H. Maagd Maria spreekt tot Maria van Agreda over St. Jozef
“Mijn dochter, wel hebt gij geschreven dat mijn Bruidegom Jozef onder de heiligen en vorsten van het hemelse Jeruzalem een buitengewoon hoge rang bekleedt, maar weet ook dat zijn verheven heiligheid noch door u kan beschreven worden, noch door enig sterveling kan begrepen worden. Pas nadat men tot de aanschouwing van Gods Aanschijn gekomen is, zal men tot zijn zeer grote verwondering en onder lofprijzing van de Heer het geheim van Jozefs grootheid aanschouwen en begrijpen.
In het oordeel zullen vele verworpenen het betreuren dat zij, verblind door hun zonden, zulk een machtig en werkdadig middel ter zaligheid, zoals de voorspraak van Jozef is, niet gekend en niet gebruikt hebben. Het zou hen geholpen hebben om de vriendschap van de rechtvaardige Rechter terug te winnen!
Weinigen kennen de macht van Jozefs voorspraak bij de goddelijke Majesteit en bij Mij. Ik verzeker u, mijn geliefde dochter, dat hij in de hemel één van de intiemste vertrouwelingen is van de Heer, en zeer veel vermag om de straffen van de goddelijke rechtvaardigheid van de zondaars af te wenden. Toon u dankbaar voor de openbaringen, die u over mijn Bruidegom gegeven zijn. Uw leven lang moet gij in godsvrucht tot hem trachten toe te nemen. Wendt u in al uw noden tot hem om zijn voorspraak, en verspreid ijverig de godsvrucht tot hem. Tracht vele vereerders voor hem te winnen. Vooral moeten uw geestelijke dochters in godsvrucht tot hem uitmunten, want alles waarom mijn Bruidegom bidt in de Hemel, ontvangen zijn vereerders op aarde uit de hand van de Allerhoogste.”
Zijn afbeelding bekijkend, als de Aartsengel tegen de Draak strijdt en hem in de hel stort, denkt men onwillekeurig aan het twaalfde hoofdstuk van de geheime openbaring, waar staat:
“Toen barstte een strijd in de Hemel los: Michaël met zijn engelen streed tegen de Draak; ook vochten de Draak met zijn engelen. Maar de laatsten legden het af, en er was geen plaats meer voor hen in de Hemel” (Openb.12.7-8).
De H. Johannes spreekt van hetgeen er gebeurd was, en weliswaar in het begin. In het begin schiep God hemel en aarde. Het ‘begin’ bestond daarin, dat de Almachtige God, in Zichzelf onveranderlijk blijvend, als het ware uit Zich naar buiten trad, om buiten Zichzelf de schepselen te doen ontstaan. De schepselen zijn dan begonnen, een eigen bestaan aan te nemen, en God is als het ware begonnen, van zijn schepping te gaan genieten, als van…
“Ik heb mijn Hemel reeds hier op aarde gevonden. Want God is de Hemel, en God is in mijn ziel.” Zuster Elisabeth van de Allerheiligste Drieëenheid.
Een van de meest troostende, een van de meest verheffende waarheden van ons katholiek geloof is het geheim van de inwoning van de Allerheiligste Drieëenheid in de ziel van de rechtvaardige.
Het geloof leert, dat de ziel van iemand in staat van genade de tempel is, waarin de Vader en de Zoon en de Heilige Geest wonen als in een heilig en Hun welgevallig heiligdom.
“Weet gij niet”, zo leerde St.Paulus aan de Corinthiërs (I Cor.6.19) “weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont?” Vandaar het geestelijke woord van de grote kerkvader St.Augustinus: “Wanneer een Christen een kerk binnentreedt, gaat de ene tempel de andere binnen”.
Het is dus werkelijk waar? Het lijkt zo hoog, zo verheven, zo troostend, dat het voor dit aardse leven bijna te hemels lijkt. Is dit een feit? Of is dit misschien alleen maar voor een vrome uitleg, aan St.Paulus’ woord gegeven door een of ander heilig persoon? Een devote opvatting van een godvruchtige schrijver?
Nee, dit is een waarheid van ons geloof. Waarop berust dan die waarheid? Op het hechtste fundament! Op de duidelijkste uitspraken van de H.Schrift. Op de eigen en nadrukkelijke woorden van Jezus Christus, de onfeilbare Waarheid.
In zijn aandoenlijke afscheidsrede sprak Hij tot zijn Apostelen ook deze kostbare woorden: “Indien iemand Mij liefheeft, dan zal ook de Vader hem liefhebben, en Wij zullen komen en ons verblijf bij hem nemen.” (Jo.14,23)
Beschouwen we die woorden eens heel scherp, en overdenken wij ze vooral met biddende, ingetogen geest.
“Wij zullen komen”, zegt Jezus
”Wij”. Wie zijn die Wij? Vooreerst; de Vader, waarvan Jezus hier uitdrukkelijk melding maakt. Dan; de Zoon, die hier spreekt. Vervolgens de Heilige Geest, die als beider onverbrekelijke Liefdeband niet van de Vader en de Zoon te scheiden is.
“Wij zullen komen, en ons verblijf bij hem nemen.” Wij zullen komen. Van een nieuwe, bijzondere komst is hier sprake.
God is door Zijn almacht alomtegenwoordig. Hij is overal. En toch zegt Jezus hier: “Wij zullen komen.” Het geldt hier dus een bijzonder, een extra-komen.
Waarin dat bijzonder “komen” van de Allerheiligste Drie Personen bestaat, behoeft hier niet verder ontvouwd te worden. Het is voldoende met nederig en dankbaar blij geloof Jezus’ weldoende woord: “Wij zullen komen” in ons op te nemen, en Zijn Heilige Geest te bidden, dat we door de Gave van Verstand het dieper mogen verstaan, en door de Gave van Wijsheid het inniger mogen smaken.
Wij zullen komen en ons verblijf bij hem nemen
De drie goddelijke Personen, Vader, Zoon en Heilige Geest, Zij komen met liefde en verlangen tot de ziel, doch niet enkel voor eenmaal, ook niet voor een kort en vluchtig bezoek van enkele overweldigende uren of echte geluksdagen; Zij komen om er hun woning te vinden, om er hun verblijf voorgoed te vestigen, want: “Wij zullen komen en ons verblijf bij hem nemen”!
