niet door een half en mank geloof zou verwezenlijkt worden. Zó wil Ik haar. In dit volle geloof leven, is heel eenvoudig; beantwoorden aan de Genade.

Ik verlang, dat de zielen tot Mij komen, Ik zal hen in Mij opnemen. Ze moeten zich niet verwonderen over mijn vrijpostigheden; ben Ik soms de Oneindig Machtige, de Oneindig Liefhebbende niet?

Ik ben Degene, Die dorst naar verscheidenheid in de heiligheid, Ik val niet in herhaling. Het is dus gemakkelijk te begrijpen, dat Ik ernaar hunker, te zien, dat de zielen ten volle aan mijn Oproep gehoor geven, dat ze zich ten volle door Mij laten doen. Ik wil over de wereld een Adem blazen van vuur en bovennatuurlijke geest.

Uit; Goddelijke Oproepen – Marie Sevray-Guillemin, Sint Franciscusdrukkerij, Mechelen, 1974, blz. 105-119.

Mgr. André Léonard: Jezus komt je eenzaamheid dragen

(..) Jezus verlangt nooit iets van ons zonder het zelf als eerste toe te passen en zonder het in ons te komen meebeleven, midden in onze zwakheid.

Hijzelf is alleen geweest in zijn passie, door allen verlaten, ook door zijn meest geliefde leerlingen, ‘Toen lieten allen Hem in de steek en namen de vlucht’, schrijft de heilige Marcus (Mc 14,50). Zelfs Petrus zal Hem verloochenen ten overstaan van een dienstmeisje. De menigten die Hem enthousiast gevolgd waren, eisen nu zijn dood. Zelfs zijn Vader laat Hem alleen en – schijnbaar – in de steek. In zijn doodsstrijd slaakt Jezus tot driemaal toe een kreet om hulp naar die God, van wie Hij zo vaak had gezegd dat Hij op absoluut unieke wijze met Hem verbonden was: ‘Vader’, zo bad Hij, ‘voor U is alles mogelijk; laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet wat Ik maar wat Gij wilt” (Mc 14,36). Maar Hij krijgt geen enkel antwoord. En al die tijd liggen de apostelen die Hij had uitgekozen te slapen… Jezus sterft in uiterste eenzaamheid tussen hemel en aarde, met naast zich twee rovers die Hem bespotten.

De doodsangst ontlokt Hem een luide kreet van ontreddering die zoveel indruk heeft gemaakt dat hij is opgetekend in het Aramees – de taal die Jezus sprak – terwijl het evangelie in het Grieks is geschreven: ‘Eloi, Eloi, lama sabachtani?’ Dit is vertaald: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten!’ (Mc 15,34).

Jezus sterft alleen, maar trouw tot aan het einde. Trouw aan zijn Vader die zwijgt en Hem aan zijn lot overlaat: “Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. (Luc 23,46). Trouw aan de leerlingen die Hem in de steek hebben gelaten: ‘Zie daar uw moeder’ (Joh 19,27). Trouw aan de leiders van het volk en aan de beulen die Hem terechtstellen: “Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen’ (Luc 23,34). Trouw aan zijn mede-terechtgestelden: ‘Voorwaar, Ik zeg u: Vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs’ (Luc 23,43).

We moeten vaak mediteren over deze eenzaamheid en deze trouw van Jezus, in Zijn doodsstrijd en op het kruis, door iedereen verlaten en aan iedereen vergevend.

Zelfs in de vreselijke impasses van ons leven, nodigt Hij ons uit tot dezelfde houding: vergeving, trouw, aanvaarde eenzaamheid. Wees er zeker van, Hij vraagt dat niet ‘van boven uit de Hemel’, terwijl Hij op grote hoogte boven jouw ellende zweeft. Hij komt in je meeleven wat Hij je vraagt. Want ‘Jezus verkeert in doodsstrijd tot aan het einde van de wereld’ (Pascal).

Het is mét Hem die, in gezelschap van Maria, jouw Simon van Cyrene wordt, dat je de eenzaamheid zult beleven die Hij je vraagt te aanvaarden.

Dat kan je menselijkerwijze gesproken onmogelijk lijken en, in veel gevallen, is dat menselijkerwijze ook zo. Maar, Jezus laat je dit weten: voor God is alles mogelijk. En met Jezus. Dat antwoordt Hij aan zijn leerlingen die uit het veld zijn geslagen door een andere eis van het evangelie met betrekking tot de rijkdommen. ‘Toen waren ze nog meer verbijsterd en ze zeiden tot elkaar: “Wie kan dan nog gered worden?”

