Aanstaande zondag is het Sacramentsdag. Officieel heet het Hoogfeest dat wij vieren: het Hoogfeest van het Lichaam en Bloed van Jezus Christus. We vieren dat Jezus in de heilige Mis in de heilige Communie werkelijk aanwezig is onder de gedaante van brood en wijn. Ik vind het zelf belangrijk om daar minstens één zondag per jaar bijzondere aandacht aan te geven: de werkelijke Tegenwoordigheid van Jezus in de Eucharistie onder de gedaante van Brood en Wijn.
Wanneer we samen bidden, is de Heer altijd in ons midden. Hij belooft ons dit in het evangelie waar Hij zegt: “Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden.” Maar nergens is Hij zo dicht bij ons als in de Eucharistie: de gekruisigde en verrezen Heer werkelijk in ons midden. Ben ik me ervan bewust dat Jezus Zelf werkelijk aanwezig is in onze parochiekerk wanneer de Eucharistie wordt gevierd? De Kerk vraagt aan de gelovigen dat ze elke zondag of zaterdagavond naar de Eucharistie komen (onze zondagsplicht) en waarom? Omdat het Offer van Christus daar tegenwoordig wordt gesteld, Hij komt daar werkelijk tot ons en Hij wil onder de Heilige Communie tot ons komen. – Ben ik mij ervan bewust dat Jezus zo bij mij komt?
Zoals bij veel dingen die we vaak doen, mogen we ons ook bevragen wat ons ter Communie gaan betekent. Brood en wijn werden op het Altaar geplaatst. In de woorden die de priester erover sprak, mogen we Jezus horen spreken: “Dit is Mijn Lichaam”, “Dit is Mijn Bloed”. We zien nog brood en wijn, maar het is voor ons werkelijk het Lichaam en Bloed van de Heer. Geen symbool van het Laatste Avondmaal, maar werkelijk de Gekruisigde en Verrezen Jezus zelf die tot ons komt onder de gedaante van het Brood. – Ervaar ik dat zo?
Het feest van Sacramentsdag nodigt ons elk jaar uit om onze verwondering en vreugde te hernieuwen voor de wonderbaarlijke gave van de Heer die de Eucharistie is. Laten we Hem met dankbaarheid ontvangen, niet op een passieve manier. We moeten niet wennen aan de Eucharistie en naar de Communie gaan als een gewoonte, nee!
Elke keer dat we naar het altaar gaan om de Communie te ontvangen, moeten we echt ons “Amen” bij het Lichaam van Christus hernieuwen. Als de priester “het Lichaam van Christus” zegt, zeggen wij “Amen”: Moge het een “Amen” zijn dat uit het hart komt, met overtuiging! Het is Jezus, Die mij heeft gered, het is Jezus, Die komt om mij de kracht te geven om te leven. Het is Jezus, de levende Jezus. Daar moeten we niet aan wennen, elke keer is het alsof wij de eerste Heilige Communie opnieuw ontvangen!
In de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest; het kruisteken is een mini-gebed. Het markeert begin en einde van al ons doen en laten, begin en einde van ons leven, begin en einde van de dag, van de maaltijd, begin en einde van de H. Mis. Een kruisje op het hoofdje van een kind kan uitgroeien tot een leven van verbondenheid in geloof, hoop en liefde. Wanneer we het kruisteken maken, dan willen we daarmee uitdrukken dat het goed is om God; de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in al ons doen en laten te betrekken.
Ons leven als gelovigen ligt ingebedin het mysterie van de H. Drieëenheid. Het begin van ons christelijk leven; de doop wordt ons geschonken in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest. In het sacrament van boete en verzoening (de biecht) wordt ons vergeving aangezegd in de naam van de Drieëne God. De viering van de H. Mis begint in de naam van de Drieëenheid en wordt afgesloten met de zegen van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, en wanneer we een voetballer voor een belangrijke wedstrijd een kruisteken zien maken, dan begrijpen we dat de gedachte aan de Drieëne God een groter reikwijdte heeft dan we soms denken.
Biddend nadenken over het grote geheim van de H. Drievuldigheid van God maakt ons duidelijk wat God werkelijk voor ons mensen betekent: God is Zichzelf wegschenkende Liefde. De mens kan Hem niet benaderen door inspanning of door zijn denken, want God openbaart zich aan ons. Bij Hem ligt het initiatief. Hij laat zich niet doorgronden, maar Hij laat zich wel ervaren en vinden.
Al in de relatie tussen twee mensen gebeurt iets soortgelijks. Wie kan het wezen van een mens doorgronden? En toch vertrouwen we een ander mens. Aan zijn gedrag leren we de persoon kennen. De theoloog St. Thomas van Aquino heeft gezegd; ‘het handelen volgt op het zijn’ of anders uitgedrukt: aan het handelen van de mens kan ik zijn wezen leren kennen. Jezus zelf zegt in de H. Schrift: “Aan hun vruchten zult ge ze kennen” (Mt.7.20).
