Het Kruis als Toetssteen

Synodaliteit vanuit de weg van Christus

Abstract (samenvatting)

Dit artikel verkent de betekenis van het Kruis als geestelijke toetssteen voor de synodale weg van de Kerk in het begin van de 21e eeuw. Uitgaande van de actuele synodale context, waarin luisteren, onderscheiden en gezamenlijke verantwoordelijkheid centraal staan, stelt de auteur de vraag naar het innerlijk criterium dat deze processen werkelijk evangelisch maakt. Tegen de achtergrond van maatschappelijke versnelling, groeiende kwetsbaarheid en afnemende geloofsvanzelfsprekendheid wordt betoogd dat synodaliteit niet kan worden gereduceerd tot methode of structuur, maar vraagt om een diepgaande bekering van hart.

Het Kruis verschijnt daarbij niet als een obstakel voor vernieuwing, maar als haar beslissende oriëntatiepunt. In dialoog met de Schrift, de liturgische traditie en de inzichten van Viktor Frankl wordt het lijden verstaan als plaats van zingeving en ontmoeting, waarin menselijke kwetsbaarheid kan worden omgevormd tot liefde en vruchtbaarheid. De geschiedenis van de Kerk wordt gelezen als een paradoxale “zegetocht van het Kruis”: niet gedragen door macht of succes, maar door trouw, offer en hoop.

Het artikel concludeert dat de toekomst van de Kerk niet ligt voorbij het Kruis, maar in de diepte ervan. Alleen waar synodale onderscheiding wordt voltrokken onder het teken van Christus’ Kruis, kan de Kerk uitgroeien tot een geloofwaardige gemeenschap van hoop en moed. Zo wordt de Kerk getekend als een pelgrimerend volk: onderweg in Christus, met Christus en als Kerk van Christus, gedragen door de hoop die ontspringt aan het Kruis en vooruitwijst naar de Verrijzenis.

Inleiding

De Kerk van 2026 bevindt zich op een kruispunt. Overal ter wereld is zij onderweg in het synodale denken: luisterend, onderscheidend, samen zoekend naar wegen van trouw en vernieuwing. Dat proces wordt gedragen door een diep verlangen om Kerk te zijn met mensen, tussen mensen en voor de wereld van vandaag. Tegelijk roept deze weg onvermijdelijk fundamentele vragen op: waarheen zijn wij onderweg? Wat is het innerlijk kompas van deze gezamenlijke tocht? En waaraan toetsen wij of onze wegen werkelijk evangelisch zijn?

In een tijd van snelle maatschappelijke veranderingen, afnemende vanzelfsprekendheid van geloof en groeiende gevoeligheid voor lijden, kwetsbaarheid en onrecht, kan de Kerk niet volstaan met structuren, processen of woorden alleen. Synodaliteit vraagt om meer dan overleg; zij vraagt om bekering van hart. En juist hier klinkt een stem die niet altijd gemakkelijk is, maar wel beslissend: de stem van het Kruis.

Het Kruis is geen randverschijnsel van het christelijk geloof en geen last uit het verleden die wij achter ons kunnen laten. Het is het teken waarin de weg van Christus zelf zichtbaar wordt: een weg van overgave, van trouw in tegenspoed, van liefde die zich niet onttrekt aan het lijden van de wereld. Voor een Kerk die samen wil onderscheiden, is het Kruis geen hinderpaal, maar een toetssteen: het bewaart haar voor oppervlakkige aanpassing én voor verstarring, voor macht zonder dienstbaarheid en voor betrokkenheid zonder waarheid.

Deze woorden willen een geestelijk perspectief openen voor vandaag. Zij nodigt uit om de synodale weg te verstaan in het licht van wat de Kerk door de eeuwen heen heeft gedragen en vernieuwd: niet succes of zichtbare kracht, maar de stille, paradoxale vruchtbaarheid van het Kruis. Alleen waar de Kerk deze weg durft te gaan – luisterend, lijdend, liefhebbend – kan zij werkelijk een teken van hoop zijn voor de wereld van nu.

Wat volgt is een getuigenis van die overtuiging: dat de toekomst van de Kerk niet ligt voorbij het Kruis, maar in de diepte ervan. Dat juist daar, waar lijden wordt gedragen en gedeeld, nieuwe zin ontstaat, nieuw leven ontspringt en ware gemeenschap groeit. En dat de synodale Kerk alleen dan werkelijk onderweg is, wanneer zij samen durft te blijven onder het teken van Christus zelf.


De zegetocht van het Kruis – lijden als weg naar zin

Wie terugblikt op wat de Kerk in haar tocht door de eeuwen heeft voortgebracht (*), kan moeilijk anders dan getroffen worden door bewondering. Haar blijvende eenheid te midden van verdeeldheid, haar universele reikwijdte over culturen en tijden heen, haar voortbrengselen van heiligheid en barmhartigheid: zij getuigen van een levenskracht die haar menselijke oorsprong overstijgt. Toch rijst bij nadere beschouwing een verrassende vraag: wat was het diepste en meest doeltreffende strijdmiddel waardoor de Kerk telkens opnieuw weerstand overwon en vernieuwd werd?