Jezus keek hen aan en zei: ‘Dit ligt niet in de macht der mensen, maar wel in die van God: want voor God is alles mogelijk’ (Mc 10,26-27).

Het is duidelijk dat zo’n trouw, soms heldhaftig, in navolging van Jezus slechts mogelijk is in een levende eenheid met Jezus, wat een intens gebedsleven veronderstelt en ook dat je je kracht zoekt in de sacramenten, in het bijzonder die van de vergeving en van de eucharistie.

Uit; De Kerk heeft je lief, Een weg van hoop voor gescheiden en hertrouwd gescheiden gelovigen, Mgr. André Léonard, Uitgeverij Betsaida / Emmanuel, Den Bosch, 2015, blz. 65-68.

Emeritus paus Benedictus XVI overleden: ‘Een echte man Gods is van ons heen gegaan’

Op zaterdag 31 december 2022 is in de ochtend emeritus paus Benedictus XVI overleden. Dat heeft het Vaticaan bekend gemaakt. “Paus Benedictus XVI was een trouwe en moedige behoeder van het ‘depositum fidei’, de door God aan de Kerk toevertrouwde geloofsschat. Een echte man Gods en een paus naar Jezus’ hart is van ons heengegaan,” aldus kardinaal Eijk in een eerste reactie op het overlijden.

Het pontificaat van paus Benedictus XVI duurde een korte tijd: van 2005 tot 2013. Hij was al 78 jaar toen hij deze nieuwe verantwoordelijkheid aanvaardde. Daarvoor was hij zo’n 25 jaar in Rome werkzaam als prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer. Eerder was hij als theoloog wereldwijd bekend als adviseur tijdens het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965).

Kardinaal Joseph Ratzinger, later paus Benedictus, heeft als toenmalig adviseur en kenner van Vaticanum II benadrukt dat dit Concilie geen breuk heeft veroorzaakt maar de continuïteit van het geloof in onze Kerk heeft bestendigd (‘hermeneutiek van de continuïteit’) ten dienste van haar zending in de wereld van vandaag, in het licht van de traditie. In deze overtuiging initieerde paus Benedictus rond de vijftigste verjaardag van de opening van Vaticanum II het Jaar van het Geloof in de wereldwijde Kerk.

Mgr. Van den Hende, voorzitter van de Nederlandse Bisschoppenconferentie: “Het ging paus Benedictus steeds om het geloof dat de liefde van Christus in ons versterkt. Geloof, zo stelde hij, vindt haar voltooiing in de liefde, zoals het sacrament van de doop voorafgaat aan de Eucharistie en daarop gericht is (Boodschap Veertigdagentijd 2013). Gesterkt door ons geloof en de viering van de sacramenten, mogen wij vanuit de ontmoeting met Christus die liefde verspreiden.”

Paus Benedictus schreef in 2009 in zijn encycliek Caritas in Veritate (Liefde in Waarheid) dat juist de liefde de rode draad is in de sociale leer van de Kerk. Geloof en liefde horen bij elkaar.

Mgr. Van den Hende: “Toen ik in 2006 door paus Benedictus tot bisschop was benoemd mocht ik hem in 2007 kort ontmoeten. In een uitwisseling van amper drie minuten getuigde hij opnieuw van zijn geloof dat wij als Kerk steeds de liefde van Christus nodig hebben. Hij zei: ‘die Kirche lebt weil Gott die Kirche liebt’ (de Kerk leeft omdat God de Kerk liefheeft).”

Bidden voor zijn zielenrust
“Van harte nodig ik allen uit om voor de zielenrust van paus Benedictus te bidden. Tevens spreek ik de hoop uit dat wij in en vanuit onze Kerk als leerlingen van Christus, naar het voorbeeld van paus Benedictus XVI, ook nu in ons dagelijks leven steeds opnieuw het geloof en de liefde die wij van Christus ontvangen hebben daadwerkelijk bij elkaar houden als bron en opdracht,” aldus mgr. Van den Hende.