De drie goddelijke Personen verwaardigen zich dus de ziel en het hart van de mens te verkiezen tot hun geliefkoosd verblijf, hun rustoord, hun goddelijke residentie, hun paleis, hun paradijs, hun heiligdom, hun tempel.
Daarom kon St.Paulus met recht vragen: “Weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u woont? Verheerlijk dan God in uw lichaam.” Een eerbiedwaardige tempel, een uitverkoren heiligdom van de Allerheiligste Drievuldigheid is dus de ziel van de Christen in staat van genade. Wat een verheffing! Wat een rijkdom! Wat een weelde! Gezegend, zij de Heilige Drieëenheid, omdat Zij ons zo grote barmhartigheid heeft willen bewijzen!
De Eerbiedwaardige Dienares van God, Zuster Elisabeth van de Allerheiligste Drieëenheid, karmelietes in het klooster te Dijon, baseerde heel haar rijkbloeiend zieleleven op dit heerlijk geloofsgeheim. En dit maakte haar zo gelukkig, dat zij daarin een voorsmaak vond van de Hemel, en zij juichend uitriep: “Ik heb mijn Hemel reeds hier op aarde gevonden. Want God is de Hemel, en God is in mijn ziel.”
En was dat ook niet een blije zielekreet van dat ander bevoorrecht kind van de Carmel, de H.Kleine Theresia: “Mijn Hemel, dat zijt Gij, o Heilige Drieëenheid, Die door de liefde in mijn hart gevangen zijt. U daar beschouwende, herhaal ik met vertrouwen. Ik wil U dienen, Heer, U beminnen te allen tijd.”
Uit; Mijn Hemel op aarde, Martin Stoks CssR, Stichting St. Hildegardis, Goirle, blz. 5-8.
“We hebben tegenwoordig een strijd in de wereld, die velen niet willen kennen; een geestelijke strijd. En deze is nog erger dan alle anderen. Een van de gevaarlijkste satanische aanvallen stort zich op de Kerk en op alles, dat de naam Christelijk draagt, het overvalt de wereld, en deze laatste is het slachtoffer van een duivelse bezetenheid. In het zicht van dit gevaar blijf ik, de Koningin van de Heilige Rozenkrans, zegevierend in alle grote veldslagen van de Christenheid. Gij zult mij nooit tevergeefs aanroepen.” – Zo sprak de Moeder Gods in Kerizinen op 7 oktober 1961. Zij sprak duidelijk van een strijd of oorlog, een weliswaar geestelijke strijd.
Voor een strijd zijn echter ook wapens noodzakelijk. Hoe groter en sterker de vijand is, des te machtiger, aan strijd en vijand aangepaste wapens men nodig heeft. Maria is echter niet voor niets de meest wijze en verstandigste Koningin.
Als zij ons tot de strijd oproept, en wel tot de strijd tegen Satan, dan zorgt zij ook voor passende wapens, die zij zelf uitgevonden heeft. Het gaat om een geestelijke strijd, en daarvoor hebben wij ook een geestelijk wapen nodig, dat zo sterk en machtig is, dat het alle aanslagen en aanvallen van de Satan vermag te vernietigen. Dit wapen is de Heilige Rozenkrans.
Strijd en wapen. Het is eigenlijk niets nieuws, geen nieuwe boodschap, alleen de herhaling van die in de H.Schrift staat, haast ononderbroken leert zij ons, dat wij altijd tegen de Boze moeten strijden. Zo lezen wij in het boek Job: “Strijd is het leven van de mens op aarde.” Jezus zelf heeft zeer dikwijls over deze strijd of dit gevecht gesproken.
De H.Paulus beschrijft tot in details deze strijd in zijn brief aan de Efeziërs (6.10-18). Hij schrijft: “Ten slotte! Weest sterk in de Heer en in zijn sterke kracht! Legt aan de wapenrusting Gods, om stand te kunnen houden tegen de listen van de duivel. Want niet tegen vlees en bloed geldt onze strijd, maar tegen heerschappijen en machten, tegen wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de lucht. Grijpt daarom naar de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden op de boze dag, en pal te blijven staan, na alles te hebben volbracht. Op dan! Uw lenden omgord met de waarheid, en het pantser der gerechtigheid om; de voeten geschoeid met bereidwilligheid voor de blijde Boodschap van vrede; het schild van het geloof steeds voor u uit, om al de vurige pijlen van de Boze te kunnen smoren; grijpt naar de helm van het heil en het zwaard van de Geest; dit is het woord van God. Blijft bidden in de Geest, te allen tijde met gebed en smeking in allerlei vorm; draagt daarbij zorg, om ook met grote volharding voor alle heiligen te blijven bidden.”
Waarom deze nooit aflatende strijd? Omdat de tegenstander, de vijand van God en onze vijand, ons geen rust laat. In de Openbaring van Johannes lezen wij: “Wee echter de aarde en de zee! Want de duivel is tot u neergedaald… Nu ontstak de Draak in woede tegen de Vrouw; hij maakte zich gereed, om de strijd te voeren tegen de rest van haar kinderen, tegen hen, die de geboden van God onderhouden, en het getuigenis van Jezus bezitten.” (12.12-18) De H.Schrift en de werken van de heilige Kerkleraren bevestigen de nooit rustende boosheid, wreedheid en arglist van de hel, die, als het mogelijk was, alle leden van de H.Kerk in de eeuwige verdoemenis zou willen sleuren. Het gaat om een strijd, die velen niet willen kennen, zoals de Moeder Gods het in Kerizinen geopenbaard heeft.
Nu bekijken wij in het kort, hoe deze strijd voor iedere afzonderlijke ziel uitgevoerd wordt.