Het antwoord openbaart zich in een schijnbare paradox: de zegetocht van de Kerk is in haar diepste wezen een zegetocht van het Kruis. Niet van het Kruis als decoratief symbool, maar van het Kruis in zijn volle ernst: het bestaan dat door lijden wordt getekend, door verlies, vervolging en innerlijke ontlediging. Het kerkelijk gebed verwoordt dit kernachtig: “Wij aanbidden U, Christus, en loven U, omdat Gij door Uw heilig Kruis de wereld verlost hebt.” In deze belijdenis ligt het grondmotief van heel de kerkgeschiedenis besloten.

Christen-zijn betekent Christus volgen. En Christus volgen betekent Hem niet alleen navolgen in woorden of idealen, maar in Zijn weg van overgave. “Wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig” (Mt. 10,38). Deze woorden zijn een uitnodiging tot waarheid: wie het lijden ontkent of ontvlucht, verliest uiteindelijk ook zichzelf; wie het lijden in liefde draagt, ontdekt een diepere zin die het leven overstijgt.

Juist hier raken christelijk geloof en de inzichten van Viktor Frankl elkaar op een beslissend punt. Frankl heeft, midden in de uiterste ontmenselijking van het concentratiekamp, ontdekt dat lijden op zichzelf geen zin heeft, maar dat de mens vrij blijft om zin te geven aan zijn lijden. Wanneer het lijden onvermijdelijk is, wordt de vraag niet waarom dit gebeurt, maar waartoe het gedragen wordt. In die innerlijke houding, zo toont Frankl, ligt een laatste onaantastbare vrijheid besloten.

Het christelijk geloof gaat hier nog een stap verder: het ziet in het lijden niet alleen een existentiële opgave, maar een plaats van ontmoeting. Het Kruis wordt wet voor het christelijk leven: telkens wanneer het verschijnt, openen zich – paradoxaal genoeg – nieuwe levenskansen. Niet omdat het lijden goed is, maar omdat het gedragen lijden kan worden omgevormd tot liefde. Zoals de graankorrel moet sterven om vrucht te dragen (Joh. 12,24), zo wordt ook het menselijke bestaan pas werkelijk vruchtbaar wanneer het zichzelf durft los te laten.

Daarom hoeft het de Kerk en de christen niet te verwonderen dat lijden steeds opnieuw hun erfdeel is. Integendeel: het kan worden verstaan als een teken dat God Zijn Kerk niet heeft verlaten, maar haar de weg van Zijn Zoon laat gaan. Dit inzicht vraagt geloof – een geloof dat verder kijkt dan succes of zichtbare groei, en dat weet dat “de wijsheid van deze wereld voor God dwaasheid is” (1 Kor. 3,19).

Het Offer van Christus op Calvarië is eenmaal voltrokken, maar leeft mystiek voort in het midden van de wereld. Het doorbreekt dagelijks de grenzen van tijd en ruimte in de H. Eucharistie, en geeft aan alle menselijke offers hun waarde en richting. In het licht van dit ene Offer krijgt ook het menselijk lijden een nieuwe betekenis: het wordt niet vernietigend, maar transformerend.

Men heeft het Kruis willen herleiden tot een symbool van geweld en onderdrukking, ja zelfs tot een bron van menselijke ellende. Dat is de tragische vergissing van een denken dat alleen het zichtbare telt. In waarheid is het Kruis – dwars door alle smart heen – de hoogste openbaring van liefde. Geen hel, maar Hemel, omdat het de uiterste gave van zichzelf is. Hier raakt de diepste mystiek van het christendom aan de diepste menselijkheid: leven ontstaat waar liefde zichzelf weggeeft.

De smarten van het Kruis zijn daarom geen eindpunt, maar barensweeën. Zij gaan vooraf aan de geboorte van de nieuwe mens. Deze nieuwe mens is Christus zelf, maar Hij leeft en werkt in het verborgene van iedere ziel. Ook in ons is deze nieuwe mens geboren: als een goddelijk zaad, een kiem van eeuwig leven, die zich langzaam en vaak door pijn heen ontplooit.

Slotbeschouwing

Pelgrims van hoop en moed in Christus, met Christus en Zijn Kerk

Aan het einde van deze beschouwing staan wij niet stil, maar gaan wij verder. Want Kerk-zijn is geen voltooid project, maar een weg: een pelgrimage door de tijd, gedragen door hoop en vaak geoefend in moed. In het synodale onderweg-zijn ontdekken wij steeds opnieuw dat wij deze weg niet alleen gaan. Wij gaan in Christusmet Christus en als Kerk van Christus.

Het Kruis, dat ons in deze tekst vergezelt als toetssteen, blijkt geen teken van stilstand of nederlaag, maar van richting. Het bewaart ons voor de illusie dat vernieuwing zonder offer kan, dat gemeenschap zonder waarheid standhoudt, of dat zending mogelijk is zonder liefde die zichzelf geeft. Het Kruis houdt ons bij de kern: dat de weg van de Kerk dezelfde blijft als de weg van haar Heer.

Zo worden wij pelgrims van moed. Niet omdat lijden verdwijnt, maar omdat het wordt meegedragen. Niet omdat alles begrijpelijk wordt, maar omdat niets zinloos hoeft te zijn wanneer het wordt toevertrouwd aan God. In Christus zien wij dat lijden niet het laatste woord heeft. Zijn Kruis draagt reeds het teken van de verrijzenis in zich. Daarom is christelijke hoop geen optimisme, maar vertrouwen: dat God werkt, ook waar wij breuk en kwetsbaarheid ervaren.

