Nieuwe gebedsgroep te Broeksittard!

Nieuwe gebedsgroep Legioen Kleine Zielen

Donderdag 5 maart, Gebedsavond met om 18.30 uur Rozenhoedje, 19.00 uur H. Mis, met aansluitend Lof (tot 20.15 uur). Locatie: dagkapel van de Maria Geboortekerk van de wijk Broeksittard, In de Camp 1, Sittard.

Wij bidden telkens een gebed voor genezing en kracht voor vrouwen en mannen die spijt hebben over een abortus.  Litanie van vertrouwen, zie hier: Rachel’s Vineyard 

Kardinaal Sarah: De Kerk – en het ambt van de priesters – is een geschenk van God aan ons

Op 6 februari verscheen in The New Catholic Register van de hand van Edward Pentin een interview met kardinaal Sarah over het rumoer rond het verschijnen van het boek over het celibaat dat hij met emeritus paus Benedictus schreef.

Eminentie, waarom wilde u dit boek schrijven?

Omdat het christelijk priesterschap in levensgevaar is! Het gaat door een grote crisis. De ontdekking van het grote aantal gevallen van seksueel misbruik door priesters, en zelfs door bisschoppen, is daar een onbetwistbaar symptoom van. Paus Emeritus Benedictus XVI had zich al sterk uitgesproken over dit onderwerp. Maar toen werden zijn gedachten verdraaid en ontkend. Net als vandaag zijn er pogingen gedaan om hem het zwijgen op te leggen. En net als vandaag werden er afleidingsmanoeuvres uitgevoerd om de aandacht af te leiden van zijn profetische boodschap. Toch ben ik ervan overtuigd dat hij ons het essentiële heeft verteld – wat niemand wil horen. Hij heeft laten zien dat er aan de basis van de misstanden die de geestelijken hebben begaan, een ernstige tekortkoming zit in hun vorming. De priester is een man die zich onderscheidt door de dienst aan God en aan de Kerk. Hij is een gewijd persoon. Zijn hele leven staat in het teken van God. En toch wilden ze het priesterleven desacraliseren. Ze wilden het bagatelliseren, ontheiligen, ontkerkelijken. Ze wilden van de priester een man maken zoals ieder ander. Sommige priesters werden gevormd zonder God, het gebed, de misviering, de vurige zoektocht naar heiligheid in het middelpunt van hun leven te plaatsen. Zoals Benedictus XVI zegt: “Waarom heeft pedofilie zulke proporties aangenomen? Uiteindelijk is de reden de afwezigheid van God. Alleen daar waar het geloof niet meer bepalend is voor de daden van de mens, zijn dergelijke misdaden mogelijk”.

Hoe gebrekkig is deze vorming precies geweest die u noemt, en wat zijn de effecten geweest?

Priesters zijn gevormd zonder dat hen geleerd werd dat God het enige steunpunt is voor hun leven, zonder hen te laten ervaren dat hun leven alleen betekenis heeft door God en voor Hem. Ze zijn van God beroofd en hebben niets anders overgehouden dan macht. Sommigen zijn in de duivelse logica van machtsmisbruik en seksuele misdrijven terechtgekomen. Als een priester niet dagelijks ervaart dat hij slechts een instrument in Gods handen is, als hij niet voortdurend voor God staat om hem met heel zijn hart te dienen, dan riskeert hij bedwelmd te raken door een gevoel van macht. Als het leven van een priester geen gewijd leven is, dan loopt hij groot gevaar zich te laten misleiden en af te leiden.

Sommigen willen vandaag nog een stap verder in die richting zetten. Ze willen het celibaat van de priesters relativeren. Dat zou een ramp zijn! Want het celibaat is de meest voor de hand liggende manifestatie dat de priester aan Christus toebehoort en dat hij niet meer aan zichzelf toebehoort. Het celibaat is het teken van een leven dat alleen door God en voor Hem betekenis heeft. Het willen wijden van gehuwde mannen betekent dat het priesterleven niet voltijds is, dat het geen volledige gave vereist, dat het iemand vrijlaat voor andere verplichtingen zoals een beroep, dat het de tijd vrijlaat voor een privé-leven. Maar dit is niet waar. Een priester blijft te allen tijde priester. De priesterwijding is niet in de eerste plaats een edelmoedig engagement; het is een toewijding van ons hele wezen, een onuitwisbare aanpassing van onze ziel aan Christus, de priester, die van ons permanente bekering eist om met Hem te overeen te komen. Het celibaat is het onbetwistbare teken dat het priesterschap veronderstelt dat men zich volledig door God gegrepen voelt. Het celibaat ter discussie stellen zou de crisis van het priesterschap ernstig verergeren.

Deelt Paus Emeritus Benedictus XVI dit standpunt?

Ik ben er zeker van, en hij heeft het me meermaals persoonlijk gezegd. Zijn grootste leed en de pijnlijkste beproeving van de Latijnse Kerk is de misdaad van pedofiele priesters, priesters die hun kuisheid schenden. Men hoeft alleen maar alles te lezen wat hij als kardinaal over dit onderwerp heeft geschreven, later tijdens zijn pontificaat en onlangs nog in From the Depths of Our Hearts. Hij blijft het belang van het priesterlijk celibaat voor de hele Kerk benadrukken. Ik herinner u aan zijn woorden: “Als we het celibaat scheiden van het priesterschap, zullen we het charismatische karakter van het priesterschap niet meer zien. We zullen alleen een functie zien waarin het instituut zelf zorgt voor zij eigen zekerheid en behoeften. Als we het priesterschap in dit licht willen zien … dan wordt de Kerk alleen nog maar gezien als een louter menselijke instelling.

Maar ze wilden Benedictus XVI het zwijgen opleggen. Ik moet mijn opstand tegen de laster, het geweld en de onbeschoftheid waaraan hij is blootgesteld, bekennen. Benedictus XVI wilde de wereld toespreken, maar ze probeerden zijn woorden in diskrediet te brengen. Ik weet dat hij heel beslist staat voor alles wat in dit boek staat en ik weet dat hij blij is met de publicatie ervan. Hij wilde dit schrijven en in het openbaar zijn vreugde uitdrukken, maar ze wilden hem ervan weerhouden het uit te drukken. Maar om deze machinaties in detail te vertellen, uur voor uur, is nutteloos. Ik blijf liever niet stilstaan bij deze smerige machinaties, waarover de verantwoordelijken op een dag verantwoording zullen moeten afleggen voor God.

Wat zit er achter deze tegenwerking?

De tegenstanders van het priesterschap willen niet tot de kern van het debat gaan. Ze weten dat hun argumenten gebaseerd zijn op historische fouten, op theologische misvattingen. Ze weten dat het celibaat noodzakelijk is voor de evangelisatie in de missielanden. Dus proberen ze het boek zelf te ondergraven. Omdat ze niets kunnen inbrengen tegen de tekst, vallen ze de omslag aan. Wat jammer! Ze maken de paus emeritus uit voor een oude man. Maar hebt u gelezen wat hij schrijft? Denkt u dat je pagina’s met zoveel diepgang kunt schrijven zonder dat je al je vermogens nog hebt? Sommige mensen willen ons voor naïef uitmaken. Ze proberen ons te laten geloven dat onze uitgevers ons hebben gemanipuleerd en misbruik hebben gemaakt van een misverstand om een communicatiestunt uit te halen. Dit is helemaal niet waar! Er is geen misverstand. Onze Franse uitgeverij heeft gewoon uitgevoerd wat ik persoonlijk met de paus emeritus heb uitgewerkt. Dat heb ik al gezegd. Ik wil verder graag hulde brengen aan de loyaliteit en professionaliteit van al mijn uitgevers, vooral mijn Franse uitgeverij.

Al deze polemieken zijn een afleidingsmanoeuvre om niet te spreken over het essentiële, de inhoud van het boek.

Wilde u, gezien de timing van het boek, dat net voor de 12 februari geplande publicatie van zijn postsynodale apostolische exhortatie uitkomt, die het voorstel van de synodevaders om enkele getrouwde mannen in het Amazonegebied tot priester te wijden zou kunnen aanvaarden, Paus Franciscus onder druk zetten?

Ik heb al geschreven dat “wie tegen de Paus is, is buiten de Kerk”, maar ik word er altijd voor uitgemaakt tegen hem te zijn. Ik sta zelfs bovenaan de lijst van tegenstanders van Paus Franciscus. Deze beschuldigingen breken mijn hart en bedroeven mij ten zeerste. Maar ik blijf sereen en vertrouw erop dat de Paus geen aandacht schenkt aan dergelijke valse insinuaties.

Ik ben op geen enkele manier tegen Paus Franciscus! Degenen die beweren dat ik de Kerk probeer te verdelen. Ze liegen en spelen het spel van de duivel. Ik heb dit boek geschreven om mijn bijdrage in een geest van ware synodaliteit nederig en kinderlijk aan de Paus aan te bieden. Ik daag u uit om in alles wat ik heb geschreven een enkele regel te vinden, een enkel woord van kritiek op de Paus!

Maar ik maak me zorgen. In Duitsland houdt een vreemde synode zich duidelijk met de kwestie van het celibaat bezig. Ik wilde mijn bezorgdheid uiten: Verdeel de Kerk niet! Door het celibaat van de priesters aan te vallen, valt u de Kerk en haar mysterie aan!

De Kerk is niet van ons, ze is een geschenk van God. Zij bestendigt zich door het ambt van priesters, die ook een geschenk van God zijn en geen menselijke creatie. Elke priester is de vrucht van een roeping, van een persoonlijke en intieme roeping van God zelf. Benedictus XVI legt dit uitgebreid uit in dit boek. Men besluit niet zelf priester te worden. Men wordt door God geroepen en de Kerk bevestigt deze roeping. Het celibaat staat garant voor deze roeping. Een man kan alleen afzien van het stichten van een gezin en van het hebben van een seksueel leven als hij er zeker van is dat God hem tot deze onthechting roept. Ons priesterschap hangt af van Gods roeping en van het gebed van de Kerk voor roepingen.

