Wie niet wordt als een kind

67080930_2119685718324486_2812427186231836672_nWie niet wordt als een kind

Door Frank Arits

Deze zin klinkt ons bekend in de oren. Het is een van de vele zinnen die Jezus gesproken heeft en die neergeschreven werden in het Nieuwe Testament. “Wie niet wordt als een kind, kan het Rijk der Hemelen niet binnen!” luidt de volledige zin. Hij geeft ons zeker te denken. Daarom willen we er wat tijd aan besteden en er eens rustig over mediteren.

Het woord ‘kind’ valt ons al meteen op en is hier beslist een kernwoord. Een kind is een mens van nog jonge leeftijd. Bepaalde lichamelijke en geestelijke aspecten moeten zich nog voltrekken en ontplooien. Desondanks is een kind toch al volledig mens, in het klein weliswaar. Enerzijds heeft het een lichaam met gevoelens, intellectuele capaciteiten en psychische rijpheid, alles aangepast aan zijn eigen niveau. Anderzijds bezit het ook een grote ontvankelijkheid en onbevangenheid. Wanneer Jezus spreekt over ‘een kind’ heeft Hij dit laatste zeker voor ogen. Het kind als mensje met een nog grote graad van zuiverheid en openheid op vele vlakken.

Typisch voor een kind is dat het iets ondubbelzinnig kan aannemen. Wanneer gezagspersonen of ouders het kind iets vertellen, zal het dit zonder veel vragen voor waarheid nemen. Wanneer het dit doet, zal het meestal ook consequent opvolgen wat het voor waar heeft aangenomen. Het zal woord en daad op elkaar afstemmen en vooral gewetensvol handelen op zijn eigen kinderlijke wijze. Een gemeend gesproken woord zal dus op een kind een grote uitwerking hebben. Daarom heeft men als volwassene ook de plicht een kind niet te beliegen of met een kluitje in het riet te sturen. Dat zou zeer oneerbiedig en een groot bedrog zijn voor de onschuldige kinderziel. Het kind kan in verwarring komen als het uiteindelijk achter de waarheid komt. Het kan dus in één ogenblik in zijn vertrouwen naar grote mensen toe geschokt worden. De gevolgen daarvan kan men nauwelijks inschatten. Ze kunnen zeer verstrekkend zijn en in het verdere leven negatief doorwerken. Eveneens kan het gevoel van veiligheid dat een kind heeft bij volwassenen een flinke deuk krijgen. Er rust dus een grote verantwoordelijkheid op ouders.

‘Zijn als een kind’ is voor Jezus in een ‘gezegende toestand’ zijn. Het is de bestaanswijze waarop een mens ontvankelijk en gevoelig is zeker voor God en zijn openbaringsgeschiedenis. De bijbelse woorden vinden weerklank in een zuiver, kinderlijk en eenvoudig hart. Nederig onderkent de mens dan wie hijzelf en wie God is. Dit hart wordt hevig bewogen door de liefde van de Heer. De openbaring van het Nieuwe Testament wordt levend, ze krijgt armen en benen en is in deze toestand zeker geen holle taal meer.

Ook het intellect van de mens mag zijn plaats hebben. Maar een rationalisme dat enkel zichzelf bewierookt en in technische en moeilijke constructies zichzelf en God verliest, is hiermee dus niet bedoeld. Alles heeft zijn plaats en kan tot zijn recht komen. Jezus vraagt enkel ‘openheid van hart’, ontvankelijkheid voor zijn zorg en liefde voor iedere mens. Wanneer men dan ook in die zin zijn kind-zijn verliest, is men eigenlijk alles kwijt. Het Schriftwoord zegt immers toch dat men eerst het Rijk Gods moet zoeken zodat al de rest u erbij gegeven zal worden. Het ‘kind-zijn van hart’ en het Rijk Gods vallen als het ware samen en vormen een hecht duo. Het ene hoort bij het andere, het ene leidt naar het andere en De Andere, God zelf dus. Dit alles zet men op het spel als het kind-zijn verloren gaat.

‘Zoekt en gij zult vinden’ is wederom zo’n ronkende zin die in dezelfde richting gaat. God die zich laat vinden als men ‘oprecht’ naar Hem zijn schreden richt. God wil ons ontmoeten van ‘hart tot hart’. ‘Zijn als een kind’ is een stap naar de grote en goede God. Hij heeft ons het kind-zijn als gave geschonken. Wanneer wij die gave aanvaarden, doen we eigenlijk niets anders dan antwoord geven. Angst hoort dan ook niet bij God, Hij die vriendelijk Licht is. Wij kunnen ons geheel aan Hem toevertrouwen. ‘Zijn als een kind’ moeten we dan ook als een kostbare gave koesteren. We moeten er ook gretig gebruik van maken bij de Godontmoeting wanneer wij bidden. De Heer immers geeft richting en zin aan ons leven. Zonder uiteindelijk en waarachtig doel voor ogen wordt alles uitzichtloos. Daarom ook is het ‘kind-zijn’ zo belangrijk. Je vindt het tevens terug in de zaligsprekingen met name “zalig de zuiveren van hart, want ze zullen God zien”. Dat is de fonkeling in de kleine stralende kinderogen die ontroert. Men merkt er iets van God zelf in. God die zich meedeelt in de zuiverheid van een kind. Dat maakt gelukkig en geeft kracht, moed en voldoening.

De hemeldeuren staan voor ieder van ons open. Met de beschreven gesteltenis van het ‘kind-zijn’ wordt het een groot feest dat op aarde bij momenten voelbaar en bijna aanraakbaar wordt maar eerst in de Hemel zelf zijn diepste voltooiing krijgt. Laten we het erop wagen want we hebben er niet ‘niets’ maar wel ‘veel’ bij te verliezen.

Uit; Het Legioen Kleine Zielen, Tijdschrift van het Legioen Kleine Zielen van het Barmhartig Hart van Jezus, Hasselt, 38ste Jaargang nr. 1, Maart 2010, blz. 13-15.

Artikelen Legioen Kleine Zielen

Artikelen op website Legioen Kleine Zielen Nederland

Mgr J.P. Delville: Brief aan de kleine zielen
Pater Marcel: Wij gaan binnen in het heilig Jaar van de Barmhartigheid
Mgr. E. de Jong: De Barmhartige liefde kwam opeens mijn leven binnen
* Mgr. E. de Jong: Jaar van Barmhartigheid
* Mgr. E. de Jong: Wie herinnert zich Marguerite niet?
J. de Coster: Het kruis: openbaring van Gods Liefde
J. de Coster: Inhoud van de Boodschap – deel 2
Pastoor M. Magnus: Het Eucharistisch Offer: centrum van heel ons gebedsleven
* Pastoor M. Magnus: Eucharistie als omvorming
Pater Hardon SJ: De Werkelijke Tegenwoordigheid van Jezus Christus in de H. Eucharistie
* Prof. Mag Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.: De H. Eucharistie
* Z.E.H. Luc Vanstraelen: H. Maagd Maria: ‘Ster van Hoop en Vertrouwen’

Pastoor A. Ory
Als gij niet opnieuw wordt als kleine kinderen
Wolven… binnen de omheining
De Boodschap lezen is bidden
Tekenen van Hoop 
De teloorgang van het geloof
De priester in het gedrang
De deugd van zuiverheid
De sleutel van het Rijk der Hemelen

‘Het zit in het bloed’ – bij Maria zit het níet in het bloed 
* Kindlief, ontvang de zalving van Mijn Geest
* Vaste Hoop, vrucht van geloof
* Ik geloofde in Gods liefde
* Zie, de dienstmaagd des Heren
* De kleine ziel en de Heilige Communie
* De Goddelijke Barmhartigheid
* Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt
* De Heilige Familie met de engelen. Rembrandt van Rijn, 1645
“Zalig de armen…” (Lc. 6,20)
* Pater Pio: Wees goed – wees ootmoedig – wees eenvoudig – wees zuiver

Marguerite
* Rouwbrief Marguerite z.g.
* Toespraak van Marguerite te Chèvremont

R. Jaouen 

* De Barmhartige Liefde zal zegevieren met medewerking van kleine liefde-kinderen
Wie is verantwoordelijk voor het goed of het kwaad?
* Uitspraken van Jezus over de kapel van de Barmhartige Liefde te Chèvremont
Boodschap: Priesters zorgt voor de zielen!

Sprokkels uit de Boodschap: 12 augustus 1965
Sprokkels uit de Boodschap: 24 april 1969
Sprokkels uit de Boodschap: 2 mei 1971
Sprokkels uit de Boodschap: 17 maart 1977  en  8 april 1977
Sprokkels uit de Boodschap: 29 maart 1979

H. Maagd Maria: ‘Ster van Hoop en Vertrouwen’

H. Maagd Maria: ‘Ster van Hoop en Vertrouwen’

Door Z.E.H. Luc Vanstraelen

Op 22 mei 1993 zegt Jezus tegen Marguerite: “Kind, gij hebt mijn Moeder een diamant geschonken. Het is een symbool dat Ik op prijs stel. Gij hebt haar de mooiste naam gegeven die Zij verdient: Ster van Hoop en Vertrouwen! Uw Moeder is gevoelig voor dit gebaar.”

Vanuit deze mooie Boodschap gaan wij in wat volgt enkele gedachten ontwikkelen over Maria. Het is goed dit artikel in een geest van gebed en rustige overweging te lezen. Daarom maken wij het even rustig in ons hart en bidden.

En Maria sprak: “Mijn hart prijst hoog de Heer, van vreugde juicht mijn geest, om God, mijn Redder: daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid van zijn dienstmaagd.” (Luc. 1,47-48a).