De Strijd
Vanaf het ogenblik van de ontvangenis voeren de engelen veel en hevige strijd tegen de duivel om het hun toevertrouwde schepsel te verdedigen. De duivels beweren een recht op dat schepsel te bezitten, omdat het met de erfzonde ontvangen is en daarmee een kind van de vloek is, de goddelijke genade en vriendschap onwaardig, in één woord hun slaaf. De engel daarentegen verdedigt het. Ook al zou het kind met de erfzonde belast zijn, dan heeft het deze door de natuur opgelopen. De schuld ligt bij de eerste ouders, niet bij de wil van het kind. God heeft het ongeacht deze zonde geschapen, opdat het Hem kenne, Hem love, Hem diene en krachtens het lijden en de verdiensten van Christus de eeuwige heerlijkheid verwerven kan. Zulke bedoelingen vermogen enkel de wil van de satan geenszins te verijdelen. (Zr. Maria van Agreda. B.7. hfdst.15)
Dikwijls doen de duivels gelden, dat de ouders bij de verwekking van het kind niet de juiste bedoeling en mening gehad hebben. Gaat het om echtelijke kinderen, dan doen de engelen gelden, dat de ouders het H.Sacrament van het Huwelijk en de zegen van de Kerk ontvangen hebben. Bezitten de ouders bovendien zekere deugden; milddadigheid voor de armen, barmhartigheid, vroomheid en de verdiensten van andere goede werken, dan gebruiken de engelen deze als wapens tegen de boze geesten, om op die manier hun beschermelingen te verdedigen.
Hebben de ouders zelf generlei verdiensten of deugden, zijn zij integendeel zondig en slecht, dan voeren de engelen tot bescherming van het arme schepsel de verdiensten van zijn voorouders, grootouders, broers en zusters, de gebeden van vrienden en van de H.Kerk aan.
Al deze gevechten alsook de daarbij gebruikte wapens zijn van geestelijke aard, zoals ook de goede en kwade engelen geestelijke wezens zijn. De machtigste wapens tegen de kwade geesten zijn de goddelijke waarheden en geheimen: Gods Waarachtigheid! Het geheim van de Allerheiligste Drievuldigheid, de geheimen van Onze Heer Jezus Christus, de Verlossing (zie de geheimen van de Rozenkrans), Zijn oneindige Liefde, waarmee Hij ons bemind en verlost heeft. Verder de Heiligheid en zuiverheid van de Allerheiligste Maagd Maria. Haar geheimen (Rozenkrans) en verdiensten. Over deze geheimen verkrijgen de kwade geesten tijdens deze strijd nieuwe inzichten. Daartoe worden zij door de engelen en door God zelf gedwongen. Dan gebeurt het, dat, zoals de H. Jacobus zegt, de duivels geloven en beven. Deze waarheden verschrikken en pijnigen hen dermate, dat zij, om niet te veel daarop te hoeven letten, zich in de afgrond storten. Wegens hun haat tegen de geheimen van Jezus Christus (de geheimen van de Rozenkrans) zijn de kwade geesten door de gedachten hieraan meer gepijnigd dan door het vuur dat hen kwelt. (Zr. Maria van Agreda)
De aanvallen van de kwade geesten alsmede de verdediging door de Heilige Engelen worden na de geboorte van het kind voortgezet. De duivel wendt alle middelen aan, het H.Doopsel te verhinderen. Doch de onschuld van het kind schreit tot de Heer met de woorden van Koning Ezechias: “Heer, ik lijd geweld, sta mij toch bij in mijn nood” (Is.38.14). Zo roepen de engelen in naam van het kind. 0p deze leeftijd waken de engelen met grote zorgvuldigheid over de kleinen, omdat zij zichzelf niet kunnen helpen en omdat zelfs de grootste waakzaamheid van diegenen die zich om hen bekommeren, de dreigende gevaren niet kunnen afwenden.
Diegenen, die het geluk hebben, het H.Doopsel en daarna het H. Vormsel te ontvangen, ondervinden aan deze H.Sacramenten een machtige bescherming tegen de hel, krachtens het eeuwigdurend merkteken, dat deze sacramenten schenken, en ook krachtens de genade van de rechtvaardiging, door welke de dopeling als kind van God en erfgenaam van de hemel wedergeboren wordt. Daartoe behoren nog de ingestorte goddelijke en zedelijke deugden, waarmee zij gesierd en gesterkt worden. Uiteindelijk krachtens de deelname aan de overige sacramenten en aan de voorbede van de Kerk, waarin aan hen de verdiensten van Christus en Zijn Heiligen geschonken worden. (Zr. Maria van Agreda)
Heeft de mens het volledig gebruik van zijn verstand verkregen, dan wordt de strijd tussen de kwade en goede engelen nog heviger. Zodra wij namelijk een zonde begaan, zoekt de helse slang met aanwending van al haar arglist het daartoe te leiden, dat wij, voordat wij boete doen, het leven verliezen en dan eeuwig verloren gaan. Konden de mensen zien, hoeveel netten en valstrikken de satan gelegd heeft en wel terwille van hun eigen zonden, dan zouden allen bij iedere stap, die zij doen, sidderen!
Met alle macht zoekt de kwaadaardige vijand te bewerken, dat de mensen hun zonden vermenigvuldigen, zodat de maat van hun schuldenlast snel vol is en de tijd voor boete en die voor het leven voor hun ingekort wordt. De Heilige Engelen echter, die zich over de bekering van de zondaars verheugen, doen alle moeite, de kinderen van de Kerk zoveel mogelijk van het zondigen af te houden. Wanneer het hun desondanks niet gelukt, de zondaars tot bekering te bewegen, vragen zij om bemiddeling bij de Heilige Maagd Maria. Zij smeken Haar, Middelares bij Haar Zoon te zijn en haar hand op te heffen, om de kwade geesten weg te jagen.
Opdat echter de zondaar de goedige barmhartigheid van Maria zich enigermate waardig zou maken, trachten de engelen de hun toevertrouwde zielen een bijzondere vrome aandacht tot de Hemelkoningin bij te brengen en hen tot een of ander goed werk ter ere van Maria te bewegen, waarmee zij het dan aan de Hemelkoningin kunnen opofferen.