Wanneer we zeggen dat we het geheim van de H. Drieëenheid niet goed kunnen begrijpen, dan betekent dat nog niet dat God voor ons veraf en onbegrijpelijk blijft; want we kunnen Hem ervaren door zijn werken aan ons. Door het werken van God in zijn schepping, waarin Hij zijn natuurwetten heeft gelegd, leren we de Vader kennen, de Schepper van hemel en aarde; Die de mensen op telkens nieuwe wijze aangesproken heeft; Die een verbond gesloten heeft met Noach, met Abraham en met Mozes.
In Jezus Christus leren we het hele wezen van God kennen, namelijk: Liefde. Want de Zoon kwam in de wereld om zijn leven te geven voor zijn vrienden. En iedere keer weer ontdekken we in de geschiedenis van de Kerk; de H. Geest waait waarheen Hij wil, Die in de Kerk onder de moeilijkste omstandigheden als de Trooster, als de Helper en als de Levensschenker ervaarbaar is.
Het feest van de heilige Drieëenheid is voor ons dan ook een oproep om ons te bezinnen, om in deze luidruchtige tijd het weer eens stil te maken om ons heen. En we moeten mensen worden die niet voortdurend plannen, onderzoeken, berekenen en theoretiseren; maar mensen die overwegen, die de aanwezigheid van God proberen te ontwaren, en die op die manier steeds duidelijker ontdekken dat de ontmoeting met God slechts gelovend, hopend, liefhebbend en biddend kan plaatsvinden.
Het enige passende antwoord op het mysterie van God is het gebed! Wie biddend tot God nadert die zal de genade ontdekken dat ook hij of zij door God is gekend, gezocht en bemind, een genade die de Vader ons steeds weer opnieuw schenkt, en dat door de Zoon, en in de heilige Geest. Amen.
Het is van levensbelang voor ons dat we kunnen geloven in een andere wereld dan deze waarin we nu leven. Zeker, hier op aarde bloeien we enkele jaren. We kennen tijden van groot geluk, van vreugde, ontplooiing en succes. Maar ons leven op aarde eindigt altijd op een bepaalde manier “slecht”; door ouderdom, ziekte, slijtage en de dood.
Daarom zijn de woorden die Maria in Lourdes tot Bernadette sprak zo belangrijk: “Ik beloof je niet gelukkig te maken in deze wereld, maar in de andere.” Het was een getuigenis van de realiteit van deze nieuwe wereld, die met Pasen begon, met de verrijzenis van Jezus.
Moeder van de Verlosser, Moeder van God
Hier in Banneux, net als op alle Maria-bedevaartsoorden, werd een stukje van de sluier opgelicht van de realiteit van deze nieuwe wereld, die door de verrezen Christus werd geopend. Dat gebeurde heel eenvoudig, arm, bescheiden, gedurende de verschijningen: “Goedenavond, tot ziens.” Water om de handen in te dompelen, water voor alle naties, voor de zieken, om het lijden te verlichten, een kleine kapel. De Maagd der Armen openbaarde zich. Maar op de laatste verschijningsdag, op 2 maart 1933, zette Maria haar handtekening eronder — aan het einde van de boodschap, niet aan het begin, want dat zou veel te indrukwekkend zijn geweest! En wat een handtekening: “Ik ben de Moeder van de Verlosser, Moeder van God!“
Maria kent de geschiedenis van de Kerk blijkbaar heel goed. Ze weet dat het Concilie van Efeze in het jaar 431 plechtig had verkondigd dat Zij de “Theotokos” is, de Moeder van God, toen Zij God baarde door Jezus te baren. Dat is het wonder van de Menswording: In werkelijkheid is een goddelijke Persoon deze wereld binnengetreden, en zo heeft de mens nu deel aan God en, ik durf te zeggen, God heeft deel aan de mens. Het geluk van God en het geluk van de mens zijn voor altijd met elkaar verbonden. Dit getuigt het H. Evangelie, wanneer tegen Maria wordt gezegd: “Daarom zal dit Kind heilig en Zoon van God genoemd worden.” “Moeder van de Verlosser, Moeder van God“: door de Moeder van de Verlosser te zijn, de Moeder van Jezus Christus, is zij de Moeder van God. Dat is een bron van hoop voor ons, de garantie dat het menselijk avontuur goed zal eindigen, ondanks alle beproevingen, want het menselijk avontuur is nu het avontuur van God. Als God met ons is, staan we niet alleen. “Als God met ons is“, zo vraagt Paulus, “wie is dan tegen ons?“
Bid veel! Bid veel! Bid veel!
Als Maria ons hier in Banneux deze diepe waarheden openbaart, dan niet simpelweg zodat we er goede verhandelingen over kunnen schrijven. Als Maria verschijnt, dan niet om ons een mooi schouwspel te bieden, maar zodat we ons tot hoop bekeren en ons leven veranderen. Daarom zegt ze ons op de laatste verschijningsdag voor haar afscheid een derde keer: “Bid veel! Bid veel! Bid veel!” Want door het gebed zal de hier verkondigde waarheid van hoop werkelijk vrucht dragen. En als Maria ons oproept tot gebed, dan bidt Zij met ons.