“God, hemelse Vader, met de woorden van de lofzang van Maria wil ik U prijzen omdat Gij ook nu nog altijd kleine en eenvoudige mensen uitkiest om uw woord met nieuwe levenskracht tot ons te laten komen. Open mijn ogen, opdat ik niet blind blijf voor de tekens die Gij mij geeft. Open mijn oren, opdat ik niet doof blijf voor de woorden die Gij tot mij spreekt. Open mijn mond, opdat ik niet met stomheid geslagen blijf neerzitten als iemand van mij verwacht dat ik spreek in uw Naam. Open mijn hart zodat het ontvankelijk wordt voor de aanwezigheid van Jezus, uw mensgeworden Woord, en uw Liefde in mij kan groeien. Open mijn verstand opdat ik eerlijk en oprecht mijzelf beter leer kennen. Vader, Zoon en heilige Geest, maak mij tot een waardevol werktuig van uw barmhartige Liefde. Amen.”

Op 15 augustus 1978 zegt Jezus: Mijn moeder is mijn Uitverkorene! Hoe meer ge Haar zult liefhebben, hoe meer ge Haar zult eren; en hoe meer Ik u zal liefhebben, hoe meer Ik u met gunsten zal overladen. De Moeder en de Zoon zijn innig verenigd, om u te beminnen en te beschermen… maar scheid nooit de Eén van de Ander. Koningin-Moeder van de kleinen; onthoud uit deze titel slechts dit: Macht en Moederschap. Ik heb u vrijgekocht met mijn Bloed dat voor uw zonden werd vergoten. Denkt ge er voldoende aan dat dit Bloed ook haar bloed is? 

Maria was geheel van God. Nooit zal iemand er in slagen in een intiemere verbondenheid met God te leven dan Onze Lieve Vrouw. De Dogmatische Constitutie over de Kerk, Lumen Gentium van het 2de Vaticaans Concilie zegt als volgt:

De Heilige Maagd Maria, van eeuwigheid samen met de menswording van het Woord Gods tot Moeder van God door een raadsbesluit van de goddelijke Voorzienigheid voorbestemd werd hier op aarde de milde moeder van de goddelijke Verlosser en op heel bijzondere wijze, voor alle andere, zijn edelmoedige gezellin en de nederige dienstmaagd van de Heer. Zij heeft Christus ontvangen, gebaard, gevoed, in de Tempel aan God aangeboden, bij de dood van haar Zoon op het kruis meegeleden samen met Hem; en aldus op volstrekt enige wijze aan het werk van de Heiland meegewerkt door haar gehoorzaamheid, haar geloof, haar hoop, haar vurige liefde, om het bovennatuurlijk leven van de zielen te herstellen. Daarom is zij, in de orde van de genade, onze moeder. (N. 61) 

En toch beroemt Maria zich geen enkel ogenblik van haar leven op deze grote uitverkiezing. Zij weet dat dit niet haar eigen verdienste is, integendeel. Zij is er zich heel goed van bewust dat alles wat haar gebeurt, het werk van God is. Daarom bezingt zij in haar Magnificat vol vreugde zijn lof met de woorden: “Mijn hart prijst hoog de Heer, van vreugde juicht mijn geest, om God, mijn Redder: daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid van zijn dienstmaagd’. ” (Luc. 1, 47-48a). In Maria zien wij weer opnieuw dat God de mens met andere ogen bekijkt dan de wereld dat doet. Hij kijkt naar het hart van de mens. Sint Paulus heeft dit heel goed gezien. Zo schrijft hij in zijn 1ste brief aan de christenen van Korinthe: Denkt maar aan uw eigen roeping, broeders. Naar menselijke maatstaf waren er niet velen geleerd, niet velen machtig, niet velen van hoge afkomst. Nee, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren, om de wijzen te beschamen; wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren, om het sterke te beschamen; wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitverkoren; wat niets is om teniet te doen wat iets is, opdat tegenover God geen mens zou roemen op zichzelf. Dank zij Hem zijt gij in Christus Jezus, die van Godswege heel onze wijsheid is geworden, onze gerechtigheid, heiliging en verlossing. Daarom, zoals er geschreven staat: als iemand wil roemen, laat hem roemen op de Heer.” (1,26-31)

Met deze laatste woorden verwijst Paulus naar de profeet Jesaja die ook zeer sterk benadrukt dat God Degene is die het initiatief neemt. Hij staat aan de oorsprong van al wat er gebeurt. Zo spreekt de Heer: De wijze moet zich niet beroemen op zijn wijsheid, de sterke niet op zijn kracht, de rijke niet op zijn rijkdom. Als iemand zich ergens op wil beroemen, dan moet hij zich erop beroemen dat hij inziet en erkent dat Ik, de Heer, genade schenk, en recht en gerechtigheid vestig op aarde, want daarin heb Ik welbehagen – godsspraak van de Heer. (Jes. 9, 22-23)

Wij willen nu even nadenken over de opdracht en de plaats van Maria en haar strijd tegen het kwaad en de duivel in de wereld. Maar tegelijkertijd ook onze eigen houding even onderzoeken aan de hand van enkele Boodschappen. Volgens de woorden van haar lofzang heeft God met welbehagen naar haar omgezien omwille van de kleinheid van zijn dienstmaagd. Dit is een zachte vertaling van een veel sterkere uitdrukking in het evangelie. Lucas spreekt niet over een dienstmaagd, maar over een slavin. Maria noemt zichzelf de slavin van de Heer. Dat is dus iemand die volledig toebehoort aan haar Heer met ziel en lichaam en die Hem ook onvoorwaardelijk gehoorzaamt. De liefde, het respect en de eerbied van Maria voor God is zo groot dat zij zichzelf met ziel en lichaam, met heel haar hart en heel haar geest, met al haar kunnen en talenten, in zijn dienst stelt. De woorden die Maria op het einde van de ontmoeting met de engel Gabriël uitspreekt getuigen ondubbelzinnig van deze bereidheid en overgave aan God: zie hier de ‘slavin’ van de Heer. Met andere woorden: “Mijn God, ik sta heel en al in uw dienst.” Door deze beschikbaarheid, door het uitspreken van haar onvoorwaardelijke overgave aan God, is zij de moeder geworden van de Messias, Jezus, de Christus.

De dogmatische Constitutie “Lumen Gentium”, van het tweede Vaticaans Concilie, zegt het in nr. 16 en nr. 61 als volgt:

Met geheel haar hart en door geen enkele zonde weerhouden, heeft zij de goddelijke heilswil aanvaard. Als dienstmaagd van de Heer heeft zij zich geheel en al aan de persoon en het werk van haar Zoon gewijd, om afhankelijk van Hem en met Hem, door de genade van de almachtige God, in dienst te staan van het verlossingsmysterie. Terecht zijn de Heilige Vaders dus van mening, dat God Maria geenszins als een louter passief werktuig gebruikt heeft, maar dat zij in vrijwillig geloof en gehoorzaamheid aan het verlossingsmysterie meewerkt. (N. 16)

Zij heeft Christus ontvangen, gebaard, gevoed, in de tempel aan God aangeboden, bij de dood van haar Zoon op het kruis meegeleden samen met Hem; en aldus op volstrekt enige wijze aan het werk van de Heiland meegewerkt door haar gehoorzaamheid, haar geloof, haar hoop, haar vurige liefde, om het bovennatuurlijk leven van de zielen te herstellen. Daarom is zij, in de orde van de genade, onze moeder. (N. 61)

Met dezelfde liefde en toewijding waarmee zij voor Jezus gezorgd heeft, is zij ook nu voor ons allen bekommerd. Maria is niet alleen de Moeder van de Messias. Zij is ook onze Moeder.

Wij lezen in N. 62:

Want ten hemel opgenomen, heeft zij deze heilbrengende taak niet neergelegd, maar door haar menigvuldige voorspraak gaat zij voort met ons de gaven van het eeuwige heil te bezorgen. Met moederlijke liefde draagt zij zorg voor de broeders van haar Zoon, die nu nog op pelgrimstocht zijn en in gevaren en angsten verkeren, totdat zij het gezegend vaderland bereiken.

In de Boodschap van 02 mei 1980 zegt de Vader: Moeder van God, Moeder van de mensen! Geloof in Haar, Geloof in mijn Liefde! Wees trouw: offer uw lijden op, mijn kindje! 

Jezus heeft zelf gewild dat zij ons aller Moeder werd. Van op het kruis heeft de stervende Jezus ons zijn Moeder geschonken.

In de Boodschap van 25 november 1978 zegt Jezus: Onder alle rijkdommen van hemel en aarde is mijn Moeder de schoonste gave, de meest bewonderenswaardige Schat. Mijn Moeder aan wie de zielen mijn Barmhartigheid, mijn geduld en mijn barmhartige goedheid verschuldigd zijn. Mijn Moeder is ook uw Moeder.

Op 3 december 1966 lezen wij: Als ge beter het Hart van uw lieve Moeder kende, zoudt ge mijn liefdegave meer op prijs stellen. Bemint haar, schenkt haar uzelf. Het is Mij veel aangenamer u uit haar handen te ontvangen. Kunt gij u voorstellen, dat Ik u zou verstoten wanneer zij Mij hulp en bijstand voor u vraagt? Wat is het bedroevend voor Mij wanneer Ik mijn Onbevlekte Moeder zo verwaarloosd zie tot in de kerken toe. Geef haar weer de verering die haar van rechtswege toekomt. Zij is mijn Moeder en de uwe. Verbindingsteken tussen ons. Ik zal genadig zijn voor degenen die haar oprecht liefhebben, haar die onophoudelijk bidt voor allen. Zij is de steunpilaar van mijn Kerk, niets ontsnapt aan haar waakzame blik. Zij is schrikwekkend voor de vijand. Vertrouwt u aan Maria toe. Zij zal Mij uw noden, uw zorgen en uw vreugden brengen. Vertrouwt op haar. Bemint haar met dezelfde liefde waarmee ge Mij bemint. Ik zal er niet jaloers om zijn. 