Deze weg vraagt moed! Moed om te blijven luisteren wanneer meningsverschillen pijn doen. Moed om samen te onderscheiden zonder elkaar los te laten. Moed om het eigen gelijk niet te absolutiseren en toch vast te houden aan de Waarheid die ons is toevertrouwd. Synodaal Kerk-zijn betekent: elkaar niet dragen ondanks het Kruis, maar onder het Kruis.

In de H. Eucharistie blijft dit mysterie midden onder ons leven. Daar wordt het ene Offer van Christus tegenwoordig gesteld en worden wij opnieuw tot gemeenschap gevormd. Daar leren wij dat ook ons leven – met zijn vreugde en zijn last – opgenomen mag worden in Gods verlossende liefde. Zo wordt de Kerk geen toevlucht voor sterken, maar een huis voor pelgrims; geen plaats van volmaaktheid, maar van hoopvolle trouw.

Daarom mogen wij verdergaan, niet ongebroken, maar wel onversaagd. Als pelgrims van hoop en moed, gedragen door Christus en verbonden in Zijn Kerk. Met het Kruis niet als last op de schouders, maar als teken voor ogen. En met het oude, altijd nieuwe belijdeniswoord op de lippen – eenvoudig, vast en vol vertrouwen:

O Crux ave, spes unica.
Gegroet, o Kruis, onze enige hoop.

Voetnoot

(*) Vgl. De katholieke Kerk, Godsdienstleer en Apologie. Onder redactie van Prof D. Bont en Dr. C.F. Pauwels O.P., N.V. Zonnewende Kortrijk / Het Spectrum Utrecht, Tweede deel, Boek 14-25, blz. 1006-1008.

Auteur

Pastoor Geudens

Smakt, 17 januari 2026

Psalm 23: “God is mijn Goede Herder!”

Psalm 23: “God is mijn Goede Herder!”

Een weg voor de kleine zielen: vertrouwen, overgave en levensgemeenschap met de Goede Herder

Door Willy Creten

Mijn Herder is Jahweh! Het ontbreekt mij aan niets: Hij laat mij rusten in groene beemden; Hij leidt mij naar vredige wateren, verkwikt er mijn ziel. En leidt mij in het rechte spoor omwille van zijn Naam. Al moet ik door donkere krochten heen, ik ben voor geen onheil bevreesd: want Gij staat me bij, uw staf en stok zijn mijn stut!

Gij bereidt mij een feestmaal voor het oog van mijn vijand; met olie zalft Gij mijn hoofd, en mijn beker vloeit over. Voorspoed en zegen zullen mij volgen, mijn leven lang. In het huis van Jahweh mag ik wonen in lengte van dagen!

Inleiding

  • Deze beschouwing over Psalm 23 – “God is mijn Goede Herder”, geschreven door kleine ziel Willy Creten, nodigt ons uit tot een stille en vertrouwvolle lezing. Zij is niet bedoeld als een louter verstandelijke uitleg, maar als een geestelijke wegwijzer voor wie zich klein weet voor God en leeft uit overgave. Voor de kleine zielen van het Legioen wil deze tekst vooral een plaats van rust zijn: een plek waar het hart mag schuilen bij God, die zichzelf openbaart als Herder, Gids en Gastheer.
  • Psalm 23 behoort tot de meest geliefde en troostrijke gebeden van de Schrift. In eenvoudige, maar diepe beelden spreekt zij over een levensgemeenschap met God die alles omvat: rust en leiding, bescherming in het duister, overvloed te midden van dreiging, en tenslotte het wonen bij Hem in lengte van dagen. Wie zich klein weet, herkent zich gemakkelijk in het schaap dat niet uit eigen kracht leeft, maar gedragen wordt door de zorg van de Herder.
  • Willy Creten benadert deze psalm met eerbied en innerlijke fijngevoeligheid. Hij laat zien hoe de beelden van de herder niet blijven steken in een idyllisch tafereel, maar uitgroeien tot een diep geloofsgetuigenis: God is niet veraf of dreigend, maar nabij, betrouwbaar en teder. Juist het persoonlijke karakter van de psalm – “mijn Herder” – wordt hierbij sterk benadrukt. Niet eerst het volk, maar de enkele mens mag zich aangesproken weten.
  • Deze tekst wil de lezer stap voor stap binnenleiden in de rijkdom van Psalm 23: eerst door aandachtig te kijken naar de beelden, vervolgens door hun betekenis voor de levensgemeenschap met God te verdiepen, en tenslotte door de vervulling ervan te herkennen in Christus, de Goede Herder van het Nieuwe Verbond. Zo wordt deze psalm niet alleen gelezen, maar gebeden; niet alleen overdacht, maar beleefd.
  • Moge deze inleiding helpen om de tekst te ontvangen met een open en vertrouwend hart, zoals kleine zielen dat doen: niet om alles te begrijpen, maar om zich te laten leiden. Want wie zich door de Goede Herder laat weiden, zal ervaren dat het werkelijk waar is: het ontbreekt hem aan niets.

