Het Eucharistisch Offer: centrum van heel ons gebedsleven

Door de zondeval is de mens, en met hem heel de schepping, zodanig ontaard en van God vervreemd, dat geen enkel menselijk pogen nog in staat is een einde te stellen aan deze uitzichtloze situatie. Zelfverlossing is dus volstrekt uitgesloten. Op aangrijpende manier wordt dit door de apostel Paulus beschreven in zijn brief aan de Romeinen. “Ik heb immers vastgesteld dat allen, Joden zowel als Grieken, zich in de macht der zonde bevinden… Zo wordt iedere mond gestopt en staat de gehele wereld schuldig voor God.” (Rom. 3. 9-19). Alleen door een vrij initiatief van de soevereine God kan de mens opnieuw met zijn Schepper worden verzoend. In zijn onbegrijpelijke liefdevolle barmhartigheid zond de Vader zijn eigen Zoon in de wereld als Verlosser. Veel meer dan een verkondiger van een verheven leer, een uitzonderlijke religieuze figuur of een verdediger van armen en verdrukten, is Christus de Verlosser d.w.z. Degene die de mens bevrijdt van zijn fundamentele zondigheid en deelachtig maakt aan het eigen leven van de Drieëne God. En dit verlossingswerk heeft Hij voltrokken door zijn Lijden, Dood en Verrijzenis. Dat niet de mens maar wel God zelf de bron is van het Heil, wordt ons door Sint Jan duidelijk gemaakt: “Hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad en zijn Zoon gezonden als zoenoffer voor onze zonden.” (1 Joh. 4,10)

Waarom een Eucharistisch Offer? 

De verheerlijkte Christus ontsnapt aan onze zintuiglijke waarneming. Maar toch heeft Hij zijn heilswerk willen verbinden aan zichtbare tekens waardoor zijn Geest wordt meegedeeld. En zo heeft de Hogepriester hier op aarde een zichtbaar priesterschap gewild waardoor zijn enig Offer op alle plaatsen en in alle tijden kan worden tegenwoordig gesteld. In de H. Mis is het dus Jezus zelf die handelend optreedt: in Zijn naam verandert de priester brood en wijn in het Lichaam en Bloed van de Heer, in Zijn naam draagt Hij het Eucharistisch Offer op dat op onbloedige wijze het Kruisoffer tegenwoordig stelt. Indien, zoals gezegd, Christus de enige Verlosser is, indien zijn Kruisdood de verzoening van de zondige mensheid met God tot stand bracht, dan is het Eucharistisch Offer ook het enige raakpunt tussen hemel en aarde. Alle andere menselijke pogingen om God te raken hebben maar zin in zover ze, bewust of onbewust, aansluiten bij het H. Misoffer. In die zin is het Eucharistisch Offer dan ook het gebed bij uitstek, het centrum van heel ons gebedsleven.

Eucharistie en Kerk

‘Volgens de woorden van het Concilie is de Kerk geboren uit het doorboorde Hart van Gods Zoon: “Haar oorsprong en groei worden aangeduid door het teken van het bloed en het water, die vloeien uit de geopende zijde van de gekruisigde Jezus” (Lumen Gentium nr. 3). In iedere H. Mis viert de Kerk dus als het ware Haar geboorte: het kerkmysterie ontstaat immer opnieuw uit het geheim der Eucharistie, dat de bron is van het leven der Kerk. Zo innig is de band tussen de Heer en zijn geliefde Kerk, tussen het Hoofd en het Lichaam, dat de Kerk zichzelf mee-offert in de H. Mis. In zijn encycliek ‘Mysterium Fidei’ zegt Paus Paulus VI dat zo klaar: “De Kerk, wanneer zij in vereniging met Christus als opperpriester en als slachtoffer optreedt, draagt in haar totaliteit het Misoffer op en wordt in haar totaliteit daarin opgedragen.”

Buitengewoon heerlijk is deze waarheid. Al is Christus de enige Verlosser, toch worden alle leden der Kerk deelachtig gemaakt aan zijn leven en zending. Iedere gedoopte is in die zin een mede-verlosser, die de zending heeft het Eucharistisch Offer mede op te dragen. Heel de liturgische vernieuwing, na het concilie, heeft juist als voornaamste doel die troostende waarheid duidelijker te doen uitkomen. Om die deelname van het Volk Gods aan het Eucharistisch Offer te onderlijnen werd o.a. in de liturgie de volkstaal ingevoerd, wordt het volk Gods op bepaalde momenten uitgenodigd zijn instemming te betuigen met het gebed van de priester (acclamatie na de consecratie, ‘amen’ na het canongebed, gezamenlijk bidden van het Onze Vader, enz.).

Valse opvattingen en misbruiken 

Het eerste document, door het Concilie goedgekeurd, was de Constitutie over de Liturgie waarin de Eucharistie een centrale plaats inneemt. Zoals het leven der Kerk gevoed wordt door de Eucharistie, zo vindt ook heel de conciliaire vernieuwing haar wortels in de liturgische vernieuwing. Maar juist daarom vormen de zo talrijke afdwalingen op dit gebied een zware bedreiging. Paus Paulus VI zei eens dat de walm van Satan de Kerk is binnengedrongen na het concilie. Is er inderdaad geen reden om een satanische werking te veronderstellen wanneer zelfs in het heiligste, in het Eucharistisch Offer, de belangstelling minder naar God dan naar de mens gaat? Een groot aantal feiten – ieder op zichzelf vrij onschuldig – wijst duidelijk op die langzame maar fatale afglijding. Waarom is het woord «Misoffer» bijna volledig vervangen door ‘Eucharistieviering’? Een offer wordt alleen aan God gebracht, terwijl een ‘viering’ niet noodzakelijk op een sacrale handeling duidt. Men spreekt haast niet meer over de ‘priester, die de H. Mis opdraagt’, maar over een ‘voorganger (of: voorzitter) in de Eucharistieviering’ en deze formulering suggereert dat de priester in naam van het volk de ‘viering’ leidt. Dat hij in naam van Christus het kruisoffer tegenwoordig stelt, wordt in het vage gelaten. Men legt in die mate de nadruk op het maaltijdkarakter van de H. Mis, dat het offerkarakter op het achterplan verschuift.

Men belicht zodanig het algemeen priesterschap der leken, dat het ambtelijk priesterschap van bijkomstig belang schijnt: niet door zijn priesterwijding, maar door het volk zou de priester dan aangesteld worden. De deelname van het volk Gods aan het Offer komt zo sterk op het voorplan, dat het gehoorzaam en nederig aanvaarden van liturgische voorschriften aangezien wordt als uiting van gebrek aan ‘creativiteit’: niettegenstaande de duidelijke en herhaalde waarschuwingen van het hoogste kerkelijk gezag, worden steeds in de liturgie teksten gebruikt die niet goedgekeurd zijn. Zo wordt de band met de Moederkerk verbroken. Vaak zijn de teksten van de onwettige canons zo verminkt, dat er geen sprake meer is van een geldige H. Mis. Op sommige plaatsen is het nu haast een gewoonte geworden dat men alle teksten van een huwelijksmis of uitvaartmis, met inbegrip van de canon, zelf samenstelt. Niet alleen worden de voorschriften der Kerk volledig genegeerd, maar zeer vaak komt hierbij over de Eucharistie een opvatting naar voren die volledig afwijkt van wat de Heer heeft bedoeld, toen Hij zei: “Doet dit tot mijn gedachtenis”.

De grote en fundamentele vergissing die men hierbij begaat, is deze; men verliest uit het oog dat de Eucharistie in de eerste plaats is, niet een vrucht van menselijke creativiteit, maar het Offer van de Heer, tegenwoordig gesteld onder de gedaanten van brood en wijn, door bemiddeling van het priesterschap, in verbondenheid met de hiërarchische Kerk. Bij dit subliem gebeuren mogen wij ons aansluiten, wij mogen het be-amen. Maar het is een echt satanische verdwazing te menen dat wijzelf de Eucharistie ‘maken’.

Wij snijden ons af van de bron van ons gebedsleven en, van heel ons bestaan als christen, indien wij weigeren als ‘kleine zielen’ de kostbare schat van de Eucharistie te aanvaarden zoals ze is, uit de handen van de Heer en van zijn Kerk.

Persoonlijk gebed en Eucharistie 

In het conciliedocument over de Liturgie wordt duidelijk gezegd (nr. 12 en 13) dat ook buiten de liturgie gebedsoefeningen mogelijk en wenselijk zijn. Zowel gemeenschappelijk als individueel moeten de gelovigen tot gebedsmomenten komen. Persoonlijke meditatie en kruisweg zijn nog steeds aan te bevelen. In zijn Apostolische Exhortatie van 2 februari 1974 heeft de Paus de blijvende waarde onderlijnd van de rozenkrans en van het angelusgebed. En in een tijd waar het geloof in de eucharistische aanwezigheid sterk is verflauwd, is de aanbidding van de Heer in zijn liefdesacrament [uitstelling van het Allerheiligst Sacrament in de monstrans] van bijzondere betekenis. En de ervaring toont aan dat ook onze jeugd nog kan knielen voor het tabernakel, om zo bij de Heer te zijn. Maar al deze gebedsvormen ontlenen hun waarde en zin aan het Eucharistisch Offer van de Heer met zijn Kerk. Zo wordt heel ons bestaan doordrongen van de Geest: “Want wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen”. (Rom. 8,26)

Pastoor M. Magnus

Uit; Het Legioen Kleine Zielen, Tijdschrift van het Legioen Kleine Zielen van het Barmhartig Hart van Jezus, Uitgever Dhr. A. Terryn, Sint-Niklaas, Derde Jaargang, Nr. 3, September 1975, blz. 10-15.

Inhoud Boek ‘Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen – deel 2’

Dagboeken van Marguerite
Deel 1 : 1965 tot 1975
Deel 2 : 1977 tot 1979
Deel 3 : 1980 tot 1987
Deel 4 : 1988 tot 1995


Over het tweede deel van de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen

De editie van de Nederlandse vertaling van het tweede deel van de Boodschap zal vermoedelijk in de eerste helft van 1990 beschikbaar zijn. Om de vele navragen omtrent de inhoud ervan te voldoen werd gevraagd een paar indrukken hiervan te geven.

Allereerst kunnen we aanstippen dat zij die in die Boodschap sensationele onthullingen verwachten, eerder teleurgesteld zullen zijn. Weliswaar geeft de Heer enkele markante terechtwijzingen voor onze van God afgedwaalde wereld en voor de vele mistoestanden in de Kerk. En hoewel Hij in niet mis te verstane waarschuwingen een paar maal wijst op de steeds groter wordende dreiging van een kastijding die, uit liefde, noodzakelijk wordt, indien de wereld hardnekkig weigert aan de goddelijke oproepen tot bekering gevolg te geven, weigert Hij Marguerite te belasten met de zending van onheilsprofetes.