Bron: www.aartsbisdom.nl


Encyclieken en apostolische exhortaties van Benedictus XVI

Encyclieken

Deus caritas est (25 december 2005)

Spe salvi (30 november 2007)

Caritas in veritate (29 juni 2009)

Apostolische exhortaties

Sacramentum Caritatis: Postsynodale Apostolische Exhortatie over de Eucharistie als de bron en hoogtepunt van het leven en de zending van de Kerk (22 februari 2007)

Africae Munus: Postsynodale Apostolische Exhortatie over de Kerk in Afrika in dienst van verzoening, gerechtigheid en vrede (19 november 2011)

Verbum Domini: Postsynodale Apostolische Exhortatie over het Woord van God in het leven en de zending van de Kerk (30 september 2010)

Ecclesia in Medio Oriente: Post-Synodale Apostolische Exhortatie over de Kerk in het Midden-Oosten: gemeenschap en getuigenis (14 September 2012).


Kardinaal Eijk: “Paus Benedictus heb ik voor het eerst gezien, toen hij op de Diesviering van Rolduc, 8 december 1980, een nieuwe vleugel van het groot-seminarie Rolduc inzegende. Hij was toen nog Joseph kardinaal Ratzinger en aartsbisschop van München-Freising. Tot een persoonlijke ontmoeting kwam het op dat moment niet. Aan het eind van 1981 benoemde Paus Johannes Paulus II hem tot prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer”.

Lees hier het artikel met de persoonlijke reactie van kardinaal Eijk op het overlijden

Paus Benedictus spreekt over het laatste oordeel

Op (zondag 23 november 2008), de laatste zondag van het kerkelijk jaar, vieren we het feest van Christus Koning. We weten dat in de Evangeliën Jezus de titel van koning afwijst, als dat begrepen wordt in aardse zin, in de geest van ‘de heersers van de volkeren’ (cf. Mt.20,25). Maar toen Christus tijdens Zijn passie voor Pilatus stond, eiste Hij een ander soort koningschap op. Pilatus vroeg Hem openlijk: ‘Zijt Gij koning?’ En Jezus antwoordde daarop: ‘Ja, koning ben Ik’. Vlak daarvoor had Jezus verklaard: ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld’ (cf. Joh.18,36-37).

Het koningschap van Christus is de openbaring en de realisatie van het koningschap van God de Vader, die alles beschikt in liefde en gerechtigheid. De Vader belastte de Zoon met de zending de mensen het eeuwige leven te geven, in Zijn liefde voor hen tot het uiterste, tot in het hoogste offer aan het kruis. Tegelijkertijd gaf de Vader Hem de macht hen te oordelen, vanaf het moment dat Hij ‘mensenkind’ werd, in alles aan ons gelijk (cf. Joh. 5,21-22, 26-27).

Het Evangelie van vandaag brengt uitdrukkelijk dat universele koningschap van Christus als Rechter naar voren, met de indrukwekkende parabel over het laatste oordeel, dat Matteüs ons vertelt vlak voor zijn passieverhaal (zie Mat.25,31-46). De beeldspraak is simpel, de taal eenvoudig en duidelijk voor het volk, maar de boodschap is uiterst belangrijk. Het is de waarheid over onze uiteindelijke bestemming en het stelt de criteria vast, aan de hand waarvan wij geoordeeld zullen worden. ‘Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen’ enz. (Mat.25,35).

Wie kent deze evangeliepassage niet? Het is een deel van onze beschaving geworden. Het heeft de geschiedenis getekend van de volkeren van christelijke cultuur, hun hiërarchie van waarden, hun instellingen, hun vele sociale en liefdadigheidsinstellingen. Inderdaad, het koningschap van God is niet van deze wereld, maar het brengt al het goede tot vervulling, dank zij God, dat er is onder de mensen, in de geschiedenis. Indien wij onze liefde voor de evennaaste in praktijk kunnen brengen, volgens deze boodschap van het Evangelie, dan maken wij ruimte voor de heerschappij van God, en dan zal Zijn Koninkrijk vanzelf in ons midden tot stand komen. Als daarentegen ieder van ons alleen maar aan zijn eigen belangen denkt, dan kan het niet anders of de wereld zal ten onder gaan.