Op deze manier ontkomen talloze zielen aan de ketenen van de zonde en daarmee ook aan de klauwen van de helse Draak. Talloos zijn de zielen, die in een zo vreselijke toestand geraken, dat zij de machtige arm van de Hemelkoningin nodig hebben, om daaruit bevrijd te worden. De duivels zijn buiten zich zelf van woede, als zij zien, dat een zondaar Maria aanroept of slechts aan haar denkt. Zij weten, dat, als Maria ingrijpt, Zij de zaak van de zondaar tot de Hare maakt, en dat voor hen dan noch hoop noch een of andere kracht tot tegenstand overblijft. (Zr. Maria van Agreda)
Het Wapen
Hoe echter werkt de Rozenkrans als wapen? Zoals wij het hierboven uitgewerkt hebben, pijnigen de geheimen van de menswording van Jezus Christus en de Verlossing de Satan en alle kwade geesten het meest. Deze geheimen echter zijn niets anders dan de geheimen van de Rozenkrans. Als men dan de Rozenkrans beschouwend en met aandacht bidt, worden de kwade geesten door de H.Engelen, in het bijzonder door de engelbewaarder gedwongen, op deze geheimen te letten. Terwijl echter de beschouwing van deze geheimen voor de kwade geesten onverdraaglijk is, wijken zij direct en storten zich liever in de hel terug. Men moet bijgevolg alle moeite doen, de Rozenkrans eerbiedig en beschouwend te bidden. Dit lukt natuurlijk niet altijd, omdat wij geen engelen maar mensen zijn. Wij moeten ondanks dat in het Rozenkrans-bidden volharden, want als wij ook niet steeds aan de geheimen kunnen denken, is het bidden van de Rozenkrans tenminste nog een zich-aan-God-herinneren, iets bovennatuurlijks, zoals dat Lucia van Fatima in een brief geschreven heeft. Ook dit is voor de kwade geesten pijnlijk.
Alleen al de gebeden van de Rozenkrans, de geloofsbelijdenis, het Onze Vader, het Ere zij de Vader…, het Fatima gebed en bijzonder het zo vaak herhaalde Wees gegroet Maria, pijnigen onuitsprekelijk de Draak en alle kwade geesten, dat dit hen afkeer inboezemt.
Ik wil hier niet nader op de afzonderlijke geheimen ingaan, men zou dan over elk een artikel kunnen schrijven, wat hier te ver gaat. Gedurende de gehele Rozenkrans beschouwen wij het grootste werk van God, de Menswording van Zijn Zoon en de Verlossing van de gevallen mensheid. Heel kort samengevat kunnen wij zeggen, dat wij in de blijde geheimen de onuitsprekelijke nederigheid van Maria en Jezus beschouwen kunnen. Deze nederigheid is voor de vermetele hoogmoed van de Draak en zijn aanhang onverdraaglijk.
In de droeve geheimen kunnen wij de oneindige liefde van God beschouwen. De liefde van God de Vader, die ons zo beminde dat Hij Zijn Zoon voor ons gegeven heeft. De liefde van Jezus Christus, die zich voor ons op het kruis opgeofferd heeft; ook de liefde van de Moeder Gods, die Haar Zoon voor ons gegeven en met Hem alles meegeleden heeft. Omdat de wrede geesten vol van haat zijn, worden zo deze geheimen van Gods oneindige liefde voor hen tot een onverdraaglijke kwelling.
In de glorievolle geheimen beschouwen wij de overwinning van Jezus Christus over de dood en de zonde, de triomf en de verheerlijking van Maria en de nederlaag van Satan. Het zijn opnieuw geheimen, welke de kwade geesten zodanig pijnigen, dat zij zich liever in de hel storten, dan deze verdragen.
Hopelijk begrijpen wij tenslotte, wat voor een machtig wapen wij in handen hebben, als wij de Rozenkrans bidden, bijzonder echter, wanneer wij hen eerbiedig bidden. Zouden alle gelovigen de Rozenkrans met eerbied bidden, dan zouden in weinig minuten alle kwade geesten van de aarde verdreven zijn en een onvoorstelbare vrede zou op de gehele aarde zijn intrek doen.
We hebben begrepen, hoe verschrikkelijk en onverdraaglijk de Rozenkrans voor de kwade geesten is. Daaruit volgt, dat, als iemand tegen het Rozenkransgebed is, hetzij een bisschop, priester of leek, hij een dienaar van Satan en een vijand van God is.
“Groot is de kracht van het leger, die niet de degen, maar de Rozenkrans in de hand heeft.” (Pius IX)
“Het grote reddingsmiddel, dat dieper ingrijpt dan alle diplomatie, geweldiger werkt dan alle organisaties, is de Rozenkrans. De bidders verrichten meer voor het welzijn van de mensheid dan de redenaars, de organisatoren, de stichters, de secretarissen, de afgevaardigden.” (Leo XIII)
“Wij moeten iedere dag de Rozenkrans bidden, het is het gebed, dat Onze Lieve Vrouw op speciale wijze aanbevolen heeft, als het ware als wilde Zij ons voor deze dagen van de duivelse veldtocht daartegen voorbereiden.” (Lucia van Fatima)
”De Rozenkrans is voor velen een onbekende. Ook voor hen, die hem bidden. Want men kan hem bidden, zonder hem te kennen. De rozenkrans is niet op de eerste plaats de veelvuldige herhaling van enige gebeden. Hij is voor alles werkelijke beschouwing. Als de tirannen wisten, wat voor een macht wij Rozenkransbidders in de hand hebben, zij zouden de rozenkrans met bedreiging van gevangenis en landuitwijzing verbieden.” (prelaat Robert Mader)
Pater Johannes Dlustusch, SDB, feestdag van de Heilige Rozenkrans, 7 oktober 1980.
Donderdag 5 maart, Gebedsavond met om 18.30 uur Rozenhoedje, 19.00 uur H. Mis, met aansluitend Lof (tot 20.15 uur). Locatie: dagkapel van de Maria Geboortekerk van de wijk Broeksittard, In de Camp 1, Sittard.
Wij bidden telkens een gebed voor genezing en kracht voor vrouwen en mannen die spijt hebben over een abortus. Litanie van vertrouwen, zie hier: Rachel’s Vineyard
Op 6 februari verscheen in The New Catholic Register van de hand van Edward Pentin een interview met kardinaal Sarah over het rumoer rond het verschijnen van het boek over het celibaat dat hij met emeritus paus Benedictus schreef.
Eminentie, waarom wilde u dit boek schrijven?