Maria is een waarachtig Godsgeschenk. Dit hebben ontelbare mensen reeds ondervonden. Dat was ook zo bij Marguerite. Door haar vertrouwen in onze Lieve Vrouw heeft zij de echte Jezus in haar leven ontdekt. Door haar vertrouwen in Onze Lieve Vrouw kreeg Jezus de kans zich te laten kennen.

Vandaar dat Jezus tot haar zegt op 07 december 1966: Groei in de beschermende schaduw van haar die u aan Mij gegeven heeft. Bemin haar en verspreid haar verering. Vooreerst door uw trouw. En dan door wat de genade u ingeeft. 

Marguerite krijgt hier niet alleen een opdracht, maar de volgorde waarom dit moet gebeuren is ook belangrijk. Jezus vraagt: Maria te beminnen, haar verering te verspreiden in een gesteltenis van volgehouden trouw volgens wat de genade haar ingeeft. Dit is een grondhouding die ook ons leven moet bezielen. Maria eren en beminnen en haar eredienst verspreiden is een opdracht die wij iedere dag vanuit een houding van fundamentele trouw moeten volhouden. Leven met Maria moet verankerd worden in ons hart. En dan zal de heilige Geest ons zonder enige twijfel ingeven welke voor ieder van ons persoonlijk de beste manier is om Maria te beminnen en haar verering te verspreiden. De trouw in het dagelijkse leven wordt dan de vruchtbare voedingsbodem om het goede zaad van onze inzet te laten opschieten. Wij moeten ons echt durven geven aan God. Zo zullen wij trouw zijn opdracht blijven vervullen. Wanneer wij ons jawoord schenken aan de Heer, gebeurt dat niet zo maar in een vlaag van ondoordachte edelmoedigheid. Wanneer wij ons ja woord schenken aan de Heer, dan is dat met de bedoeling trouw te blijven aan dit gegeven woord.

In dezelfde boodschap van 07 december 1966 zegt Jezus nog: Leven in staat van genade is het grootste geluk dat een ziel wensen kan, en Ik zal dit geluk verlenen aan wie het Mij oprecht vraagt. Een plant die geen water krijgt vergeelt, verslenst en sterft bij gebrek aan voedsel. Zo kwijnt de ziel en verkeert in doodsgevaar wanneer ze van genade verstoken blijft. Hoeveel zielen op deze wereld zijn reeds dood, ondanks hun gezond voorkomen dat soms mijn kinderen met de beste vorming misleidt. 

Schijn bedriegt. Ongeloof en dwaling worden zo vaak in mooie en aanlokkelijke kleedjes verpakt. Ze zijn dikwijls zo mooi en zo aanlokkelijk dat het ware geloof, de onvervalste leer van de Kerk en de echte Jezus van Nazareth, de mensgeworden God, onherkenbaar worden. Wij moeten altijd op onze hoede zijn en ons niet laten misleiden. Want het gebeurt spijtig genoeg meer dan eens dat mensen met gezag in de Kerk, een dwaalleer verkondigen. Ongemerkt sluipt het ongeloof binnen als een wolf in een schapenvacht. In het evangelie volgens Matheus (7,15) geeft Jezus ons de volgende waarschuwing: “Pas op voor de valse profeten, die naar jullie toe komen in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn”. Sint Paulus, in de Handelingen van de Apostelen (20, 29-30) roept te Milete de oudsten van de kerk van Efeze bij zich en geeft hun deze waarschuwing mee: “Pas op voor de valse profeten, die naar jullie toe komen in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn.” Ze zijn niet altijd onmiddellijk te herkennen. Vandaar het groot belang van het leergezag van de Kerk. Johannes schrijft niet zonder reden ‘in zijn eerste brief, (4,1): “Geliefden, vertrouw niet elke geest. Onderzoek de geesten, om te zien of ze wel van God komen, want onder hen die tot de wereld zijn uitgegaan zijn veel valse profeten.” En wanneer dan de opvolger van Sint Petrus, onze heilige Vader de Paus, hen tot de orde roept en hen wijst op de dwaalleer in sommige van hun stellingen en geschriften, zijn ze dikwijls te trots om hun mening te herzien. Kortzichtigheid of ongeloof in het ondoorgrondelijk mysterie van God belet hen te erkennen dat het wezen en de grootheid van de Almachtige niet met mensenwoorden te vatten is, laat staan te verklaren of te bewijzen. Veel theologen kunnen het mysterie, het per definitie onverklaarbare, niet meer aanvaarden. Zij hebben het moeilijk met de woorden van de engel Gabriël; ze kunnen ze niet meer geloven, laat staan ze in hun hart belijden. Maria daarentegen, was nederig van hart. Zij legde zonder enige voorwaarde te stellen heel haar toekomst in de handen van God. En alhoewel Zij geen geslachtsgemeenschap had met een man en dus ook geen moeder kon worden, was zij zo doordrongen van de grootheid en de almacht van God dat ze de engel Gabriël onvoorwaardelijk geloofde toen deze zei (Luc. 1,35b. 37): De heilige Geest zal over u komen, en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom zal wat ter wereld wordt gebracht, heilig genoemd worden, Zoon van God. Want voor God is niets onmogelijk. 

Dit laatste geloven velen niet meer. Er moeten bewijzen op tafel komen. Wat wetenschappelijk niet haalbaar of verklaarbaar lijkt wordt gerangschikt onder de noemer ‘beeldspraak of literaire vrijheid van de schrijver’. Ook wij zijn allemaal kinderen van onze tijd. Ook wij hebben dikwijls de neiging om voor alles wat het Evangelie en het Leergezag van de Kerk ons leert, een bewijs te vragen, zeker wanneer het om bovennatuurlijke gebeurtenissen gaat. “Eerst zien en dan geloven”, zo redeneren de mensen. Maar Jezus draait deze stelling om en zegt: “Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben”. (Joh. 20,29). Maria geloofde zonder gezien te hebben. En daarom wordt zij door alle geslachten “zalig” geprezen!

In de boodschap van 11 november 1967 lezen wij: De band tussen hemel en aarde is mijn Moeder. 

En op 25 november 1978 zegt Jezus: Hoe zou Ik kunnen weigeren naar Haar te luisteren en Haar te verhoren, die Mij door haar Fiat aan de wereld heeft gegeven om deze te verlossen. Haar smekingen? Ge kunt de ontroering van de Zoon bij het smeken van zijn Moeder niet begrijpen. Mijn Moeder zien wenen is ondraaglijk voor Mij.” 

God is een liefhebbende God die aandacht blijft hebben voor het wel en wee van zijn mensen. De hemel laat de aarde niet los. De vele verschijningen van Onze Lieve Vrouw de laatste 150 jaar zijn even zoveel vingerwijzingen van God. Telkens opnieuw roept Maria op tot bekering. Steeds weer opnieuw belooft Zij haar hulp en steun. Maar de mensheid is doof en hardleers. Bijvoorbeeld op de berg nabij La Salette in 1846 verscheen Onze Lieve Vrouw aan twee kinderen, terwijl de tranen uit haar ogen stroomden. Zij doet een vurige oproep tot bekering en klaagt vooral aan dat de mensen de eerste drie geboden van God niet onderhouden. De liefde voor God is ver te zoeken in het hart van velen. Zij weent omdat de zondag niet meer gerespecteerd wordt als de dag die toegewijd is aan God zelf. Zij weent omdat vele mensen de naam van haar Zoon voortdurend misbruiken en misprijzen door hun gevloek en godslasterlijke uitspraken. “Ik heb u zes dagen gegeven om te werken; de zevende dag heb Ik gereserveerd voor mijzelf en men wil hem Mij niet geven. De voerlui van de karren vloeken maar raak, met de naam van mijn Zoon op hun lippen…”. Zo spreekt Maria. Het valt op dat zij de woorden uit de Bijbel tot de hare maakt. In het boek Exodus 20,1.7-93.11 lezen wij: Toen sprak God al de woorden die hier volgen. Gij zult de naam van Jahwe, uw God, niet lichtvaardig gebruiken; want Jahwe laat degenen die zijn naam lichtvaardig gebruiken, niet ongestraft. Denk aan de sabbat; die moet heilig zijn voor u. Zes dagen zult ge werken en alle arbeid verrichten. Maar de zevende dag is de sabbat voor Jahwe, uw God. Dan moogt gij geen enkele arbeid verrichten. In zes dagen immers heeft Jahwe de hemel, de aarde, de zee met at wat er in is, gemaakt. Maar de zevende dag heeft Hij gerust en zo de sabbat gezegend en tot een heilige dag gemaakt. 