Beste vrienden, het Koninkrijk van God is geen kwestie van eerbetuigingen, plichtplegingen en andere uiterlijke verschijnselen, maar, zoals Sint-Paulus schrijft, het is ‘gerechtigheid, vrede en vreugde door de Heilige Geest’ (Rom.14,17). De Heer draagt zorg voor ons eigen bestwil, d.w.z. dat iedereen het leven zal ontvangen en dat heel speciaal de ‘minsten’ van Zijn kinderen toegelaten zullen worden tot het feest, dat Hij bereid heeft voor allen. Daarom ook heeft Hij geen behoefte aan de schijnheiligen die wel zeggen: ‘Heer, Heer’, maar die Zijn geboden verwaarlozen (cf. Mat.7,21).

God zal in Zijn eeuwig Koninkrijk diegenen toelaten die elke dag weer opnieuw zich ingespannen hebben om Zijn woorden in praktijk te brengen. Dat is dan ook de reden waarom de Maagd Maria, de nederigste van alle schepselen, in Gods ogen de grootste is en dat zij mag zitten als Koningin aan de rechterzijde van Koning Christus. Wij willen ons met kinderlijk vertrouwen telkens weer toevertrouwen aan haar hemelse voorspraak, zodat wij onze christelijke opdracht in deze wereld kunnen vervullen.

Angelustoespraak van Paus Benedictus XVI op zondag 23 november 2008

De Heilige Communie eerbiedig ontvangen

De H. Communie op de tong en geknield ontvangen: Paus Benedictus XVI drong erop aan

Herhaaldelijk – o.m. tijdens zijn reis naar Frankrijk – heeft Paus Benedictus XVI de wens te kennen gegeven dat de gelovigen de heilige Communie op de tong en geknield zullen ontvangen. Mgr Athanasius Schneider, hulpbisschop van Kazakhstan, legt deze wens van de Paus uit in zijn boek Dominus est [De Heer zelf is er].

Waarom, Monseigneur, hebt U dit boek uitgegeven?

Er is geen twijfel aan: het gaat om een urgente zaak, zelfs buitengewoon urgent. Op tal van plaatsen in de wereld, behoudens enkele uitzonderingen, is het uitreiken van de heilige Communie een banaal en ordinair moment geworden. Ik durf te zeggen dat het ontdaan is van zijn heilig en subliem karakter, in zo’n ernstige mate dat er nauwelijks een precedent van te vinden is in de geschiedenis van de Kerk. Men kan niet aan de indruk ontkomen dat men in ruime mate aan die toestand gewend is geraakt. Het is dan ook hoog tijd de gewetens en gevoelens wakker te schudden om de herders en de gelovigen er werkelijk van bewust te doen worden wat er gebeurt, als zij op het ogenblik van de heilige Communie geconfronteerd worden met de nederige Eucharistische gedaanten. God de Heer zelf – werkelijk en waarachtig – hebben zij voor zich, waarlijk en wezenlijk aanwezig, met Zijn Lichaam en Zijn Ziel, met Zijn godheid, met heel Zijn goddelijke Persoon. Derhalve: Dominus est – de Heer zelf is er aanwezig!

In uw boek vermeldt U – haast met emotie – de grote eerbied van de eerste Christenen voor de geconsacreerde Hostie. Hoe valt uit te leggen dat deze eerbied verdwenen is in onze westerse landen?

Als een levendige eerbied voor en verering van de Eucharistische gedaanten in de westerse landen verloren zijn geraakt, dan komt dat naar mijn mening doordat het geloof verzwakt is. Het geloof in het bovennatuurlijke is aangetast. In het centrum van de aandacht en van het leven, zowel persoonlijk als liturgisch, geeft men een veel grotere plaats aan het menselijke, aan het natuurlijke, dan aan het bovennatuurlijke, aan Christus zelf. Het besef van het bovennatuurlijke, van de genade, van het mysterie, van de Hemel en van de eeuwigheid is minimaal geworden.

Men zegt zo vaak dat een volwassen geloof geen behoefte heeft aan die gebaren en riten, die uit het verleden zijn overgekomen.