Het tweede deel van de Boodschap kan men terecht een vervolg noemen op het eerste deel. Het grote centrale thema is en blijft het aanbod van Gods eindeloze liefde en zijn dringende oproep tot alle mensen over de gehele wereld om zijn liefde edelmoedig en dankbaar te beantwoorden: ’Gij zult de Heer, uw God beminnen met geheel uw hart, met geheel uw ziel en met al uw krachten, en uw naaste als uzelf om Hem’.

Wij die door de Heer terecht kleine zielen worden genoemd, kunnen er alleen maar onze bewondering en verwondering over uitdrukken dat ‘God niet ophoudt te roepen’ en zijn verdwaalde kinderen overstelpt met een overvloed van goedheid en barmhartigheid.

De Heer stelt hoge verwachtingen voorop: ‘Mijn kleine zielen kunnen de wereld redden’. Ja, dat kan, indien wij, ik en gij, ieder op zijn plaats zijn Boodschap, zijn Liefde eerlijk aanvaarden en ’met heel ons hart’ ’met al onze krachten’ streven naar het hoge doel dat Hij voor ons afbakent. Hijzelf is ons doel!

Die hoge verwachtingen van de Heer zullen niet tot stand komen, indien wij Hem laten roepen in de woestijn en Hem lompweg de rug toekeren. Zouden we de voorkeur geven aan onze ik-zucht, ons comfort, ons genot, onze afgoden…? Zullen we afgod nummer één, ons ’ik’ op de troon zetten, terwijl we God terzijde schuiven als een tweede-rangswaarde waar we geen tijd en aandacht wensen aan te besteden?

Een Boodschap voor deze tijd 

Dat deze Boodschap nu, in deze tijd, gegeven wordt, moet ons tot nadenken stemmen. We beleven tijden van verschrikkelijke geloofsafval, van ontzettende zedelijke verwildering, die geen enkele familie spaart en die heel de samenleving ontreddert. Menselijkerwijze zijn we geneigd te denken dat de toestand hopeloos is en dat de gehele wereld onafwendbaar naar een catastrofe snelt. Er zijn tekenen aan de wand, vele tekenen die het ergste doen vrezen.

Goddank, er zijn ook tekenen van hoop. Op kleine schaal is er een nieuw geestelijk ontwaken, een heropstanding waar te nemen. Steeds meer ’mensen van goede wil’ worden zich bewust dat het zo niet verder kan, dat er een ommekeer moet komen. Er wordt opnieuw gebeden…, er zijn bekeringen!

Op tal van plaatsen verschijnt de Moeder Gods. De Koningin der apostelen staat in de branding van een nooit geziene wereldwijde strijd tussen de hemelse machten en de satanische vernielers. Steeds opnieuw roept Zij haar met ondergang bedreigde kinderen op tot bekering, gebed en offer. Sterk ’als een leger in slagorde geschaard’ gaat Zij voorop in de strijd met de wapens van nederigheid, onthechting, reinheid en liefde. Volgens Gods grote belofte zal Zij de kop van het Serpent verpletteren.

En daarom zijn wij mensen van blijde hoop. Zij die ’bekleed is met de Zon‘ wijst ons naar onze Redder, haar Zoon Jezus, de grote Overwinnaar over zonde en dood, de verrezen Heer die ons een plaats heeft bereid in het Koninkrijk van de alles omvattende en alles overtreffende heerlijkheid van Vader, Zoon en H. Geest.

Voor zeer velen, helaas, heeft die hoop geen betekenis meer: zij hebben God en godsdienst uitgebannen en terwijl ze in wilde waan menen te grijpen naar vrijheid en recht omklemt de Satan hen in de verslavende greep van drift en hoogmoed die de ware liefde doodt en elk geluk vernielt.

‘De toestand is ernstig’, zo luidt de uitspraak van de Heer. Dit is ongetwijfeld de reden waarom Hijzelf vandaag zijn Boodschap van liefde, barmhartigheid en redding hernieuwt om, naar zijn eigen woord, ‘de grote hoop te redden’.

De toestand is ernstig: de wereld is ziek; zelfs ’in de Kerk is de rook van Satan binnengedrongen’ (Paulus VI). Alleen de liefde kan de wereld redden…

Een merkwaardig dagboek

Een opmerkelijk verschil met het eerste deel van de Boodschap bestaat erin dat het dagboek van Marguerite praktisch volledig wordt gepubliceerd. Hierdoor krijgen we inzage in nagenoeg alle teksten en meditaties die door Marguerite werden neergeschreven.

Dit biedt een groot voordeel. Vooreerst omdat we hierdoor een buitengewoon klaar en volledig beeld krijgen van de geestelijke groei die Marguerite doormaakt. Op zichzelf is dit boeiend en interessant. De bedoeling van deze teksten gaat echter veel verder. De Boodschap is gegeven aan alle mensen, aan ieder van ons persoonlijk. De Boodschap is niet het bevoorrecht stukje privécadeau voor de boodschapster; zij is bestemd voor heel de wereld, voor ieder land, voor ieder stad, voor iedere gemeente, voor nader mens, voor u en voor mij.

De Boodschap is de aangrijpende luide oproep van de Heer, persoonlijk tot mij en tot u. De Heer staat voor de deur en Hij klopt aan. Marguerite getuigt dit: ‘Wat Hij van mij verlangt, dat verlangt Hij van allen, maar allen weten het niet!’ Marguerite is de eerste, maar allen zijn geroepen.

Daarom is dat dagboek van Marguerite zo boeiend, verhelderend en bemoedigend. Zij is een model, waardoor wij onze eigen geestelijke strijd en de moeilijkheden van elke dag beter leren kennen en begrijpen. In Marguerite herkennen wij onszelf.

Haar vragen en twijfels zijn de afbeelding van onze eigen vragen en twijfels. Haar strijd en haar moeilijkheden zijn ook onze strijd en moeilijkheden. Haar ervaringen van pijn, lijden en moedeloosheid zijn de weergave van onze eigen ervaringen van pijn, lijden en moedeloosheid. Haar opbeuring, hoop en vreugde zijn onze eigen opbeuring, hoop en vreugde.

Welnu, als wij de Boodschap gaan gebruiken als een levensboek, een bestendige lichtbaken en krachtbron die door Jezus zelf worden aangereikt, ontvangen wij tegelijk, doorheen het voorbeeld van de geestelijke opgang van Marguerite, een buitengewone aanmoediging om de oproep van de Heer edelmoedig te beantwoorden.

Als wij de Boodschap steeds meer gaan gebruiken als een boek voor dagelijkse overweging en voor dagelijkse beleving, zal Hij ons leven leiden, zoals Hij het leven van Marguerite leidt. We zullen inzicht krijgen en ook kracht, om door te zetten en vol te houden.

Hierbij zal het levend model dat Marguerite voor ons is in de strijd van elke dag, doorheen dorheid, onbegrip en schijnbare verlatenheid, lichamelijke en psychische uitputting, ons moed en sterkte geven. Want de Heer koos geen model van grote lichamelijke kracht, maar van zwakke tengere onmacht, geen model van buitengewone psychische grootheid en sterke gemoedsrust maar van geringe en kleine zielsvermogens en een wankel gemoed.

Hij heeft een kleine ziel gekozen als model opdat zijn kleine zielen niet ontmoedigd, maar bemoedigd zouden worden.

Waarom is zij, ondanks alles, een model? Omdat zij, naar mate ze zich kleiner en zwakker voelt, zich nog meer toevertrouwt aan de Heer van wie ze alles verwacht. Zij wil wat Jezus wil. Vertrouwen en overgave zijn de sleutel op Jezus’ Hart.

Marguerite: ‘Was mijn verlangen om uw Wil te doen niet zo sterk, dan bleef ik hier niet. Ik ben zo moe; en ik voel me zo ziek. Kan ik U dan niets anders aanbieden dan mijn klagen?’

Jezus: ‘Ik ben hier om het aan te nemen en in liefde om te zetten. Laat Mij begaan en dank Mij voor alles. Wist ge maar hoezeer Ik u bemin!’

Een handleiding voor ons geestelijk leven

Het leven is een strijd. Het gaat om een geestelijke strijd in de zin van wat het Evangelie leert: ’Denkt niet dat Ik vrede ben komen brengen op aarde; geen vrede, maar het zwaard ben Ik komen brengen (Mt. 10,34) ’.

Het gaat om de strijd tegen onze ik-gerichtheid, tegen de verleiding van de wereld, de jacht naar genot en bezit, tegen de listen van de duivel die ons voortdurend zoekt te kwellen en te ontmoedigen, een strijd tegen gemakzucht en menselijk opzicht, een strijd om onszelf te verloochenen en Christus na te volgen… een strijd om God echt ’boven alles’ te beminnen en onze naaste als onszelf… om Hem.

In die zin is de Boodschap in de eerste plaats een handleiding, een vademecum, die ons elke dag aanspoort en bemoedigt om nauwer verbonden te leven met Jezus, de Vorst van vrede, die redding, heil en geluk brengt in volheid die alles te boven gaat.

Onze pelgrimstocht, doorweven met vreugde en pijn, doorheen tegenkanting en onbegrip, wordt rijk weerspiegeld in de Boodschap:

Jezus: De tegenspoed in uw leven laten Mij toe u te leren uw ’ik‘ opzij te zetten. Ik wil dat ge heilig wordt. Maar gij, wilt ge dat wel?

Marguerite: Ja, ik wil het, maar ik ben bang! 

Jezus: Waar zijt ge bang voor?

Marguerite: Voor het lijden.

Jezus: Gij zult nooit meer zijn dan een weerspiegeling van mijn lijden. Ik maak het draaglijk voor uw menselijke natuur. Maar Ik zeg u: heiligheid bestaat niet alleen uit lijden; zij kent ook haar vreugdemomenten; en die zijn altijd in verhouding met het lijden, in een harmonisch evenwicht. Dit evenwicht bereikt ge door uw overgave aan de Liefde… Deze zal uw ziel optillen tot een ongeëvenaard geluk. Ge ziet het! Hier ben Ik, dicht bij u… zo dicht dat Ik alle vezels van uw wezen doordring.

Zo zien we voortdurend hoe Jezus als een goede Herder, het leven van Marguerite leidt en haar onderricht om zichzelf aan Hem toe te vertrouwen en steeds meer te gaan leven in zuiver geloof en met edelmoedige liefde. De Heer zelf onthult zijn voortdurende werkzame liefde voor de geliefde van zijn Hart.