Zij bidt in de Bovenzaal te midden van de apostelen, in de tijd tussen de Hemelvaart van Christus en Pinksteren. Deze aanwezigheid van Maria en de vrouwen bij de apostelen is zeer onthullend: Jezus, het Hoofd van de Kerk, is een man, omdat Hij de Gezondene van de Vader en de Bruidegom van de Kerk is. De apostelen zijn mannen, omdat zij in de geschiedenis van de Kerk Christus, de Bruidegom van de Kerk, moeten vertegenwoordigen. De Kerk is de Bruid, zij is vrouwelijk in het hart van God. De aanwezigheid van Maria en de vrouwen bij de apostelen onthult ons dit: De Kerk zal alleen zijn wat God van haar verwacht als zij Mariaal is — meer nog dan apostolisch! — en als zij met Maria en de vrouwen om haar heen bidt. Het is geen toeval dat bij de Maria-verschijningen voornamelijk vrouwen de verschijning zien. Als vrouw wijzen zij op het diepe mysterie van de Bruidsgemeenschap (dit is de Kerk). Door de eeuwen heen bidt Maria voor ons. Zij vraagt ons te bidden, maar Zij bidt altijd mét ons.
Het gebed leidt uiteindelijk de wereld. Wie met Maria bidt, houdt het roer van de hele wereld in handen. Dat doet onze paus Johannes Paulus II [2005!!] ongeacht alle speculaties over het einde van zijn pontificaat. Uiterlijk bezien kan hij niet veel meer doen (in zijn hoge ouderdom). Maar door de paus van de armen, de zieken en de zwakken te zijn, een man van gebed, meer dan ooit zijn “Totus Tuus, Maria” (Geheel de uwe, Maria) levend, houdt hij met ons het roer van de wereld vast.
Laten we daarom deze uitnodiging van Maria bewaren, op het moment dat Zij haar boodschap in Banneux ondertekent: Bid veel! Bid veel! Bid veel! Amen.
Uit; Die Jungfrau der Armen, Namen, 70. Jahrgang, Mgr. André-Mutien Léonard, 2 maart 2005, Seite 60-61
In dit afscheidsgebed richt Jezus een reeks gebeden tot zijn Vader voor zijn leerlingen. Wat opmerkelijk is, is dat naast het verzoek om eenheid in geloof en liefde, de nadruk ook ligt op vreugde: “Dat zij Mijn vreugde ten volle mogen bezitten.”
Wat bedoelde Jezus met Zijn vreugde?
Die vreugde komt voort uit de eenheid van heel Zijn wezen met Zijn hemelse Vader. Jezus wist ook wel dat deze aarde de kenmerken van een tranendal draagt, maar alle boosheid en lijden van deze wereld kon Hem de vreugde van Zijn eenheid in liefde met de Vader niet ontnemen. Daarom bidt Hij ook voor ons “opdat wij zijn vreugde ten volle mogen bezitten”, opdat wij mogen putten uit die onuitputtelijke bron van liefde en eenheid met God de Vader, die de stuwkracht moge zijn van onze gang naar de hemelse Vader en naar onze medemensen.
Jezus zendt Zijn leerlingen uit opdat zij in deze wereld deze vreugde zullen uitdragen.
Het hele verlossingswerk van Jezus en zijn Blijde Boodschap dienen het toekomstige doel: “dat zij de volmaakte vreugde mogen ervaren die Wij hebben.”
Een kenmerk van Jezus’ volgelingen is hun innerlijke vreugde. Is het mogelijk dat echt geloof en daadwerkelijke liefde niet vreugdevol zijn? Geloof, hoop, liefde en vreugde zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De heiligen die de eenheid en liefde met God in Jezus volledig hebben beleefd, hebben ook Zijn vreugde ervaren en deze aan anderen doorgegeven. Denk maar aan Sint Franciscus van Assisi, die vreugdevoller werd naarmate hij meer in de voetsporen van Jezus trad.
Paus Johannes Paulus I, die als de lachende paus de geschiedenis is ingegaan, zei: “Een glimlach op het gezicht van een priester is veel meer waard dan een lange preek”.
Als blije, lachende mensen kunnen wij bewijzen dat de navolging van Jezus ons met vreugde vervult.
Wij mogen de kleine vreugden van de gewone dag daarbij niet verwaarlozen: een vogel die fluit, het zonnelicht dat glinstert in een dauwdruppel, een kind dat lacht. Er zijn zoveel dingen die ons vreugde kunnen schenken. Jezus heeft zelf water in vreugdewijn veranderd op de bruiloft van Kana. Hij wil dat wij leven en vreugde bezitten in overvloed.
Wie deze vreugde heeft, kan niet anders dan zijn medemensen liefhebben. Om echt van vreugde te genieten, moet je die immers kunnen delen met anderen. Willen we op aarde gelukkig zijn, dan moeten we anderen vreugde schenken, want de vreugde die we uitdelen komt dubbel terug in ons eigen hart. Onheil, schuld, zonde, lijden en dood kunnen die vreugde niet wegnemen.
Kunnen christenen elkaar deze vreugde schenken, de vreugde die niemand hen kan afnemen?