Het celibaat in twijfel trekken is dus van de kerk een menselijke instelling willen maken, binnen onze macht, binnen ons bereik. Het betekent afstand doen van het mysterie van de Kerk als Gods geschenk.

De Amazonesynode heeft niet voorgesteld het priesterlijk celibaat in het algemeen ter discussie te stellen, maar alleen uitzonderingen toe te staan om het tekort aan priesters op te vangen. Lijkt u dit mogelijk?

De wijding van gehuwde mannen is een fantasie van westerse academici die op zoek zijn naar grensoverschrijdingen. Ik wil het met kracht bevestigen: De arme, eenvoudige, normale christenen eisen niet dat er een einde komt aan het celibaat! Ze verwachten dat priesters heiligen zijn, dat ze volledig aan God en zijn Kerk zijn toegewijd. Ze verwachten celibataire priesters die onder hen de figuur van Christus, Bruidegom van de Kerk, gestalte geven. Ik wilde in dit boek bevestigen dat we Paus Franciscus moeten helpen om aan de kant van de armen en de eenvoudigen te staan en de druk van de machtigen, die de middelen hebben om mediacampagnes te financieren, te weerstaan. Sommige kerkelijke organisaties die veel geld ter beschikking hebben, geloven dat ze druk kunnen uitoefenen op de paus en de bisschoppen. We zien het in Duitsland. Sommigen willen hun projecten aan de hele Kerk opleggen. Laten we bidden voor de Paus; we moeten hem helpen de druk van deze rijke en machtige kerkelijke instanties te weerstaan. We moeten hem helpen het geloof van de eenvoudigen te verdedigen. We moeten hem helpen de armen van Amazonië te verdedigen tegen degenen die proberen hen uit te buiten door hen het priesterschap te ontnemen dat volledig celibatair leeft. Dit boek is vooral geschreven om de Paus te steunen in zijn missie.

Aan de andere kant is, zoals Paus Franciscus aan het eind van de synode aangaf, het echte probleem in het Amazonegebied niet de wijding van gehuwde diakens. Het echte probleem is dat van de evangelisatie. We hebben afgezien van de verkondiging van het geloof, van het heil in Jezus Christus. Te vaak zijn we humanitaire hulpverleners of maatschappelijk werkers geworden. In Amazonië ontbreekt het ons aan leken die hun missionaire roeping serieus nemen. We hebben catechisten nodig. Staat u mij toe te verwijzen naar een situatie die ik persoonlijk heb meegemaakt. Begin 1976 bracht mijn ervaring als jonge priester me in contact met afgelegen dorpen in Guinee. Sommige van hen waren al bijna tien jaar niet meer door een priester bezocht, omdat de Europese missionarissen in 1967 door Sékou Touré waren verdreven. De catechisten bleven de catechismus aan de kinderen onderrichten en de dagelijkse gebeden opzeggen. Ze baden de rozenkrans. Ze kwamen op zondag bijeen om naar het woord van God te luisteren. Ik had de genade om deze mannen en vrouwen te ontmoeten die zonder enige sacramentele steun het geloof behielden, bij gebrek aan priesters. Ik vergeet nooit hun onvoorstelbare vreugde toen ik de mis vierde die ze nog niet zo lang kenden. Ik geloof dat als getrouwde mannen in elk dorp waren gewijd, de eucharistische honger van de gelovigen zou zijn uitgeblust. Het volk zou zijn afgesneden van de vreugde om in de priester een andere Christus te ontvangen. Ja, met het geloofsinstinct weten de armen dat een priester die afstand heeft gedaan van het huwelijk, hen de gave van al zijn liefde als echtgenoot geeft.

Wat het tekort aan priesters betreft, dat is echt. Maar ik geloof dat Paus Franciscus gelijk heeft wanneer hij schrijft: “Op veel plaatsen is er een gebrek aan roepingen tot het priesterschap en het gewijde leven”. Dit is vaak te wijten aan een gebrek aan aanstekelijke apostolische vurigheid in de gemeenschappen, wat leidt tot een afkoeling van het enthousiasme en de aantrekkingskracht. Overal waar leven is, vurigheid en een verlangen om Christus naar anderen te brengen, zullen echte roepingen ontstaan” (Evangelii Gaudium, 107).

Maar hoe zit het met uitzonderingen op de wet van het celibaat die al bestaan, bijvoorbeeld in de oosterse katholieke ritussen of het anglicaanse ordinariaat?

Een uitzondering is per definitie van voorbijgaande aard en vormt een tussenspel in de normale en natuurlijke staat van de dingen. Dit was het geval bij de anglicaanse predikanten die terugkeerden naar de volledige communie. Maar het ontbreken van een priester is geen uitzondering. Het is de normale staat van elke ontluikende kerk, zoals in het Amazonegebied, of stervende kerken, zoals in het Westen. Jezus heeft ons gewaarschuwd: “De oogst is overvloedig, maar arbeiders zijn er weinig.” De wijding van gehuwde mannen in jonge christelijke gemeenschappen zou het ontstaan van roepingen tot het ongehuwde priesterschap verhinderen. De uitzondering zou een permanente toestand worden. Een afzwakken van het beginsel van het celibaat, ook al is het beperkt tot één streek, zou geen uitzondering zijn, maar een breuk, een wond in de interne samenhang van het priesterschap. Aan de andere kant wordt de waardigheid en de grootsheid van het huwelijk steeds beter begrepen. Zoals Benedictus XVI in dit boek aangeeft, zijn deze twee staten niet verenigbaar omdat ze beide een absolute en totale gave eisen.

In het Oosten zijn er sommige kerken met een getrouwde clerus. Ik trek de persoonlijke heiligheid van deze priesters geenszins in twijfel. Maar zo’n situatie is alleen leefbaar door de massale aanwezigheid van monniken. Bovendien bestaat er vanuit het oogpunt van het teken dat het priesterschap aan de hele Kerk heeft gegeven, gevaar voor verwarring. Als een priester gehuwd is, dan heeft hij een privé-leven, een echtelijk en een gezinsleven. Hij moet tijd maken voor zijn vrouw en kinderen. Hij is niet in staat om door zijn hele leven te laten zien dat hij volledig en absoluut aan God en aan de Kerk is toegewijd. Johannes Paulus II heeft het heel duidelijk gezegd: De Kerk wil door haar priesters bemind worden met de liefde waarmee Jezus haar heeft liefgehad, dat wil zeggen met de liefde van een exclusieve echtgenoot. Het is belangrijk, zei de heilige Poolse paus, dat de priesters de theologische motivatie van hun celibaat begrijpen. Hij zei: “Het priestercelibaat moet niet alleen worden beschouwd als een wettelijke norm of als een volkomen uiterlijke voorwaarde voor toelating tot de wijding, maar veeleer als een waarde die diepgaand verbonden is met de wijding, waarbij een man gaat lijken op Jezus Christus, de Goede Herder en Bruidegom van de Kerk.” (Pastores Dabo Vobis, 50). Dit is wat we met Benedictus XVI in herinnering wilden brengen. Het ware fundament van het celibaat is niet juridisch, disciplinair of praktisch; het is theocentrisch. Over dit onderwerp verwijs ik u naar de buitengewone toespraak van Benedictus XVI tot de Romeinse Curie op 22 december 2006. Celibaat voor God is een absurditeit in de ogen van de geseculariseerde en atheïstische wereld. Het celibaat is een schandaal voor de hedendaagse mentaliteit. Het laat zien dat God een realiteit is. Als het leven van de priesters niet concreet laat zien dat God genoeg is om ons gelukkig te maken en betekenis te geven aan ons bestaan, wie zal Hem dan verkondigen? Meer dan ooit hebben onze samenlevingen het celibaat nodig omdat ze God nodig hebben.

Wat zegt u over de opvatting dat het priestercelibaat een relatief recente norm is in de katholieke kerk?

We zijn vaak het slachtoffer van een diepe historische onwetendheid over dit onderwerp. De kerk had in de eerste eeuwen getrouwde priesters. Maar zodra ze werden gewijd, moesten ze zich volledig onthouden van seksuele relaties met hun vrouwen. Benedictus XVI herinnert ons daar in dit boek heel duidelijk aan. Iedereen kent zijn diepe historische cultuur en zijn perfecte kennis van de oude traditie. Dit is een vaststaand feit en wordt bewezen door het meest recente historische onderzoek. Deze eis was geen gevolg van een taboe, kwam niet vort uit angst voor seksualiteit. Het was een kwestie van bevestigen dat de priester de exclusieve bruidegom, lichaam en ziel, van de Kerk is. Vanuit historisch oogpunt zijn de zaken heel duidelijk: in het jaar 305 herinnert het Concilie van Elvira aan de wet, “ontvangen van de apostelen”, over de seksuele onthouding van de priesters. Aangezien de Kerk net uit het tijdperk van het martelaarschap is gekomen, was een van haar eerste zorgen te bevestigen dat de priesters zich moeten onthouden van seksuele betrekkingen met hun vrouwen. Inderdaad, zo stelt het Concilie: “Men was het er unaniem over eens dat bisschoppen, priesters en diakens, dat wil zeggen alle geestelijken in het ambt, zich moeten onthouden van hun vrouwen en geen kinderen mogen voortbrengen; wie dat wel heeft gedaan [seksuele betrekkingen heeft gehad] moet van zijn geestelijk ambt ontheven worden verklaard.” (canon 33). Als deze eis een vernieuwing was geweest, zou het niet hebben ontbroken aan algemene protesten onder de priesters. Over het geheel genomen werd het echter vreedzaam ontvangen. De christenen waren zich er al van bewust dat een priester die de Mis viert, dat wil zeggen de vernieuwing van het offer van Christus voor de wereld, zich ook moet aanbieden aan God en aan zijn hele Kerk, lichaam en ziel. Hij behoort niet meer tot zichzelf. Pas veel later, door het bederf van de teksten, zou het Oosten in zijn discipline evolueren, zonder echter ooit de ontologische band tussen het priesterschap en de onthouding te verloochenen.