Jezus: De Liefde is levend en werkzaam. De Geest waait waar Hij wil. De gelovige blik omvat het heelal. Alle mensen zijn geroepen om Gods Rijk op aarde te vestigen. Mijn geredden! Geliefden van mijn Hart! De kennis van mijn Liefde voor de nederigen! De tederheid van mijn Hart voor de edelmoedigen! Het baren van de Liefde in het Kruis. De hoop op Heil door menselijke zwakheden heen. Overvloed van hemelse goederen voor de zachtmoedigen en armen van deze wereld. Vertrouwen en volharding van hen die zich op Mij verlaten en zich overgeven aan mijn Wil. De diepte van de ware Liefde, die zich een weg baant door de lagen van egoïsme en egocentrisme. De belofte van een God die mens werd uit liefde. En tenslotte, de hemelse glorie voor hen die zich alleen in de Liefde verheffen, die klein blijven en bewust van hun onmacht zonder Mij. Overweeg de rijkdommen die ik u onthulde. Aanbid Mij in geest en waarheid. Ik geef u zielen, opdat ge ze op uw beurt aan Mij zoudt geven”. (Boodschap van 8 januari 1977)

Heerlijke bladzijden zijn dat, meer dan één meditatie waard. En daartegenover zien we Marguerite die zich onbeholpen en klein weet; maar sterk in vertrouwen en edelmoedig in liefde de weg volgt die de Heer haar aanwijst.

Marguerite: ‘Ach, Heer, uw klein instrument verdient niets. Het is pijnlijk voor mij dat ik er niet in slaag me beter te beheersen, dat ik tekort schiet in geduld. Het lijkt wel of kleingeestige gevoelens mij leiden, zoals wrevel, bitterheid, prikkelbaarheid. Nochtans, zodra ik in mijzelf keer, stel ik vast dat het slechts schimmen zijn, een façade die de allerkostbaarste schat verbergt; de goede God, de Barmhartige Liefde. De strijd in mijn ziel tussen mijn natuurlijke neigingen en de stuwkracht van de Liefde, doet haar gelijken op een onmetelijk slagveld, waar tegengestelde krachten in een hardnekkige kamp tegen elkaar optornen. De Liefde zal overwinnen, want ik wil alleen de wapens van de Liefde gebruiken en alles op afstand houden wat tegen de Liefde ingaat’. (Boodschap van 11 januari 1977)

Zo zien we voortdurend hoe in de Boodschap een God van liefde, waarvan de Barmhartigheid en Goedheid al ons denken mateloos overtreft, ons onvermoeibaar en geduldig tracht duidelijk te maken hoezeer Hij ons liefheeft en hoe Hij de Weg en de Waarheid is die wij mogen bewandelen, om steeds inniger met Hem verbonden te leven en één te worden in de alles omvattende en alles overtreffende Liefdegemeenschap van Vader, Zoon en Heilige Geest.

De Boodschap van Jezus samenvatten lijkt me niet aangewezen, omdat hierdoor haar rijkdom van fijne schakering en treffende raakheid verloren zou gaan. De Boodschap bezit een onuitputtelijke diepgang van gevoelens en gedachten die voor miljoenen mensen redding, heil, opheldering en kracht zullen brengen. Dit is het werk van de Heer! Het is ons groot voorrecht dat we die rijkdom in ons hart tot begrip en dieper inzicht kunnen laten rijpen in dagelijkse stille overweging.

De Boodschap wil dat de kleine zielen – dat is de overgrote massa over heel de wereld – tot wasdom kunnen komen in de erkenning en de liefde van hun Redder die voor hen stierf op het Kruis.

Jezus, de God-mens, de Verrezene leeft. Hij roept luid opdat allen Hem zouden horen. Alleen de Liefde kan de wereld redden! Voor wie het ganse boek voorlopig nog moet ontberen, volgt hier een buitengewoon rijke instructie van de Heer:

’Wilt ge uw mensheid wijzer maken? Weersta ze met uw wil, verankerd in de Mijne. Wenst ge Vrede die alles te boven gaat? Zie toe hoe Ik leef in u. Wilt ge geluk kennen hier op aarde? Koester dan geen andere verlangens dan de Mijne. Wilt ge dieper doordringen in de Liefde? Tracht dan allen lief te hebben. Wilt ge vergeten? Denk dan slechts aan Mij. Wilt ge werkelijk leven in Mij? Leef van Mijn Heilige Eucharistie. Wilt ge kracht vinden om uzelf te verzaken? Kom ze halen in Mijn Hart. Wilt ge tederheid ervaren? Ik geef u Mijn moeder. Wilt ge middelen kennen om in heiligheid te groeien? Volg Mijn heiligen na, vooral hen die naar de maat zijn van uw kleine ziel. Uw zwakheid kan veranderen in kracht. Wilt ge dat? Kom dan elke dag bij Mij in het inwendig gebed. Ge bekijkt Mijn afbeelding, ge beschouwt Me van dichtbij. Verlangt ge Mijn geheimen te kennen? Ik onthul ze voor u, omdat Ik u bemin. Gij hebt geen geheimen voor Mij, want Ik ken uw ziel veel beter dan gij ze zelf kent. Ik ben de Zoon van God. IK BEN GOD. Gij zijt een dochter van de aarde. Ge geeft Mij uw mensheid; Ik geef u Mijn Godheid. En dit verband maakt u tot een dochter van de hemel en een dochter van de Kerk, die Ik als erfdeel aan de wereld heb geschonken. Beminnen is offeren, naar de maat die u gegeven is... (Boodschap van 15 januari 1977)

J. De Coster,
Ondervoorzitter van het LKZ – Gent

Uit; Het Legioen Kleine Zielen, Tijdschrift van het Legioen Kleine Zielen van het Barmhartig Hart van Jezus, Uitgever G. de Winter, Deurne, Zeventiende Jaargang, Nr. 4, December 1989, blz. 34-39.

Bewerking voor website Legioen Kleine Zielen.wordpress.com door pastoor Geudens

Armand Ory: De deugd van zuiverheid

Door Pastoor A. Ory

(Uit: Tijdschrift ‘Het Legioen Kleine Zielen’, December 1989, blz. 14-19)

Een moderne slogan 

Tegenwoordig hoort men links en rechts de slogan ’veilig vrijen’. Dit wil niet zeggen dat een verliefd paartje ongestoord wat kan minnekozen in een of andere romantische dreef. Het is wat zwaarder geladen. Door ’vrijen’ bedoelt men tegenwoordig voor- en buitenhuwelijksbetrekkingen, en ’veilig’ wijst erop dat men alle ongewenste gevolgen wil vermijden. Deze zijn tegenwoordig tweevoudig: geen kind en geen aids.

De eerste vereiste wordt dan het gebruik van voorbehoedsmiddelen. Het condoom wordt aangeprezen als de bekroning op het werk.

Ondanks alle voorzorgen gebeurt het toch nog vaak dat er ongewenste zwangerschappen tot stand komen. Heel vaak is dit het geval bij jongeren die nog niet gehuwd zijn of nog niet ongehuwd samenwonen. Voor hen blijft dan vaak de oplossing ’abortus’. In vele landen is de straf op abortus opgeheven. In België ijvert men ervoor om die ’achterstand’ op andere ’moderne’ landen in te halen.

Men gaat hierbij voorzichtig te werk en men beweert dat men abortus alleen wil toelaten in ’noodgevallen’. Dit begrip is uiteraard zo rekbaar en zal met de jaren zo uitgebreid zijn dat alle gevallen noodgevallen zijn.

Aanvankelijk was het ook zo met de voorhuwelijksbetrekkingen. Die werden op zeker ogenblik ook aanvaard door sommige moralisten, maar in aller-uiterste gevallen. Bij manier van spreken op de vooravond van het huwelijk. Sindsdien is die vooravond zodanig uitgebreid dat velen er zich gewoon niet meer aan storen.

Volgt hieruit niet dat de vrije seksualiteit de nieuwe afgod geworden is waaraan duizenden mensenlevens geslachtofferd worden? Duizend op het altaar van de aids en tienduizend op het altaar van de abortus. Dit is de realiteit, waarin onze moderne maatschappij leeft. Nooit in de geschiedenis van de mensheid werden zoveel mensenlevens geofferd aan één godheid.

Leden die zich inzetten voor dierenbescherming worden door iedereen geacht. Zij die het opnemen voor het ongeboren mensenleven worden door velen gehoond. En wie durft zijn stem nog te verheffen tegen de joelende massa, die geen brood en spelen meer eist, maar vrije seksbeleving zonder enige beperking van buitenaf.

Immoreel? 

Zowel de voorstanders als de tegenstanders van abortus verwijten hun tegenpartij immoreel te handelen.

De tegenstanders van abortus verwijten de voorstanders uiteraard dat zij ’immorele praktijken’ huldigen. Het immorele ligt er dan in dat men een mensenleven doodt. En doden is zedelijk niet geoorloofd, in strijd met de Tien Geboden.

De voorstanders van abortus draaien de beschuldiging om en verwijten de tegenstanders immoreel te zijn. Zij redeneren vanuit het belang van de moeder die geen kind verlangt en er toch eentje verwacht. Daarom spreken geleerde doktoren van gezwel in plaats van foetus. Een gezwel mag men verwijderen, een foetus niet. Er is nog nooit een aap geboren uit een menselijke foetus. En uit een gezwel groeit noch een mens noch een aap. En waarom zou een foetus niet als een beginnend mensenleven beschouwd mogen worden?

Zo gezegd omdat de moeder het niet ervaart als een kind, maar als een ongewenste indringer. Zij zou derhalve handelen in een soort van wettige zelfverdediging. In dat geval wordt de moraliteit van de menselijke daad omgekeerd. Wat immoreel is wordt moreel en wat moreel is wordt immoreel verklaard. Met andere woorden wat zedelijk goed is wordt zedelijk kwaad en vice versa.

Beleven wij meteen niet de ommekeer van de moraliteit? Om de druk van een ongewenste zwangerschap (dit zal weldra de inhoud worden van noodsituatie) op te heffen, eist men het recht op abortus, het recht dus op het doden van een aankomend mensenleven. Dat men een leven vernietigt, wordt niet in aanmerking genomen; dat men de druk van een zwangerschap, die hinderend is, opheft, wel.