God wil de wereld redden. Daarom gaf Hij aan een religieuze zuster; zr. Faustina, de zending de mensen op te wekken tot een onbegrensd vertrouwen in de Barmhartigheid van Zijn Goddelijk Hart van Jezus. Zo sprak Jezus onder meer tot haar: “Weet, mijn dochter, dat mijn Hart de Barmhartigheid zelf is. Vanuit deze zee van Barmhartigheid vloeien stromen van genaden over de hele wereld. Geen ziel die tot Mij komt, gaat van Mij heen zonder gesterkt te zijn. Alle ellende verdwijnt in mijn Barmhartigheid en elke genade, die verlost of heiligt, stroomt uit deze bron. Ik wil dat de priesters tot de zondige zielen over mijn grote Barmhartigheid zullen preken”. En: “Gelijk een moeder die haar kind beschermt, zo bescherm Ik de zielen, die gedurende hun leven het vertrouwen op mijn Barmhartigheid zullen bevorderen en in het uur van hun dood zal Ik niet hun rechter maar hun Zaligmaker zijn.”
Paus Johannes Paulus II z.g. heeft de eerste zondag na Pasen uitgeroepen tot Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid:
Op elke Barmhartigheidszondag is het mogelijk een volle aflaat te ontvangen. Aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan: 1. (Binnen tien dagen voor Barmhartigheidszondag of binnen tien dagen erna) gaan biechten (dit geldt voor de Nederlandse Kerkprovincie). 2. De Heilige Mis bijwonen. 3. De dag zelf vieren tere van Gods Barmhartige Liefde. 4. De geloofsbelijdenis bidden. 5. Die dag bidden voor de intenties van de Paus. Als aan deze 5 voorwaarden wordt voldaan: dan worden je de zonden vergeven en worden de zondestraffen van je weggenomen. Als je zou sterven op Barmhartigheidszondag betekent dit dat je het vagevuur zou mogen overslaan om rechtstreeks naar de Hemel te mogen gaan.
Verdieping
In de dagen na Pasen en tot op vandaag lezen we dagelijks passages uit het evangelie waarin Jezus, de Verrezen Heer, zich toont aan zijn leerlingen en hen met overtuiging laat zien dat Hij werkelijk uit de dood is opgestaan. Deze week vroeg ik in een gezelschap wat zij het mooiste Paasverhaal vonden. Bijna iedereen antwoordde: “Het verhaal van de ongelovige Thomas”.
Het is inderdaad een mooi verhaal omdat wij wellicht allemaal zouden reageren zoals Thomas, als ons hetzelfde zou overkomen. Het evangelie zegt ons dat Thomas ook Didymus wordt genoemd. Dat is meer dan een detail dat in dat verhaal staat. Didymus betekent tweeling. Eigenlijk is die Tomas onze tweelingbroer, want we lijken veel op hem, hij reageert tenminste zoals de meesten van ons zouden reageren in zo’n situatie.
Thomas zegt: “Zolang ik niet het teken van de nagels in Zijn handen kan zien en mijn hand in Zijn zijde kan leggen, zal ik niet geloven”. Dit eerlijke verhaal toont aan dat zelfs de apostelen moeite hadden om te geloven dat Jezus werkelijk was verrezen; opgestaan uit de dood. Hij moest bewijzen dat Hij werkelijk de Zoon van God was, Die zonde en dood overwon en eeuwig leven bracht voor iedereen die in Hem gelooft en gedoopt is. Hij bevestigde zijn leerlingen door herhaaldelijk aan hen te verschijnen, en ook Thomas kreeg de kans om tot geloof te komen.
Acht dagen later komt namelijk Jezus weer en Jezus pakt Thomas op zijn woord. Hij zegt tegen Thomas: kom maar eens bij Mij. Jezus zegt: “Kom hier met je vinger en bezie Mijn handen. Steek je hand uit en leg die in Mijn zijde en wees niet langer ongelovig maar gelovig”. Thomas gaat dan door de knieën en gelooft in Jezus de Verrezen Heer.
Dit verhaal van ongelovige Thomas is meer dan een gewoon verhaal over Jezus die Zich bijna 2000 jaar geleden aan ons bewezen heeft. Dit evangelieverhaal zegt ons ook het volgende: God geeft aan elke mens in zijn/haar leven tekenen en kansen om in Hem te geloven. God komt in elk mensenleven een aantal keren heel dichtbij, om te bewijzen dat Hij er echt is. Dat Hij van ons houdt en dat Hij ons echt gelukkig wil maken.
Met dit evangelie mogen wij er ook eens aan denken wanneer ikzelf de barmhartige Jezus dicht bij mij hebt gevoeld. Wanneer Hij dicht bij mij stond en wanneer Hij tegen mij zei, dat ik niet ongelovig maar gelovig moest zijn. Maar we moeten Jezus echt ook willen zien in ons leven. Hij is door de genade van het doopsel en door Zijn barmhartige liefde voor ons immers echt heel dicht bij ons. De Paastijd van dit jaar mag ons daar echt eens bij stil laten staan!
Wat er allemaal binnen een gezin kan gebeuren, lijkt geen uitzondering te zijn voor het heilige huisgezin. Vandaag vertelt het evangelie hoe Jezus’ ouders jaarlijks naar de Tempel in Jeruzalem trokken om het paasfeest te vieren, een herdenking van de uittocht uit Egypte onder Gods leiding. De 12-jarige Jezus vergezelde hen. Op deze leeftijd werd Hij opgenomen in de gelovige gemeenschap en begon Hij de joodse wet, de Thora, na te leven. Voor de jonge Jezus moet dit een hele belevenis zijn geweest, waarin Hij voor het eerst deelnam aan de heilige rituelen van het paasfeest in de Tempel, de meest heilige plaats op aarde.