Omdat het christelijk priesterschap in levensgevaar is! Het gaat door een grote crisis. De ontdekking van het grote aantal gevallen van seksueel misbruik door priesters, en zelfs door bisschoppen, is daar een onbetwistbaar symptoom van. Paus Emeritus Benedictus XVI had zich al sterk uitgesproken over dit onderwerp. Maar toen werden zijn gedachten verdraaid en ontkend. Net als vandaag zijn er pogingen gedaan om hem het zwijgen op te leggen. En net als vandaag werden er afleidingsmanoeuvres uitgevoerd om de aandacht af te leiden van zijn profetische boodschap. Toch ben ik ervan overtuigd dat hij ons het essentiële heeft verteld – wat niemand wil horen. Hij heeft laten zien dat er aan de basis van de misstanden die de geestelijken hebben begaan, een ernstige tekortkoming zit in hun vorming. De priester is een man die zich onderscheidt door de dienst aan God en aan de Kerk. Hij is een gewijd persoon. Zijn hele leven staat in het teken van God. En toch wilden ze het priesterleven desacraliseren. Ze wilden het bagatelliseren, ontheiligen, ontkerkelijken. Ze wilden van de priester een man maken zoals ieder ander. Sommige priesters werden gevormd zonder God, het gebed, de misviering, de vurige zoektocht naar heiligheid in het middelpunt van hun leven te plaatsen. Zoals Benedictus XVI zegt: “Waarom heeft pedofilie zulke proporties aangenomen? Uiteindelijk is de reden de afwezigheid van God. Alleen daar waar het geloof niet meer bepalend is voor de daden van de mens, zijn dergelijke misdaden mogelijk”.
Hoe gebrekkig is deze vorming precies geweest die u noemt, en wat zijn de effecten geweest?
Priesters zijn gevormd zonder dat hen geleerd werd dat God het enige steunpunt is voor hun leven, zonder hen te laten ervaren dat hun leven alleen betekenis heeft door God en voor Hem. Ze zijn van God beroofd en hebben niets anders overgehouden dan macht. Sommigen zijn in de duivelse logica van machtsmisbruik en seksuele misdrijven terechtgekomen. Als een priester niet dagelijks ervaart dat hij slechts een instrument in Gods handen is, als hij niet voortdurend voor God staat om hem met heel zijn hart te dienen, dan riskeert hij bedwelmd te raken door een gevoel van macht. Als het leven van een priester geen gewijd leven is, dan loopt hij groot gevaar zich te laten misleiden en af te leiden.
Sommigen willen vandaag nog een stap verder in die richting zetten. Ze willen het celibaat van de priesters relativeren. Dat zou een ramp zijn! Want het celibaat is de meest voor de hand liggende manifestatie dat de priester aan Christus toebehoort en dat hij niet meer aan zichzelf toebehoort. Het celibaat is het teken van een leven dat alleen door God en voor Hem betekenis heeft. Het willen wijden van gehuwde mannen betekent dat het priesterleven niet voltijds is, dat het geen volledige gave vereist, dat het iemand vrijlaat voor andere verplichtingen zoals een beroep, dat het de tijd vrijlaat voor een privé-leven. Maar dit is niet waar. Een priester blijft te allen tijde priester. De priesterwijding is niet in de eerste plaats een edelmoedig engagement; het is een toewijding van ons hele wezen, een onuitwisbare aanpassing van onze ziel aan Christus, de priester, die van ons permanente bekering eist om met Hem te overeen te komen. Het celibaat is het onbetwistbare teken dat het priesterschap veronderstelt dat men zich volledig door God gegrepen voelt. Het celibaat ter discussie stellen zou de crisis van het priesterschap ernstig verergeren.
Deelt Paus Emeritus Benedictus XVI dit standpunt?
Ik ben er zeker van, en hij heeft het me meermaals persoonlijk gezegd. Zijn grootste leed en de pijnlijkste beproeving van de Latijnse Kerk is de misdaad van pedofiele priesters, priesters die hun kuisheid schenden. Men hoeft alleen maar alles te lezen wat hij als kardinaal over dit onderwerp heeft geschreven, later tijdens zijn pontificaat en onlangs nog in From the Depths of Our Hearts. Hij blijft het belang van het priesterlijk celibaat voor de hele Kerk benadrukken. Ik herinner u aan zijn woorden: “Als we het celibaat scheiden van het priesterschap, zullen we het charismatische karakter van het priesterschap niet meer zien. We zullen alleen een functie zien waarin het instituut zelf zorgt voor zij eigen zekerheid en behoeften. Als we het priesterschap in dit licht willen zien … dan wordt de Kerk alleen nog maar gezien als een louter menselijke instelling.
Maar ze wilden Benedictus XVI het zwijgen opleggen. Ik moet mijn opstand tegen de laster, het geweld en de onbeschoftheid waaraan hij is blootgesteld, bekennen. Benedictus XVI wilde de wereld toespreken, maar ze probeerden zijn woorden in diskrediet te brengen. Ik weet dat hij heel beslist staat voor alles wat in dit boek staat en ik weet dat hij blij is met de publicatie ervan. Hij wilde dit schrijven en in het openbaar zijn vreugde uitdrukken, maar ze wilden hem ervan weerhouden het uit te drukken. Maar om deze machinaties in detail te vertellen, uur voor uur, is nutteloos. Ik blijf liever niet stilstaan bij deze smerige machinaties, waarover de verantwoordelijken op een dag verantwoording zullen moeten afleggen voor God.
Wat zit er achter deze tegenwerking?
De tegenstanders van het priesterschap willen niet tot de kern van het debat gaan. Ze weten dat hun argumenten gebaseerd zijn op historische fouten, op theologische misvattingen. Ze weten dat het celibaat noodzakelijk is voor de evangelisatie in de missielanden. Dus proberen ze het boek zelf te ondergraven. Omdat ze niets kunnen inbrengen tegen de tekst, vallen ze de omslag aan. Wat jammer! Ze maken de paus emeritus uit voor een oude man. Maar hebt u gelezen wat hij schrijft? Denkt u dat je pagina’s met zoveel diepgang kunt schrijven zonder dat je al je vermogens nog hebt? Sommige mensen willen ons voor naïef uitmaken. Ze proberen ons te laten geloven dat onze uitgevers ons hebben gemanipuleerd en misbruik hebben gemaakt van een misverstand om een communicatiestunt uit te halen. Dit is helemaal niet waar! Er is geen misverstand. Onze Franse uitgeverij heeft gewoon uitgevoerd wat ik persoonlijk met de paus emeritus heb uitgewerkt. Dat heb ik al gezegd. Ik wil verder graag hulde brengen aan de loyaliteit en professionaliteit van al mijn uitgevers, vooral mijn Franse uitgeverij.
Al deze polemieken zijn een afleidingsmanoeuvre om niet te spreken over het essentiële, de inhoud van het boek.