U keert in dit boek meerdere malen terug naar de noodzaak van radicale evangelisatie. Gelooft u dat we te maken hebben met een afnemende apostolische vurigheid, dat de Kerk haar zout kwijt is?

Ik ben blij dat u die vraag hebt gesteld. Het is zeker het belangrijkste aspect van dit boek, maar niemand heeft het opgemerkt of becommentarieerd. We zijn tevreden met secundaire en vruchteloze polemieken. Ik denk dat we bedelven onder lauwheid en middelmatigheid. We moeten streven naar heiligheid. Benedictus XVI durft met profetische moed te bevestigen dat ‘er zonder onthechting aan materiële goederen geen sprake kan zijn van priesterschap’. De oproep om Jezus te volgen is niet mogelijk zonder dit teken van vrijheid en verzaking aan alle compromissen”. Zo legt hij de basis voor een echte hervorming van de geestelijkheid. Hij roept op tot een radicale verandering in het dagelijks leven van de priesters als hij verder gaat: “Het celibaat kan zijn volle betekenis niet bereiken als we ons houden aan de regels van het eigendom en de huidige levenshouding.” Ik ben ervan overtuigd dat het in werkelijkheid de radicaliteit van deze oproep tot heiligheid is die verontrustend is en die men niet wil horen. Dit boek is verontrustend omdat de paus emeritus een veeleisend en profetisch perspectief biedt.

Van mijn kant heb ik geprobeerd deze oproep te ontwikkelen door te benadrukken dat priesters concrete manieren moeten vinden om de evangelische raden te beleven. De bisschoppen moeten hierover nadenken, voor zichzelf en voor de priesters: We moeten God concreet in het middelpunt van ons leven plaatsen. Het leven van de priesters kan geen leven volgens de wereld zijn. “Niemand kan twee heren dienen.” Het Westen is buiten adem. Het Westen is oud, met al zijn uittredingen en afvalligheid. Het wacht, zonder het te beseffen, op de jeugd, op de rauwheid van de eis van heiligheid van het Evangelie. Het wacht dus op priesters die radicaal heilig zijn.

Bron: The New Catholic Register (vertaling door fortesinfide)

 

Brandde ons hart niet in ons…?

”BRANDDE ONS HART NIET IN ONS…?”

supper-at-emmaus-by-Rembrandt
Rembrandt, Emmaüsgangers aan tafel met de verrezen Heer, Louvre, Parijs, 1648, 68 x 65 cm. De tedere tegenwoordigheid van de opgestane Heer, met de glans van Zijn gelaat, vullen de ruimte; er heerst een grote rust en sacrale sfeer. We worden meegetrokken in de heilige stemming van die twee leerlingen precies op het moment waarop ze Hem herkennen. 

Ik kan me herinneren hoe ik als tiener las uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde. Het was een tijd van een pratende Kerk; veel praten, praatgroepjes, discussie. En een tijd van een mopperende Kerk; toch veel gemopper. Zo voelde het aan als tiener. Een bedrukte sfeer met discussie, polemiek en gemopper. Het doet me denken aan het evangelie van de twee leerlingen van Emmaüs, die twee pratende leerlingen: ”Ze praatten met elkaar over alles wat was voorgevallen” (Lc. 24,14). Door al datgene wat er gebeurd is en waar ze over praten, herkennen ze niet dat de verrezen Heer met hen meeloopt, die hen vraagt: ”Waarover praten jullie met elkaar?” (v.17). En dan wordt hun reactie beschreven: ”Met een bedrukt gezicht bleven ze staan” (v.17). Daar hebt u het; die bedruktheid. Het is van hun gezichten af te lezen. De verrezen Heer, die een vreemdeling voor hen blijft, doet alsof Hij er niet van weet: “Wat dan?” (v.19). ”Bent U de enige vreemdeling in Jeruzalem dat u niet weet wat daar gebeurd is?” (v.18). En dan doen ze hun verhaal, hoe dit, hoe dat. Een verhaal waarvan hun teleurstelling afdruipt… Het is de bedruktheid van een louter pratende en mopperende Kerk die de verrezen Heer niet herkent. Ze moeten het verwijt te horen krijgen van de Heer: “O onverstandigen, die zo traag zijt in het geloof…” (vs. 25).

Pas nadat Hij gesproken en uitgelegd heeft en zij hebben geluisterd, zullen ze zeggen: “Brandde ons hart niet in ons zoals Hij met ons sprak en ons onderweg de Schriften ontsloot” (v.32).

Zo kan ik me nog goed herinneren dat ik in die tijd van een pratende en mopperende Kerk, na de voetbaltraining, op de bank, las uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde, én dat dát een verademing was. De verademing van het gebed, van het intieme gesprek van de Heer en mij, van het luisteren naar Zijn woord, soms een corrigerend of waarschuwend, meestal een bemoedigend woord… Dat lezen uit de Boodschap van Barmhartige Liefde, wat een dialoog is van de Heer met de kleine ziel, was een verademing voor de tienerziel. De Heer tot wie je spreekt en bidt, bij wie je je hart kan luchten, die je zielenroerselen kent, de Heer die tot je spreekt, die heeft mijn hart, mijn ziel doen branden… een ervaring van hoe Hij nabij is en met zijn Barmhartige Liefde aanwezig is, en ons leidt door een moeilijke tijd heen.

Er is méér dan al dat gepraat en gemopper, dat zo bedrukt en ons doet somberen en doet vergeten dat er een Blijde Boodschap, een Evangelie van Jezus’ Barmhartige Liefde is, die ons mensen met al onze lasten, met al wat ons bedrukt, tot Hem en Zijn Hart te komen; “en Ik zal u rust en verlichting geven” (Mt. 11,28).

Ieder van ons als kleine ziel, jong en oud, mag ook in deze tijd, het milde vuur van Zijn Barmhartige Liefde gevoelen dat ons hart doet branden in het intieme gesprek en dialoog met Hem. Dan wordt door dit intieme gesprek, Zijn Woord, je hart ook meer bereid tot het nog intiemere gebeuren van het ontvangen van de Heer in de Eucharistie. De twee leerlingen van Emmaüs herkennen Hem aan het ‘breken van het brood’. Hij is werkelijk verrezen, Hij leeft werkelijk! Hij is werkelijk aanwezig onder het teken van het brood. De Barmhartige Liefde zelf, doet ons inzien hoe de werkelijkheid van het lijden, van het kruis, een werkelijkheid is die is opgenomen in een nog grotere werkelijkheid van Zijn verrijzenis, van Zijn werkelijke aanwezigheid in de Eucharistie, van Zijn werkelijke blijvende aanwezigheid, ook als het donker wordt in je leven.


Wilt gij met Mij de kinderen van de verlossing zijn? (Boodschap 5 juli 1967)

Door E.H. Luc Vanstraelen

katholiek-onderwijs_5

Mijn lieve Kleine Zielen,

Toen ik op een willekeurige bladzijde het eerste boekdeel van de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen opende, las ik als eerste zin uit de Boodschap van 5 juli 1967 het volgende:

Jezus: ‘Kleine Zielen, wilt gij met Mij de kinderen van de verlossing zijn?‘

Dit is een rechtstreekse vraag en ik voelde mij onmiddellijk aangesproken. Zonder het vervolg van deze boodschap te lezen waren mijn eerste gedachten: ‘Ja. Heer, ik wil heel zeker, vanuit de grond van mijn hart en met inzet van al mijn mogelijkheden, meewerken om de mensen rondom mij op een of andere manier te helpen beseffen en waarderen dat Gij ook voor hen Mens geworden zijt en dat Gij door uw heilig Kruis ook voor hen verlossing hebt gebracht. Gij hebt met uw Boodschap, mij en allen die in U geloven, een krachtig hulpmiddel gegeven om uw liefde en uw barmhartigheid beter te leren kennen en te waarderen, zowel in mijn eigen leven als in dat van de anderen. Dikwijls heb ik de indruk dat U de woorden die ik in uw Boodschap lees, speciaal voor mij hebt uitgesproken. Ik weet dat Gij verlangt dat iedere mens voldoende goede wil zal opbrengen om U te leren kennen en zijn leven af te stemmen op U. Ik zoek al lang naar wegen en middelen om het hart van mensen rondom mij, met uw Boodschap van Liefde te kunnen raken. Maar buiten de kring van Kleine Zielen, stuit ik meestal op onbegrip en onverschilligheid. Dit is zelfs het geval bij uw trouwe gelovigen. De meeste mensen die ik ken, zijn zelfs niet eens bereid om gewoon en vrijblijvend, enkele van uw Boodschappen te lezen; laat staan erover na te denken. Vele gedoopten zijn op dat gebied zoals het zaad, dat de zaaier uit de gelijkenis in uw Evangelie met kwistige hand uitstrooide. Een gedeelte viel naast de vruchtbare grond en ging omwille van allerlei redenen verloren. Een ander gedeelte viel in de goede grond. Het kwam uit, groeide op en bracht dertig, zestig, ja zelfs honderdvoudig vrucht voort. Ik ben ervan overtuigd dat zij, dankzij de verdiepende inzichten en de concrete beleving van uw Boodschap veel meer dan dertig- en zestigvoudig vrucht zullen dragen. Maar hoe kan het goede zaad van uw Boodschap wortel kunnen schieten als wij op zo vele plaatsen zelfs niet eens de kans krijgen om het te zaaien?‘