Wie de naam van God zonder enig respect of zonder liefde gebruikt of erger nog, wie de naam van God misbruikt, en wie geen tijd wil vrijmaken om naar God toe te gaan en naar Hem te luisteren in de kalmte en de rust van gebed en overweging, zal zeker niet beantwoorden aan de opdracht van het eerste en voornaamste gebod, waarop heel de wet, alle voorschriften en heel ons godsdienstig leven steunt, namelijk; gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en al uw krachten. Dit gebod kunnen wij het best beleven door naar onze medemens toe te gaan met dezelfde liefde als deze waarmee Jezus zelf ons bemint. Want wij zijn allen geschapen naar het beeld van God en geroepen om door het geloof dezelfde Vader in de hemel te beminnen en ernaar te streven uiteindelijk voor eeuwig bij Hem te leven. Maar wij zijn toch zo hardleers. Soms krijg je de indruk dat de mensheid in plaats van bij te leren, alles verleert wat waardevol is. Wij zijn koppig en eigenzinnig. Ik, ik, en nog eens ik. Ik ben degene die wel zal bepalen wat mag en niet mag, hoe ik mijn tijd besteed, met wie ik omga en in vrede wil leven. Ik zal wel aanduiden wie ik sympathiek vind en wie ik trouw blijf of niet. Ik beslis over leven en dood. Ik keur abortus en euthanasie goed. En als ik het niet kan verhinderen, klinkt mijn protest zo zwakjes dat het nauwelijks gehoord wordt, laat staan dat iemand er rekening mee houdt. In mijn protest spreek ik daar meestal alleen maar over in een kring van gelijk gezindten. Machthebbers, degenen die het voor het zeggen hebben, liggen niet wakker van mijn zwak verweer. En hoe reageer ik zelf? Misschien denk ik veel te vlug dat ik er toch niets kan aan veranderen. En dus laat ik maar betijen. Ik kan er toch niets aan doen.

God kent en begrijpt ons gevoel van onmacht. Maar Hij wil niet dat wij het opgeven of werkeloos blijven toekijken. In zijn boodschap op 17 februari 1981 zegt Jezus: Mijn Gerechtigheid zal uitvoeren waarvoor ze bestaat! Mijn Liefde zal uitvoeren waarvoor ze bestaat!

Jezus geeft niet op. Hij zal doen wat Hij moet doen. Zijn gerechtigheid en zijn liefde zijn geen dode woorden maar werkwoorden. Er moet iets gebeuren en dat zal ook gebeuren. Zo zijn ook wij geroepen om te doen wat God van ons vraagt, zonder angst en zonder menselijk opzicht, geïnspireerd en gedragen door het woord van God. Wij hebben het recht niet om te zwijgen. Het gezegde: “Spreken is zilver en zwijgen is goud” mag in veel gevallen vooral voorzichtig en waar zijn. Maar niet altijd. Wanneer christenen zwijgen als de Wet van God op grote schaal verloochend en verworpen wordt, lopen zij gevaar te vervallen in een toestand van schuldig verzuim. Zwijgen wordt als instemmen begrepen.

Jezus is het daar niet mee eens. In het vervolg van deze Boodschap lezen wij: Velen schikken zich gemakkelijk in hun ellende, zonder enige moeite te doen om er van af te geraken. Ze noemen zich “klein” tegenover Mij, maar in eigen ogen wanen ze zich groot en belangrijk! Wat kan de Liefde aanvangen in die blinde en dove zielen, die enkel medelijden hebben met zichzelf en die zich enkel om anderen bekreunen volgens hun eigen normen, die niet overeenstemmen met de Mijne? Ik wil zielen die meevoelen met de ellende van de wereld; zielen die door het lijden gelouterd zijn: geen stugge maar nederige zielen, bereid om te helpen en te bemoedigen.

En Hij besluit met deze woorden: Ik ben het die in mijn kinderen lijd! Wilt gij Mij niet troosten? Er is zoveel liefde, tederheid nodig om hen die pijn hebben, te helpen; zoveel fijngevoeligheid van het hart om iemand die lijdt te benaderen. Mijn kleinen! Weest nooit de oorzaak van het verloren gaan van een ziel, maar weest wel haar vooruitgang in de deugd waardig. Ik ben geduldige, edelmoedige, barmhartige Liefde. Ik ben geduldig om u te verdragen, edelmoedig in mijn gaven, barmhartig in mijn Vergiffenis. Doe hetzelfde omwille van mijn Liefde.

Soms vragen wij ons af waarom God zo lang en zoveel geduld met ons heeft. De geschiedenis van het Joodse volk is een aaneenschakeling van vallen en opstaan. God zendt zijn boodschappers, Godsmannen en profeten, om het volk te begeleiden en de rechte weg te wijzen. Maar steeds opnieuw dwaalt het af, want dit volk verkiest zijn eigen weg te gaan. Het loopt allerlei afgoden na en zoekt zijn heil in genot en egoïstisch eigenbelang. Wij zouden het al lang opgegeven hebben. Maar wij zijn ook maar mensen. Daarom zijn wij ook niet verwonderd dat ook Marguerite op een bepaald ogenblik in haar gebed aan God vraagt, waarom Hij Jezus tot ons heeft gezonden. De mensen hebben eeuwen lang reeds zoveel kansen gehad zich tot God te bekeren. En iedere keer verlaten zij het goede pad. Wordt God het dan nooit moe met het opnieuw te proberen? En dus vraagt zij aan de Vader op 20 mei 1979: “Waarom hebt Gij ons uw Zoon gegeven?

Jezus antwoordt in de naam van zijn Vader. Het tweede deel van dit antwoord klinkt verrassend nieuw en verdient zeker meer aandacht in de theologie van de Kerk. Jezus zegt: Om u te redden en omdat ge een Moeder nodig had die in staat is mijn Gerechtigheid af te wenden. Zoals Jezus is zij een zuiver geheim van mijn Liefde voor de mensen. Zij is de arm die de weg verspert voor mijn toorn. Zij laat haar arm slechts zakken om de Barmhartigheid door te laten. Ik kan mijn Moeder geen geweld aandoen. Daarom had ge een Moeder nodig. Zonder haar, o kinderen… Daarom dringt zij aan voor de bekering van de volkeren. De dam van haar liefde zal de onstuimige vloed van mijn Gerechtigheid niet altijd kunnen tegenhouden. Ja, haar arm wordt zwaar… 

In deze woorden hoor je de echo weerklinken van de woorden die Onze Lieve Vrouw op de berg La Salette tot Mélanie Calvat (15 jaar oud) en Maximin Giraud (11 jaar oud) sprak. Terwijl zij overvloedig weent, zegt zij: “Als mijn volk zich niet wil onderwerpen, ben ik gedwongen de arm van mijn Zoon te laten gaan. Deze is zo zwaar en zo belast, dat ik hem niet meer kan tegen houden. Als ik wil dat mijn Zoon u niet verlaat, moet ik Hem zonder ophouden smeken; maar gij trekt er u niets van aan.”

En op 15 september 1876, bij de 11de van haar 15 verschijningen aan Estelle Faguette in Pellevoisin zei Maria:“In de Kerk is niet de kalmte die ik verlang. Er is iets. Dat zij toch bidden en vertrouwen in Mij hebben. En Frankrijk! Wat heb ik al niet voor haar gedaan. Wat een waarschuwingen en toch, het weigert te luisteren. Ik kan mijn Zoon niet langer weerhouden.” 

Onze Lieve Vrouw spreekt over zichzelf als een Moeder die haar uiterste best doet om de gerechtvaardigde toorn van haar Zoon in te tomen en zijn vreselijke, straffende hand tegen te houden. Wij moeten aandacht hebben voor de woorden van onze hemelse Moeder en ons uiterste best doen haar verlangen in te willigen. Het volstaat niet om haar alleen maar met woorden te eren. Dit moet vooral gebeuren door onze manier van leven. Zij is niet alleen onze hemelse Moeder, maar als Moeder van Jezus bekleedt zij een heel bijzondere plaats in de heilsgeschiedenis. Maria bevestigt ook dat zij een bijna doorslaggevende invloed kan uitoefenen op het hart van haar Zoon Jezus. Op 8 december 1876, bij haar laatste verschijning te Pellevoisin zei zij tot Estelle Faguette: “Ik ben één en al barmhartigheid en Meesteres van mijn Zoon. Zijn Hart heeft zoveel liefde voor het Mijne dat Hij voor Mij de meest versteende harten zal treffen. Ik ben vooral gekomen voor de bekering van de zondaars. De schatkamers van mijn Zoon zijn reeds lang open, dat zij toch bidden.” En terwijl Maria wijst naar haar scapulier vervolgt zij: “Ik houd van deze devotie. Ik raad dringend aan tot kalmte… “. Een gedeelte uit de Boodschap van 15 augustus 1978 sluit heel goed aan bij deze laatste gedachten. Jezus zegt: Beschouw Maria niet als uws gelijke, maar als Heerseres en Moeder… verheven boven alle moeders der wereld. Zonder zonde ontvangen: “Onbevlekte Ontvangenis”, “Maagdelijk in haar goddelijk Moederschap”. Tot Haar bidden is tot Mij bidden… Vergeet het niet. Maar weet ook dat Zij, als het nodig is, op de achtergrond kan treden voor haar Zoon. Zonder mijn Moeder zou Ik niet bestaan. De Jezus die Zij u gegeven heeft is de gave van een Liefdegod aan een wereld die wreed en ongelukkig is door de zonde. 

Wij kunnen allen meewerken om de liefde van Jezus en zijn barmhartigheid te laten triomferen op zijn gerechtigheid en de straf voor de zonden. Jezus zegt op 12 mei 1979: Ge moet kunnen luisteren, weinig praten, en vervolgens goed handelen. Gun de Heilige Geest de tijd om het bevel over te nemen! Denk er alleen aan lief te hebben. In de liefde is alles vervat. Aangezien Ik alles weet, geef Mij dan ook alles zonder omhaal, en uw tijd zal louter een tijd van liefde zijn. Wees bezadigd en bedachtzaam in alles; let erop dat uw persoonlijke neigingen geen vat op u krijgen. Uw ja zij ja; uw neen zij neen; maar alles moet onwankelbare liefde zijn, want met de Waarheid kan niet geschipperd worden. Naastenliefde eist zelfverloochening. Wat Ik eis van iedere Kleine Ziel, is liefde. 