Maar nadat het feest voorbij was, bleef Jezus zonder medeweten van zijn ouders in Jeruzalem achter. Hoe kan een voorbeeldige zoon, zoals we ons Jezus voorstellen, zoiets doen? Hoe kan Hij hen laten vertrekken en hen vervolgens drie dagen in angst laten doorbrengen? En dan simpelweg zeggen: “Wisten jullie niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?”
Het evangelie vertelt ons hoe Jezus pas na drie dagen werd teruggevonden. De periode van ‘drie dagen’ staat in de Bijbel altijd voor een verwachte boodschap van goed nieuws. Na de kruisiging klonk de boodschap van de verrijzenis. Drie dagen lang zochten de Emmaüsgangers naar antwoorden totdat een vreemdeling zich bij hen voegde en de betekenis van de gebeurtenissen uitlegde. Na drie dagen vonden Maria en Jozef hun Zoon terug en kregen ze uitleg over zijn gedrag: “Wisten jullie dan niet dat Ik in het huis van Mijn Vader moest zijn?” Dit waren voor Maria en Jozef nog raadselachtige woorden.
Sommigen maken graag van dit evangelie een verhaal over een puberende Jezus, maar daarmee doen we geen recht aan Hem. Het gaat niet alleen om ouders die zich niet begrepen voelen in hun onrust, maar ook om Jezus die zich niet begrepen weet, zelfs niet door Jozef en Maria. Ze vonden Hem terwijl Hij luisterde naar de meest geleerde mensen die het Woord van God uitlegden, het heilige Woord dat door de eeuwen heen zoveel profeten had geïnspireerd om Gods wil aan de mensen bekend te maken.
Jezus maakte aan Maria en Jozef duidelijk waar Hij altijd te vinden is: in de zaken van de hemelse Vader, in woord en sacrament. Vandaag de dag is er geen tempel meer in Jeruzalem waar we naartoe moeten pelgrimeren. Gods Huis is de Kerkgemeenschap die zich vormt waar Hij ons samenroept en zich laat vinden, waar Hij ons toespreekt en ons de H. Communie, het Brood van het eeuwig Leven geeft, en zegt: “Ik ben uw God. Ik ben er voor jou. Voor altijd.”
Zelfs Maria en Jozef hadden tijd nodig om het te begrijpen. Moge Gods Geest ook ons de betekenis laten begrijpen, net zoals Hij het hart van Maria en Jozef opende voor het geheim van hun Kind. Amen.
Het heeft lang geduurd in de geschiedenis van de Kerk, voordat de devotie tot St. Jozef een plaats kreeg. De traditie zegt weinig over St. Jozef. Ook legenden rondom zijn persoon zijn uiterst schaars. In de catacomben van Rome zou een steen te vinden zijn met een in het Grieks geschreven opschrift: “Heilige Jozef, sta mij bij in mijn arbeid en verkrijg voor mij genade”. Verder vinden wij in de eerste tien eeuwen geen schrijver, geen dichter, ja zelfs geen heilige die de grootheid van deze man Gods bezingt. In de geschiedenis van de Karmel-orde wordt verteld, dat in de twaalfde eeuw de Karmelieten op hun weg van de Berg Karmel naar het Westen, een feest ter ere van St. Jozef meebrachten.
Jean Gerson
Jean Gerson (1363-1424),de grote kanselier van de Parijse universiteit heeft veel gedaan om St. Jozef een plaats te geven in de Westerse geschiedenis. Wat dat betreft was hij zijn tijd vooruit en was hij een van de grootste mannen van zijn eeuw. In 1414 richtte hij een schrijven aan hertog Jean de Berry, de broer van de Franse koning, met het verzoek de devotie tot St. Jozef te bevorderen. Zijn liefde voor St. Jozef was groot. In een van zijn beschouwingen zegt hij: “Welk een vertrouwen mag men stellen in St. Jozef. Als echtgenoot kan hij zich wenden tot Maria. Als Vader van Jezus vermag zijn woord veel bij Hem”.
Als afgezant van de koning naar het concilie van Constanz liet Jean Gerson geen poging onbeproefd om een einde te maken aan het treurig schisma, dat de kerk teisterde. Zijn machtig wapen hiervoor was de devotie tot St. Jozef. Zijn geleerdheid en zijn aanzien deden hem een beroep doen op vorsten en bisschoppen, opdat zij eensgezind de verering zouden bevorderen van deze man Gods, St. Jozef. Wanneer Jean Gerson later om politieke redenen in ballingschap moet gaan, vindt hij de tijd om een groot Latijns loflied te schrijven ter ere van St. Jozef, het zogenaamde “Josephina”. Wij mogen deze geleerde wel de apostel van de St. Jozefverering noemen.