‘Kleine zielen, zegt Jezus, ‘wilt ge met Mij de kinderen van de verlossing zijn?‘

Wij staan dus niet alleen. Samen met Jezus kunnen wij kinderen van de verlossing zijn. Maar zoals gewoonlijk dwingt God de mens niet. Jezus vraagt of wij met zijn hulp als kinderen van de verlossing willen leven. Wij staan nooit alleen. Samen met Hem kunnen wij naar de mensen toegaan als zichtbare tekens van de verlossing. Een Kleine Ziel moet niet alleen de ontvangen verlossing uitstralen, maar ook verlossend overkomen bij al wie zij of hij ontmoet. ‘Kind van de verlossing’ betekent zowel zich inspannen en meewerken aan de opbouw van het Rijk Gods in deze wereld, als tegelijkertijd zichzelf als een verloste mens ervaren en deze bevrijdende ervaring overdragen op anderen. Kind zijn van de verlossing is weten dat God je zijn verlossing al geschonken heeft. Dit inzicht moet dan ook verlossend overkomen op anderen. Indachtig zijn woorden: ‘Vrienden noem Ik jullie, omdat Ik alles wat Ik van de Vader heb vernomen, aan jullie heb meegedeeld.‘ (Joh. 15,15) en ‘Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik jullie’ (Joh. 20,21), zegt Jezus verder in deze Boodschap:

Jezus: Zie, Ik vraag u wat mijn Vader Mij heeft gevraagd. Maar vrees niet. Ge zult Mij enkel dat geven wat uw arme menselijke natuur met de steun der genade Mij wil geven. En Ik zal uw gaven dankbaar aanvaarden. 

Wanneer God iets van je vraagt mag dan nooit een reden zijn om je angstig te voelen. Integendeel, je weet op voorhand dat Hij je zal bijstaan met een overvloed aan genade. En toch zijn wij nog al te dikwijls te kleingelovig en te berekenend. Vaak zelfs, zonder dat wij er erg in hebben, blijven wij in ons engagement (= onze verbintenis die wij aangaan, onze inzet met hart en ziel) allerhande zekerheden en veiligheden inbouwen. Hoe vaak horen wij niet zeggen: ‘Ik wil wel regelmatig bidden en mij inzetten voor de Heer; ik wil mijn Kleine-Ziel-zijn ten volle beleven maar ik heb ook nog zoveel andere dingen te doen. Ik wil de Boodschap van de barmhartige Liefde leren kennen; ik wil vanuit deze spiritualiteit mijn leven opbouwen tot een totale overgave aan de Heer, maar waar moet ik de tijd wel vinden om iedere dag of toch minstens enkele keren per week, wat in Zijn Evangelie en in de Boodschap te lezen en dat alles dan bijvoorbeeld nog een kwartiertje biddend tot mij te laten doordringen?‘ Het komt er vooral op aan een keuze te maken. Wij verschuilen ons al te vaak achter een te kort aan tijd. Maar wie heel eerlijk is weet in het diepste van zijn hart dat hier de uitdrukking ‘ik heb geen tijd’ dikwijls een fraaie en verdoezelende manier is om te zeggen: ‘Dat wil ik niet’. Voordat wij op zoek gaan naar excuses om ons tekort aan inzet te vergoelijken, moeten wij eens nagaan wat wij werkelijk belangrijk vinden in het leven. Want voor de echt belangrijke zaken vind je wél tijd. Is in de praktijk bijvoorbeeld de TV soms niet belangrijker dan de Boodschap of het gebed?

‘Kleine zielen, zegt Jezus, ‘wilt gij met Mij de kinderen van de verlossing zijn?

Wilt gij echt verlossend overkomen bij de anderen en mijn verlossing uitdragen?‘ Misschien heb jij ook ooit het volgende gedacht: “Wat gaan de mensen er wel van denken als ik hen vanuit- en met de Boodschap aanspreek? Wat gaan zij over mij denken als ik, wanneer dat bij een of andere ontmoeting ter sprake komt, hen over mijn geloofsovertuiging spreek en over mijn inzet en mijn streven naar een leven van echte Kleine Ziel? Wat gaan zij wel van mij denken als ik hen dan ook nog uitnodig om mee te komen bidden of te proberen wat tijd vrij te maken om in de Boodschap te lezen? Vrees niet, zegt Jezus. Je moet niet bang zijn om je belachelijk te maken of misschien ‘te veel hooi op je vork te nemen’. Ge zult Mij enkel dat geven wat uw arme menselijke natuur met de steun der genade Mij wil geven. Wij steunen al te vaak alleen maar op onze zwakke menselijke natuur en vergeten de genade die Jezus ons schenkt te benutten. Velen hebben nog al te dikwijls de neiging om alles heel alleen te doen. Maar alleen staan wij nergens. Jezus zegt in zijn Boodschap op 29 maart 1968 heel uitdrukkelijk:

Kind, geef de genade vrij spel in u en in de anderen. Wat is of wat niet is hoeft u niet te verontrusten. Waar het op aankomt is de volledige overgave aan Mijn wil.

Wij willen ons wel aan de Heer geven, maar nog niet helemaal. En Jezus begrijpt dat. De weg naar de Hemel is een weg doorheen volledige overgave, is niet altijd gemakkelijk. Maar het is wel de inspanning waard en wij staan nooit alleen. Wij ontvangen op ieder moment van ons leven de genade die wij op dat ogenblik nodig hebben.

Jezus: Geloof Mij, elke dag wordt een beetje menselijke natuur door de genade overwonnen. (Boodschap van 26 januari 1970)

Jezus: Mijn genade is daar om in zoveel dingen aan te vullen wat de menselijke natuur onoverkomelijk lijkt. (Boodschap van 1 juli 1966)

Jezus: Wie op Mij al zijn vertrouwen stelt, al zijn hoop, die is het gezegend kind van mijn Allerheiligste Hart. En Ik zal over hem de zachte dauw van mijn genade spreiden. (Boodschap van 9 september 1967)

Jezus spreekt tot ons woorden van eeuwig leven. Wij zelf beslissen door een vrije en persoonlijke keuze of wij ernaar willen luisteren of niet, en of wij Zijn woorden van invloed willen laten zijn in ons leven. De evangelist Marcus verhaalt hoe Jezus op een sabbat eens het woord nam in de synagoge in Nazareth. De eerste reactie van zijn gelovige stadsgenoten was positief. ‘Ze betuigden Hem allemaal hun bijval en verbaasden zich over de woorden van genade die uit zijn mond vloeiden…’. (Mc. 4,22) Maar wanneer Jezus verder doordringt tot de kern van het gelovige leven konden velen van diezelfde mensen die deze woorden van genade uit de mond van Jezus zelf gehoord hadden er niet toe komen hun eigen wil en inzichten los te laten. Zij durfden niet echt te geloven en hun leven aan de genade van God toevertrouwen. Op hen waren de volgende woorden van Jezus zeker van toepassing: ‘De woorden die Ik tot jullie gesproken heb, zijn geest: ze zijn leven, maar er zijn er onder jullie die niet geloven’. (Joh. 6,63-64a). Dit is heden ten dage nog altijd het geval bij veel goede gelovigen. Zij zijn bevreesd voor het onbekende. Zij willen steeds het waarom van hun handelen kennen. Dit houdt soms de totale gelovige overgave tegen.

Jezus zegt: (Boodschap van 9 september 1967): Is het nodig dat gij het waarom van de dingen kent? Alles komt op tijd, geloof Mij. Bid en wees vol overgave. 

Overgave betekent ook; engagement. De woorden van Jezus, zowel in het Evangelie als in zijn Boodschap zijn niet vrijblijvend. Zij bevatten een heel concrete en levenvullende opdracht. Op 9 maart 1974 lezen wij:

De kleine zielen moeten in het diepste van hun gemoed in de diepte werken om de naam Kleine Ziel te verdienen, die zij al te vaak maar op oppervlakkige wijze dragen.

Het is niet omdat iemand in de Boodschap leest en regelmatig een uurtje komt meebidden in een ‘Eilandje van Heiligheid’, dat hij daarom een echte Kleine Ziel is. Jezus zegt het zelf. Je moet de naam ‘Kleine Ziel‘ verdienen. Kleine Ziel zijn is niet hetzelfde als lid zijn van een of andere club of vereniging. Kleine Ziel zijn is een levenswijze, gesteund op een overtuiging die geworteld is in de Barmhartige Liefde van God zelf. Kleine Ziel ben je 24 uur op 24 uur. En dat moet je verdienen, zegt Jezus. Geen naamchristenen, maar echte, levende gelovigen.

Jezus: Weest uw God getrouw, weest trouw aan zijn geboden. Wee degene die het Heilig Evangelie betwist. Daar is de Waarheid. De verantwoordelijkheid is verschrikkelijk. Beperkt de ernstige gevolgen door de ijver waarmee ge mijn Woord verspreidt dat ge vindt in het Evangelie en dat u in herinnering gebracht wordt in de Boodschap van de Barmhartige Liefde.

Jezus heeft al gedurende zijn leven hier op aarde zijn leerlingen ervoor gewaarschuwd op hun hoede te zijn voor valse leraars en misleiders. Hij waarschuwt voor de wolven in schaapsvachten, spreekt over de huurlingen die in tegenstelling tot de goede Herder, de kudde in de steek laten wanneer het gevaar dreigt. Het lijkt wel een onontkoombare wet: waar het goede is duikt ook het kwade op. Of om het met de woorden vanuit een gelovige visie te zeggen: Waar God zijn maaltijd bereidt, probeert de duivel roet in het eten te gooien.