Jezus vraagt niet alleen onvoorwaardelijke liefde. Hij belooft ook zijn heil als antwoord op onze inzet voor Hem. In zijn boodschap van 20 mei 1979 zegt Jezus dat de Vader ons zijn Zoon heeft gegeven om ons te redden en omdat wij een moeder nodig hadden die in staat is Zijn Gerechtigheid af te wenden. Vervolgens geeft Hij ons een belofte van heil en tegelijkertijd wijst Hij de weg die daartoe kan leiden: Voorwaar, Ik zeg u; kind: “Indien elke ziel, elke parochie, elk land zich aan haar Onbevlekt Hart zou toewijden, zou de wereld gered zijn. Bekijk in uzelf die instinctieve behoefte aan moederliefde…” 

Maar wij zijn te hoogmoedig geworden. Wij denken dat wij het ook wel zonder God kunnen rooien. Zij knoeien er maar op los. Het gaat niet goed met de Kerk, zeggen vele bekommerde gelovigen. Maar dat is nog geen reden tot ontmoediging. Het vergif van ongeloof en goddeloosheid verlamt velen. In de zielen die niet op hun hoede zijn worden de edelste gevoelens verstikt en vervangen door het slijm van ondeugd en geweld. Het is tijd dat de mensen ontwaken uit de verdoving van het dodelijk vergif dat ze als voedsel krijgen. (Bds. 25 augustus 1979).

En Jezus voegt in diezelfde boodschap deze woorden eraan toe: De mensen hebben een tegengif nodig! Om die reden vorm Ik het kleine Legioen van mijn Liefde. Zij zijn de strijders van het laatste uur. Ik geef hun mijn Moeder om hen ten strijde te voeren en hen te doen overwinnen door de uitgelezen middelen die Ik hun ter beschikking stel. Het tegengif voor de hoogmoed van de mensen: Liefde! De Kleine Zielen dragen allen een grote verantwoordelijkheid tegenover Mij. Aan ieder van hen heb Ik een groot aantal zielen toegewezen, die gered moeten worden. De krachten van het goede gaan in botsing komen, ja, ze zijn al in botsing gekomen met de krachten van het kwaad; en die botsing wordt steeds heviger. Uw schild is de macht van mijn Liefde; scheid er u niet van af. Eerbiedig mijn heilige Naam en mijn heilige Tegenwoordigheid op aarde. Bid en laat bidden voor de Kerk. 

Wij hebben een machtige voorspreekster in de hemel. Veel Kleine Zielen bidden regelmatig de litanie ter ere van Onze Lieve Vrouw. Nadat wij God in zijn heilige Drie-eenheid aangeroepen hebben, vragen wij de hulp van Maria. Wij noemen haar op de eerste plaats “heilig” en vuren vervolgens een aaneenschakeling van nog 49 eretitels op haar af. Zoals wij in de vijf tientjes van het Rozenhoedje Maria 50 maal groeten, zo smeken wij haar in de litanie ook 50 maal om voor ons te bidden. Wanneer je een litanie bidt, sta dan ook eens stil bij de beeldspraak die er gebruikt wordt en laat de kracht van de aanroeping tot je komen. Ontdek de werkelijkheid die verscholen zit achter het beeld. Maak het stil in je hart en wordt ontvankelijk, zoals Maria ontvankelijk was voor het woord van God. Ook zij begreep niet altijd wat God met haar voor had of waarom Hij bepaalde dingen liet gebeuren. Maar haar groot geloof en een rotsvast vertrouwen schonken haar de zekerheid dat God haar geest wel zou verlichten, als Zijn uur daartoe gekomen was. Lucas verwoordt deze ingesteldheid van Maria in één prachtige zin. Jozef en Maria hebben de 12-jarige Jezus terug gevonden in de tempel en “Hij ging met hen mee naar Nazareth en was aan hen onderdanig. Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart.” (Luc. 2,51). Het kan heel goed zijn dat bepaalde aanroepingen uit de litanie je niet aanspreken of dat je ze zelfs niet begrijpt. Ik denk aan bv. ark van het verbond, toren van David, geestelijk vat. Dit zijn met een bijbelse betekenis beladen beelden en symbolen, die niet in enkele woorden uit te leggen zijn. Maar dat is niet erg. Het nadenken en mediteren over het grote mysterie dat God in Maria tot stand heeft gebracht, zal stilaan je geloofsleven verdiepen en verrijken. Af en toe eens iets niet onmiddellijk begrijpen prikkelt de geest, en doet ons op zoek gaan naar de diepere betekenis en achtergrond. Misschien moeten wij al eens vaker bidden: “Kom heilige Geest, verlicht mijn verstand en vervul het hart van uw gelovige met de kracht van uw liefde. Geef mij het gelovige inzicht in wat de hemelse Vader van mij verlangt.” Het loont de moeite om je aandacht ook eens te richten op de vele mariale titels die niet in de litanie vernoemd worden en waarmee onze hemelse Moeder zo gul geëerd en vereerd wordt. Je staat werkelijk versteld van de grote verscheidenheid die er wereldwijd bestaat. Hier volgen enkele bekende titels en namen ter illustratie: Moeder van God, Middelares van genade, Sterre der Zee, Toevlucht van de zondaars (Rue du Bac 1830), De wenende Lieve Vrouw (La Salette 1846), Onbevlekte Ontvangenis (Lourdes 1858), Moeder van de Hoop, (Pontmain 1871). Wanneer ik aan Maria in Pellevoisin (1876) een naam moet toekennen volgens de boodschap die zij meegeeft gaat mijn voorkeur uit naar: Moeder van goedheid en genade. O.-L.-Vrouw van de Rozenkrans (Fatima 1917), Koningin van de Hemel (Beauraing 1932), Maagd der armen (Banneux 1933), De Vrouwe van alle volkeren (Amsterdam 1945-1959), moeder van smarten, Onze Lieve Vrouw van rust…

Ook in het Legioen van de Kleine Zielen heeft Maria een bijzondere naam gekregen. Op 22 mei 1993 zegt Jezus: Kind, ge hebt mijn Moeder een diamant geschonken. Het is een symbool dat Ik op prijs stel. Ge hebt Haar de mooiste naam gegeven die Zij verdient: “Ster van Hoop en Vertrouwen! Uw Moeder is gevoelig voor dit gebaar.” 

Overal ter wereld worden namen aan Maria gegeven. Iedere naam “is een eerbewijs en een teken van liefde. En Maria is dat waard. In de boodschap van 25 november 1978 zegt Jezus: Onder alle rijkdommen van hemel en aarde is mijn Moeder de schoonste gave, de meest bewonderenswaardige Schat. Mijn Moeder aan wie de zielen mijn Barmhartigheid, mijn geduld en mijn barmhartige goedheid verschuldigd zijn. Mijn Moeder is ook uw Moeder! Mijn kleine zielen, zegt aan de wereld dat zij mijn Moeder meer moeten liefhebben en dat zij haar toevlucht moet nemen tot mijn Moeder. 

Jezus geeft de opdracht om de verering van Onze Lieve Vrouw terug aan te wakkeren en opnieuw bekend te maken bij zoveel mensen die niet meer beseffen dat ook zij een hemelse Moeder hebben. “Zegt aan de wereld dat zij mijn Moeder meer moeten liefhebben.”

Beseffen wij wel goed de draagwijdte van deze opdracht? Hier wordt ons een moeilijke opdracht toevertrouwd en tegelijkertijd worden wij met een zware verantwoordelijkheid belast. De wereld staat niet vol ongeduld te springen om godsdienstige boodschappen en opdrachten te krijgen. Integendeel, heel onze maatschappij ademt materialisme en oppervlakkigheid uit. De strijd tussen goed en kwaad gaat onverminderd voort. In het evangelie noemt Jezus de duivel de “vorst van de wereld” (Joh. 14,30). De wereld zal het de Kleine Zielen niet gemakkelijk maken, maar wij mogen niet opgeven. Wij moeten naar buiten treden met een overtuiging die Jezus waardig is. Wij moeten meer voor onze zaak durven getuigen. Dit getuigenis zal niet altijd in dank worden aangenomen. Sommigen zullen erom lachen, anderen zullen zich kwaad maken, zich van ons afkeren omdat zij helemaal niets te maken willen hebben met God en zijn gebod, en noch minder met die “vervelende” Kleine Zielen die zo spontaan en openlijk hun overtuiging durven uitspreken. Maar uiteindelijk zal God overwinnen. Uiteindelijk zullen de heilige Harten van Jezus en Maria bij de mensen een vruchtbare bodem vinden voor de genade die zij overvloedig uitzaaien. “Weliswaar leeft gij in de wereld in verdrukking”, zegt Jezus in het evangelie van Johannes (16, 33b), maar heb goede moed: Ik heb de wereld overwonnen.”

In diezelfde geest zegt Onze Lieve Vrouw op 23 mei 1967: Ik zal het Rijk van mijn Zoon vestigen over de hele aarde. Ik zal de volkeren redden. Ik zal de zondaars bekeren. Wees overtuigd van mijn moederlijke tederheid voor u en voor alle kleine zielen. 