Psalm 23

Eén van de mooiste en troostrijkste parabels van Jezus is die van de ‘Goede Herder’, de gelijkenis die de evangelist Johannes in het 10e hoofdstuk van zijn evangelie verhaalt. En we mogen gerust stellen dat de voorafbeelding van deze parabel te vinden is in psalm 23 van het psalmenboek van het Oude Testament. Deze psalm is een van de kunstzinnigste liederen en een van de vroomste gebeden van het Oude Verbond. Deze psalm heeft als gedicht, als gebed en als theologie in alle tijden bewondering en vereerders gevonden.

Immanuel Kant, de Duitse filosoof, die niet direct als een voorbeeld van geloof moet vermeld worden, kon zichzelf niet weerhouden het volgende getuigenis over deze psalm uit te brengen: “Van de duizenden boeken die ik in mijn leven gelezen heb, is er geen enkel woord dat mij zo getroost heeft als dat ene: ‘Al moest ik door donkere krochten heen, ik ben voor geen onheil bevreesd, want Gij staat me bij.’”

Het loont daarom zeker de moeite de parabel van de Goede Herder te overwegen zoals deze in het Oude Testament reeds werd verwoord. “De eeuwige God als de Goede Herder”, zo zouden we het thema kunnen noemen. Om nu de betekenis van de parabel zo volledig en klaar mogelijk aan te geven, verdelen we psalm 23 in drie panelen:

1. de beelden en vergelijkingen van psalm 23;

2. de levensgemeenschap met God;

3. de vervulling van psalm 23 in het leven van de christen.

I. De beelden en vergelijkingen van psalm 23

De psalm heft meteen het algemene thema aan: ‘Mijn herder is Jahweh’ en ontwikkelt dit vervolgens in vier beelden. Reeds het aangeven van de hoofdgedachte ‘de Heer is mijn herder; niets kan mij ontbreken’ (v. 1) gebeurt in een vergelijking. Het is juist de beslissende voorstelling van de hele parabel – dat God ‘Herder van de mensen’ wordt genoemd.

Het tweede deel van vers 1, dat door de Vulgaat met het geheel verbleekte en koude “de Heer bestuurt mij” werd vertaald, in plaats van “de Heer is mijn Herder”, speelt in de psalm dezelfde rol als in de overeenkomstige parabel bij Johannes’ woord “Ik ben de goede Herder”. Het is de leidende gedachte die verder in de psalm ontvouwd en verklaard wordt.

Deze ontvouwing en verklaring gebeurt in vier verdere vergelijkingen: de eerste spreekt van de goede herder die zijn dieren naar fris groen en naar kostelijke bronnen leidt, waar ze tevens een heerlijke rustplaats vinden om wat verkwikking en opbeuring te vinden. De tweede vergelijking toont de herder als leider op gevaarlijke wegen, door donkere krochten, waar roofdieren en struikrovers dreigen. De derde vergelijking schildert de herder als waard en gastheer, die een maaltijd aanricht, ja, een vriendenmaal bereidt. En tenslotte stelt de vierde vergelijking een haast ongelooflijke belofte in het vooruitzicht: mijn eeuwig loon en een woning in het huis van Jahweh, onze Heer en God!

Na deze eerste algemene kenschetsing van beeld en gedachte in deze liedpsalm, moeten we de afzonderlijke vergelijkingen nader bekijken.

1. De herder verschaft zijn schaapjes verkwikkende rust

“Jahweh is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.” Dit is de grondgedachte van het lied. Het eerste beeld dat nu ter verklaring van deze hoofdgedachte verder uitgewerkt wordt, schildert de rust van de herder met zijn kudde aan de koele bron, op een beschermende plaats waar geen gevaar is, in ’t heerlijke frisse groen. “In groene beemden laat hij mij rusten; Hij leidt mij naar vredige wateren, verkwikt er mijn ziel.”

De hele kracht van het beeld moet gezocht worden in een concrete voorstelling van het landschap waarvan hier sprake is. Het schiereiland Sinaï, zelfs Trans-Jordanië en Palestina kennen veel woestijnzand, stenige rotsen en kale steppen. “Veel stenen waren er en weinig brood.” In dit land is het frisse groen, het koele water op een beschutte plaats een nog veel kostbaarder gave van God dan in andere landen, die rijker gezegend zijn met vruchtbaarheid.

Hoe de laatste uitdrukking “Hij verkwikt mijn ziel” juist bedoeld is, is moeilijk te zeggen. Misschien heeft zij de algemene betekenis: ‘Hij verkwikt mij’. Hoe dan ook, we mogen niet ontkennen dat het Hebreeuwse woord ‘mijn ziel’ hier een ernstige, geestelijke betekenis heeft. Eduard König ziet in dit woord op deze plaats een bewijs dat de dichter ook aan ‘goddelijke zegeningen, die het geestelijk leven aangaan’ denkt.

2. De herder toont zich de echte leider op gevaarvolle wegen

“Hij leidt mij in het rechte spoor, omwille van zijn Naam. Al moet ik door donkere krochten heen, ik ben voor geen enkel onheil bevreesd; want Gij staat me bij! Uw staf en stok zijn mijn stut!”