In 1479 voert Paus Sixtus IV een feestdag van St. Jozef in. Hij neemt St. Jozef op in het Brevier en het Romeins Missaal. De Italiaanse Dominicaan Isidoro da Isolano geeft een nieuwe impuls aan de devotie. Zijn boek “Summa de donis Sancti Joseph” over de gaven van St. Jozef uit 1522 viel in de smaak bij Paus Benedictus XIV. Hij noemde deze religieus een van de grote bevorderaars van de verering van St. Jozef. Het boek van Ísodoro da Isolano werd opgedragen aan Paus Adrianus de Eerste, de enige Nederlandse Paus.
De Karmelbroeders
De Orde van de Karmelieten neemt een opvallende plaats in ten aanzien van de St. Jozefdevotie. Al in de twaalfde eeuw wonen op de Berg Karmel kluizenaars, die eerst de naam Karmelbroeders dragen en later Karmelieten genoemd worden. De Karmelbroeders vierden de sterfdag van St. Jozef. Zij sluiten hierbij aan bij de St. Jozefverering vanaf de vijfde eeuw in de Oosterse kerk.
Als de Karmelieten zich na de Kruistochten op verzoek van de Paus in Spanje vestigen, brengen zij de St. Jozefdevotie mee naar Europa. Deze gegevens zijn ontleend aan het werk van de Bollandisten. De Bollandisten zijn een vereniging van Jezuïeten die heiligenlevens beschrijven. De Venrayse Jezuïet Hensenius (1601-1681) heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de samenstelling van een “gezuiverde” heiligenkalender, de z.g. Acta Sanctorum.
Theresia van Avila
De naam Theresia van Avila moet in een beschouwing over de St. Jozefverering met ere genoemd worden. Als hervormster van de Karmelietenorde wijdde zij het eerste klooster, dat zij in 1562 in Avila stichtte, toe aan St. Jozef. Ook de elf kloosters, die zij later stichtte, stelde zij onder zijn bescherming. Zij koesterde een intens dankbare liefde tot haar geliefde heilige.
Aan haar vele werken wil ik slechts enkele citaten ontlenen: “Hoe kunnen wij intiem omgaan met Jezus en Maria, wanneer wij St. Jozef vergeten? Na een langdurige ernstige ziekte schrijft zij: “Ik koos de roemrijke St. Jozef tot mijn voorspreker en beschermer. Ik beval mij dringend in zijn voorbede aan. Ik heb duidelijk leren inzien, dat hij mij als een vader en beschermer redde zowel uit mijn ellende van dat ogenblik, als uit andere nog grotere noden, waarin mijn eer en het heil van mijn ziel op het spel stonden.”
Tot de religieuzen in het bijzonder zegt zij: “Vooral personen die zich aan het gebed wijden, moeten een bijzondere godsvrucht voor hem koesteren. Wie geen leermeester kan vinden om te weten welke weg hij bij het gebed en de overweging moet inslaan, hij kieze St. Jozef tot zijn leidsman.” Aan Pater Ambrosio Mariano, een van haar eerste volgelingen schrijft zij: “Dat de gehele wereld aan Jozef toegewijd moge worden.”
In navolging van Theresia heeft de Karmel-orde steeds weer geijverd voor de eer van St. Jozef. In 1621 kiezen zij hem tot hun patroon. In hetzelfde jaar bepaalt Gregorius XV dat 19 maart als feestdag van St. Jozef gevierd zal worden voor de hele kerk. De Spaanse koning Karel II wijdt op het St. Nicolaasfeest van 1678 zijn land toe aan St. Jozef. Venray en Smakt behoren sedert 1543, als de heer van Gelre zijn soevereiniteit af staat aan Karel V, tot het Spaanse vorstenhuis. De toewijding door de koning geldt dus ook voor Smakt.
Grote Kanselredenaar
In de zeventiende eeuw neemt de grote kanselredenaar van Frankrijk, Bossuet een bijzondere plaats in onder de vurige vereerders van St. Jozef. Van hem zijn twee preken bekend over St. Jozef: “Bewaar het toevertrouwde pand” en “God koos zich een man naar Zijn Hart”. In de kapel van de zusters Karmelietessen van Parijs bezingt hij de grootheid van St. Jozef: “O onvergelijkelijke Jozef, gij zijt dierbaar aan God. Hij vertrouwde u drie kostbare panden toe. Jezus, zijn moeder en het mysterie van Zijn heilswerk. Gij zijt een man naar Gods hart, rechtvaardig, waarachtig, getrouw en nederig.”
Franciscus van Sales
In diezelfde eeuw schreef Franciscus van Sales ook treffende gedachten neer over St. Jozef. Zo lezen wij van hem: “Om beschermer te zijn, niet van één van je medemensen, maar van Christus, onze Heer, om bruidegom te zijn, niet van een gewone vrouw, maar van de gezegende onder alle vrouwen, moest Jozef wel een heilige zijn. Aan het voorbeeld van St. Jozef kunnen de christenen zich spiegelen. Bij St. Jozef kan iedereen in de leer gaan om te weten hoe je je leven goed kunt inrichten. St. Jozef is ook bereid zijn beschermende hand uit te strekken naar allen die zijn hulp inroepen. Wij mogen op zijn tussenkomst rekenen. Niets zal aan deze man Gods geweigerd worden, noch door Maria, noch door zijn goddelijk kind. Zo wij vertrouwen in Hem stellen zullen wij voortgang maken op het pad van de deugden en het eeuwig loon ontvangen”.