Wilde u, gezien de timing van het boek, dat net voor de 12 februari geplande publicatie van zijn postsynodale apostolische exhortatie uitkomt, die het voorstel van de synodevaders om enkele getrouwde mannen in het Amazonegebied tot priester te wijden zou kunnen aanvaarden, Paus Franciscus onder druk zetten?
Ik heb al geschreven dat “wie tegen de Paus is, is buiten de Kerk”, maar ik word er altijd voor uitgemaakt tegen hem te zijn. Ik sta zelfs bovenaan de lijst van tegenstanders van Paus Franciscus. Deze beschuldigingen breken mijn hart en bedroeven mij ten zeerste. Maar ik blijf sereen en vertrouw erop dat de Paus geen aandacht schenkt aan dergelijke valse insinuaties.
Ik ben op geen enkele manier tegen Paus Franciscus! Degenen die beweren dat ik de Kerk probeer te verdelen. Ze liegen en spelen het spel van de duivel. Ik heb dit boek geschreven om mijn bijdrage in een geest van ware synodaliteit nederig en kinderlijk aan de Paus aan te bieden. Ik daag u uit om in alles wat ik heb geschreven een enkele regel te vinden, een enkel woord van kritiek op de Paus!
Maar ik maak me zorgen. In Duitsland houdt een vreemde synode zich duidelijk met de kwestie van het celibaat bezig. Ik wilde mijn bezorgdheid uiten: Verdeel de Kerk niet! Door het celibaat van de priesters aan te vallen, valt u de Kerk en haar mysterie aan!
De Kerk is niet van ons, ze is een geschenk van God. Zij bestendigt zich door het ambt van priesters, die ook een geschenk van God zijn en geen menselijke creatie. Elke priester is de vrucht van een roeping, van een persoonlijke en intieme roeping van God zelf. Benedictus XVI legt dit uitgebreid uit in dit boek. Men besluit niet zelf priester te worden. Men wordt door God geroepen en de Kerk bevestigt deze roeping. Het celibaat staat garant voor deze roeping. Een man kan alleen afzien van het stichten van een gezin en van het hebben van een seksueel leven als hij er zeker van is dat God hem tot deze onthechting roept. Ons priesterschap hangt af van Gods roeping en van het gebed van de Kerk voor roepingen.
Het celibaat in twijfel trekken is dus van de kerk een menselijke instelling willen maken, binnen onze macht, binnen ons bereik. Het betekent afstand doen van het mysterie van de Kerk als Gods geschenk.
De Amazonesynode heeft niet voorgesteld het priesterlijk celibaat in het algemeen ter discussie te stellen, maar alleen uitzonderingen toe te staan om het tekort aan priesters op te vangen. Lijkt u dit mogelijk?
De wijding van gehuwde mannen is een fantasie van westerse academici die op zoek zijn naar grensoverschrijdingen. Ik wil het met kracht bevestigen: De arme, eenvoudige, normale christenen eisen niet dat er een einde komt aan het celibaat! Ze verwachten dat priesters heiligen zijn, dat ze volledig aan God en zijn Kerk zijn toegewijd. Ze verwachten celibataire priesters die onder hen de figuur van Christus, Bruidegom van de Kerk, gestalte geven. Ik wilde in dit boek bevestigen dat we Paus Franciscus moeten helpen om aan de kant van de armen en de eenvoudigen te staan en de druk van de machtigen, die de middelen hebben om mediacampagnes te financieren, te weerstaan. Sommige kerkelijke organisaties die veel geld ter beschikking hebben, geloven dat ze druk kunnen uitoefenen op de paus en de bisschoppen. We zien het in Duitsland. Sommigen willen hun projecten aan de hele Kerk opleggen. Laten we bidden voor de Paus; we moeten hem helpen de druk van deze rijke en machtige kerkelijke instanties te weerstaan. We moeten hem helpen het geloof van de eenvoudigen te verdedigen. We moeten hem helpen de armen van Amazonië te verdedigen tegen degenen die proberen hen uit te buiten door hen het priesterschap te ontnemen dat volledig celibatair leeft. Dit boek is vooral geschreven om de Paus te steunen in zijn missie.
Aan de andere kant is, zoals Paus Franciscus aan het eind van de synode aangaf, het echte probleem in het Amazonegebied niet de wijding van gehuwde diakens. Het echte probleem is dat van de evangelisatie. We hebben afgezien van de verkondiging van het geloof, van het heil in Jezus Christus. Te vaak zijn we humanitaire hulpverleners of maatschappelijk werkers geworden. In Amazonië ontbreekt het ons aan leken die hun missionaire roeping serieus nemen. We hebben catechisten nodig. Staat u mij toe te verwijzen naar een situatie die ik persoonlijk heb meegemaakt. Begin 1976 bracht mijn ervaring als jonge priester me in contact met afgelegen dorpen in Guinee. Sommige van hen waren al bijna tien jaar niet meer door een priester bezocht, omdat de Europese missionarissen in 1967 door Sékou Touré waren verdreven. De catechisten bleven de catechismus aan de kinderen onderrichten en de dagelijkse gebeden opzeggen. Ze baden de rozenkrans. Ze kwamen op zondag bijeen om naar het woord van God te luisteren. Ik had de genade om deze mannen en vrouwen te ontmoeten die zonder enige sacramentele steun het geloof behielden, bij gebrek aan priesters. Ik vergeet nooit hun onvoorstelbare vreugde toen ik de mis vierde die ze nog niet zo lang kenden. Ik geloof dat als getrouwde mannen in elk dorp waren gewijd, de eucharistische honger van de gelovigen zou zijn uitgeblust. Het volk zou zijn afgesneden van de vreugde om in de priester een andere Christus te ontvangen. Ja, met het geloofsinstinct weten de armen dat een priester die afstand heeft gedaan van het huwelijk, hen de gave van al zijn liefde als echtgenoot geeft.
Wat het tekort aan priesters betreft, dat is echt. Maar ik geloof dat Paus Franciscus gelijk heeft wanneer hij schrijft: “Op veel plaatsen is er een gebrek aan roepingen tot het priesterschap en het gewijde leven”. Dit is vaak te wijten aan een gebrek aan aanstekelijke apostolische vurigheid in de gemeenschappen, wat leidt tot een afkoeling van het enthousiasme en de aantrekkingskracht. Overal waar leven is, vurigheid en een verlangen om Christus naar anderen te brengen, zullen echte roepingen ontstaan” (Evangelii Gaudium, 107).