Sint Paulus spoort zijn gelovigen en ons allen aan om te volharden in het geloof en de ware leer te blijven volgen. In zijn tweede brief aan de Tessalonicenzen, hoofdstuk 2, spreekt hij over de vervolging en de verleiding tot afval van de christenen, voordat de eindtijd aanbreekt. Voor deze laatste en hevigste aanval zal de duivel zich bedienen van een menselijk werktuig. Paulus duidt hem aan met drie namen, nl. de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf en de tegenstander (van God en Christus). In de christelijke apocalyptische traditie spreken wij van de anti-Christ. Deze is de tegenspeler van Jezus Christus, van wie hij de openbaring, de komst en wonderen nabootst om verwarring te stichten. Johannes schrijft:

“Wie is de leugenaar? Wie anders dan hij die loochent dat Jezus de Messias is? De antichrist is hij die de Vader en de Zoon verloochent. Wie de Zoon verloochent, heeft ook de Vader niet; wie de Zoon erkent, heeft ook de Vader.” (1Joh. 2,22-23). 

Hieraan herkent u de Geest van God: iedere geest die erkent dat Jezus Christus mens is geworden, komt van God; iedere geest die dit van Jezus loochent, komt niet van God. Het is de geest van de antichrist. U hebt gehoord dat hij zal komen, maar hij is al in de wereld, nu al. (1Joh. 4,2-3). 

Want veel bedriegers zijn naar de wereld uitgegaan; zij loochenen dat Jezus Christus mens is geworden. Dat is het kenmerk van de bedrieger en de antichrist. (2Joh. 1,7). 

Wij lezen verder in deze Boodschap.

Verkondig luid uw geloof en uw liefde, vooral wanneer de eeuwige waarheden in uw aanwezigheid betwist worden. Dwaas is hij die zwijgt hoewel hij de wet van God kent, wanneer dit stilzwijgen als een goedkeuring begrepen wordt door degenen die schijnbaar ongestraft die wet overtreden. De dag van de Heer zal aanbreken en iedereen zal loon naar werken krijgen. De goeden wacht het eeuwig leven. Maar wat de lafaards en de woordbrekers betreft, die hun eed van trouw aan Christus nog verloochenen nadat de oneindige Barmhartigheid alles zal in het werk gesteld hebben om hen in de schaapstal terug te voeren, over hen zal de goddelijke toorn losbarsten en in de volle macht van zijn steeds werkzame gerechtigheid zal deze toorn op hen neerkomen. 

Jezus spreekt hier duidelijke taal. Hij verwacht een volledige inzet, niet alleen met de mond maar ook doorheen daden van liefde en geloof. Laten wij bidden opdat wij iedere keer met een oprecht hart en met volle overtuiging ‘Ja, Heer’ kunnen antwoorden telkens als Jezus ons vraagt:

Kleine zielen, wilt gij met Mij de kinderen van de verlossing zijn?

Uit; Het Legioen Kleine Zielen, Tijdschrift van het Legioen Kleine Zielen van het Barmhartig Hart van Jezus, St. Niklaas, 35ste Jaargang Nr. 1, Maart 2007, blz. 18-23.

A. Ory: Wat is Functionele Exegese

424051

A. Ory – Wat is Functionele Exegese

Als Pdf Bestand – 163 blz.


 

Weet wel dat ge in de Hemel geen grotere beschermer hebt dan St. Jozef

Door E.H. Luc Vanstraelen

H Jozef en Kind“Weet wel dat ge in de Hemel geen grotere beschermer hebt dan hij”. (Boodschap 19 maart 1979)


Mijn lieve Kleine Zielen

Al sinds het ontstaan van de Kerk streven gelovige mensen ernaar om Jezus Christus zo goed mogelijk in zijn leven en leer na te volgen. Sommigen deden dit op een zo volmaakte wijze dat het niet anders kon dan dat dit opviel in hun omgeving. Deze mensen noemen wij heel terecht “heilig”, in de meest verheven zin van het woord. Zij zijn niet alleen geheiligd door het doopsel en het aanvaarden van de genade van Onze Heer Jezus Christus in dit leven, maar wij zijn er absoluut zeker van dat zij ook bij God in eeuwigheid leven in de vreugde van de hemel. Hun leven of sommige aspecten in hun levenswijze en beoefenen van de deugden wordt nu nog altijd als navolgenswaard voorgehouden. Zij zijn een levend voorbeeld van hoe een mens naar God toe kan groeien wanneer hij of zij zich volledig door Hem laat inpalmen en van ganser harte “ja” durft zeggen.

Sommige heiligen zijn wereldwijd bekend. Hun levenswijze, hun woorden of geschriften, hun daden of het beoefenen van de christelijke deugden spreekt zo aan en is zo inspirerend dat zij uitgegroeid zijn tot een voorbeeld voor de universele Kerk. Wij spreken hier over die heiligen van wie de hele Wereldkerk op haar liturgische kalender het feest viert. Ik denk hier aan de H. Maagd Maria, Petrus, Paulus, Andreas, alle apostelen en evangelisten, Franciscus van Assisi, Clara, Teresia van Avila, Johannes van het Kruis, Don Bosco, Moeder Teresa, pater Damiaan, en nog vele anderen. Daarnaast zijn er nog veel meer heiligen die niet wereldwijd bekend zijn. Hun feest wordt in bepaalde streken of landen gevierd. Ook zij zijn en blijven een bron van genade en een oproep tot heiligheid. Maar hun verering is meer plaatsgebonden. Zo denk ik bv. aan Johannes Berchmans, Sint Lutgart, Sint Trudo, de heilige Amandus, de heilige Amandina, de heilige Godelieve, enz. En dan zijn er nog de ontelbare heiligen die nooit op de liturgische kalender vernoemd zullen worden. Dat zijn de gewone mensen die heel hun leven, met vallen en opstaan, naar best vermogen getracht hebben Jezus na te volgen. Zij leefden en stierven als goede mensen, die hun best deden iedere dag weer opnieuw, en meestal zonder op te vallen. Dat zijn de mensen waarover de ziener Johannes zo mooi schrijft in zijn Apokalyps: Toen hoorde ik een geluid als van een grote menigte en als het gedruis van vele wateren en als het dreunen van zware donderslagen, en zij riepen: “Halleluja! De Heer onze God, de Albeheerser, heeft zijn koningschap aanvaard. Laat ons verheugd zijn en juichen en Hem eer bewijzen”. (Apok. 19, 6-7a)

Ik wil het nu hebben over één van die grote heiligen over wie en tot wie in onze Kerk veel te weinig gesproken en gebeden wordt nl.: Sint Jozef.

-Wie is deze Jozef?

-Wat heeft hij gedaan?

-Welke is zijn plaats in de heilsgeschiedenis?

-Waar vinden wij hem terug in het leven van Jezus?

-Is hij echt zo belangrijk in de Kerk?

-Kennen de gelovigen Sint Jozef nog?

Dit zijn veel vragen in korte tijd. Te veel vragen om op enkele bladzijden allemaal te beantwoorden. Voordat wij verder gaan met deze uiteenzetting bidden wij het gebed of het ‘memorare’ van zuster Faustina:

Gedenk, O aller-zuiverste bruidegom van de heilige Maagd Maria, en mijn zeer beminde beschermer, heilige Jozef, dat het nooit gehoord is dat iemand die uw zorg afsmeekte en uw hulp inriep, ongetroost bleef. Aangemoedigd door dit vertrouwen kom ik tot U en beveel ik mij met alle vurigheid van mijn geest bij U aan. Verwerp mijn bede niet, o voedstervader van de Heiland, maar aanvaard ze welwillend en verhoor ze. Amen.

Ik las eens de volgende uitspraak van een pater: “Het is niet gemakkelijk een homilie te houden over de heilige Jozef, want wij weten zo weinig over zijn persoon.” En ik dacht: “Dit is waar en niet waar”. Het is inderdaad niet gemakkelijk een homilie over Sint Jozef te houden. Maar dat komt niet omdat wij zo weinig over hem weten. Integendeel! Het weinige dat wij vanuit de H. Schrift over Sint Jozef weten is zo rijk aan inhoud, zo vol van het goddelijk mysterie en de werking van de almacht van God doorheen de mens, dat het niet moeilijk is om er iets over te zeggen, maar wel om de juiste woorden te vinden om het te zeggen. Mgr. Josémaria Escrivà de Balaguer, de stichter van Opus Dei, die op 6 oktober 2002 door Paus Johannes Paulus II heilig werd verklaard, schreef in zijn boek ‘De Smidse’, dat pas na zijn dood is uitgegeven, het volgende:

Houd veel van de heilige Jozef. Bemin hem met heel je hart, want hij is degene die, met Jezus, het meest van Maria gehouden heeft. Hij is ook degene die het meest met God omging en, na onze Moeder, het meest van Hem gehouden heeft. Hij verdient het dat je van Hem houdt en het is goed dat je met hem omgaat, omdat bij de meester van het innerlijk leven is en veel invloed heeft bij de Heer en bij de Moeder van God. (De Smidse, nr. 554)

De naam Jozef was en is in een verscheidenheid van vormen een veel verspreide naam. Veel mannen heten Jozef, maar ook de vrouwelijke vorm komt veel voor. Naargelang de streek vinden wij allerhande variaties. Hier volgen slechts enkele voorbeelden van bij ons. Je kunt deze lijst ongetwijfeld met nog veel meer naamvormen aanvullen. Jozef, Joseph, Jos, Jef, Chef, Jefke, Joep, Joop, Joske, José, Josephus, Josse, Sef, Sjef, Beppe, Jozefien, Fien, Fiena, Fieneke, Jozefa, Josette, Josiane, Josina, Sien, enz.