Ook hier kunnen we ons afvragen: welk spoor moet ik volgen? Het karrespoor der gerechtigheid, of wat heeft dit te betekenen? Is het alleen maar het stoffelijk beeld van de juiste weg in tegenstelling tot het verdwalen? Of is het iets direct godsdienstig-zedelijks, dat hier met uitdrukkelijke woorden wordt uitgesproken?

Hetgeen volgt blijft geheel in het beeld van de parabel van de herder. Een terugkeer naar huis bij avond leidt door donkere, sombere dalen. Men weet niet welke roofdieren zich in de holen schuilhouden. Ook hier vertrouwt het schaapje op zijn herder en gids. De staf en stok van de goddelijke herder waarborgen een zekere leiding langs alle afgronden, en tegelijk zijn ze zekere beschermings- en verdedigingswapens bij een aanval.

De Vulgaat vertaalt hier woordelijk: “zij hebben mij getroost”; de sterke wapens en de veilige bescherming van de herder namen de onrust bij de dieren weg.

3. De herder is de waard en de gastheer van zijn kudde

“Gij bereidt mij een feestmaal voor het oog van mijn vijand. Met olie zalft Gij mijn hoofd, en mijn beker vloeit over.”

De herder neemt zijn schaapjes mee onder zijn tentdak en maakt voor hen een degelijk maal gereed. “Voor het oog van de vijand.” Het tafereel wordt zo opgevat, alsof de roofdieren en struikrovers, die op de thuisweg door de donkere krochten de schapen van de kudde probeerden af te jagen en te roven, nog steeds dicht op de uitkijk staan. Onder de ogen van deze vervolgers kunnen de dieren van de kudde in volle vrede en veiligheid hun maal nemen. Zó groot is de macht en de bescherming van de herder.

Daarmee bereikt de voorstelling van de parabel een zeker hoogtepunt. Het motief van vrede en bescherming die van de herder uitgaan, doortrilt het ganse lied. Deze vrede, deze waarborg voor de veiligheid, zijn hier het sterkst uitgedrukt: onder de ogen van de vervolgers kunnen de beschermelingen vredig een vreugdemaal genieten zonder de minste kwel of onrust.

4. Het wonen in het huis van Jahweh, mijn Heer, in lengte van dagen

“Voorspoed en zegen zullen mij volgen, mijn leven lang. In het huis van Jahweh mag ik wonen in lengte van dagen!”

Naar gedachte en taal sluit dit beeld aan bij de voorstelling van de belagers en vervolgers, waarvan even voordien sprake was. Vroeger waren er vijandige roofdieren en rovers, die door de staf en de stok in toom gehouden werden. Maar ook het leven van de beschermeling van God kent een vervolging. Hier is het woord gebruikt dat elders zo dikwijls in het Oude Testament vervolging door kwaadwillige tegenstanders oproept. Maar hier zijn de vervolgers degenen die de beschermeling van de Heer niet van de hielen wijken. Toch is de Heer sterkte en waakzaamheid: “Alleen geluk en genade” zullen mij volgen.

In de samenhang van het lied worden hier ongetwijfeld ‘de goedheid en de liefde’ van de goddelijke Herder bedoeld, die zijn beschermelingen met dezelfde hartstochtelijkheid achtervolgt als een wraakzuchtige vijand zijn tegenstander.

II. De levensgemeenschap met God

Uit de woordelijke inhoud van psalm 23 blijkt zonneklaar dat de dichter niet enkel een herdersidylle heeft willen maken. Neen, hij spreekt zeker over een godsdienstige realiteit, over de levensgemeenschap van de mens met God, zijn Herder en Gids.

Deze godsdienstige gedachte, reeds bij de aanhef uitgesproken, beheerst het geheel zozeer, dat steeds weer de taal van de vergelijking en parabel wordt verlaten, om met directe en uitdrukkelijke woorden over God en mens te spreken. Aan deze godsdienstige grondgedachte van het lied zijn twee dingen opvallend.

Ten eerste het feit dat God hier niet als Herder van het volk van Israël, maar als Herder van een afzonderlijke mens optreedt. Natuurlijk heeft dit gebed in het Oude Verbond ook zijn algemeen geldende betekenis gehad. Iedere gelovige Israëliet kon zo bidden. Maar hier wordt niet direct de betrekking van de volksgemeenschap tot hun God afgeschilderd; zeker veeleer de omgang van de afzonderlijke mens met zijn God en Heer!

Het meest verwonderlijke in dit herderslied ligt daarin, dat de voorstelling van de herder gebruikt wordt voor Jahweh, de ‘vreselijke en grote God’, de God van de wetgeving, de God van de Sinaï-openbaring, de “Ik ben, Die ben!” Hier wordt in de herder alleen het beminnelijke, het vertrouwenwekkende, het vaderlijke, ja men zou zonder overdrijven kunnen zeggen het ‘moederlijk tedere’, erg benadrukt.

Bijzonder kenmerkend ook voor de godsdienstige gedachten van het Oude Verbond is datgene wat we lezen in het laatste deel van het gebed over ‘het wonen in het huis van God’. Daar kijkt de zanger zijn toekomst in. Gods ontferming wacht op hem: “Ik mag wonen in het huis van Jahweh in lengte van dagen!”