De moraliteit wordt dan vastgeknoopt, niet meer aan het leven van het ongeboren kind, maar aan de druk die weegt op de moeder met een ongewenst kind. Zulke moeder bevrijden van haar druk wordt dan goed; zo moet ook het doden van het ongeboren kind goed gepraat worden. Tegenwoordig neemt men inderdaad aan dat deze daden geen misdaden meer zijn, maar goede daden. Men eist dat de burgerlijke wet dat soort goedheid erkent. Daarom wil men het verbod op abortus opheffen. Het uitschakelen van een leven wordt als een ’goed’ ervaren. Maar vaak is het zo dat wat men als ’goed’ ervaart in feite slecht is.

De erfzonde 

Een van de christelijke waarden, die tegenwoordig in de prullenmand verdwijnt is de leer van de erfzonde. Deze houdt voor dat de menselijke natuur ten dele bedorven is ten gevolge van de zonde van de eerste mensen, misleid door de satan.

Sommigen verzetten zich tegen het bestaan en de werking van de duivel en ook tegen de zondeval van de eerste mensen, omdat het niet binnen de ervaring onder te brengen is. Anderen aanvaarden nog dat ze de gevolgen, namelijk de ’slechte neigingen’ en het inwilligen van de slechte neigingen, namelijk de zonden, in hun eigen leven ervaren.

Tegenwoordig wordt ook deze ervaring geloochend. Men schaft de slechte neigingen af en verklaart alles in de mens goed. Vooral op gebied van de seksualiteit is deze omkanteling van de morele orde tot uiting gekomen. Vroeger en ook nu nog in een klein deeltje van de katholieke Kerk, gold en geldt het zesde en negende gebod: ’Doe nooit wat onkuisheid is – Wees ook kuis in uw gemoed’. Thans is de slagzin in de plaats gekomen: ’Veilig vrijen’. Wat zonde is voor God, wordt genot voor de mens, in casu seksueel genot. Alles mag op voorwaarde dat men zijn partner geen geweld aandoet. Als het maar ’uit liefde’ geschiedt is alles toegelaten. Zo luidt de nieuwe moraal.

Bewust of onbewust heeft men meteen de verdorvenheid van de menselijke natuur (dus de erfzonde) opgeheven en kleeft men de fundamentele goedheid van die natuur aan. Daarom wordt ook het seksueel genot in alle vormen goedgepraat.

Wie spreekt nog over erfzonde? Wie spreekt nog zoals de jezuïeten weleer over ‘agere contra’, zich verzetten tegen de slechte neigingen? Hiermee haalt men meestal niet veel succes. Jongeren verlangen veeleer dat men hun driftenleven aanvaardt en goedpraat. Zeker niet afraadt of verbiedt.

In de seksualiteit kan men inderdaad het duidelijkst van al nagaan hoe het gesteld is met de menselijke natuur. Het is moeilijk de juiste opvatting hieromtrent aan te kleven. Op onze dagen is de diepste onderstroom dat elke vorm van seksbeleving ’goed’ is. Niet alleen binnen, maar ook en vooral buiten het huwelijk. Niet alleen in het vooruitzicht van voortplanting, maar ook en vooral afgezien daarvan. In de tijd van de heiligen Franciscus en Dominicus was er een andere stroming tot stand gekomen, die van de katharen (de reinen), die zich kantten tegen elke vorm van seksualiteit, niet alleen buiten, maar ook binnen het huwelijk, niet alleen los van de voorplanting, maar ook in het vooruitzicht van de voortplanting.

De katholieke Kerk huldigt het principe vanuit de erfzonde dat er goede en slechte seksualiteit is. Zij vraagt kuisheid in het huwelijk door een goed gebruik van de seksualiteit, zij vraagt zuiverheid buiten het huwelijk door onthouding van voor- en buitenhuwelijksbetrekkingen. Dit zijn de grote lijnen van het zesde en negende gebod.

In ‘Humanae Vitae’ vraagt de Kerk kunstmatige voorbehoedsmiddelen niet te gebruiken, omdat hierdoor gezondigd wordt tegen de opdracht van vruchtbaarheid. Velen wensen tegenwoordig geen christelijk en zelfs geen burgerlijk huwelijk meer aan te gaan.

Toch wil men ongestoord elke vorm van seksualiteit beleven. Hierbij geeft men zichzelf gelijk en laat men de Tien Geboden vallen, om te beginnen het zesde en negende gebod. Geven wij toe dat dertig jaar geleden er in feite maar twee verboden bestonden in de Tien Geboden, het zesde en het negende. Stellen we anderzijds ook vast dat in diezelfde tijd de vrije seksualiteit zodanig is toegenomen dat haast niemand nog spreekt of durft spreken over de Tien Geboden.

Het abortusdebat [in 1989] in België

De laatste tijd is de abortuskwestie boven op de agenda gekomen in de Belgische politiek. Het morele aspect wordt zoveel mogelijk omzeild of gewoonweg op zijn kop gezet, althans door de voorstanders ervan.

Aan dokter Renard, befaamd gynaecoloog uit Leuven (en dus bij veronderstelling katholiek) heeft men ook zijn mening gevraagd. Hij was uiteraard tegen abortus, en stelde als oplossing voor een meer rationeel gebruik van de voorbehoedsmiddelen. Uit ervaring weet hij dat vele jongeren ’onbesuisd’ overgaan tot ’vrijen’, zonder te denken aan beveiliging. Meestal is het ook zo dat men overvallen wordt door de hartstocht en het genot en dat men niet eens denkt aan mogelijke gevolgen.

Uit deze raadgeving, die verondersteld wordt als zijnde een raad vanuit de katholieke hoek, is af te leiden dat de mogelijkheid om af te zien van dat soort ’vrijen’ eigenlijk geen haalbare oplossing meer is. In feite had de dokter kunnen en moeten verwijzen naar de Tien Geboden, naar het zesde en negende gebod: Doe nooit wat onkuisheid is. Welnu, seksuele betrekkingen voor het huwelijk zijn niet geoorloofd; zij zijn zelfs zondig en in bepaalde omstandigheden zwaar zondig. Deze bedenking kwam zelfs niet meer op in de geest van de dokter. In plaats van te verwijzen naar de deugd van zuiverheid, verwees hij liever naar condoom of iets analoogs. Op die manier zou abortus vermeden kunnen worden. Is het geen teken aan de wand, dat een uitgesproken katholieke gynaecoloog, na zelf ongetwijfeld opgevoed geweest te zijn aan de hand van zesde en negende gebod, niet eens meer vermoedt dat er nog wat anders bestaat als oplossing dan een beter gebruik van voorbehoedsmiddelen.

Ook hij – en samen met hem praktisch gans Vlaanderen, en zelfs praktisch gans het christelijke Westen – moet toch niet erg bewust zijn van het feit dat voorhuwelijksbetrekkingen tussen mensen die wellicht niet eens denken aan samen trouwen, moreel niet kunnen en dus zondig zijn.

Is dit antwoord geen impliciet bewijs dat de moderne mens het zondige of het verbodene door God niet meer erkent in hetgeen objectief doodzonde van onkuisheid is. Is dit niet het impliciet bewijs dat men ook het zondige in de mens ’goed’ vindt? Is dit niet het impliciet bewijs dat men de menselijke natuur als zodanig volledig ’goed’ vindt.

Een geloofsboek voor jongeren 

Op de boekenbeurs te Antwerpen begin november 1989 werd een nieuw ’Geloofsboek voor jongeren’ aangeprezen. Ook in het parochieblad heeft het in een volledige pagina warme aanbeveling gekregen (23.11.1989).

Over het begrip ’geloof’ wordt daar een zeer verdachte stelling verkondigd, die helemaal in de lijn ligt van boven vermelde praktische levenskeuze. Op de rugzijde wordt omschreven wat volgens hen ’geloven’ is.

Citaat: “Mensen die in God geloven, beginnen dus alvast met te geloven in de wereld en in de mensen. Want God heeft ze reeds ’tof’ bevonden. Geloven doet je dus op een bijzondere wijze naar wereld en mensen kijken. Het is midden in de werkelijkheid, in het volle leven staan en zien dat het goed is.”

De volle werkelijkheid, waarin men staat is onder meer de vrije seksbeleving, het zoeken naar veilig vrijen. Het geloof, dat uitgeschreven wordt in dat geloofsboek voor jongeren, is dan ontdekken dat o.m. de mensen die dat doen niet verkeerd maar juist handelen.

De bijzondere wijze van naar die mens te kijken is ontdekken dat hij ‘goed’ is. Wordt aan de jongeren meteen niet geleerd dat de menselijke natuur goed is? Wordt dan meteen ook niet geleerd dat elke uitvinding, ook die van de voorbehoedsmiddelen, en het gebruik ervan, ‘goed’ is? Indien de menselijke natuur fundamenteel goed is, wordt zonde uitgesloten. Dan zijn de Tien Geboden overtollig.

Een uitvinding van mensen 

Tegenwoordig wordt vaak geleerd dat de Tien Geboden helemaal niet van God komen, maar een uitvinding zijn van mensen. Wat erin staat zou overeenkomen met de eisen van het leven. Met hun eigen geweten zouden mensen het kunnen vinden. Pas achteraf zouden sommigen beseffen dat de ontdekking die ze zelf gedaan hebben een spreken van God zou zijn.

Nu is het wel even onduidelijk hoe mensen in de tijd van Sodom en Gomorra, die dan toch niet zoveel beter was dan de onze, in staat zouden geweest zijn op eigen kracht te ontdekken, dat er een zesde en negende gebod nodig is om het mensdom overeind te houden. Deze ontdekking van mensen lijkt ons des te meer verbazingwekkend nu we merken dat een geleerde dokter van katholieken huize, na zoveel jaren lang gehoord te hebben van en geleefd te hebben volgens het zesde en negende gebod, niet meer tot het besef kan komen dat de oplossing voor het abortusprobleem niet het condoom is, maar wel de deugd van zuiverheid.

Indien de deugd van zuiverheid, zogezegd een uitvinding is van mensen uit een voorwetenschappelijke periode, en het veilig vrijen een uitvinding is van mensen uit onze tijd, zou men kunnen zeggen dat de ene uitvinding de andere overstijgt. Moesten de Tien Geboden en inzonderheid het zesde en negende gebod toch een richtlijn van God zijn, dan zou die wellicht ook nog waardevoller zijn dan de vrije seksbeleving van thans. Misschien moet het mensdom nog zwaarder geteisterd worden door aids om opnieuw te vermoeden dat God deze Tien Geboden heeft aangereikt om overeind te blijven ondanks een gevallen natuur.