Laten we eerst en vooral eens vaststellen dat Christus niet heeft gezegd: ‘Als ge niet wordt als volwassenen, zult ge het Koninkrijk der Hemelen niet binnengaan’. Hij heeft precies het tegenovergestelde gezegd: ‘Als ge niet opnieuw wordt als kleine kinderen, zult ge het Koninkrijk der Hemelen zeker niet binnengaan’ (Mt 18,3). En dat is nu juist een centraal thema van het onderricht van onze Verlosser en van heel het Nieuwe Testament. God zelf is kind geworden. Voor de heidense godsdiensten en de Griekse filosofie van de oudheid, zoals trouwens ook voor heel de Grieks-Romeinse cultuur ten tijde van Jezus Christus, telde het kind nauwelijks mee. Er werd alleen maar om gelachen. Het is kenmerkend dat de gnostische Christenen van de tweede eeuw, om te beginnen met Marcion, categorisch de kindsheid verworpen hebben, zodanig zelfs dat deze gnosis de evangeliën van de kindsheid van Jezus Christus verwijderd heeft. Des te uitdagender lijken in dit verband deze woorden van Jezus of evenzeer die van Zijn Apostelen, als bijv. Sint-Petrus schrijft: ‘Weest als pasgeboren kinderen begerig naar de geestelijke, onvervalste melk die u wasdom zal schenken ter zaligheid’ (1Petr 2,2). Wat is ons ‘verleden’ anders dan de Christus zelf, en ook de Apostelen, hun geschriften, hun voorbeeld? Wij willen er niet van weten dat allerlei nieuwe inzichten van de gnosis, van het pelagianisme, noch van eender welk hedendaags naturalisme, binnendringen in het leven van de Kerk en zo openlijk hun stempel gaan drukken op het liturgische leven.

De Communie, op de tong ontvangen, schijnt men te beschouwen als iets uit het verleden, waarop men niet kan terugkomen. Denkt U dat een bisschop in zijn bisdom deze praktijk zou kunnen aanmoedigen?

Juridisch gesproken is de Communie op de tong de gewone vorm van communiceren, terwijl de Communie op de hand vanuit canoniek oogpunt altijd nog een uitzondering vormt op de algemene norm, dat is dus een ‘indult’ (iets waarvoor toestemming gegeven moet worden).

Aanmoedigen de Communie op de tong en geknield te ontvangen – dat zou een van de meest weldadige en noodzakelijke maatregelen moeten zijn, die een bisschop vandaag de dag behoort te treffen in zijn bisdom. Maar vanzelfsprekend altijd met goedheid en geduld! Men kan de Kerk alleen krachtig vernieuwen en herstellen als men uitgaat van de Eucharistie: dan alleen zullen andere pastorale maatregelen (verkondiging, charitatieve activiteit) blijvende vrucht dragen.

Ik had nooit kunnen denken dat er op mijn boek zoveel positieve reacties zouden komen: meer dan tachtig bisschoppen en kardinalen hebben mij geschreven en mij ook bedankt. Ontelbare leken – vooral jongeren – en ook bekeerlingen hebben mij dankbrieven geschreven: ik heb er ontvangen uit Japan, Australië, de Verenigde Staten, Zuid-Amerika, Italië, Frankrijk, Duitsland, Polen en Rusland, om slechts enkele landen te noemen.

Wat de communie op de hand betreft en zeker ook betreffende andere zaken, zo lijkt het wel, zijn de gedachten van de Vaders van het Tweede Vaticaans Concilie volledig gepasseerd. Hebben wij volgens U een hervorming van de liturgische hervorming nodig om tot datgene te komen wat de Concilievaders eigenlijk wensten?

Er is geen twijfel aan dat we behoefte hebben aan een waarachtige hervorming van de liturgie. Ongelukkig genoeg zijn de wensen van de Concilievaders slechts ten dele gerealiseerd. Bepaalde zaken die wij nu zien in de actuele vorm van de liturgie, zouden hun geheel vreemd zijn voorgekomen. Naar mijn mening zitten wij nog steeds te wachten op een ware hervorming zoals de Concilievaders die gewild hebben. Ik beschouw de huidige liturgische vorm als iets voorlopigs, als een toestand ‘ad experimentum’, d.w.z. in een experimenteel stadium.

De Heilige Vader heeft voorzeker de eerste noodzakelijke stap in die richting al gezet met zijn Motu proprio Summorum Pontificum. Er zal veel gebeden moeten worden, bewijzen van veel geduld en bovennatuurlijke geest zullen er getoond moeten worden, om geleidelijk aan te komen tot realisering van de intenties van het Concilie, op de basis die gelegd is met Summorum Pontificum. Men zou aldus voorzichtig tot verrijking kunnen komen, en dat op goed georganiseerde manier, van de buitengewone vorm van de Romeinse ritus, uitgaande van de wijze intenties van de constitutie Sacrosanctum Concilium, die in de praktijk reeds het bewijs van hun grote waarde hebben getoond. Dat hoop ik!