Wereldwijd
Bossuet en Franciscus van Sales bevorderen de St. Jozefdevotie. Toch moeten wij zeggen dat juist de geestelijke zonen en dochters van Theresia van Avila haar grote devotie tot St. Jozef levendig bleven houden en gehoor gaven aan de wensen van hun stichteres. Zij zouden hun krachten inzetten voor deze nieuwe werelddevotie. Daar, waar ze op wens van Paus en Koning heentrokken, maakten zij het volk bekend met de devotie tot St. Jozef. Door hun toedoen werd St. Jozef ook de patroon van de missiestaties van de orde in de Hollandse zending, een tot dan toe een ongehoord feit in Nederland. Kerken en kapellen werden gebouwd ter ere van St. Jozef. De Spaanse Karmeliet Cristobal de San José beschrijft de verhouding van de Karmel tot St. Jozef: “Theresia’s volgelingen kunnen de rijkdom van uw gunsten, St. Jozef niet stilzwijgend voorbijgaan. Hoe zouden zij Uw vaderlijke bezorgdheid ooit kunnen vergeten? Zou dit niet een teken zijn van verregaand onrecht? Als God wilde dat de orde van Karmel door Theresia in haar oude luister werd hersteld, wilde Hij ook dat zij U, St. Jozef, zou kiezen tot leider en mm beschermer van haar geestelijke familie. De H. Theresia heeft deze opdracht vervuld en hoe groot en verheven zijn de voordelen, die zulke gelukkige keuze ons bezorgde. Gij, St. Jozef, Gij zijt de gids op onze wegen, de metgezel op onze aardse pelgrimage. In U begroeten wij een onwrikbaar fundament van de hervorming van onze orde, de garantie van onze vrede, de sterke zuil van onze waarachtigheid en een onuitputtelijke bron van weldaden. Vol vertrouwen komen wij tot U. Elk van haar kinderen dient een vurig minnaar te worden van St. Jozef, een ijverige prediker van zijn glorie en een onvermoeibare bevorderaar van zijn verering. Deze woorden waren profetisch. Zij zouden nieuw leven geven aan de verering van St. Jozef in de gehele kerk.
Patroon van de Kerk
Paus Pius IX, de Paus van het eerste Vaticaanse Concilie, riep op 8 december 1870 St. Jozef uit tot patroon van de hele Katholieke Kerk. Op 15 augustus 1889 verscheen van de hand van Paus Leo XIII de encycliek “QUAMOQUAM PLURIES” over St. Jozef. Deze handelt over de hulp van St. Jozef en over zijn karakteristieke voorbeeld van trouw en rechtvaardigheid. Pius X riep opnieuw St. Jozef uit tot beschermer van de Kerk. Benedictus XV zorgde voor een eigen prefatie op de feestdagen van St. Jozef.
Patroon van de Arbeid
In 1955 stelde Pius XII het feest in van St. Jozef-Arbeider. Voortaan zou 1 mei, de dag van de arbeid, in het teken staan van St. Jozef als patroon van alle werklieden, onder het motto: “Wilt gij Christus nabij zijn, gaat dan tot Jozef”,
De grote Paus van de vernieuwing, Johannes XXIII, gaf St. Jozef een nieuwe ereplaats in onze kerk. Hij zorgde er voor dat St. Jozef met name wordt genoemd in het eucharistisch dankgebed. Hij riep op 19 maart 1961 St. Jozef ook uit tot patroon van het Tweede Vaticaans Concilie.
Paus Johannes wilde de nieuwe tijd beginnen met St. Jozef als bezieler van vrede, stilte, arbeidzaamheid en gebed in dienst van de kerk. Bij de aankondiging van het concilie zei de Paus: “Wanneer er één hemelse beschermer wordt aangewezen om tijdens de voorbereidingen en het verloop van het concilie de virtus divina, de goddelijke kracht, van de hemel af te smeken, dan is er tussen al die hemelingen niemand aan wie wij dit beter kunnen toevertrouwen dan aan de heilige Jozef. Hij is immers het hoofd van het heilig huisgezin en de beschermer van de Kerk. Moge Jozef de trouwe bruidegom van de maagd Maria, het concilie met zijn gebeden begunstigen.”
Paus Johannes Paulus II heeft op 15 augustus 1989, honderd jaar na de encycliek van Paus Leo XIII, een brief geschreven over St. Jozef. Onder de titel Redemptoris Custos, de Hoeder van de Verlosser, behandelt hij de persoon en de zending van de heilige Jozef in het leven van Christus en van de Kerk. De slotzin van de pauselijke brief is voor mij een oprecht gebed. “Moge Sint Jozef voor de Kerk en voor de wereld en ook voor ieder van ons de zegen van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest verkrijgen.”
Uit; Op weg met Sint Jozef, 300 jaar Jozefverering in Smakt, 1994, NLW-Bedrijven Venray, blz. 5-11.
Op 21 november 1983, exact 40 jaar geleden vanaf vandaag, ontving de Stichting LKZ de kerkelijke goedkeuring en erkenning uit handen van Mgr. G. M. van Zuylen, de bisschop van Luik.