Maar hoe zit het met uitzonderingen op de wet van het celibaat die al bestaan, bijvoorbeeld in de oosterse katholieke ritussen of het anglicaanse ordinariaat?
Een uitzondering is per definitie van voorbijgaande aard en vormt een tussenspel in de normale en natuurlijke staat van de dingen. Dit was het geval bij de anglicaanse predikanten die terugkeerden naar de volledige communie. Maar het ontbreken van een priester is geen uitzondering. Het is de normale staat van elke ontluikende kerk, zoals in het Amazonegebied, of stervende kerken, zoals in het Westen. Jezus heeft ons gewaarschuwd: “De oogst is overvloedig, maar arbeiders zijn er weinig.” De wijding van gehuwde mannen in jonge christelijke gemeenschappen zou het ontstaan van roepingen tot het ongehuwde priesterschap verhinderen. De uitzondering zou een permanente toestand worden. Een afzwakken van het beginsel van het celibaat, ook al is het beperkt tot één streek, zou geen uitzondering zijn, maar een breuk, een wond in de interne samenhang van het priesterschap. Aan de andere kant wordt de waardigheid en de grootsheid van het huwelijk steeds beter begrepen. Zoals Benedictus XVI in dit boek aangeeft, zijn deze twee staten niet verenigbaar omdat ze beide een absolute en totale gave eisen.
In het Oosten zijn er sommige kerken met een getrouwde clerus. Ik trek de persoonlijke heiligheid van deze priesters geenszins in twijfel. Maar zo’n situatie is alleen leefbaar door de massale aanwezigheid van monniken. Bovendien bestaat er vanuit het oogpunt van het teken dat het priesterschap aan de hele Kerk heeft gegeven, gevaar voor verwarring. Als een priester gehuwd is, dan heeft hij een privé-leven, een echtelijk en een gezinsleven. Hij moet tijd maken voor zijn vrouw en kinderen. Hij is niet in staat om door zijn hele leven te laten zien dat hij volledig en absoluut aan God en aan de Kerk is toegewijd. Johannes Paulus II heeft het heel duidelijk gezegd: De Kerk wil door haar priesters bemind worden met de liefde waarmee Jezus haar heeft liefgehad, dat wil zeggen met de liefde van een exclusieve echtgenoot. Het is belangrijk, zei de heilige Poolse paus, dat de priesters de theologische motivatie van hun celibaat begrijpen. Hij zei: “Het priestercelibaat moet niet alleen worden beschouwd als een wettelijke norm of als een volkomen uiterlijke voorwaarde voor toelating tot de wijding, maar veeleer als een waarde die diepgaand verbonden is met de wijding, waarbij een man gaat lijken op Jezus Christus, de Goede Herder en Bruidegom van de Kerk.” (Pastores Dabo Vobis, 50). Dit is wat we met Benedictus XVI in herinnering wilden brengen. Het ware fundament van het celibaat is niet juridisch, disciplinair of praktisch; het is theocentrisch. Over dit onderwerp verwijs ik u naar de buitengewone toespraak van Benedictus XVI tot de Romeinse Curie op 22 december 2006. Celibaat voor God is een absurditeit in de ogen van de geseculariseerde en atheïstische wereld. Het celibaat is een schandaal voor de hedendaagse mentaliteit. Het laat zien dat God een realiteit is. Als het leven van de priesters niet concreet laat zien dat God genoeg is om ons gelukkig te maken en betekenis te geven aan ons bestaan, wie zal Hem dan verkondigen? Meer dan ooit hebben onze samenlevingen het celibaat nodig omdat ze God nodig hebben.
Wat zegt u over de opvatting dat het priestercelibaat een relatief recente norm is in de katholieke kerk?
We zijn vaak het slachtoffer van een diepe historische onwetendheid over dit onderwerp. De kerk had in de eerste eeuwen getrouwde priesters. Maar zodra ze werden gewijd, moesten ze zich volledig onthouden van seksuele relaties met hun vrouwen. Benedictus XVI herinnert ons daar in dit boek heel duidelijk aan. Iedereen kent zijn diepe historische cultuur en zijn perfecte kennis van de oude traditie. Dit is een vaststaand feit en wordt bewezen door het meest recente historische onderzoek. Deze eis was geen gevolg van een taboe, kwam niet vort uit angst voor seksualiteit. Het was een kwestie van bevestigen dat de priester de exclusieve bruidegom, lichaam en ziel, van de Kerk is. Vanuit historisch oogpunt zijn de zaken heel duidelijk: in het jaar 305 herinnert het Concilie van Elvira aan de wet, “ontvangen van de apostelen”, over de seksuele onthouding van de priesters. Aangezien de Kerk net uit het tijdperk van het martelaarschap is gekomen, was een van haar eerste zorgen te bevestigen dat de priesters zich moeten onthouden van seksuele betrekkingen met hun vrouwen. Inderdaad, zo stelt het Concilie: “Men was het er unaniem over eens dat bisschoppen, priesters en diakens, dat wil zeggen alle geestelijken in het ambt, zich moeten onthouden van hun vrouwen en geen kinderen mogen voortbrengen; wie dat wel heeft gedaan [seksuele betrekkingen heeft gehad] moet van zijn geestelijk ambt ontheven worden verklaard.” (canon 33). Als deze eis een vernieuwing was geweest, zou het niet hebben ontbroken aan algemene protesten onder de priesters. Over het geheel genomen werd het echter vreedzaam ontvangen. De christenen waren zich er al van bewust dat een priester die de Mis viert, dat wil zeggen de vernieuwing van het offer van Christus voor de wereld, zich ook moet aanbieden aan God en aan zijn hele Kerk, lichaam en ziel. Hij behoort niet meer tot zichzelf. Pas veel later, door het bederf van de teksten, zou het Oosten in zijn discipline evolueren, zonder echter ooit de ontologische band tussen het priesterschap en de onthouding te verloochenen.
U keert in dit boek meerdere malen terug naar de noodzaak van radicale evangelisatie. Gelooft u dat we te maken hebben met een afnemende apostolische vurigheid, dat de Kerk haar zout kwijt is?