Bron: L’Homme Nouveau (nr 1430, 11-10-2008), Loic Mérian

Franse vertaling: Michel Hourst; Nederlandse vertaling (uit het Frans): L.A.

Translation to 9 languages – het Legioen Kleine Zielen in 9 talen

Bron: Legioen Kleine Zielen Internationaal

TRANSLATE TO OWN LANGUAGE:

DE – EN – ES – FR – IT – BE – PL – PT – VN

Betekenis afkortingen:

DE: Die Legion der Kleinen Seelen

BE: Het Legioen Kleine Zielen (Internationaal)

PT : Legião das pequenas almas

FR: La Légion des Petites Âmes

ES : LA LEGIÓN DE LAS ALMAS PEQUEÑAS

EN: THE LEGION OF LITTLE SOULS

PL: LÉGION MAŁYCH DUSZ

VN : ĐẠO BINH HỒN NHỎ

IT LA LEGIONE DELLE PICCOLE ANIME

Theresia van Lisieux en de Kleine Zielen

Overweging van de H. Theresia:

Maar als ik mezelf met de grote heiligen vergeleek, zag ik een even groot verschil als tussen een berg met zijn top in de wolken en een zandkorreltje dat onder de voeten van de voorbijgangers verborgen gaat. Maar dat ontmoedigde me niet. Ik dacht: ‘Hoe klein ik ook ben, God heeft me die grote verlangens ingegeven. Groter worden blijkt niet te lukken. Ik moet me dus nemen zoals ik ben, mét al mijn tekortkomingen en onvolmaaktheden en zó heilig worden. Er moet dus een kleine weg naar de hemel te vinden zijn. Rechttoe, rechtaan, en helemaal nieuw”.

«Ik sterf niet, ik ga het Leven binnen. Mijn leven is slechts een ogenblik, een voorbijgaand uur. Mijn leven is slechts één dag die mij ontsnapt en die wegvlucht. Gij weet het, o mijn God! Ik heb slechts vandaag om U op deze aarde te beminnen!« (Uit: Mijn lied van vandaag, H. Theresia van Lisieux)

Dit zijn woorden van de heilige Theresia van het Kind Jezus en van het heilig Aanschijn. En het is waar, haar verlangen om verenigd te zijn met haar Goddelijke Bruidegom was eenvoudigweg volmaakt. De heilige Theresia is de patroonheilige van de Kleine Zielen in de meest volledige zin van het woord. Haar ‘Kleine Weg’ van het geestelijk kindschap staat heel dicht bij de «Kleine Zielen» en daarom ook is zij onder de heiligen degene die onze voornaamste patroonheilige is. Zoals ik het reeds heb vermeld, heb ik mijn seminariestudies gedaan in de stad Przemysl. Daar waren en zijn nog altijd vele religieuze congregaties en vast en zeker ook een Karmel.

Ik heb een boek dat dateert uit 1927 (van de Karmel van Przemysl in Polen) en dat handelt over de heilige Theresia, en waar de auteur, waarschijnlijk één van de zusters Karmelietessen, letterlijk de uitdrukking gebruikt: «haar (kleine) weg is bedoeld voor de Kleine Zielen». Haar zending draagt bij aan de vermenigvuldiging van de Kleine Zielen die beminnen zoals zij (die God beminnen en hun naaste), opdat zij zich zouden heiligen en tot de heerlijkheid van God toegang hebben.

Het geestelijk kindschap van de heilige Theresia, is de gewone weg van een verborgen leven, niet alleen voor de wereld, maar ook een manier om niet de aandacht te trekken van de omgeving, zodat men volledig vergeten kan worden. «U ziet, mijn welbeminde Moeder, dat ik een kleine ziel ben die slechts kleine dingen kan geven aan de goede God, en zelfs dan gebeurt het me nog dat ik gelegenheden laat voorbijgaan om kleine offertjes te brengen die zoveel vrede aan mijn ziel geven …»