In welke verte de gelovige zanger van het Oude Verbond hier geschouwd heeft, is moeilijk te zeggen. Was het alleen de hoop van David, van de vlucht voor Absalom te mogen terugkeren om bij Gods heilige tent te wonen gedurende het einde van zijn aardse leven? Was er nog meer? Verwijdden de perspectieven van zijn hoop zich tot een blik in de eeuwigheid? Dacht hij misschien aan een wonen in Gods hemels verblijf als de eeuwige voltooiing? Heeft David een profetische verlichting gekregen? Het laatste is zeer goed mogelijk.

Voor het oude Oosten waren de aardse tempels van de godheid slechts nabootsingen van haar hemels verblijf. Zo werd de tempel op aarde zeer gemakkelijk tot teken en symbool van een vaderland.

De laatste duisterheid, die voor de gelovige van het Oude Verbond hier nog kon blijven bestaan, is voor ons door de Goede Herder van het Nieuwe Verbond weggenomen.

III. De vervulling van psalm 23 in het leven van de christen

De volheid van betekenis, waarmee de christen de woorden van dit gebed mag uitspreken en zingen, vraagt nauwelijks om verdere verklaring. De zin van al de beelden en symbolen is te klaar. Een paar aanduidingen nog volstaan.

Allereerst wordt voor een christen psalm-parabel 23: “Jahweh, de Goede Herder” als het ware een natuur-noodzakelijke gelijkenis met de parabel uit het Johannes-evangelie “Jezus, de Goede Herder” (v. 1-21), zeker ook omdat Jezus deze gelijkstelling zelf tot stand bracht toen Hij tot de Joden sprak: “Ik ben de Goede Herder”.

In het licht van deze psalm 23 zijn deze woorden van Jezus zelfs aanmerkelijk meer dan een blote parabel van de soort als vele andere. Door psalm 23 gesteund en verklaard, worden de woorden van Jezus tot een plechtige zelfgetuigenis van zijn Godheid. De psalm, die Israël goed kende en waar het zozeer van hield, zei: “Jahweh is mijn Herder” en ontwierp dan het ideale beeld van de Goede Herder. Wanneer nu voor dit volk, dat in de ideeënwereld van de psalmen leefde, een Profeet openlijk optrad en van zichzelf onomwonden zei: “Ik ben de Goede Herder”, dan waren deze woorden gelijkbetekenend met het verrassende getuigenis van een mens: “Ik en Jahweh zijn één.”

Geen wonder dat de ongelovige Joden na het aanhoren van de parabel van de Goede Herder uitriepen: “Hij is bezeten en krankzinnig” (Joh. 10, 20). Zij hebben het kolossale van Jezus’ zelfgetuigenis aangevoeld: “Ik ben de eeuwige God, de Goede Herder.”

Verder mogen wij verzekerd zijn dat we te allen tijde op Christus’ wijsheid en hulp mogen bouwen: Hij, het Licht der wereld, leidt ons veilig door alle donkere krochten en duisternissen van het leven, zodat de ziel nooit moet vrezen. De wapens van Christus zijn ‘oneindige macht en de kracht van zijn Kruis’. Daarin berust ons onvoorwaardelijk vertrouwen!

Bijzonder gemakkelijk laat een derde beeld zich op Christus en de christenen toepassen: dat Hij ons een tafel bereidt onder de ogen van onze vijanden. De eucharistische verklaring van deze plaats is de reden waarom de Kerk psalm 23 op de feestdag van het Heilig Sacrament bericht in de gebedstijden van die dag: in de Priemen en in de 2e nocturne van de Metten: “De Tafel des Heren staat voor ons bereid, ter bescherming tegen allen die ons in ’t nauw brengen.”

En als er één woord van deze psalm in het christendom vervuld wordt, dan zeker wel dit: “Slechts zegen en voorspoed zullen mij volgen mijn leven lang.” Gertrud von le Fort schrijft ergens: “Ik weet dat ik nooit aan U ontkom; want zoals Gij vervolgt, kan alleen God vervolgen.” En vraag dit ook maar eens aan Sint-Paulus. Zoals Christus vervolgt, met een ononderbroken stroom van genaden, zo kan alleen Hij vervolgen!

Wanneer wij tot slot nog even terugblikken op de beelden van psalm 23, op zijn volheid aan godvruchtig gebed en de diep godsdienstige gedachten, dan vinden wij wel geen beter woord om al die rijkdom ermee samen te vatten en het gebed tot de Goede Herder Jezus Christus uit te spreken dan een van de laatste strofen uit het lied “Lauda Sion, Salvatorem”:

Bone Pastor, panis vere,
Jesu nostri miserere,
Tu nos pasce, nos tuere,
Tu nos bona fac videre,
In terra viventium.
Amen,

Goede Herder, waarachtig Brood,
Jezus, help ons in de nood;
wil ons beschermen en ons weiden,
tot het hoogste goed ons leiden
In het land der levenden. Amen.

Bron: Willy Creten, Legioen Kleine Zielen Limburg Vlaams-Brabant, Nieuwerkerken, 41ste Jaargang, februari 2013, Nr. 1, blz. 5-12.