Ik ben blij dat u die vraag hebt gesteld. Het is zeker het belangrijkste aspect van dit boek, maar niemand heeft het opgemerkt of becommentarieerd. We zijn tevreden met secundaire en vruchteloze polemieken. Ik denk dat we bedelven onder lauwheid en middelmatigheid. We moeten streven naar heiligheid. Benedictus XVI durft met profetische moed te bevestigen dat ‘er zonder onthechting aan materiële goederen geen sprake kan zijn van priesterschap’. De oproep om Jezus te volgen is niet mogelijk zonder dit teken van vrijheid en verzaking aan alle compromissen”. Zo legt hij de basis voor een echte hervorming van de geestelijkheid. Hij roept op tot een radicale verandering in het dagelijks leven van de priesters als hij verder gaat: “Het celibaat kan zijn volle betekenis niet bereiken als we ons houden aan de regels van het eigendom en de huidige levenshouding.” Ik ben ervan overtuigd dat het in werkelijkheid de radicaliteit van deze oproep tot heiligheid is die verontrustend is en die men niet wil horen. Dit boek is verontrustend omdat de paus emeritus een veeleisend en profetisch perspectief biedt.
Van mijn kant heb ik geprobeerd deze oproep te ontwikkelen door te benadrukken dat priesters concrete manieren moeten vinden om de evangelische raden te beleven. De bisschoppen moeten hierover nadenken, voor zichzelf en voor de priesters: We moeten God concreet in het middelpunt van ons leven plaatsen. Het leven van de priesters kan geen leven volgens de wereld zijn. “Niemand kan twee heren dienen.” Het Westen is buiten adem. Het Westen is oud, met al zijn uittredingen en afvalligheid. Het wacht, zonder het te beseffen, op de jeugd, op de rauwheid van de eis van heiligheid van het Evangelie. Het wacht dus op priesters die radicaal heilig zijn.
Bron: The New Catholic Register (vertaling door fortesinfide)
Rembrandt, Emmaüsgangers aan tafel met de verrezen Heer, Louvre, Parijs, 1648, 68 x 65 cm. De tedere tegenwoordigheid van de opgestane Heer, met de glans van Zijn gelaat, vullen de ruimte; er heerst een grote rust en sacrale sfeer. We worden meegetrokken in de heilige stemming van die twee leerlingen precies op het moment waarop ze Hem herkennen.
Ik kan me herinneren hoe ik als tiener las uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde. Het was een tijd van een pratende Kerk; veel praten, praatgroepjes, discussie. En een tijd van een mopperende Kerk; toch veel gemopper. Zo voelde het aan als tiener. Een bedrukte sfeer met discussie, polemiek en gemopper. Het doet me denken aan het evangelie van de twee leerlingen van Emmaüs, die twee pratende leerlingen: ”Ze praatten met elkaar over alles wat was voorgevallen” (Lc. 24,14). Door al datgene wat er gebeurd is en waar ze over praten, herkennen ze niet dat de verrezen Heer met hen meeloopt, die hen vraagt: ”Waarover praten jullie met elkaar?” (v.17). En dan wordt hun reactie beschreven: ”Met een bedrukt gezicht bleven ze staan” (v.17). Daar hebt u het; die bedruktheid. Het is van hun gezichten af te lezen. De verrezen Heer, die een vreemdeling voor hen blijft, doet alsof Hij er niet van weet: “Wat dan?” (v.19). ”Bent U de enige vreemdeling in Jeruzalem dat u niet weet wat daar gebeurd is?” (v.18). En dan doen ze hun verhaal, hoe dit, hoe dat. Een verhaal waarvan hun teleurstelling afdruipt… Het is de bedruktheid van een louter pratende en mopperende Kerk die de verrezen Heer niet herkent. Ze moeten het verwijt te horen krijgen van de Heer: “O onverstandigen, die zo traag zijt in het geloof…” (vs. 25).
Pas nadat Hij gesproken en uitgelegd heeft en zij hebben geluisterd, zullen ze zeggen: “Brandde ons hart niet in ons zoals Hij met ons sprak en ons onderweg de Schriften ontsloot” (v.32).
Zo kan ik me nog goed herinneren dat ik in die tijd van een pratende en mopperende Kerk, na de voetbaltraining, op de bank, las uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde, én dat dát een verademing was. De verademing van het gebed, van het intieme gesprek van de Heer en mij, van het luisteren naar Zijn woord, soms een corrigerend of waarschuwend, meestal een bemoedigend woord… Dat lezen uit de Boodschap van Barmhartige Liefde, wat een dialoog is van de Heer met de kleine ziel, was een verademing voor de tienerziel. De Heer tot wie je spreekt en bidt, bij wie je je hart kan luchten, die je zielenroerselen kent, de Heer die tot je spreekt, die heeft mijn hart, mijn ziel doen branden… een ervaring van hoe Hij nabij is en met zijn Barmhartige Liefde aanwezig is, en ons leidt door een moeilijke tijd heen.
Er is méér dan al dat gepraat en gemopper, dat zo bedrukt en ons doet somberen en doet vergeten dat er een Blijde Boodschap, een Evangelie van Jezus’ Barmhartige Liefde is, die ons mensen met al onze lasten, met al wat ons bedrukt, tot Hem en Zijn Hart te komen; “en Ik zal u rust en verlichting geven” (Mt. 11,28).
Ieder van ons als kleine ziel, jong en oud, mag ook in deze tijd, het milde vuur van Zijn Barmhartige Liefde gevoelen dat ons hart doet branden in het intieme gesprek en dialoog met Hem. Dan wordt door dit intieme gesprek, Zijn Woord, je hart ook meer bereid tot het nog intiemere gebeuren van het ontvangen van de Heer in de Eucharistie. De twee leerlingen van Emmaüs herkennen Hem aan het ‘breken van het brood’. Hij is werkelijk verrezen, Hij leeft werkelijk! Hij is werkelijk aanwezig onder het teken van het brood. De Barmhartige Liefde zelf, doet ons inzien hoe de werkelijkheid van het lijden, van het kruis, een werkelijkheid is die is opgenomen in een nog grotere werkelijkheid van Zijn verrijzenis, van Zijn werkelijke aanwezigheid in de Eucharistie, van Zijn werkelijke blijvende aanwezigheid, ook als het donker wordt in je leven.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.