Wij bidden als besluit, vanuit de boodschap van 28 mei 1970: “Heer Jezus Christus, Gij, die voor alle mensen Barmhartige Liefde zijt, weef onder uw geliefde Kleine Zielen de band van broederlijke liefde; leer mij leven vanuit een diepe eensgezindheid in het hart van onze Vader; verhoor mijn gebed voor elkaar; leer mij in geest en waarheld beminnen, zoals Gij mij bemint; ik wil u aanbidden als mijn hemelse Bruidegom die mij zoveel liefde schenkt; leer mij het lijden van de andere op mij te nemen; schenk mij uw genade zodat ik anderen tot steun kan zijn, uit liefde tot U; laat mijn broederlijke/zusterlijke genegenheid een doeltreffend pantser zijn tussen uw gerechtigheid en de zondaar; verenig mij met de anderen door een sterke naastenliefde; maak mij, samen met de anderen, tot één grote familie van Kleine Zielen en wees Gij onze Grote Bezieler; verenig mij elke dag in een levende en totale geestelijke verbondenheid met U; leer mij vertrouwen op uw goedheid; waak over mij en sta mij bij, zowel in twijfel, moedeloosheid als in vreugde; onderricht mij in de stilte van mijn hart; help mij om te beminnen naar uw voorbeeld, Gij die de onuitputtelijke Liefdebron zijt. Help mij volharden in mijn liefdeszending voor het geluk en de vrede van de mensheid; moge uw Barmhartige Liefde in het hart van alle mensen wonen en heel hun leven bezielen, Gij die leeft en heerst, met de Vader en de heilige Geest, in de eeuwen der eeuwen. Amen. Moeder Maria, Gij hebt door uw ja woord de Verlosser aan de wereld geschonken. Blijf onze Voorspreekster, onze steun en onze kracht bij Jezus, uw Zoon en onze Heer. Amen.”

Uit: Het Legioen Kleine Zielen, Tijdschrift van het Legioen Kleine Zielen van het Barmhartig Hart van Jezus, Hasselt, 37ste Jaargang nr.1, Maart 2009, blz. 25-43.

Pater Pio: ‘Wees goed – wees ootmoedig – wees eenvoudig – wees zuiver’

padrepio2Het zijn woorden van heilige pater Pio, die Marguerite heeft opgeschreven en opgenomen in de Boodschap van de Barmhartige Liefde, op 1 februari 1977. Ze had ze die zondag ervoor gehoord. Daarbij heeft ze aangetekend: “Ze vormen een stevige basis voor alle zielen.”

Met deze ‘drie-eenheid’ van goed, ootmoedig en nederig zijn, ligt er een fundament voor het geestelijke leven voor alle kleine zielen. Pater Pio is zo een geestelijke vader en leidsman voor kleine zielen. En bij deze drie wordt er nog één toegevoegd; die van zuiverheid. Pater Pio had tot een wonderbaarlijk genezen kind gezegd: “Bewaar de zuiverheid van uw geloofsbelijdenis.”

Hierop noteert Marguerite: “Goed – ootmoedig – eenvoudig en zuiver… voldoende stof om urenlang te mediteren. Zó zou ik heel en al willen zijn, niets anders dan dat. Mijn God, maak dat het zo weze”. (Bds. 01-02-1977)

Welnu, genoeg stof ter overweging in deze overweging. Samen, aan de hand van Pater Pio, dit bemediteren, drie, ja vier dingen:

GOED

OOTMOEDIG

EENVOUDIG

ZUIVER

Het ‘hart’ van goed en eenvoudig zijn is ootmoedig ofwel nederig zijn. Om echt goed te zijn, dien je nederig te zijn. Beter gezegd: het te worden. Nederig worden en zijn is iets dat je moet leren: “Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van Hart.” (Mt.11,29)

We leren het van Jezus, nederig zijn. Hij doet niet nederig, Hij is nederig. Van harte, met geheel zijn Hart, geheel zijn wezen. “Ik ben…” (Mt. 11,29). En zo ook spreekt Jezus uit: “Ik ben de goede Herder…” (Joh. 10.11).

Hij doet niet zozeer goed, Hij ís goed! Hij is goed van Hart. Hij heeft een goed Herdershart. Van Hem kun je leren goed te zijn. Dat is méér dan goed doen. Pater Pio zegt ook niet: “Doe goed…”, maar “wees goed.” Dat we in heel ons wezen een zijn, naar geheel ons hart, goed zijn!

Echt goed zijn, is bijvoorbeeld liefhebben, ook als het van één kant komt. Want is Jezus. Hij is nederig, dat als Hij vernederd wordt door de zijnen, Hij voor hen bidt; dat als zij Hem haten, Hij hen blijft beminnen; dat als zij Hem pijn doen, Hij hen nog verontschuldigt:“Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat zij doen.” (Lc. 23.34)

Pater Pio was zo nederig en goed, dat hij degenen die hem tegengewerkt hebben en waaronder hij veel geleden heeft, kon verontschuldigen. Pater Pio is dankzij Gods genade gelijkvormig geworden aan Jezus.

Zó is Jezus: goed en nederig. “Zó zou ik heel en al willen zijn, niets anders“, noteert Marguerite als haar hartsverlangen. Het is al belangrijk dat er dit verlangen is, dat je dit wil! Dat vraagt Jezus ook aan degene die op Hem roept: “Wat wil je dat Ik voor je doe…?” (Lc. 18.40). “Wat wil je…”.

En Jezus vraagt het aan een gebrekkige: “Wil je beter worden?” (Joh. 5.6). “Wil je. . .”  “Verlang je. . .”.  Marguerite wil en verlangt en vanuit dat verlangen komt haar gebed: “Mijn God, maak dat ik zo weze”. “Mijn God, laat me zo worden en zijn!” 

Als een weerklank van al die hartekreten die een beroep doen op Gods ontferming en erbarming: “Heer, maak dat ik zien kan.” (Lc. 18.41). “Heer, maak dat ik lope…”, “Heer, maak mijn kind gezond.”

Ja, ik kan alleen goed en nederig zijn dankzij Gods erbarmen, medelijden, ontferming en barmhartigheid. Alleen door zijn genade. En dit goed worden is als een genezingsproces. Door Zijn goedheid en erbarmen worden wij beter, beetje bij beetje meer beter, tot wij ‘geheel en al’ goed zijn, nederig zijn.

Ja, het is niet alleen een genezingsproces, het is een weg, een kleine weg van een kleine ziel. Beetje bij beetje, dag voor dag, voortgang maken, met kleine stapjes wellicht vooruit. Het is iets van een kruisweg zoals we al eerder zagen. Jezus openbaart bovenal zijn goedheid in Zijn lijden, in het dragen van het opgelegde kruis, en openbaart het op het kruis.

GOED-ZIJN, NEDERlG-ZIJN is altijd kruisigend. Je draagt de wonden van het kruis met je mee; om diegene lief te hebben, die jou pijn doet; om wat je opgelegd wordt in het leven geduldig te dragen en te verdragen. En elke keer opnieuw, elke dag opnieuw kan die hartekreet weerklinken: “Mijn God, maak dat ik goed weze…”, “Mijn God, maak dat ik nederig weze…”. 

Allicht dat goed en nederig zijn ook resulteert in goed dóén. Hoeveel goed heeft Jezus niet gedaan, als Weldoener en Wonderdoener, Goeddoener jegens zieken en zondaars! Hoeveel heeft in navolging van Jezus en in Zijn kracht pater Pio goed gedaan aan zovele zieken en zondaars als wel-, wonder-, en goeddoener!

Als een wetgeleerde Jezus vraagt: “Wie is mijn naaste?” (Lc. 10.29), dan antwoordt Jezus hem met de parabel van de barmhartige Samaritaan. (Lc. 10,30-37) De priester en leviet lopen in een boog om de gewonde man heen; de vreemdeling echter staat stil bij die man die hulp nodig had en geneest zijn wonden.

Jezus draait de vraag om en stelt de vraag aan de leerlingen: “Wie is de naaste geweest van die noodlijdende mens?” (Lc.10,36) En Hij beëindigt de parabel met de zending: “Ga dan en doe gij evenzo.” (Lc. 10,37)

“Wees barmhartig” (Lc. 6.36), zegt Jezus, waarop van onze kant de bede kan komen: “Mijn God, maak dat ik zó dóé”, “Mijn God, maak dat ik zó de naaste weze van de noodlijdende medemens”.

Dan worden we ook gelijkvormig aan Hem die de Barmhartige Samaritaan zelve is, die stil staat bij ieder leed van ons, naar lichaam en ziel. Goed en nederig zijn is iets van het kruis. Het is ook iets van het kind. Van de eenvoud. “Wees nederig – wees eenvoudig.”

Dat Jezus nederig is blijkt uit het feit dat Hij eenvoudig is. Hij is Kind geworden! Hij heeft het vlees aangenomen in de schoot van een Moeder, ontvangen van de heilige Geest. Dit kind-zijn heeft Hij met ons gedeeld, tot in de moederschoot, in het verborgene. Hij is uit de Maagd Maria geboren, een Kind in een kribbe (Lc. 2,12). Heel eenvoudig en in doeken gewikkeld (Lc. 2,12).