Ter ere van Theresia

1. Al had ik elke fout, elke misdaad bedreven, dan nog behield ik steeds hetzelfde vertrouwen. Want ik weet al te goed dat die hoeveelheid aan fouten een druppel blijkt te zijn die in een vuur verdwijnt. (bis)

2. Geef me een hart dat brandt, dat verteerd wordt van liefde, een hart tot steun en kracht dat altijd blijft branden, dat altijd mij bemint, tot in mijn zwakheid mij liefheeft, dat steeds over mij waakt, bij dag, bij nacht mij leidt. (bis)

3. Nooit eerder was een mens zo vervuld door de liefde dat hij zijn leven gaf, mij zozeer beminde. Geen mens dan Hij alleen, mijn God, die mens werd op aarde en die geleden heeft, mijn broeder en mijn Heer. (bis)

4. Al wat wij doen voor U, zelfs de mooiste der daden, is werkelijk wat waard, wanneer het de liefde van uw Hart uit kan stralen. Dus mijn doen en mijn laten, ik leg het in uw hart dat steeds van liefde brandt. (bis)

5. Ach, niemand is in staat heel uw wet na te leven. Maar levend als uw kind, ontvang ik uw zegen en zo ben ik in staat U heel mijn leven te geven. Mijn heiligheid zijt Gij, uw liefde leeft in mij.

6. Nooit eerder was een mens zo vervuld door de liefde dat hij zijn leven gaf, mij zozeer beminde. Geen mens dan Hij alleen, mijn God, die mens werd op aarde en die geleden heeft, mijn broeder en mijn Heer. (bis)

7. Al had ik elke fout, elke misdaad bedreven, dan nog behield ik steeds hetzelfde vertrouwen. Want ik weet al te goed dat die hoeveelheid aan fouten een druppel blijkt te zijn die in een vuur verdwijnt. (bis)

De weg van de Kerk vandaag

Probleemstelling

  • De Kerk van vandaag staat voor grote uitdagingen door secularisatie, herstructurering en synodale processen. Daarbij dreigt het gevaar dat het spreken over de Kerk – haar plannen, structuren en toekomst – het leven uit God zelf naar de achtergrond dringt. Niet door bewuste afwijzing, maar doordat God steeds vaker wordt besproken en georganiseerd, zonder nog werkelijk ontvangen en beleefd te worden.
  • Deze verschuiving raakt het hele kerkelijke leven. Wanneer geloof vooral wordt opgevat als visie, moraal of engagement, verarmt de innerlijke dimensie en maken activiteit en overleg gemakkelijk de plaats in van gebed en aanbidding. De kernvraag is daarom: hoe kan de Kerk opnieuw leven vanuit een innerlijke ontmoeting met de levende God, zodat zij niet bij zichzelf blijft steken maar werkelijk naar Hem verwijst?
  • Vanuit deze vraag verkent deze overweging hoe het denken van Maurice Zundel (Die God, deze mens, Hilversum, 1978) helpt om secularisatie geestelijk te verstaan en Kerk-zijn opnieuw te gronden in ontvangen genade, innerlijke omvorming en openheid voor Gods Aanwezigheid.

Inleidende situering

  • Deze overweging plaatst zich binnen de zoektocht van de Kerk naar haar geestelijke bron in een tijd van verandering. In een context van dialoog, participatie en toekomstplanning groeit het besef dat deze processen alleen vruchtbaar zijn wanneer zij geworteld blijven in stilte, gebed en aanbidding. Zonder die grondslag dreigt het kerkelijk gesprek intens en goedbedoeld te zijn, maar los te raken van zijn oorsprong.
  • Het denken van Maurice Zundel biedt hierbij een scherp perspectief. Voor hem is secularisatie geen verlies aan invloed, maar het verdwijnen van God uit het innerlijk leven, doordat Hij wordt gereduceerd tot idee, moraal of systeem. Waar God niet meer wordt ontmoet, verliest het geloof zijn levenskracht.
  • Vanuit deze visie nodigt Zundel de hele Kerk uit tot ontvankelijkheid. Vernieuwing begint niet met meer activiteit, maar met innerlijke omvorming; niet met spreken over God, maar met ruimte maken waarin Hij kan wonen. Deze tekst wil daarom geen systeem bieden, maar een weg wijzen: Kerk-zijn vanuit diepte, stilte en vertrouwen, in het besef dat de toekomst van de Kerk niet afhangt van wat wij organiseren, maar van de mate waarin wij God laten wonen in ons midden.

Maurice Zundel: dKerk en het priesterschap vandaag

Deze overdenking is ontstaan vanuit de groeiende overtuiging dat de crisis van het priesterschap in onze tijd niet in de eerste plaats een organisatorisch, sociologisch of communicatief probleem is, maar een diep geestelijke uitdaging. In een context van voortschrijdende secularisatie, kerkelijke herstructurering en intensieve synodale processen dreigt het gevaar dat het spreken over de Kerk de plaats inneemt van het leven uit God. Woorden, plannen en overleg kunnen dan de plaats innemen van stilte, gebed en innerlijke ontvankelijkheid.