Zeer Eerwaarde Heer Pastoor Armand Ory werd geboren te Hoepertingen (Belg. Limburg) op 10 januari 1927 en overleed, uitgeput van zijn noeste arbeid, in de Heer te Sint-Truiden op 9 november 2002. Hij werd priester gewijd te Luik op 22 juli 1952. Was leraar te Genk en te Borgloon en daarna gelijktijdig pastoor te Hendrieken-Voort en Gelinden (Belg. Limburg). Na zijn scheiding van de Kleine Zielen werd hij stichter-schrijver van “Sint-Lambertus kring”. Bij zijn overlijden hield dit op te bestaan. Zijn belangrijkste werk tijdens zijn leven was het aanbieden aan de H. Kerk van de “Funktionele Exegese”, boek met imprimatur van Mgr. Heuschen, over de historiciteit van de Evangeliën, en een aantal boeken waarin deze exegese op de Bijbel (N.T.) wordt toegepast.

Overlijdensbericht pastoor Ory: http://www.inmemoriam.be

Verdieping in de werken van pastoor Ory: Op de KULeuven KADOC  (Katholiek documentatiecentrum) zie hun website; https://kadoc.kuleuven.be

Uit; Tijdschrift ‘Het Legioen Kleine Zielen’, Orgaan van het Legioen Kleine Zielen van Het Barmhartig Hart van Jezus, Uitgever G. De Winter, Deurne, Zeventiende Jaargang, Nr. 4, December 1989, blz. 14-19.


Armand Ory: ‘De priester in het gedrang’

424051Gidsen en Herders gevraagd 

Iedereen weet dat in het vrije Westen een dreigend gebrek aan priesters bestaat. Menig pastoor is de laatste in zijn parochie. Binnen een tiental jaren zullen de meesten van hen niet meer fungeren, omdat ze dan te oud zullen zijn of reeds gestorven. En nieuwe kandidaten zijn uitermate schaars. De toestand is dramatisch. Normaal zou er een noodkreet moeten opstijgen: Priesters gevraagd! Asjeblieft! Dringend! Priesters gevraagd!

Sommige mensen lanceren een heel andere kreet, met weglating van het verlangen naar priesters. Hun noodkreet is: ’Gidsen en herders gevraagd’. Men voelt blijkbaar nood aan gidsen, die de juiste weg kunnen tonen; men voelt blijkbaar minder nood aan priesters.

De vele nieuwe ambten en diensten te midden van het Godsvolk laten vermoeden dat het priesterschap, zo niet afgeschreven, dan toch op het achterplan geraakt is in deze moderne tijd. Een gewezen seminarist, die onlangs de cursussen volgde in een opleidingscentrum en thans als jonge priester in de pastoraal werkzaam is, vertelt dat hij eigenlijk nooit duidelijk het profiel van de priester ontwaard heeft in zijn cursussen ter zake.

Stel u voor dat een student-geneeskunde of een student-ingenieur tijdens zijn opleiding moeite zou hebben om het profiel van geneesheer of ingenieur te ontwaren in zijn cursussen! Wat ondenkbaar is in deze profane opleiding, is soms werkelijkheid geworden in de priesteropleiding.

Waar nog het profiel van de priester ontwaren in het bos van ambten en diensten, van gidsen en herders? Normaal zou het profiel van de priester in een grootseminarie moeten stralen uit de cursussen zoals een lichtbaken schijnt voor matrozen op zee. Het zou de blikvanger bij uitstek moeten zijn, om veilig de haven binnen te varen.

Vele seminaristen hebben de indruk tijdens hun opleiding dat ze naar hun ideaal, het priesterschap, moeten zoeken als naar een verdoken rietstengel in een rietveld. Een onooglijk sprietje tussen duizenden andere stengels. Waarom is het ideaal van het priesterschap zo diep in de verdrukking geraakt? Heeft dit te maken met sociologie of met theologie, en zo ja, met wat soort van theologie? Is het priesterbeeld door een sociologische context te herijken?

Een gulden middenweg 

Iedereen wil een gulden middenweg bewandelen. Ook op dit gebied wordt de stelling gehuldigd: ‘Grondovertuiging is dat niet alleen een clericale maar ook een priesterloze kerk een scheefgetrokken kerkbeeld is.‘

Dat een priesterloze Kerk binnen de catholica een scheefgetrokken situatie voorstelt, weet iedereen. Heeft het evenwel nog zin te spreken over een ‘clericale Kerk’ in dit tijdsbestand, nu de vooruitzichten op die priesterloze toestand verre van utopisch zijn?

Wat wordt bedoeld met een ’clericale Kerk’? Een Kerk waarin de clerus de perken te buiten gaat; te veel machtsvertoon aan de dag legt; te zeer haar wil opdringt aan anderen?

Vijftien jaar geleden stonden velen nog als priester in het onderwijs met een haast uitsluitend profane leeropdracht: Latijn, Grieks, Frans, wiskunde, geschiedenis. Behoorden dergelijke priesterleraars toen en ook nu nog tot een ’clericale Kerk’, omdat zij als priester profane vakken onderwezen in een katholieke school?

Of is een clericale Kerk, een kerk waar een ’priester’ hoofd is van de eredienst? Heet men voortaan een parochie met inwonende priester een clericale parochie? En trekt dat inwonen de situatie scheef, in de ogen van sommigen die het wegvallen van de priester toejuichen?

Bestaat in Polen, bestaat in Joegoslavië een scheve situatie omdat de seminaries er proppensvol zijn? Werkt het groot aantal roepingen de ‘clericale Kerk’ soms in de hand? Aansluitend bij de jongste Synode over de opleiding van de priesterkandidaten stonden bisschoppen uit het Westen verbaasd, toen bisschoppen uit het Oostblok vertelden dat zij er zoveel roepingen hadden.

Bij deze confrontatie kregen bisschoppen uit het Westen ’medelijden’ met die bisschoppen uit het Oostblok, omdat zij niet voldoende professoren en gebouwen hadden voor hun kandidaten. Zij stelden onmiddelijk voor hun professoren te sturen naar de seminaristen achter het IJzeren Gordijn. Hadden zij niet beter enkele priesters van daar naar hier uitgenodigd als missionarissen in onze ontkerstende landen?

Of zou het kunnen dat er juist zoveel roepingen zijn in het Oostblok, omdat zij er dat soort professoren missen, die in het Westen Kerk en Evangelie, paus en priesterschap in twijfel trekken? Vormen rijkgevulde seminaries wel een scheefgetrokken Kerk, omdat er dan ‘priesters’ benoemd kunnen worden op alle belangrijke posten in de Kerk? Of zijn vele en goede roepingen het bewijs van een oergezonde Kerk?

Moest men tussen een Kerk zonder priester en een Kerk met overvloedige roepingen een gulden middenweg zoeken, waarbij de priester schaars geworden is en vele kansen geboden worden aan gidsen en herders van allerlei slag? Is dat wel degelijk een voorbeeld van gulden middenweg? Of is dat veeleer een symptoom van geestelijke teloorgang?

Thans zijn de rollen omgekeerd. Vroeger moesten priesters vaak profane vakken doceren; thans worden godsdienstlessen meestal door leken gegeven, waarvan niet altijd gevergd wordt dat ze ‘gelovig’ zijn. In sommige kringen volstaat het dat een godsdienstleraar ‘neutraal’ informatie doorspeelt over een of andere godsdienst, zoals een priesterleraar ook neutraal informatie kan overbrengen aan zijn leerlingen over Griekse mythologie. Ook worden lekentheologanten opgeleid om stap na stap zoveel mogelijk openstaande functies in het kerkelijk leven in te palmen.

Wat beogen mensen die zo’n kerkpolitiek voeren? De opbloei of de afschaffing van het Christendom? Beide zijn mogelijk.

Sommige priesters krijgen de indruk liefst zo snel mogelijk te moeten verdwijnen. Sommige erfgenamen van mijnheer pastoor kijken deze laatste de deur uit. Velen gaan akkoord met de volgende keuze: ’Parochies zonder ter plaatse wonende pastoor. Welke uitdaging en welke kansen brengt dit met zich mee?’

Dat sommige bisschoppen en gelovigen desondanks het wegvallen van de priester als de ’ramp der rampen’ beleven, lijken zij niet te beseffen. Breng honderd, breng duizend gidsen en herders bijeen, zij zijn niet in staat één H. Mis op te dragen. En dat is veruit het voornaamste wat onze gelovigen nodig hebben.

Jezus heeft geen nieuwe godsdienst gesticht!

Wie argwanend staat tegenover het priesterschap, houdt er ook vaak bizarre ideeën op na over Jezus. Zo schrijft een gekend theoloog: “Jezus wil geen nieuwe godsdienst stichten. Hij heeft niet de bedoeling een apart Godsvolk of een nieuwe religieuze groepering naast Israël op te richten. Hij wil integendeel heel Israël werven voor deze beslissende heilsdoorbraak”. 

In deze bewering zijn uiteraard betrouwbare en niet-betrouwbare elementen versmolten. Waar is, dat Jezus heel Israël heeft willen werven voor zijn beslissende heilsdoorbraak. Toch heeft Hij een totaal nieuwe godsdienst gebracht. Waarom zouden de wetgetrouwe joden anders zijn dood geëist hebben? Joden weigerden een mens als God te aanbidden, zelfs indien deze mens keizer van Rome was. Toch aanbaden joodse volgelingen van Jezus – onder meer de twaalf apostelen – de mens Jezus als God.

Het Christendom belijdt trouwens deze godheid van Jezus als een van de hoofdpunten van zijn openbaring. Treedt het Christendom hierdoor alleen reeds niet aan als een gloednieuwe godsdienst? Het Jodendom aanbidt geen Godmens; het Christendom wel. Of mag men achterste voor redeneren. Wie niet meer aanvaardt dat Jezus een nieuwe godsdienst heeft gesticht, twijfelt misschien ernstig aan zijn godheid?

Deze godheid was wel degelijk geopenbaard door Jezus. Het is geen hoedje dat zijn volgelingen Hem op het hoofd hebben gezet. Als sommige moderne theologen dat toch beweren, verkondigen zij dan een nieuwe waarheid, of een oude dwaalleer?

Laatste Avondmaal zonder priesterwijding?

In dezelfde lijn wordt hier en daar verkondigd: “Zo is het een duidelijk anachronisme te zeggen dat Jezus op het Laatste Avondmaal zijn eerste priesters heeft gewijd.”

Wat bedoelt men met deze uitspraak? Anachronisme betekent iets uit een latere tijd plaatsen in een vroegere tijd of vice versa. Iets wat niet past bij een bepaalde tijd. Zo beweren sommigen dat de priestertoga een ’anachronisme’ is in onze tijd, een overblijfsel uit het verleden, hier of daar nog gehandhaafd door iemand die de evolutie gemist heeft. Een attribuut voor Bokrijk.