“Een Kind wordt ons geboren, ons gegeven.” (Jes. 9,5), aan herders, aan wijzen, aan ons. Als Kind onder de wet is Hij opgedragen in de tempel. (Lc. 2,22) Hij is aan alles aan ons gelijk geworden, behalve in de zonde. Als Kind op de vlucht en heeft bij zijn terugkeer in Nazareth een heel verborgen leven geleid en ook héél eenvoudig. En het is juist deze eenvoud, dit kind-zijn dat Jezus ons voorhoudt: “Voorwaar, Ik zeg u: als ge niet wordt als kleine kinderen, zult gij het Rijk der Hemelen zeker niet binnengaan.” (Mt. 18,3)

En ook hier; niet ‘kind doen’, kinderachtig doen’, maar ‘kind zijn’. Omdat Jezus met ons kind is. Omdat God Vader is. Juist omdat God onze Vader is, dat we kind zijn in Jezus, die Zoon is. Dat we klein mogen zijn. Klein kunnen en durven zijn. Heel eenvoudig. Omdat God onze Vader is. En dat we zo gelijkvormig worden met Jezus, kinderen door het Kind, de Zoon. Eenvoudig zijn leren we van Jezus! Kind zijn van God leren we van Jezus!

pio
Pater Pio met het Kind Jezus

Niet voor niets heeft Pater Pio altijd met grote devotie Kerst gevierd: “God wordt Mens! God wordt Kind!” Pater Pio heeft altijd een grote devotie gehad voor het Kind Jezus, het Goddelijk Kind. Opdat wij zó worden als Hij: een kind, een echt kind van God. Dat in alle omstandigheden, in alle beproevingen vertrouwt op de Vader. Kind zijn is eenvoudig zijn. Je niet groter maken dan je bent. Het is je juist klein maken, ook in het belijden van je zonden. Heel eenvoudig.

Zondebelijdenis hoeft niet mooi en met fraaie woorden, maar eenvoudig en oprecht. Als een kind dat oprecht vertelt wat het verkeerd heeft gedaan en vertrouwt op de eindeloze barmhartigheid van God, op de oneindige goedheid van Jezus. “Mijn God, maak dat ik zo weze als een kind”, “Mijn God, maak dat ik zo eenvoudig weze”. Een oprechte bede die ook doorklinkt in het: “God, wees mij, zondaar, genadig.” (Lc. 18,13)

Kunnen we aan het Kind van Bethlehem deze drie kostbare geschenken brengen en aanbieden:

  1. goed zijn
  2. nederig zijn
  3. eenvoudig zijn?

Of meer nog, kunnen we Hém, het Kind van Bethlehem, deze genadegaven als een Kerstgenade vragen: goed zijn – nederig zijn – eenvoudig zijn! “Mijn Goddelijke Kind Jezus, maak dat ik met U zo weze!” 

En als we nog een vierde geschenk aan Hem willen aanbieden, of beter gezegd, een vierde kerstgeschenk willen vragen aan dit Christuskind, als een ‘vierde koning’, dan die van de zuiverheid; “wees zuiver in de geloofsbelijdenis,” zo zei Pater Pio tegen een miraculeus genezen kind. Dit noteert Marguerite: “Mijn God, geef dat ik zo zuiver van hart weze”. In zijn zaligsprekingen zegt Jezus:“Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien.” (Mt. 5,8)

Zuiver van hart zijn, zuiver in de geloofsbelijdenis. Die twee gaan samen. Je ziet helder wie God is, voor ons, voor de wereld. Je ziet helder en zuiver wie Jezus is, de Zoon van God. Je ziet helder en zuiver de menslievendheid van God die in dit Goddelijke Kind op aarde is verschenen.

Je ziet dan ook met het hart van Maria, de Onbevlekte. Met het onbevlekt Hart van Maria zie je dat het Kind de “Redder, Christus de Heer” (Lc. 2,11) is. Maria heeft geloofd, en heeft leren geloven, is gegroeid in dit geloof, van kribbe tot onder het kruis, door het open graf heen. Van de kribbe tot onder het kruis zuiver zijn en blijven in de geloofsbelijdenis: “Waarlijk, deze mens was de Zoon van God!” (Mt. 27,54)

Uit; ‘Legioen Kleine Zielen’, Nederlandstalig tijdschrift van het Legioen Kleine Zielen van Jezus Barmhartig Hart, December 2014, blz. 9-14.

Eucharistie als omvorming – M. Magnus, pr.

Eucharistie als omvorming – M. Magnus, pr.

Nadat Paus Johannes Paulus II zijn encycliek over de Eucharistie (2003) heeft geschreven, zou men kunnen denken dat nu ongeveer alles over dit verheven onderwerp is gezegd. Toch stellen wij vast dat Paus Benedictus XVI, reeds bij het begin van zijn Pontificaat, op de Eucharistie nieuwe klemtonen heeft gelegd die door de vorige Paus niet, of niet zo sterk, werden benadrukt. Zo geeft hij aan de transsubstantiatie een verdere uitbreiding. Niet alleen worden brood en wijn omgevormd in het Lichaam en Bloed van Christus, maar in zekere zin, worden de gelovigen zelf die de H. Communie ontvangen ook omgevormd in Christus’ Lichaam en Bloed. Er is zelfs nog meer: bij Christus zelf heeft een omvorming plaats gevonden die de eigenlijke transsubstantiatie mogelijk heeft gemaakt. Luisteren we even naar de woorden van Benedictus XVI in zijn homilie tijdens de Wereldjongerendagen, op 21 augustus 2005, toen als slot en hoogtepunt de H. Mis werd opgedragen op Marienfeld:

“Hoe kan Jezus zijn Lichaam en Bloed uitdelen? Als Hij brood en wijn tot zijn Lichaam en Bloed maakt, loopt Hij vooruit op zijn dood, ervaart deze innerlijk en vormt die om in een daad van liefde. Wat uiterlijk een daad van bruut geweld is, wordt innerlijk een daad van liefde, die zichzelf wegschenkt, geheel en al. Dat is in feite de omvorming die in de zaal van het Laatste Avondmaal plaats heeft gevonden en die bestemd was een heel proces van omvormingen op gang te brengen, waarvan het laatste doel is: de wereld zodanig om te vormen dat God alles in allen is (vgl. 1 Kor. 15,28). Alle mensen wachten altijd op de één of andere manier in hun hart op een verandering, een omvorming van de wereld. En dit is nu de centrale daad van omvorming, die alleen de wereld werkelijk kan vernieuwen: geweld wordt omgevormd in liefde en aldus de dood in leven. Omdat die daad de dood in liefde verandert, is de dood als dusdanig reeds voorbijgestreefd en is de verrijzenis daar reeds aanwezig. De dood is als het ware in het hart gewond, zodat zij niet meer het laatste woord kan hebben. Dat is om zo te zeggen een kernsplitsing in het binnenste van het wezen – de overwinning van de liefde op de haat, de overwinning van de liefde op de dood. Alleen van deze intieme explosie van het goede dat het kwade overwint, kan de kettingreactie van veranderingen uitgaan die geleidelijk de wereld omvormt. Alle andere veranderingen blijven oppervlakkig en brengen geen redding. Daarom spreken wij van verlossing: het allerdiepst noodzakelijke is gebeurd, en wij kunnen in dit gebeuren binnentreden. Jezus kan zijn Lichaam geven, omdat Hij werkelijk Zichzelf geeft. Op de eerste fundamentele omvorming van geweld in liefde, van dood in leven, volgen dan de volgende omvormingen. Brood en wijn worden zijn Lichaam en Bloed. Maar hier mag de omvorming niet stoppen, hier moet die juist volledig beginnen. Het Lichaam en het Bloed van Christus worden ons gegeven, opdat wij omgevormd zouden worden. Wijzelf moeten het Lichaam en het Bloed van Christus worden, zijn bloedverwanten. Wij eten allen van het ene brood. Dat betekent: wij worden onderling één.”

De Paus benadrukt dus sterk de omvorming die in ons moet geschieden als gevolg van de verandering van brood en wijn in Jezus’ Lichaam en Bloed, die zelf een gevolg is van de innerlijke omvorming in Jezus zelf. Ongeveer dezelfde gedachten vinden wij ook in de Boodschap van 7 april 1992. Wanneer Marguerite aan Jezus vraagt dat Hij haar hart zou openen voor zijn barmhartige liefde, antwoordt Hij: ‘Niet alleen open Ik het, maar Ik verwijd het tot de afmetingen van de wereld’. Wanneer Marguerite dan vraagt of het waar is dat haar hart zo klein is, zegt Jezus: ‘Ja, het is klein, maar het kan de hele wereld omvatten. De Hostie is ook zeer klein, maar bij de consecratie ben Ik het helemaal. Begrijp daarom goed het oneindige waar uw kleine hart zich in verliest om op zijn beurt oneindig te worden in zijn grenzeloze verlangens. Als ge in dienst staat van een grote Koning, kunt ge er dan verwonderd over zijn dat ge er uiteindelijk een kleine kopie van wordt?’ Zowel dus Marguerite als de Paus wijzen op de omvormende kracht van de Eucharistie, die ons maakt tot ‘bloedverwanten’ (Benedictus XVI) en een ‘kopie’ (Marguerite) van Jezus.