Van uit het Oude Testament kennen wij allemaal de zoon van Rachel en Jakob, die door zijn broers verkocht werd. Diezelfde Jozef werd uiteindelijk onderkoning van Egypte en lag aan de basis van het verblijf van de Joden in Egypte. Van uit het Nieuwe Testament kennen wij de timmerman Jozef van Nazareth. Hij is de echtgenoot van de heilige Maagd Maria en de Voedstervader van Jezus. Gelovigen hebben de derde maand van het jaar heel speciaal aan hem toegewijd. In de wereldkerk vieren wij op 19 maart zijn feest als een hoogfeest. Sommige parochies richten in de maand maart een bedevaart in naar een of ander heiligdom ter ere van Sint Jozef. Zijn trouwe vereerders weten uit ondervinding dat je nooit tevergeefs beroep doet op zijn hulp. Ook Marguerite had een grote verering voor sint Jozef. Op 29 september 1977 schrijft zij in haar ‘Dagboek’:

Mijn geestelijke leidsman heeft gevraagd dat ik hier zou opschrijven wat zich de laatste tijd heeft voorgedaan. Ik maakte een lange week van groot lijden door; nog meer lichamelijk dan geestelijk. Ik had Jezus niet gevraagd mij ervan te ontslaan; ik voelde daar zelfs het verlangen niet toe. Ik begreep dat Jezus mijn lijden nodig had. Ik wist wel dat Hij op het juiste moment tussenbeide zou komen.

Op zekere dag, toen ik op het einde van mijn lichamelijke en nerveuze krachten was en nederig mijn zwakheid betreurde, die me belette verder te gaan, heb ik mijn toevlucht genomen tot Sint Jozef, mijn goede hemelse beschermer. Hij was het die, tijdens een droom, bij de aanvang van mijn bekering, met een brede beweging van zijn arm een gevaar waar ik me niet van bewust was, voor mij uit de weg ruimde. Ik heb de vaste overtuiging dat Sint Jozef op dit moment mijn beschermer tegen alle gevaren van het leven is geworden.

Ja, ik heb hem aangeroepen; ik ben begonnen met een noveen van vertrouwen. De tweede dag ondervond ik een gevoelige verbetering die zich verder doorzette. Ik heb die noveen beëindigd met een dankgebed. De Heer had me verhoord door de voorspraak van mijn goede vader Sint Jozef. Het is trouwens niet de eerste maal dat hij tussenbeide komt in mijn leven Deo gratias! Verering en dankbaarheid voor die goede heilige vervullen mijn hart. 

De Kerk eert de heilige Jozef met een hoogfeest. Dit is niet altijd zo geweest. Vroeger werd hem niet zo veel eer geschonken. En als wij de hedendaagse situatie bekijken merken wij dat nog altijd niet veel aandacht aan Sint Jozef geschonken wordt. Ondanks de ruime verspreiding van zijn naam en de talrijke kerken die hem zijn toegewijd blijft Sint Jozef nog altijd de stille, weinig gekende heilige.

In Midden – Europa werd al in de 9de eeuw het feest van Sint Jozef op 19 maart gevierd. Het heeft echter nog lang geduurd vooraleer Sint Jozef zijn plaats kreeg op de kalender. De Franse theoloog Jean de Gerson (° 1363 – + 1429) diende in 1414 een voorstel in om de heilige Jozef op de liturgische kalender van de katholieke Kerk te plaatsen. In diezelfde tijd leefde er ook in Italië een groot vereerder van Sint Jozef, nl. de heilige Bernardinus van Siëna. Hij werd rond 1380 geboren en stierf op 49-jarige leeftijd in 1429. Aangetrokken door het franciscaanse ideaal trad hij binnen in de orde van de minderbroeders. Bernardinus werd vooral bekend als rondreizende predikant en als schrijver van theologische werken. Hij kon boeiend en met heel veel talent spreken. Wanneer de heilige Bernardinus kwam preken waren de kerken heel dikwijls veel te klein. Hij moest dan buiten op pleinen en marktplaatsen preken, waar duizenden mensen samen stroomden om naar hem te luisteren. Bernardinus was ook een bekende vredestichter. Door onder andere zijn prediking heeft hij heel wat vijandige groepen of families dichter tot elkaar gebracht en met elkaar verzoend. Hij sprak heel graag over Sint Jozef. Hier volgt een kort uittreksel uit zo een preek.

Er bestaat een algemene regel aangaande speciale genaden welke aan een mens worden gegeven. Als God een persoon verkiest om een speciale genade of om een verheven roeping te ontvangen, zal Hij deze persoon overladen met alle mogelijke gaven en genaden die nodig zijn om hem of haar toe te laten de opgelegde taak te vervullen.

Deze algemene regel is zeer zeker van toepassing op Sint Jozef, de voedstervader van onze Heer Jezus Christus en echtgenoot van de Koningin van onze wereld, de H. Maagd Maria, die verheven is boven de engelen.

Hij was door de hemelse Vader verkozen als beschermer van zijn grootste schat, namelijk zijn goddelijke Zoon en Maria, de bruid van Jozef. Hij voerde de roeping die hem opgedragen was uit totdat God op het laatste zei: “Goede en trouwe dienaar, treed binnen in de vreugde van uw Heer” (Mt. 25,21).

Heilige Jozef, gedenk ons en pleit voor ons bij uw Zoon. Vraag uw heilige Bruid, de H. Maagd Maria genadig op ons neer te zien, daar zij de Moeder is van Hem welke tezamen met de Vader en de heilige Geest eeuwig regeert en leeft. Amen.

In 1479 werd ter ere van Sint Jozef een kerkelijk feest ingevoerd op de rooms-katholieke kalender. En dat had hij dan nog vooral te danken omdat hij bij de gewone gelovige al algemeen vereerd werd als de beschermheilige van timmerlieden en van stervenden. Het patroonschap van de timmerlieden haalde men uit het evangelie. Jozef was immers timmerman in Nazareth. Sint Jozef aanroepen als patroon van de stervenden was het gevolg van een gewone, logische redenering. De laatste maal dat er bij de evangelisten over een levende Jozef gesproken wordt is bij de terugvinding van de 12-jarige Jezus in de tempel te Jeruzalem. Daarna is er bij de evangelisten geen sprake meer van een levende Jozef. Daarom neemt men algemeen aan dat hij gestorven is vooraleer Jezus zijn thuis te Nazareth verliet om aan zijn leven van rondreizende Prediker en Rabbi te beginnen. Het ligt dan ook voor de hand dat Sint Jozef die, bij wijze van spreken, in de armen van Jezus en Maria gestorven is, aangeroepen wordt als schutspatroon van de stervenden.

Pas in 1621, onder paus Gregorius XV, werd het feest van Sint Jozef een feestdag in heel de Kerk. In 1679 werd hij uitgeroepen tot patroon van de Nederlanden. Maar het zou toch nog 191 jaar duren vooraleer een Paus de Kerk onder de hoede van de heilige Jozef plaatste. Om te begrijpen waarom dit gebeurde, moeten wij even teruggaan naar het niet zo verre verleden, nl. het jaar 1870. Eeuwen lang bezaten de pausen niet alleen geestelijke macht maar gedurende duizend jaar ook een zekere wereldlijke macht. Toen Karel de Grote in het jaar 800 door Paus Leo III tot keizer werd gekroond, gaf hij aan de paus een stuk land ten geschenke. Sindsdien bezaten de opeenvolgende pausen hun eigen staat en breidden geleidelijk aan hun bezittingen uit. Op 20 september 1870 drong een leger van 60.000 Piëmontezen onder bevel van de Sardijnse koning Victor-Emmanuel II Rome binnen. De pauselijke staten werden ingelijfd door de bezettingsmacht en definitief aan het wereldlijke gezag van de paus onttrokken. Paus Pius IX behield alleen het geestelijke bestuur over de Kerk. Het enige wat hem overbleef is de Citta del Vaticano (= Vaticaanstad). Sindsdien is de paus nog het wereldlijk staatshoofd van de soevereine staat Vaticaanstad. Deze is een onafhankelijke staat in de stad Rome en omvat de Sint-Pietersbasiliek, de Vaticaanse paleizen en Musea, de Vaticaanse tuinen en gebouwen. Het mini staatje heeft een oppervlakte van 44 hectaren en is daarmee het kleinste land ter wereld. De gebouwen van Vaticaanstad worden begrensd door de Middeleeuwse en Renaissance ommuring langs de Viale Vaticano en de zuilengalerij van het Sint-Pietersplein. Wij keren nu terug naar 1870. In deze penibele en woelige tijden wilde Paus Pius IX de toekomst van de Kerk toevertrouwen aan de goddelijke Barmhartigheid. Op 8 december 1870 stelde hij de Kerk onder de bijzondere bescherming van Sint Jozef en riep hem plechtig uit tot de “Beschermer van de gehele Kerk”. Dit feest werd gevierd op de derde woensdag na Pasen. Zo werd Sint Jozef dus de patroonheilige van de Kerk. Paus Leo XIII wees de maand maart aan als de Sint Jozefmaand.

Daarna hebben onze pausen meer dan eens het uitzonderlijk belang van de heilige Jozef benadrukt. In 1968, op 19 maart, zegt paus Paulus VI over Sint Jozef:

“Jozef is inderdaad de hoeder, de kostwinnaar, de opvoeder en het hoofd van het gezin geweest waarin de Zoon van God hier op aarde heeft willen leven. Hij is, in één woord, de beschermer van Jezus geweest. En de Kerk is in haar wijsheid tot de slotsom gekomen dat hij, die de beschermer is geweest van het lichaam, van het lichamelijke en geschiedkundig bestaan van Christus, in de Hemel zeker de beschermer van het Mystieke Lichaam van Christus, dat wil zeggen de Kerk, zal zijn.”

Op 15 augustus 1989 heeft paus Johannes Paulus II een uitgebreide brief geschreven over Sint Jozef, met als titel: Apostolische Exhortatie “Redemptoris Custos” (De hoeder van de Verlosser). Deze brief is één lange aansporing tot het herontdekken en herwaarderen van Sint Jozef. In hoofdstuk 6, met als titel: “Patroon van de Kerk van onze tijd” schrijft de paus:

Pius IX die de Kerk in voor haar moeilijke tijden heeft willen toevertrouwen aan de bijzondere bescherming van de heilige patriarch Jozef, heeft hem tot patroon van de katholieke Kerk uitgeroepen.