Het Legioen Kleine Zielen van Jezus’ Barmhartig Hart is een door de Kerk erkende en goedgekeurde geestelijke vereniging die zich richt op alle christengelovigen, ongeacht hun roeping of levensstaat binnen de Kerk, zoals priesters, religieuzen, leken, gehuwden en ongehuwden. Het legt ook de nadruk op mensen die op zoek zijn naar diepere waarden in het leven en een hogere zingeving aan het bestaan. Het doel van het Legioen is om mensen te helpen hun leven op te dragen als een geestelijke offerande voor het heil van de zielen.
Het Legioen Kleine Zielen werd opgericht door een eenvoudige huismoeder uit de omgeving van Luik kort na het Tweede Vaticaans Concilie. Het is bedoeld voor degenen die de “Kleine Weg” willen gaan en beleven, geïnspireerd door het verlangen van de heilige Theresia. Jezus zelf heeft een kleine Boodschapster, genaamd Marguerite, gekozen om de “Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen” over te brengen. Deze boodschap is gedurende vele jaren aan Marguerite doorgegeven, en het Legioen Kleine Zielen is de zichtbare verwezenlijking van de weg van geestelijk kindschap binnen de Kerk.
Op 21 november 1983, het feest van de Opdracht van Maria, heeft Mgr. G. M. van Zuylen de statuten van het Legioen goedgekeurd volgens de eisen van het kerkelijk Wetboek. De officiële erkenning door de bisschop van Luik maakt het mogelijk voor het Legioen Kleine Zielen om zich wereldwijd te verspreiden en te groeien als een officiële vereniging van de Kerk.
Jezus heeft een band met ons gesmeed tijdens ons Doopsel, waarin Hij van ons toewijding en trouw verlangt. Hij nodigt ons uit tot het koesteren van deze vriendschap door middel van kleine attenties. Als leidraad gaf Hij ons de wijze woorden: “Wat je voor de geringste onder mijn broeders en zusters doet, doe je voor Mij.” Vriendschap met Jezus en met God vereist ook toewijding en trouw aan onze medemensen, aan elkaar. Als we nalaten dit te doen, zal deze vriendschap uiteindelijk vervagen, wat jammer en dom (in de zin van onverstandig) zou zijn. Echter, door deze vriendschap te koesteren en te onderhouden met kleine gebaren van vriendelijkheid en medeleven jegens anderen, zal deze vriendschap zich verdiepen en uitgroeien tot een nauwe verbinding met God. Dit is een wijze keuze.
Verdieping
De tekst van de lezingen van deze dag begint met een herkenbare situatie: het uitstellen van geestelijke overwegingen en activiteiten. Veel mensen denken dat ze “later” wel meer tijd zullen besteden aan hun geloof, aan bidden, en aan het nadenken over God.
Vooral als we jong zijn, lijken andere dingen onze aandacht op te eisen, zoals werk, geld, plezier en vakanties. Het evangelie beschrijft het idee dat mensen vaak wachten met het serieus nemen van hun geloof totdat ze ouder zijn, tot ze hebben genoten van wereldse zaken en materiële welvaart.
Het evangelieverhaal stelt de vraag: “Is élk leven even goed?” Het antwoord op deze vraag is cruciaal, niet gebaseerd op menselijke kritiek, maar op goddelijke kritiek. God oordeelt over ons leven, niet onze buren of kennissen. Jezus wijst op het belang van een leven dat God waardig is, een leven dat de moeite waard is bij God.
Jezus vergelijkt de mensheid met tien meisjes die op weg zijn naar een bruiloftsfeest, dat symbool staat voor de hemel. Iedereen wil graag in de hemel komen, maar niemand weet wanneer dat zal gebeuren. Daarom moeten onze “lampen” altijd brandend zijn, wat betekent dat ons leven deugdzaam moet zijn en dat we voldoende reserves moeten hebben opgebouwd in de vorm van liefde tot God en liefde tot de medemens.
Het evangelieverhaal benadrukt het belang van liefde tot God en de medemens als de essentiële reserves in ons leven. Als we ons hele leven wijden aan aardse genoegens en niet investeren in gebed, vrijwilligerswerk, en de zorg voor anderen, staan we met lege handen voor Christus. Dan kan het harde oordeel klinken: “Ik ken je niet.”
Maar er zijn ook mensen die wel tijd en moeite investeren in hun geloof, die God en de medemens prioriteit geven. Zij bouwen reserves op en hebben hun lampen brandend. Deze mensen begrijpen dat het geloof een serieuze zaak is en dat het belangrijk is om tijd te maken voor gebed, sacramenten en zorg voor anderen. Ze zijn bereid offers te brengen voor wat er echt toe doet in het leven.
Het evangelie van deze dag is een oproep tot bekering voor ons allemaal. Het herinnert ons eraan dat we niet weten wanneer onze tijd om voor Christus te staan zal komen. Daarom is het van vitaal belang om ons leven te wijden aan de liefde tot God en onze medemens en om te investeren in geestelijke groei. Als we dit doen, kunnen we gerust leven, én sterven, in de geloofservaring dat Christus ons kent en herkend worden als Zijn leerlingen die in Zijn voetsporen zijn getreden. Amen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.