Op 30 augustus 1966, toont de Heer Jezus aan Marquerite de zin van de kleinheid en de schoonheid ervan: «De kleine bloemen kunnen evenzeer gewaardeerd worden als de allerzeldzaamste. Deze wordt zeker meer bewonderd, maar de kleine bloemen ziet men liever omdat ze binnen het bereik blijven van wat klein is. Weet ge, een kleine bloem is zo intiem, zo teder. Men voelt er zich zo vertrouwd mee. Men kan haar alles zeggen. Ze begrijpt zo goed…» Deze tekst bevestigt hetgeen de heilige Theresia schreef toen zij begreep wat Jezus bedoelde toen Hij innerlijk tot haar sprak: «Alle bloemen geschapen door Hem (God) zijn mooi, de schittering van de rozen, de geur van de lelies ontnemen niets van het parfum van een klein viooltje of van de delicate eenvoud van een margrietje… Ik heb begrepen dat indien alle kleine bloempjes rozen zouden willen zijn, de natuur haar mooie lenteschoonheid zou verliezen.»

Als Kleine Zielen door God uitverkoren om een speciale getuigenis van liefde en nederigheid te geven, hebben wij van Jezus zoveel hulpmiddelen gekregen, uiteraard allereerst het Evangelie, maar ook «onze Boodschap van de Barmhartige Liefde» en bovendien de «Geschiedenis van een ziel» van de heilige Theresia waarover ik hier schrijf.

«Jezus aanvoelen» is onze dagelijkse taak, en hoe moeten wij daartoe komen? De nog zo jonge heilige Theresia geeft ons enkele tips: «Ik begrijp en weet uit ervaring dat het Rijk van God in ons is». Jezus heeft geen boeken of geleerden nodig om de zielen te leiden: Hij, de Leraar der leraren, leert zonder geluid van woorden. Ik heb Hem nooit horen spreken, maar ik voel dat Hij in mij is op elk ogenblik, Hij leidt mij en geeft mij in wat ik zeggen of doen moet. Ik ontdek zijn Licht dat mij onbekend was, Zijn Licht dat mij verlicht op het moment dat ik het nodig heb, en dat komt het meest voor, niet tijdens het gebed, maar bij de dagelijkse bezigheden.»

Zo leert onze Heiland ons dat de nederigheid, de kleinheid en de vernederingen toestanden zijn die nodig zijn voor ons om werkelijk kinderen van onze Hemelse Vader te worden. De Meester heeft aan de heilige Theresia toegestaan om deze ingewikkelde mysteries te begrijpen: «De Almachtige God heeft grote dingen voor mij gedaan, en het grootste daarvan is dat Hij me zo duidelijk mijn niets-zijn heeft getoond, mijn onbekwaamheid om het goede te doen. Nederig zijn in geest en in waarheid betekent; onze ellende liefhebben en ons verheugen over het feit dat we van onze Hemelse Vader in alles afhankelijk zijn.»

Als we deze woorden lezen, keren we dan in onszelf en geven we nederig toe hoeveel eigenliefde er nog in ons is. In feite is de weg van de Kleine Zielen een bijzonder charisma door Jezus gegeven om de heiligheid samen met Hem te «scheppen»: «Gij lijdt, Ik lijd met u. Gij bemint, Ik bemin in u».

De weg van de Kleine Zielen is een koninklijke weg, zegevierend! (Boodschap van 14 juli 1970). Het doel en zo te zeggen de samenvatting van de kleine weg van het geestelijk kindschap van de heilige Theresia is de totale opoffering aan de Barmhartige Liefde van de goede God.

We halen nog enkele zinnen aan uit de Akte van Overgave aan de Barmhartige Liefde die Marguerite heeft gedaan: «Ik verlang Uw Wil volmaakt te vervullen en te komen tot de graad van glorie, die Gij me in Uw Rijk hebt voorbehouden, in één woord, ik verlang heilig te worden, maar ik voel mijn onmacht aan en ik vraag U, o mijn God! dat Gij zelf mijn heiligheid zoudt zijn.»

Laten wij onszelf ook opdragen aan deze Liefde die ons zuiveren zal van alles wat van de wereld is, want deze is leeg en zonder band met de Hemel (cf. boodschap van 20.12.1965).

Pater Mariusz Zima, Internationale Hulpaalmoezenier Legioen Kleine Zielen

Uit; Nieuwsbrief December 2022, Legioen Kleine Zielen Nederland, blz. 8-9.

Website www.hetlegioenkleinezielen.com