Wat zijn de motieven voor zoveel vertrouwen? Leo XIII zet het als volgt uiteen: “De redenen waarom de heilige Jozef als de bijzondere patroon van de Kerk beschouwd moet vloeien voornamelijk voort uit het feit dat hij de man van Maria en de voedstervader van Jezus was. Jozef was in zijn tijd de werkelijke en natuurlijke hoeder, het hoofd en de beschermer van de goddelijke Familie. De heilige Jozef verdient dus en is in de hoogste mate waard dat hij op de wijze waarop hij eens in alle omstandigheden op deugdzame wijze het gezin van Nazareth placht te beschermen, nu met zijn hemelse bescherming de Kerk van Christus beschut en verdedigt.

Deze bescherming moet nog steeds ingeroepen worden en is altijd nog noodzakelijk voor de Kerk, niet alleen om haar te verdedigen tegen de gevaren die oprijzen, maar ook en vooral om haar te steunen in haar vernieuwde inzet voor de evangelisatie in de wereld en voor de nieuwe evangelisatie van die landen en volkeren waar de godsdienst en het christelijk leven eens zeer bloeiend waren en die nu zwaar worden beproefd. 

In de evangelies zien wij een sint Jozef die erg op de achtergrond gebleven is. Paus Paulus VI zei het op 19 maart 1965 als volgt:

“In de spiegel van het evangelieverhaal bezien komt Jozef naar voren met de uitgesproken kenmerken van een verregaande nederigheid: een bescheiden arbeider, arm en onopvallend, waar niets bijzonders aan is, van wiens stem in de Kerk zelf geen enkele toonaard doorklinkt. Zij doet van geen enkel woord van hem verslag en maakt alleen gewag van zijn houding, van zijn gedrag, van wat hij heeft gedaan en dat alles in zwijgzame terughoudendheid en in volmaakte gehoorzaamheid.”

Op 1 mei 1955 kondigde paus Pius XII aan dat met ingang van 1956 de 1ste mei het feest moet gevierd worden van Sint Jozef arbeider. Het feest van Sint Jozef, beschermheer van de hele Kerk (Pius IX), verdween van de kalender. In 1969 werd ook het feest van Sint Jozef arbeider facultatief. Met andere woorden: men mag die dag de heilige mis vieren ter ere van Sint Jozef of men neemt gewoon het misformulier van de tijd van het jaar. In 1962 nam paus Johannes XXIII de naam van Sint Jozef op in de Romeinse canon van de heilige mis, onmiddellijk na de vermelding van Maria en voor de apostelen en martelaren. (= Eucharistisch gebed I)

Het feest van Sint Jozef heeft in de Kerk ook een hele weg afgelegd. Op dit ogenblik is de gevoeligheid voor de voedstervader van Jezus weer sterk afgenomen. Dit is normaal in een tijd van vervlakking en loochening van bijvoorbeeld het mysterie van het maagdelijk moederschap van Maria. Wanneer je Sint Jozef wilt herleiden tot de gewone natuurlijke vader van Jezus, herleidt je ook automatisch Jezus tot alleen maar een mens. Wanneer men dit mysterie, geboren uit de almacht van God, niet meer aanvaardt, kan men de plaats van Sint Jozef in het goddelijk heilsplan ook niet begrijpen. Wie niet wil of kan aannemen dat er nog méér kan bestaan dan alleen maar wat op een natuurlijke of wetenschappelijke manier kan bewezen worden, zal ook geen God meer aanvaarden, laat staan zijn mysteries.

Wie kijkt met de ogen van het geloof vindt Sint Jozef belangrijk genoeg om een grote plaats te bekleden in het plan van de Almachtige.

Marguerite schrijft over Sint Jozef op 19 maart 1977:

Ik ben hier op de afspraak van elke dag. Ik bemin mijn God, ik bemin mijn Moeder, en mijn aandacht gaat naar Sint Jozef! Vandaag is het zijn feest. Ik wil hem vereren. Ik ga de 7 vreugden en de 7 smarten bidden. Ik zal heel de dag een kaars laten branden in mijn kleine heiligdom. Ik vraag niets voor mezelf, ik vraag alles voor de anderen. Ik weet dat St. Jozef me beschermt. Mijn goede vader weet wat me past en verwijdert al wat me kan schaden. Ik heb zoveel vertrouwen in Sint Jozef!

Ik bid niet altijd tot hem, dat is waar; misschien niet genoeg. Maar ik weet dat hij hier is, dat volstaat. Een enkele blik zegt soms zoveel. Het belang van de rol die hij in mijn leven speelt, ontsnapt me niet. Zijn tussenkomsten, de droom die ik kreeg; dit alles is aanwezig in het diepst van mijn hart. Ik vereer hem met een mateloze dankbaarheid. Ik houd ervan hem op zijn feestdag te gedenken. De woorden zijn zo arm om uit te drukken wat ik voel voor deze grote, wonderbare heilige van de stilte en van de Liefde! Die goede vader, altijd bereid om op de achtergrond te treden, die trouwe bewaker van Gods schatten!

Hij is de grootste, de machtigste heilige van alle tijden. Hoe jammer dat hij niet méér gekend, bemind en vereerd wordt!

Ja, ik bemin St. Jozef: hoeveel genaden heeft hij me niet geschonken! Vandaag kom ik voor hem met alle Kleine Zielen van heel de wereld: voor allen, voor ieder, roep ik zijn bescherming in; ook voor mezelf. 

Het doet me goed me te herinneren dat hij, al sinds jaar en dag, over mij waakt. En dan degenen die ik bemin. Kan ik zeggen dat er mensen zijn die ik niet bemin? Misschien wat minder? Ja. En daarna denk ik aan mijn kinderen, ieder een stuk van mezelf. En dan aan hem die me leidt en in wie ik bescherming voel van de goede St. Jozef voor mij.

Er is de Paus, de bisschoppen, de mijne in het bijzonder, alle priesters, de gelovigen en de anderen. 

Hoeveel intenties breng ik voor de voeten van deze goede heilige! Ik heb pijn, ik heb zoveel pijn! O, ik wil die kans om alles aan de goede God te geven niet verkijken. Alles komt, alles gaat voorbij!”

Na deze mooie beschouwing van Marguerite, waarin haar liefde en verering voor Sint Jozef mooi tot uiting komt, stellen wij ons deze vraag: Waarom is Sint Jozef zo belangrijk voor het Legioen Kleine Zielen?

Sint Jozef is niet alleen de Beschermheer of Patroon van de Kerk maar samen met de heilige “kleine Theresia” ook Patroon van het Legioen Kleine Zielen. Op zondag 16 november 1997, de dag van haar naamfeest, deed Marguerite tot de aanwezige Kleine Zielen de volgende belangrijke uitspraak over Sint Jozef:

“Dierbare Kleine Zielen, als stichteres van dit Liefdewerk benoem ik officieel deze grote heilige tot Beschermheer van het dierbaar Legioen Kleine Zielen over heel de wereld. Ik dring er bij u op aan deze benoeming zeer ernstig te nemen, de uiterste kleinheid en nederigheid van Sint Jozef te overwegen, kleinheid en nederigheid tot in de hemel toe, waar nu zijn woonplaats is en waar hij, in de stilte van de oneindigheid, niet ophoudt te werken. Samen met de kleine Theresia van het Kind Jezus heeft het Legioen twee grote en machtige Beschermheiligen. Bidden wij vertrouwvol tot beiden om tussenkomst in ons leven. Vergeten wij niet dat Sint Jozef de grootste heilige is in de hemel, die de genade heeft ontvangen Maria, zijn zuivere bruid alsmede het Lam Gods te beschermen, en door wie grote dingen kunnen gebeuren. Laat ons dit vooral niet vergeten. ”

In het begin van zijn apostolische Aansporing van 15 augustus 1989 over de persoon van de heilige Jozef en zijn zending en betekenis voor Christus en de Kerk, zegt paus Johannes Paulus II waarom hij het zo belangrijk vindt om uitdrukkelijk over Sint Jozef te schrijven.

Hij wil enige gedachten tot overweging aanbieden over hem aan wie God de zorg voor zijn meest kostbare schatten heeft toevertrouwd en dat doet hij opdat bij allen de devotie tot de patroon van de universele Kerk en de liefde tot de Verlosser, die hij op voorbeeldige wijze heeft gediend, mag toenemen. Zo zal heel het christenvolk niet alleen vuriger zijn toevlucht nemen tot Sint Jozef en met vertrouwen zijn bescherming inroepen, maar altijd zijn nederige, rijpe wijze van dienen en van deelnemen aan het heilsbestel voor ogen houden.

In het vervolg van deze brief gaat de heilige Vader na waar en wanneer Sint Jozef in het evangelie ter sprake komt en welke zijn opdracht is in het heilsplan van God. Heel zijn levenslot is onlosmakelijk verbonden met de uitverkiezing van Onze Lieve Vrouw tot Moeder van de Verlosser.

Vooraleer deze uiteenzetting te beëindigen volgt nog één Boodschap over Sint Jozef. Het is 19 maart 1979, feest van de heilige Jozef. Marguerite mediteert over Sint Jozef en het grote voorrecht, en de belangrijke opdracht die hij van God gekregen heeft. En terwijl zij al nadenkend bidt en biddend nadenkt, spreekt Jezus tot haar met een verhelderende Boodschap.

M: Mijn hart en mijn gedachten gaan uit naar Sint Jozef. Ik ben geheel doordrongen van de herinnering aan de droom die ik jaren geleden kreeg.