Betekent deze bewering wellicht dat het priesterschap niet door Jezus is ingesteld, maar een uitvinding is van latere datum en onterecht overgeheveld werd naar het Laatste Avondmaal?

Of is de auteur belust op spitsvondigheden als hij beweert dat Jezus geen priesters heeft gewijd op dat moment? Om priesters te wijden draagt een bisschop steeds een kazuifel. Jezus heeft geen kazuifel gedragen, noch bij de wijding van de apostelen tot priester, noch bij het opdragen van zijn eigen offer op Calvarië.

Volstaat dit ontbreken van een kazuifel evenwel om te zeggen dat het een duidelijk anachronisme is te zeggen dat Jezus op het Laatste Avondmaal zijn eerste priesters heeft ‘gewijd’?

Of wat moest Jezus nog meer doen dan zeggen aan zijn apostelen: ‘Doet dit tot mijn gedachtenis’, om vissers om te vormen tot priesters? Toch worden dergelijke ideeën doorgespeeld aan sommige priesterkandidaten.

Als Jezus geen nieuwe godsdienst gesticht zou hebben, is het ook wel logisch dat Hij geen priesters voor die godsdienst heeft ‘gewijd’. Als Hij wel een nieuwe godsdienst heeft willen stichten, is het even logisch dat Hij gezorgd heeft voor priesters in die nieuwe godsdienst met als gloednieuwe taak: ‘Doet dit tot mijn gedachtenis’. Hierdoor is de priester van het N.T. totaal verschillend van de priester van het O.T.‚ omdat Jezus’ nieuwe godsdienst, het Christendom, ook grondig verschilt van het Jodendom.

Een ecclesiologische kernvraag

Het begrip ’hiërarchie’ is bij velen tegenwoordig in discrediet geraakt. Priester Poppe had zijn spiritualiteit destijds nog opgebouwd, naast Eucharistie en Mariadevotie, op het grote belang dat hij hechte aan de hiërarchie, te weten paus, bisschop, priester.

Tegenwoordig zijn velen allergisch geworden van het begrip ’hiërarchie‘, omdat men het niet meer christelijk, maar veeleer marxistisch invult.

Een Franse ecclesioloog schrijft: “Al te lang is deze articulatie (van verantwoordelijkheid) gedacht volgens het schema clerus-leken. Mede onder druk van de heersende maatschappijmodellen heeft deze tweedeling zich in de geschiedenis verhard tot een strakke opdeling tussen bestuurders en onderdanen, leraars en luisteraars, celebranten en passieve participanten. Dit model was misschien aangepast aan de vroegere agrarisch-hiërarchische maatschappij. Maar het functioneert niet meer in onze verstedelijkte en hoog-technische wereld met zijn veralgemeend onderwijs en zijn functionele relaties. Dit model kon ook niet op een bevredigende manier de verantwoordelijkheid binnen de gelovige gemeenschap articuleren. De priesters werden overgewaardeerd en losgehaakt van de gemeenschap. Met een eigen macht bekleed konden zij als het ware op zichzelf priester zijn. Deze ’autonomisering’ van de clerus had als keerzijde een ’religieuze diskwalificering’ van de overige gelovigen. Zij konden niet echt participeren in het creatieve zoeken rond geloofsverwoording en liturgische gestaltegeving, in de opbouw van de gemeenschap en de liturgische gestaltegeving.” 

Wellicht is de huidige malaise rond de priester in de Kerk te begrijpen vanuit deze omschrijving. Het komt er op neer dat voorheen de priester over- en de gelovige onder-gewaardeerd werd. Wellicht waren er in de ogen van de auteur toen te veel priesters die te veel te zeggen hadden en breekt nu in zijn ogen de tijd aan waarin de priester in aantal en in invloed drastisch afslankt en de gelovige aangroeit in participatie.

Of deze visie christelijk of onchristelijk is valt te onderzoeken. De auteur geeft blijk geen jota begrepen te hebben van wat een katholieke Kerk is en haar bedienaar de priester. Hij beoordeelt de Kerk als een van de honderden maatschappijen. Volgens de marxistische maatschappij-analyse deelt hij de kerkleden op in heersers en onderdrukten: bestuurders, leraars en celebranten enerzijds, onderdanen, luisteraars en participanten anderzijds.

Deze opdeling is in zijn ogen verkeerd en houdt een scheefgetrokken kerkbeeld in stand. Hij gaat er alleszins tegen aan. Vroeger paste dat, volgens de auteur, wellicht in een agrarisch-hiërarchische maatschappij, thans functioneert dat niet meer in een verstedelijkte wereld.

De clerus was autonoom, hij had het voor het zeggen, de overige gelovigen konden niet echt deelnemen in het creatieve zoeken rond geloofsverwoording, liturgie, opbouw van de gemeenschap en dienst aan de wereld, zo beweert hij.

Het zou natuurlijk ook kunnen dat het aangevochten kerkbeeld wel het juiste kerkbeeld was en is, en dat het aangeprate kerkbeeld totaal scheefgetrokken is. Dit is de uitdaging die ons voorgelegd wordt. Dat moet onderzocht worden.

In het ene geval juicht men, in het andere geval treurt men als de priester op onze dagen verdwijnt of althans afslankt. Biedt het wegvallen van de priester in onze parochies reuzekansen voor leken, of luidt dat de teloorgang van Kerk en Christendom in?

In deze context is er sprake van een agrarische-hiërarchische maatschappij. Wil dit zeggen dat de hiërarchie van de Kerk (paus, bisschop, priester) voorbijgestreefd is, nu iedereen onderwijs genoten heeft?

De Kerk een eigen maatschappij

Hoofdfout in deze redenering is de vergetelheid dat de Kerk een maatschappij ’sui generis’ is. Als maatschappij heeft de Kerk een totaal eigen structuur en dat is te verklaren vanuit haar goddelijke oorsprong.

Zij is in het leven geroepen door Jezus Christus, die ons een totaal nieuwe waarheid geopenbaard heeft. Alle geloofsmysteries overstijgen het menselijk vernuft. In het Evangelie staat deze openbaring opgetekend.

De hiërarchie, van paus tot priester, staat rechtstreeks in dienst van deze openbaring, om ze integraal en onvervalst door te spelen aan de gelovigen. Dit heeft niets te maken met klassenstrijd of standenverschil.

Heeft Jezus niet gezegd: ’Gaat en onderwijst alle volkeren.’ Impliceert dit niet dat de gemandateerden trouw voortverkondigen aan de gelovigen wat Jezus geopenbaard heeft en de Kerk voorhoudt te geloven? Natuurlijk zijn er dan leraars en luisteraars, celebranten en participanten. Zelfs een hoogleraar aan een universiteit, die heel de dag door doceert, is in wezen luisteraar tegenover het leergezag van de Kerk, behartigd door de hiërarchie. Niet omdat de leden van de hiërarchie slimmer zouden zijn dan hoogleraars, maar omdat zij een wijsheid doorspelen, die hun door Jezus geopenbaard werd.

In deze context heeft de gelovige niet het recht creatief te zoeken of Jozef toch de natuurlijke vader van Jezus kan zijn, niet het recht te loochenen dat Maria lichamelijk maagd is, en niet het recht te loochenen dat Jezus God is. De geloofsverwoording hoort finaal niet thuis bij de man in de straat, maar bij het officieel leergezag van de Kerk. Waarom? Deze hiërarchie heeft als taak trouw de openbaring van Jezus te handhaven; gelovigen aan de basis zijn er tegenwoordig vaak op uit eigen waarden en waarheden, die opgang maken in een bepaalde tijd en in een bepaald land, als geloofsinhoud te nemen.

De teksten van canon en consecratie mogen bv. niet ‘creatief’ samengeknutseld worden in een of ander liturgisch atelier. Als de gelovigen hier hun eigen gang gaan en formules bedenken die indruisen tegen de gegevens van de hiërarchie, trekken zij de Kerk scheef. En niet andersom. Door de auteur wordt min of meer gesuggereerd dat de Kerk scheef staat, als de priester zijn liturgische voorschriften onderhoudt in trouw aan de hiërarchie, en dat ze recht staat als iedereen creatief zijn eigen liturgie zou bedenken.

Hierdoor zou het mysterie van de werkelijke aanwezigheid in de H. Hostie het eerste punt zijn dat kwijtgespeeld wordt. Dit is het centrale punt van het laatste Avondmaal, tijdens hetwelke Jezus gevraagd heeft: ‘Doe dit tot mijn gedachtenis.‘

Een mens kan met zijn verstand niet begrijpen hoe een stukje brood werkelijk het Lichaam van Christus kan worden, hoe een slokje wijn werkelijk het H. Bloed van Christus kan worden. Om dat mysterie te omzeilen proberen heel wat liturgische ateliers nieuwe formules te bedenken, waarin dat grondmysterie naar menselijke maat vertaald wordt.

De priester, als trouw lid van de hiërarchie, staat deze knutselaars in de weg, omdat ze dan hun eigen bedenksels niet aan de man kunnen brengen. Het rechte kerkbeeld wordt door sommige voorgangers en -gangsters scheef genoemd. Vandaar een aanval op de hiërarchie in het algemeen en op de priester in het bijzonder. Voorlopig hem natuurlijk nog niet afschaften. De priester kan alleen vervangen worden door de priester, schrijft de auteur, maar als hij niet vervangen wordt grijpen wij de kans van ons leven.

Jezus was een leek

Wie over het priesterschap nadenkt, komt uiteindelijk terecht bij Jezus, aan wie elke priester zijn wijding ontleent. De auteur blaast warm en koud over het priesterschap van Jezus. Citaat: Jezus behoorde niet tot de priesterklasse. Hij was zo je de term al kunt gebruiken, een leek”.

Deze formule is vatbaar voor kritiek. Dat Jezus niet thuishoorde in de Joodse priesterklasse, zoals Zacharias, de vader van Johannes de Doper, is juist. Als daaruit afgeleid wordt dat Jezus een ‘leek’ was, wil dit zeggen dat Jezus ook geen priester genoemd mag worden van het N.T. want leek wordt bij ons gebruikt als tegenhanger van priester.

Misschien zou een juistere formule zijn: Jezus behoorde niet tot de Joodse priesterklasse, maar Hij was de eerste hogepriester van het Nieuwe Verbond en als dusdanig was Hij geen leek.

Men kan moeilijk onwetend zijn over de Hebreeënbrief, die Jezus de enige, echte ’hogepriester’ noemt. Waarom Jezus dan tussendoor een ‘leek’ noemen, dat bij ons betekent ’geen priester’?