Het is wel van belang in te zien dat die omvorming van ons hart zich voltrekt zonder dat wij dit voelen, zonder dat wij die genadewerking bewust beleven. Het is in zekere zin zoals de gedaanten van brood en wijn die bij de consecratie ongewijzigd blijven, maar toch een andere ‘substantie’ ontvangen, namelijk het Lichaam en Bloed van Christus. In zijn boek: ‘Eucharistie: Teken van Jezus’ Liefde tot het uiterste toe – van Eucharistie vieren naar Eucharistie zijn’ (Sint Petrus Canisiusstichting, 2004) schrijft J. Bots SJ: ‘De verandering van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus speelt zich af op een diepte die zich aan elke waarneming onttrekt. Zo is het ook bij de heilige communie: bij de heilige communie wordt de ziel van de gelovige veranderd in Jezus Christus. Elke gelovige mag bij de heilige communie uitroepen met Sint Paulus: ‘Ikzelf leef niet meer, Christus is het die in mij leeft’ (Gal. 2,20). Er heeft zich in de diepte van mijzelf een transsubstantiatie voorgedaan. Maar omdat deze zelfstandigheidsverandering zich op dezelfde diepte afspeelt als de zelfstandigheidsverandering van brood en wijn, onttrekt deze zich voor het grootste deel aan onze waarneming. Deze diepte laat zich alleen benaderen vanuit het geloof, vanuit de wil en niet of nauwelijks vanuit het gevoel of het verstand en de fantasie. Luisteren we even naar de woorden van moeder Mechtildis van het heilig Sacrament in ‘De ware Geest’: ‘Wat wordt de ziel door de communie? Een Jezus Christus. Maar hoe een Jezus Christus? Ik voel er niets van; ik zie er niets van, ik merk er helemaal niets van! Dat kan ook niet, want deze omvorming wordt voltrokken in het wezen van onze ziel… Maar al ziet u ze niet en voelt u ze niet, toch is zij waarachtig en onfeilbaar… Als men deze waarheid als grondslag neemt, waarom er zich dan zo over kwellen, dat men bij de heilige communie niets doet?’ (p. 33-34).

Velen worden tegenwoordig, bij het vernemen van de nieuwsberichten iedere dag op radio en TV ontmoedigd, of zelfs verbitterd, bij het vaststellen van de toenemende haat en het dodelijk geweld in de wereld. Men vraagt zich af wanneer of hoe ooit die spiraal van broederhaat en moord zal eindigen. Eigenlijk is er slechts dit antwoord: alleen de liefde van Christus kan ons, zoals de Paus het ook zei, verlossen en verzoenen. Tijdens de laatste wereldoorlog schreef Kardinaal Henri De Lubac S.J. een merkwaardig boek: ‘Le drame de l’humanisme athée’ (Editions Spes, Paris, 1943). Daarin staat o.a. deze zin, herhaaldelijk door pausen geciteerd: ‘II n’est pas vrai que l’homme, ainsi qu’on semble quelquefois le dire, ne puisse organiser la terre sans Dieu. Ce qui est vrai, c’est que, sans Dieu, il ne peut en fin de compte que l’organiser contre l’homme. L’humanisme exclusif est un humanisme inhumain… Ainsi la foi en Dieu, que rien n’arrachera du coeur de l’homme, est la seule flamme où s’entretient, humaine et divine, notre espérance.’ (Het is niet waar dat de mens, zoals blijkbaar soms beweerd wordt, de aarde niet kan organiseren zonder God. Waar is wél dat hij die zonder God uiteindelijk niet kan organiseren tenzij tegen de mens. Het humanisme zonder God is een onmenselijk humanisme… Zo is het geloof in God, dat niets uit het menselijk hart kan verdrijven, de enige vlam waar onze menselijke en goddelijke hoop wordt in leven gehouden). Meer dan ooit is die uitspraak geldig.

In zijn vermelde homilie op Marienfeld wees de Paus op de weg naar de echte vrijheid en het echte geluk. Zo gemakkelijk beelden wij ons in dat die weg er eenvoudig in bestaat ongebreideld en ongeremd te genieten van al wat het leven biedt. Maar dan laten wij ons misleiden door de slang van het aards paradijs die Adam en Eva ertoe aanzette van de verboden vrucht te eten en zelf god te worden. Zo zijn zonde en dood in de wereld gekomen. Wij zijn, zoals de heilige Augustinus het zei, ‘gemaakt voor God en ons hart is onrustig zolang het niet rust in God’. Niet zelfverheffing maar onderwerping, gehoorzaamheid en dankbaarheid maken ons echt vrij en gelukkig. God wil ons ware geluk. Wat Hij ons oplegt is echt bevrijdend.

Maar hoe kan God ons in zijn greep krijgen? Waar is er ergens een tegenwicht tegen de wereld zonder God? Hoe kan Hij haat omvormen in liefde? Het antwoord ligt natuurlijk voor de hand: in Christus is, zoals hoger aangetoond, die omvorming gebeurd en in iedere Eucharistie zet zich die ‘kettingreactie’ verder. En die kettingreactie precies is bij machte in de wereld haat in liefde te veranderen en dood in leven. Alleen Christus’ Dood en Verrijzenis, door de Eucharistie tegenwoordig gesteld, kan in die goddeloze wereld Gods liefde brengen, en zo, naar het woord van H. De Lubac, de onmenselijke wereld terug menselijk maken. Een andere oplossing is er niet. Men mag dus zonder overdrijving zeggen dat de Eucharistie het enige tegenwicht is tegen een wereld zonder God.

Niet zonder reden beklemtoonde de Paus tijdens zijn slothomilie op de Wereldjongerendagen het belang van de zondagsmis. ‘Laat je niet afhouden van de zondagse eucharistie en help ook anderen om die te ontdekken’. Steeds heeft de Kerk het belang van de wekelijkse viering van het Paasmysterie – de Eucharistie – benadrukt. Graag denken we hierbij aan het getuigenis van de martelaren in het jaar 304, toen keizer Diocletianus aan de christenen verbood op zondag bijeen te komen om de Eucharistie te vieren. Op dit verbod stond de doodstraf. In een klein dorpje van het huidige Tunesië werden 49 christenen verrast op een zondag terwijl zij in het huis van Octavius Felix de Eucharistie vierden in weerwil van het keizerlijk verbod. Zij werden aangehouden en naar Carthago geleid om er verhoord te worden door de proconsul Anulinus. Deze kreeg van de priester Saturninus volgend antwoord toen hij vroeg waarom zij het keizerlijk verbod hadden overtreden: ‘Wij maken ons daarover geen enkele zorg (securi) want wij kunnen niet leven zonder dat van de Heer (sine dominico non possumus)’. Na vreselijke folteringen werden de 49 martelaren gedood om hun geloof in de Eucharistie. Dit getuigenis bevat een les voor ons: ook wij ‘kunnen niet leven’ zonder Eucharistie, vooral niet in tijden van ongeloof, haat en genotzucht zoals de onze.

Nu zou men zich kunnen afvragen wanneer die ‘spiraal van geweld’ in de wereld zal ophouden, wanneer zal haat in liefde worden omgevormd? Is dat in een verre of nabije toekomst? Eigenlijk gebeurt dat reeds nu: overal in de wereld zijn er ‘eilandjes van heiligheid’ en ‘haarden van liefde’ die meestal geen aandacht krijgen van de media. Maar zij zijn er! Pater Damiaan, Moeder Theresa van Calcutta, Chiara Lubich, Marguerite, priester Poppe, en nog zoveel anderen die meestal onbekend zijn en in stilte het Rijk Gods opbouwen. Zij dragen bij tot de ‘omvorming’ van de harten door de kracht van de Eucharistie. Volgen wij hun voorbeeld na. Dat moge de vrucht zijn van het eucharistisch jaar!

Bron: ‘Het Legioen Kleine Zielen’, Tijdschrift van het Legioen Kleine Zielen van het Barmhartig Hart van Jezus, St. Niklaas, 33ste jaargang, nr. 4, december 2005, blz. 25-29.

De barmhartige Liefde aan de kleine zielen

Beheerder Website's avatarOntmoeting

MARGUERITE  EN HET ‘LEGIOEN KLEINE ZIELEN VAN JEZUS BARMHARTIG HART’

Het Legioen Kleine Zielen van Jezus’ Barmhartig Hart is een door de Kerk erkende en goedgekeurde geestelijke vereniging. Het richt zich niet alleen tot iedere christen gelovige van om het even welke roeping of levensstaat in de Kerk: priesters, religieuzen, leken, gehuwden, ongehuwden, maar ook tot iedereen die op zoek is naar diepere waarden in het leven en een hogere zingeving aan het bestaan. Het wil helpen om op een zo goed mogelijke manier zijn leven als een geestelijke offerande op te dragen voor het heil van de zielen.

LEVEN VAN MARGUERITE

Ik was amper zes weken oud toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Mijn oom was me tot peter toebedacht. Hij wou er echter niet van weten ingeval mijn ouders het in hun hoofd haalden, mij het doopsel te laten toedienen. …” Met deze woorden begint Marguerite haar levensverhaal…

View original post 2.419 woorden meer

Verjaardag overlijden Pater Yves-Marie Legrain

img_0761Beste broeders en zusters kleine zielen,

Pater Yves-Marie Legrain is van ons heengegaan op 22 februari 2018.

Ter gelegenheid van deze verjaardag zal er een heilige Mis worden opgedragen voor hem in de Kapel van de Barmhartige Liefde op vrijdag 22 februari 2019 om 17.30 uur.

Het tijdstip van de plechtigheden is hetzelfde als op andere vrijdagen, maar iedereen kan uiteraard deelnemen op het moment dat hem of haar past :

15.00 uur Kroontje van de goddelijke Barmhartigheid

15.15 uur Kruisweg

16.00 uur Stille aanbidding van het Allerheiligste Sacrament

Biechtgelegenheid

16.45 uur Rozenkransgebed – Litanie voor de overledenen – Zegen met het Allerheiligste

17.30 uur Heilige Mis opgedragen voor Pater Yves-Marie

Degenen die het wensen kunnen een bezoek brengen aan het graf van Pater Legrain gedurende de namiddag.

De grafkelder van de Paters Karmelieten zal toegankelijk zijn vanaf 14.00 uur.

Indien mogelijk vragen we u om deze info door te geven aan de kleine zielen die over internet beschikken maar ook aan hen die er niet over beschikken en die geïnteresseerd zijn en de mogelijkheid hebben om aanwezig te zijn.

Dank bij voorbaat !

In broederlijke vereniging,

Pater Marcel