Marguerite bedoelt hier de droom waarover zij op 29 september 1977 nog eens geschreven heeft. Bij de aanvang van haar bekering ruimde Sint Jozef met een breed gebaar van zijn arm een gevaar voor Marguerite uit de weg, waarvan zij zich op dat ogenblik niet bewust was. In het vervolg van haar overweging komt zij daar nog eens op terug.

Ik voel zijn bescherming die in de loop der jaren tot uiting kwam. Ze bleef steeds op de achtergrond tegenover Gods werking in mijn ziel, maar toch steeds werkzaam in moeilijke momenten van mijn bestaan. Ze verwijderde steeds met een sterk gezagvol gebaar de gevaren die mij, een door God uitgekozen kind, van alle kanten belaagden. 

Opnieuw zie ik de tedere beschermende blik die op mij rust. Ik zie opnieuw dezelfde blik die verstrakte bij het zien van de gevaren die mij bedreigden, het handgebaar dat ze van mij verwijderde.

Dit alles is mij net zo levendig in mijn geheugen geprent als de eerste dag. Ik kan niet nalaten mijn hemelse beschermende vader, die goede Sint Jozef, mijn hulde en erkentelijkheid te betuigen. Waarom bid ik niet méér tot hem? Omdat zijn nederigheid zich niet beroept op de eretitels die Hij van de Heer ontving.

Nu is hij daar altijd bij Jezus en Maria. Maar hij schept er behagen in alle plaats in mijn hart aan Hem over te laten. Waakzaam beschermt hij voortdurend zijn kleine ziel, maar hij doet het zo bescheiden dat ik niet altijd besef van waar de hulp komt. 

Jezus:  De droom die ge hadt, is meer dan een symbool, het is de tastbare werkelijkheid van elke dag, van elk ogenblik, want nooit verslapt zijn aandacht voor Mij.

Weet wel dat ge in de hemel geen grotere beschermer hebt dan hij.

Op aarde heb Ik hem geëerd: beschermer van mijn Kindsheid, beschermer van mijn heilige Moeder.

Hier in het verblijf van de uitverkorenen, behoudt hij zijn macht over mijn Hart en over het beminnelijk Hart van haar die hij reeds op aarde vereerde.

Machtige voorspraak!

Macht om in te grijpen in uw leven en in het leven van allen die Mij liefhebben.

Ik heb hem genoemd:

Vorst van de hemelse deugden; 

Beschermer der volkeren; 

Middelaar voor de gezinnen die in gevaar verkeren; 

Leraar van mijn Wil in de zielen van goede wil;

Wat kan Ik hem weigeren, die bij mijn komst in de wereld aanvaard heeft om Mij doeltreffend te beschermen, toen mijn Moeder en Ik als klein Kind bedreigd werden door de beulen die ons zochten te doden.

Vereer deze grote Heilige, de Grootste omwille van Zijn innige verbondenheid met Mij en Maria, zijn zuivere Bruid.

In de Boodschap noemt Jezus Sint Jozef de grootste heilige na Maria. Wij hebben alle reden om God te danken omdat Hij ons ook een heilige Jozef geschonken heeft. Marguerite bedankt Jezus dan ook met een mooi gebed tot Sint Jozef. En met dit gebed, in een licht aangepaste vorm, zal ik deze beschouwing beëindigen.

Mijn lieve Kleine Zielen,

Bij het begin van deze beschouwing stelden wij vast dat Sint Jozef vandaag in de Kerk niet meer zo uitdrukkelijk vernoemd en vereerd wordt. Wij bidden en hopen dat dit een voorbijgaand verschijnsel is. Het is dwaas en getuigt van grote lichtzinnigheid of gebrek aan geloof een zo machtige beschermer en voorspreker bij God te negeren of te minimaliseren uit ongeloof of onverschilligheid.

Gelukkig zijn er nog veel mensen, waaronder heel wat Kleine Zielen, die een diepe eerbied voor Sint Jozef koesteren en daar ook durven voor uitkomen. Ook onze laatste Pausen hebben niet gezwegen. Zij hebben verscheidene klare, ondubbelzinnige en lovenswaardige uitspraken gedaan en teksten gepubliceerd die tot verering aansporen. Maar hun woorden klinken niet luid genoeg en bereiken de gelovigen niet. Laten wij bidden dat onze priesters in hun verkondiging meer aandacht willen schenken aan Sint Jozef. Mgr. Josémaria Escriva de Balaguer van wie ik bij het begin van deze conferentie reeds een citaat heb aangehaald, schreef in datzelfde boek ‘De Smidse’ (nr. 552):

Kijk eens hoeveel redenen er zijn om de heilige Jozef te vereren en van zijn leven te leren. Hij stond sterk in het geloof… hij wist zijn gezin Jezus en Maria met hard werken vooruit te brengen, hij eerbiedigde de zuiverheid van de Maagd Maria die zijn bruid was, hij respecteerde – beminde – de vrijheid van God die niet alleen de Maagd uitkoos als zijn Moeder maar die hem ook als echtgenoot van Maria wilde.

Wist ge dat Sint Jozef ooit is uitgeroepen tot patroonheilige van België, Bohemen, Korea, Peru, Oostenrijk, Canada, Mexico en Vietnam? Maar ook van Firenze, Sicilië en Turijn? Hij is ook de patroonheilige – en mijn lijstje is verre van volledig – van de families, arbeiders, snoepfabrikanten, schrijnwerkers, timmerlui, diplomaten, vaders, pioniers, reizigers en stervenden. Zijn hulp wordt ingeroepen tegen het twijfelen, voor hen die aarzelen, voor hen die strijden tegen het communisme, voor het vinden van een woning, voor sociale rechtvaardigheid, voor een goede dood. Sint Jozef is de beschermer van de rooms-katholieke Kerk en één van de twee speciale beschermheiligen van ons Legioen Kleine Zielen. Wij zijn in heel goed gezelschap. Laten wij dankbaar om hun hulp en bijstand bidden bij de zending die wij van Jezus gekregen hebben.

Op 18 juni 1992 zegt Hij tot Marguerite:

Jezus:  Mijn kind, luister, want mijn Hart wil u leren wat Liefde-Caritas is, vurige Liefde, levende Liefde, die dit brandend vuur verspreidt in het ganse heelal. Ik geef u mijn Kracht om de ganse wereld te raken. Gij zijt klein, maar door Mij zijn uw liefdedaden groot. En Ik wil u een nog grotere Liefde geven, een Liefde die de grenzen van de wereldse verdorvenheid overschrijdt. Wilt ge dat?

M:  Ja, ik wil het.

Jezus:  Duld geen enkele inbreuk op de zending die de uwe is en die ge moet aanleren aan de Kleine Zielen. Leer hun zich te geven, zich te vergeten in Jezus – Eucharistie. Ik kan mijn Liefde niet meer inhouden. Deze wereld is te arm aan Liefde om Me te verzadigen. Ik wil de aarde van de mensen veroveren, maar Ik heb zielen nodig, kleine zielen, om voor Mij op stap te gaan, om te verwittigen dat Ik kom en dat Ik ongeduldig ben te zoeken en weer te vinden wie Ik heb gered. Hier ben Ik in tegenspraak met mijn Gerechtigheid die Mij stuwt en tracht door te gaan. En Ze komt doorheen de spleten die een grote doorbraak aankondigen om het kwaad te vernietigen. Klein zijn tegenover Mij versterkt de Tederheid die Ik u toedraag en die de doorbraak van mijn Gerechtigheid verspert. Open Mij de deur van uw hart. Wees werkelijk een Legioen van Liefde. Ik ben Liefde. Ik ben vooral de Allereerste. Maar de Gerechtigheid volgt Mij op de voet.

Een Kleine Ziel moet leven vanuit de Eucharistie en vanuit de eenheid van het ware geloof in de Kerk. Wij moeten ons tot het uiterste inspannen en missionarissen van God worden.

Op 7 april 1992 zegt Jezus:

Ik zal de kleine zielen tot in het oneindige vermenigvuldigen en er zielenvissers van maken. O mijn dochter! Ge weet niet wat Ik met u tot stand heb gebracht.

Anderhalve maand later, op 15 mei zegt Hij:

Dat mijn Kleine Zielen zich tegenover Mij houden als een Liefdesofferande. Ik zal van hen verkondigers maken van het goede nieuws, en mijn legioenairs zullen op hun hart hetzelfde symbool dragen waardoor ze elkaar zullen herkennen, broers en zusters van éénzelfde Vader en éénzelfde Moeder, om het kwaad te overwinnen dat thans in mijn Schepping heerst. Daarom heb Ik een Legioen Kleine Zielen nodig.

En tenslotte, in de Boodschap van 13 augustus 1993 lezen wij:

De Kleine Zielen zijn al bezig het uitzicht van de aarde te veranderen. Met mijn genade hebt gij het schild opgeheven tot verdediging van het geloof dat sterk in opspraak is gekomen. Er zijn vruchten in overvloed, maar Ik zeg u, er zullen stromen losbarsten om ze te vernietigen. Maar niets zal de opmars van het Legioen kunnen tegenhouden, noch zijn bloei in alle landen, niettegenstaande verliezen wegens het onbegrip van sommigen.

Laat ons bidden. Heilige Jozef, goede Vader, ik koester zo veel genegenheid voor u. Vandaag heb ik u zoveel te vragen: voor mijzelf, voor het Legioen Kleine Zielen, voor hen die ik liefheb, en voor hen die niet van mij houden, voor mijn vrienden, voor de arme zondaars en er zijn er zoveel, want wij zijn allen zondaars, Heilige Jozef, bid voor ons; bescherm uw Legioen Kleine Zielen en maak hen tot ware getuigen van de Barmhartige Liefde. Amen.

Uit; Het Legioen Kleine Zielen, Tijdschrift van het Legioen Kleine Zielen van het Barmhartig Hart van Jezus, Hasselt, 38ste Jaargang nr. 1, Maart 2010, blz. 24-39.