Wie een aanval beraamt op het priesterschap doet er natuurlijk goed aan de oorsprong van het priesterschap bij Jezus in vraag te stellen, of daaromtrent verwarring te zaaien.

Jezus’ kruisdood wordt meteen in het gedrang gebracht. Wie het offerkarakter van de H. Mis wil aanranden, doet er best aan dit reeds in de kiem te smoren, nl. bij Jezus’ eigen kruisdood. Velen hebben tegenwoordig moeite met Jezus’ kruisdood, als zijnde meer dan een fiasco, nl. als bewerker van de verzoening van het zondige mensdom met God. Hier en daar leest men bij een theoloog het volgende: “Zijn kruisdood is geen ritueel sacrificie maar de uiterste en brutale consequentie van zijn godsdienstig leven dat zich vertaalde in radicale mensendienst. Dat kruis was ook geen zoenoffer om een vertoornde godheid te bedaren.” 

Dit kan ’listig proza’ genoemd worden. Tegen de leer van de Traditie in worden woorden als ’sacrificie’ en ’zoenoffer’ ontkend, maar op een listig aanvaardbare wijze. Sommigen beweren zo ook dat in bepaalde gevallen ’officiële’ bedevaarten verboden zijn, wat juist is, om hierdoor de idee te verspreiden dat ’bedevaarten’ zonder meer verboden zijn, wat onjuist is. Zo wordt nu beweerd dat Jezus’ kruisdood geen ’ritueel’ sacrificie is, wat waar is, om stiekem te leren dat het geen ’sacrificie’ zonder meer is, wat verkeerd is.

Het ’sacrificie’ van Jezus op het kruis is inderdaad geen ‘ritueel’ offer; anders moest Jezus de gepaste gewaden hebben aangetrokken, die een priester draagt tijdens de rituele plechtigheden. Jezus was daarentegen zelfs van zijn gewone klederen beroofd.

Het gevaar is evenwel niet denkbeeldig dat menig lezer elk offerkarakter van Jezus‘ kruisdood leert loochenen, na gelezen te hebben dat het geen ‘ritueel’ sacrificie is.

De auteur gokt daarbij verkeerd omtrent de doodsoorzaak bij Jezus‘ terechtstelling, als hij beweert dat deze te verklaren is door zijn radicale ‘mensendienst‘. Dit is ‘larie’ die wel vaker als theologie op de merkt wordt gebracht.

In verband met het begrip ‘zoenoffer’ blaast hij koud en warm tegelijk. Misschien is het geen zoenoffer om een ’vertoornde godheid te bedaren’, zoals in de heidense religies, maar het zou verkeerd zijn daaruit af te leiden dat Jezus’ kruisdood geen ‘zoenoffer’ is zonder meer. En dit wordt blijkbaar gesuggereerd. Veiligheidshalve komt Sint Paulus toch ook ter sprake waarin de ’verzoening’ dan weer wel aan bod komt: ‘God was het die in Christus de wereld met zich verzoende’ (2 Kor. 5,19).

Waarom ja en neen schrijven op éénzelfde bladzijde? Dan is de auteur in staat zich wit te wassen als hij aangevallen wordt voor heterodoxie, en kan hij toch zijn eigen visie verkondigen, in de overtuiging dat het kwaad sterker is dan het goede, de leugen rapper is dan de waarheid.

Aan de hand van de Boodschap

Beëindigen wij deze benadering van de huidige aanval op het begrip priester met een citaat uit de Boodschap van Jezus’ barmhartige Liefde: “Vraag mijn priesters, dat ze mijn volk herbronnen in de Liefde en de Waarheid. De priester draagt het merkteken van zijn God, het is onuitwisbaar en als zodanig heeft hij recht op de diepste eerbied vanwege al mijn kinderen. De dwaling en de ontrouw van sommige leden van de Heilige Kerk kan het Stempel niet uitwissen waarmee de Heer hun ziel gemerkt heeft. Bidt met grote naastenliefde voor uw priesters die blootstaan aan verschrikkelijke bekoringen. Mijn kleine zielen, stelt uw trouw en uw liefde tegenover de machten van het kwaad die de wereld beheersen met hun ketterijen. Blinden leiden blinden op dit ogenblik. Ze hebben alle zin voor de bovennatuurlijke realiteiten verloren en de mens is een god geworden voor de mens. Ze aanbidden wat ze moesten verbranden. Op listige wijze doden zij God in de zielen. De liefde heeft antennes die de golven van het kwaad opvangen en deze teniet doen. Maar wie de liefde niet heeft is verloren” (2.5.1971).

Armand Ory

Zeer Eerwaarde Heer Pastoor Armand Ory werd geboren te Hoepertingen (Belg. Limburg) op 10 januari 1927 en overleed, uitgeput van zijn noeste arbeid, in de Heer te Sint-Truiden op 9 november 2002. Hij werd priester gewijd te Luik op 22 juli 1952. Was leraar te Genk en te Borgloon en daarna gelijktijdig pastoor te Hendrieken-Voort en Gelinden (Belg. Limburg). Na zijn scheiding van de Kleine Zielen werd hij stichter-schrijver van “Sint-Lambertus kring”. Bij zijn overlijden hield dit op te bestaan. Zijn belangrijkste werk tijdens zijn leven was het aanbieden aan de H. Kerk van de “Funktionele Exegese”, boek met imprimatur van Mgr. Heuschen, over de historiciteit van de Evangeliën, en een aantal boeken waarin deze exegese op de Bijbel (N.T.) wordt toegepast.

Overlijdensbericht pastoor Ory: http://www.inmemoriam.be

Verdieping in de werken van pastoor Ory: Op de KULeuven KADOC  (Katholiek documentatiecentrum) zie hun website; https://kadoc.kuleuven.be

Uit; Tijdschrift ‘Het Legioen Kleine Zielen’, Orgaan van het Legioen Kleine Zielen van Het Barmhartig Hart van Jezus, Uitgever G. De Winter, Deurne, Achttiende Jaargang, Nr. 4, December 1990, blz. 9-17.


Rozenkrans Overwegingen bij de Blijde mysteries

Eerste mysterie: De Boodschap van de Engel Gabriël aan Maria

Jezus: Bemin de Waarheid. Aanvaard alles als van Mij komend. Kunnen jullie zeggen dat jullie Mij beminnen als jullie mijn onderwijzingen niet in praktijk omzetten? De gave van mijn liefde is gratis. Om ze te ontvangen is niets anders nodig dan jullie Ja-woord. (01 01 68)

Maria verwachtte zich waarschijnlijk niet aan een bezoek van de Engel. Zo zijn ook zoveel gebeurtenissen in ons leven onvoorzien…  Laat ons leren ze aan te nemen als zoveel bezoeken uit de Hemel en er met een uitbundig «Ja» op te antwoorden!

Tweede mysterie: Het Bezoek van Maria aan haar nicht Elisabeth

Marguerite:  Ter herinnering. Naastenliefde (Charité). Plicht van iedere Kleine Ziel tegenover de Naaste – Raadgevingen: Bezoek aan zieken, gehandicapten, invaliden. Tenminste zij die het kunnen. Hulp aan de behoeftigen. Proberen de te lenigen nood te raden verborgen onder de schijn… Vergeten wie men is, om zich beter te herinneren wie de ander is! (30 10 84)

Maria heeft de Zoon van God ontvangen, zij begeeft zich dadelijk op weg naar Judea. Zij kan de ontvangen Genade niet voor zich alleen houden, zij denkt aan haar bejaarde nicht die eveneens een kind verwacht. Moge de Heilige Geest onze harten verfijnen opdat wij mogen overwegen in welke richting wij moeten gaan.

Derde mysterie: De Geboorte van Jezus in Bethlehem

Marguerite: Eindelijk opent zich een deur voor het aanbiddelijk Kind dat gaat geboren worden: het is de Armoede die Het verwelkomt! Zalige Armoede die ons allen oproept tot het afleggen van het hebzuchtige “ik”. Zolang Jezus bij ons zal blijven, zal er nog zuiverheid bestaan op deze verdorven aarde! (18 07 77)

Wij zouden nooit moeten gewoon worden aan deze armoede waarin de Almachtige tussen de mensen heeft willen komen. Het is een essentiële les om ons eraan te herinneren dat de rijkdommen van de aarde te zeer vermengd zijn met de geest van het kwaad. De armoede is een bevoorrechte weg voor de zuiverheid van het hart.

Vierde mysterie: De opdracht van Jezus in de Tempel

Marguerite (zich tot Maria richtend):  Ik kijk naar uw Hart; maar uw ogen trekken mij aan en spreken tot mij; het is alsof U me zegt: “Geluk van uitverkiezing, smart van de goddelijke uitverkiezing. Alles vermengt zich: de vreugde welt in mij op, het lijden komt haar al gauw overspoelen. De aankondiging van het zwaard door Simeon, pijl van de Liefde die voor altijd in mijn hart is geboord.” (10 03 78)

Veertig dagen na de geboorte van Jezus ontmoet Maria het Kruis met de profetie van Simeon. Het geluk en de smart wonen reeds in haar samen. Maria wordt geassocieerd met het mysterie van een God vernederd in de menselijke waarde. Zouden wij een vreugde durven opeisen vrij van lijden?

Vijfde mysterie: Jezus wordt in de Tempel van Jeruzalem teruggevonden

M: Heer, ik vind U niet. Waarom verbergt Gij u?

J: Opdat ge Mij beter zoudt zoeken.

M: Maar waar U gezocht als Gij u verschuilt?

J: In de diepten van uw ziel, in de geheimenis van uw hart, waar Ik Mij graag schuilhoud. (08 04 67)

Gedurende drie dagen heeft Jezus zich verstopt. Maria en Jozef hebben er zich niet bij neergelegd. Zij hebben gezocht, zij hebben gelopen…  Soms verbergt Jezus zich ook voor ons. Gaan wij wachten en droevig zijn? Wil Hij integendeel niet de wens in ons wekken Hem terug te vinden?

Maandblad Stella, december 2016

Overgenomen uit; ‘Stella NL 2016 12logo

Inhoud:

  1. Geboorte van een ziel. Wedergeboorte van een ziel
  2. Rozenkrans: Overwegingen van de Blijde mysteriën
  3. Wat Jezus aan Marguerite zegt, is dat gericht aan iedere Kleine Ziel?

 

I. Geboorte van een ziel. Wedergeboorte van een ziel

Woord van Jezus (Boodschap 9 november 1978:

De geboorte of de wedergeboorte van een ziel is de grootste genade die de Heilige Geest kan geven. Bidt opdat gij uw geboorte trouw zijt en blijft, want een wedergeboorte is altijd pijnlijk.

De geboorte gebeurt in de vreugde en de zalving van de Heilige Geest, doorheen lijden, zelfverloochening, offers. Een wedergeboorte is de losprijs voor de liefde die men verloren liet gaan door ontrouw aan de genade, een losprijs die vereffend wordt met de steun van de oneindige Barmhartigheid.

De te beklimmen treden om herboren te worden zijn bezet met een reeks kwaadaardige dieren die de arme ziel willen beletten ze te bestijgen.

De Barmhartigheid bereidt voor hen die zij wil redden iedere trede voor naarmate zij bereid zijn zich in te zetten voor hun klim naar het Licht. De wedergeboorte begint niet zonder hinder, want de vijand lost zijn prooi niet gemakkelijk.

Een zachte stem nodigt de ziel met aandrang uit onbevreesd vooruit te gaan, … ondanks de onredelijke vrees die haar overvalt bij het zien van de boze dieren die haar aan beide kanten van de ladder bedreigen. Ondanks de bijzondere goddelijke hulp die de schipbreukeling vergezelt, pogen die dieren hem in hun greep te krijgen.

Dit is de reden van de vooruit- en achteruitgang van een ziel, die onder stuwing van de Geest van liefde, helemaal van leven wil veranderen, maar die nog steeds de invloed ondergaat van de geest der duisternis. Die geest tracht het licht dat naar de ziel toekomt af te schermen.

 

***   ***   ***

 

II. Rozenkrans Overwegingen van de Blijde mysteriën

 

Eerste mysterie: De Boodschap van de Engel Gabriël aan Maria

Jezus: Bemin de Waarheid. Aanvaard alles als van Mij komend. Kunnen jullie zeggen dat jullie Mij beminnen als jullie mijn onderwijzingen niet in praktijk omzetten? De gave van mijn liefde is gratis. Om ze te ontvangen is niets anders nodig dan jullie Ja-woord. (01 01 68)

Maria verwachtte zich waarschijnlijk niet aan een bezoek van de Engel. Zo zijn ook zoveel gebeurtenissen in ons leven onvoorzien…  Laat ons leren ze aan te nemen als zoveel bezoeken uit de Hemel en er met een uitbundig «Ja» op te antwoorden!

 

Tweede mysterie: Het Bezoek van Maria aan haar nicht Elisabeth

Marguerite:  Ter herinnering. Naastenliefde (Charité). Plicht van iedere Kleine Ziel tegenover de Naaste – Raadgevingen: Bezoek aan zieken, gehandicapten, invaliden. Tenminste zij die het kunnen. Hulp aan de behoeftigen. Proberen de te lenigen nood te raden verborgen onder de schijn… Vergeten wie men is, om zich beter te herinneren wie de ander is! (30 10 84)

Maria heeft de Zoon van God ontvangen, zij begeeft zich dadelijk op weg naar Judea. Zij kan de ontvangen Genade niet voor zich alleen houden, zij denkt aan haar bejaarde nicht die eveneens een kind verwacht. Moge de Heilige Geest onze harten verfijnen opdat wij mogen overwegen in welke richting wij moeten gaan.

 

Derde mysterie: De Geboorte van Jezus in Bethlehem

Marguerite: Eindelijk opent zich een deur voor het aanbiddelijk Kind dat gaat geboren worden: het is de Armoede die Het verwelkomt! Zalige Armoede die ons allen oproept tot het afleggen van het hebzuchtige “ik”. Zolang Jezus bij ons zal blijven, zal er nog zuiverheid bestaan op deze verdorven aarde! (18 07 77)

Wij zouden nooit moeten gewoon worden aan deze armoede waarin de Almachtige tussen de mensen heeft willen komen. Het is een essentiële les om ons eraan te herinneren dat de rijkdommen van de aarde te zeer vermengd zijn met de geest van het kwaad. De armoede is een bevoorrechte weg voor de zuiverheid van het hart.

 

Vierde mysterie: De opdracht van Jezus in de Tempel

Marguerite (zich tot Maria richtend):  Ik kijk naar uw Hart; maar uw ogen trekken mij aan en spreken tot mij; het is alsof U me zegt: “Geluk van uitverkiezing, smart van de goddelijke uitverkiezing. Alles vermengt zich: de vreugde welt in mij op, het lijden komt haar al gauw overspoelen. De aankondiging van het zwaard door Simeon, pijl van de Liefde die voor altijd in mijn hart is geboord.” (10 03 78)

Veertig dagen na de geboorte van Jezus ontmoet Maria het Kruis met de profetie van Simeon. Het geluk en de smart wonen reeds in haar samen. Maria wordt geassocieerd met het mysterie van een God vernederd in de menselijke waarde. Zouden wij een vreugde durven opeisen vrij van lijden?

 

Vijfde mysterie: Jezus wordt in de Tempel van Jeruzalem teruggevonden

M: Heer, ik vind U niet. Waarom verbergt Gij u?

J: Opdat ge Mij beter zoudt zoeken.

M: Maar waar U gezocht als Gij u verschuilt?

J: In de diepten van uw ziel, in de geheimenis van uw hart, waar Ik Mij graag schuilhoud. (08 04 67)

Gedurende drie dagen heeft Jezus zich verstopt. Maria en Jozef hebben er zich niet bij neergelegd. Zij hebben gezocht, zij hebben gelopen…  Soms verbergt Jezus zich ook voor ons. Gaan wij wachten en droevig zijn? Wil Hij integendeel niet de wens in ons wekken Hem terug te vinden?

 

***   ***   ***

 

III. Wat Jezus aan Marguerite zegt, is dat gericht aan iedere Kleine Ziel?

Door Pater Marcel

Hoe moet men de Boodschap van de Barmhartige Liefde lezen? Het zijn dialogen tussen Jezus en Marguerite. Hoe en wanneer worden deze dialogen tot iedere lezer gericht? In welke mate kunnen wij hier profijt uit trekken voor ons persoonlijk gebed of voor onze spirituele vorming?

Jezus heeft op deze vraag geantwoord in een boodschap die met zorg moet overwogen worden, want zij komt eerder uit de taal van het hart dan uit intellectuele overweging. Het is de boodschap van 3 januari 1980. Jezus zegt het volgende aan Marguerite:

“De woorden die Ik tot u richt zijn voor u. Zij moeten niet aangepast worden voor de anderen; maar ieder moet er zich aan aanpassen. Het is tot u dat Ik spreek; de anderen moeten profiteren van wat Ik u zeg, door mijn onderrichtingen in praktijk te stellen. Een gekregen tekst mag niet worden vervormd of aangepast, alsof hij voor iedereen was. Hij is voor allen bestemd, maar het is tot u dat Ik spreek. Een “jij” is geen “jullie”, een enkelvoud is geen meervoud. Niettemin verlang Ik dat het meervoud wordt met eerbiediging van de gesproken woorden, want alle mensen zijn mijn kinderen. Een aanpassing is mogelijk zonder de ontvangen tekst te verdraaien. De Boodschap is voor allen, maar het is aan mijn kleine bloem dat Ik ze gedicteerd heb! Een onderscheid dient gemaakt: geen woord veranderen van wat Ik zeg; maar een aanpassing van uw woorden is mogelijk, alhoewel Ik, die ze ontvang, ze als dusdanig wil, want Ik ben er de Bezieler van. Men kan niet zeggen: “Heer”, als men niet door mijn Geest bewoond wordt. En Ik pas alles aan, aan de normen van wie ontvankelijk is, wat het contrast tussen mijn Alles en uw kleine niets soms verscherpt.” (3 januari 1980)

Hieromtrent heeft de geestelijke leidsman van Marguerite een nota gepubliceerd voor de vertalers (nog steeds op 3 januari 1980):

De ontvangen tekst, zijn de woorden door Jezus tot Marguerite gericht. Zij mogen niet gewijzigd worden, bijvoorbeeld tijdens een vertaling in een andere taal om zich aan te passen aan een andere mentaliteit. Zij moeten vertaald worden in een tekst zo dicht mogelijk bij hetgeen Jezus tot Marguerite zegt. De lezer moet de woorden van Jezus voor zichzelf aanpassen. Wat de woorden van Marguerite betreft is een aanpassing mogelijk bijvoorbeeld om een plaatselijke uitdrukking, eigen aan Marguerite in een andere taal te vertalen en waarvoor men geen passende uitdrukking in deze taal vindt.

Aan mijn lieve vertalers en vertaalsters: indien jullie een uitdrukking vinden waarvan de betekenis duister lijkt, aarzel niet vragen te stellen aan jullie proost of aan mijzelf. Wij zullen trachten jullie een antwoord te geven…  in de zin waarin de tekst moet begrepen worden. – Pater Marcel


 

 

Gebedsavond Parkstad Terwinselen op 4 i.p.v. 3 november…

AANPASSING!

Voor: Gebedsavond in Parkstad Terwinselen.

In plaats van Donderdag 3 november zal de gebedsgroep op Vrijdag 4 november samenkomen!


 

Gebedsgroep LKZ Amsterdam 9 november op andere locatie

Extra mededeling

De Gebedsgroep Legioen Kleine Zielen te Amsterdam kan op 9 november a.s. geen gebruik maken van de Kapel O.L.Vrouwekerk aan de Keizersgracht.

Daarvoor in de plaats zal de gebedgroep samenkomen in de St. Agneskerk aan de Amstelveenseweg 161/163, 1075 XA Amsterdam.

Het programma zal nagenoeg hetzelfde zijn.

R.I.P. Tilly Willems (Brunssum)

img_1173

Foto: Mevrouw Willems op bedevaart naar Banneux en Chevremont op 6 mei 2015. Tilly is de mevrouw op de voorgrond, die net uit de bus is gestapt met de lichtblauwe jas, haar stok, tas en zonnebril.


Bidden wij voor onze trouwe kleine ziel Mevrouw Tilly Willems uit Brunssum. Voor Tilly wordt morgen op 13 oktober – de grote feestdag van O.L. Vrouw van Fatima!! – de uitvaart gevierd.

Moge Tilly in de voorspraak van Maria, O.L. Vrouw van Fatima, spoedig in de Hemel worden opgenomen!

Gebedsgroepen LKZ in Nederland

Gebedsgroepen

Gebedsgroep te Den Haag

2018 den haag

 

Gebedsgroep te Nijmegen 
2018 nijm
Gebedsgroep te Amsterdam
2018 amster
Gebedsgroep te Venlo
2018 venlo