Juist in deze situatie blijkt het denken van Maurice Zundel verrassend actueel. Zundel biedt geen programma, geen strategie en geen methode om de Kerk institutioneel overeind te houden. Hij reikt een geestelijk criterium aan om te onderscheiden wat werkelijk wezenlijk is. Hij wijst een weg van innerlijke omvorming, waarin God opnieuw het centrum wordt en de mens – en in het bijzonder de priester – leert leven vanuit ontvangen liefde in plaats van zelfbehoud. Dit schrijven wil daarom geen theoretische studie over Zundel zijn, maar zijn visie dienstbaar maken aan de concrete vorming en praktijk van het priesterschap vandaag, op het snijvlak van theologie, spiritualiteit en pastoraal leven. Het wil helpen om het persoonsbegrip opnieuw relationeel te verstaan, sacramenten te beleven als ontmoetingen, het priesterschap te herontdekken als doorzichtigheid en het parochiële leven te gronden in aanbidding en onderscheiding. De rode draad is eenvoudig maar veeleisend: de priester is niet geroepen om God te vertegenwoordigen, maar om ruimte te worden waarin God kan wonen.

Zundels denken spreekt krachtig tot de huidige uitdagingen van Kerk en priesterschap, juist omdat hij secularisatie niet oppervlakkig duidt. Voor hem is secularisatie niet in de eerste plaats verlies aan maatschappelijke invloed, afname van kerkbezoek of culturele marginalisering, maar een dieper en radicaler probleem: God is verdwenen uit het innerlijk van de mens. Niet omdat Hij expliciet is afgewezen, maar omdat Hij is gereduceerd tot een idee, een moraal of een systeem. Waar God wordt uitgelegd in plaats van ontmoet, beheerd in plaats van ontvangen en gebruikt ter ondersteuning van menselijke waarden, daar verdwijnt Hij uit het leven zelf. In Zundels scherpe formulering: men heeft over God gesproken zonder Hem bij ons te laten wonen.

Hieruit volgt een fundamentele priesterlijke implicatie. De eerste opdracht van de priester is niet de Kerk zichtbaar of relevant te maken, maar God opnieuw innerlijk hoorbaar en ervaarbaar te laten worden. In een geseculariseerde wereld is de priester daarom niet allereerst verkondiger van antwoorden, maar getuige van Aanwezigheid. Zundel waarschuwt met grote actualiteit voor een Kerk die wel intensief over mensen spreekt, maar steeds minder over God. Het gevaar bestaat dat het geloof sociaal relevant wil zijn, moreel acceptabel en dialogisch, terwijl het zijn mystieke kern verliest. Veel hedendaagse kerkelijke taal richt zich op processen, structuren, inclusie en participatie, terwijl aanbidding, bekering, innerlijke omvorming en leven uit genade naar de achtergrond verdwijnen. Een Kerk die niet langer vanuit God vertrekt, zo stelt Zundel, eindigt onvermijdelijk bij de mens – en doet uiteindelijk ook de mens tekort.

Vanuit deze visie stelt Zundel een kritische, maar vruchtbare vraag bij de synodale weg. Hij is niet tegen synodaliteit; zijn denken is in wezen dialogisch. Maar hij vraagt radicaal: wie spreekt er werkelijk in dit gesprek? Dialoog is alleen vruchtbaar wanneer zij begint in stilte, geworteld is in aanbidding en gevoed wordt door bekering. Ontbreekt deze grondslag, dan dreigt synodaliteit te verworden tot horizontaal overleg, psychologische veiligheid en consensusvorming, waarbij men met elkaar spreekt over de Kerk, maar niet meer met God. Zundels criterium is helder: een proces is alleen werkelijk synodaal wanneer het mensen losmaakt van hun ‘gemaakte ik’, hen opent voor een waarheid die zij niet zelf voortbrengen en leidt tot een grotere ontvankelijkheid voor God. Waar dit ontbreekt, wordt zelfs het meest participatieve proces een verfijnde vorm van secularisme binnen de Kerk.

In deze context ziet Zundel ook een concreet priesterlijk gevaar. Priesters kunnen onmisbaar worden voor structuren en processen, maar tegelijk overbodig voor God. Zij functioneren dan als procesbegeleider, gespreksleider of pastorale professional, zonder nog een innerlijke ruimte te zijn waarin God kan spreken. De grootste crisis van het priesterschap, zou Zundel zeggen, is niet dat men te weinig doet, maar dat men te weinig ontvangt.

Deze inzichten krijgen een bijzondere scherpte in het parochiële leven. Voor de parochiepriester van vandaag is de context vaak zwaar: teruglopende betrokkenheid, volle agenda’s, toenemende verwachtingen en kerkelijke processen die veel overleg vragen. Ook hier nodigt Zundel niet uit tot méér activiteit of efficiëntie, maar tot dieper geestelijk leiderschap. In de parochie manifesteert secularisatie zich zelden als open ongeloof. Vaker gebeurt zij geruisloos en subtiel: God wordt verondersteld, maar niet gezocht; de liturgie wordt verzorgd, maar niet gedragen door aanbidding; het pastoraat is empathisch, maar mist soms mystieke diepte. Een parochie kan druk en goed georganiseerd zijn en toch innerlijk leeg blijven.

Daarom ligt de eerste parochiële opdracht van de priester niet in het redden van structuren, maar in het openen van een ruimte waarin God opnieuw kan wonen. Die ruimte ontstaat niet in de eerste plaats in vergaderingen of beleidsplannen, maar in stilte, gebed en eucharistische aanwezigheid. Waar de priester zelf leeft uit deze bron, krijgt ook het parochiële leven weer diepte. In een tijd waarin bijna alles bespreekbaar is, verlangen mensen bovendien niet zozeer naar pasklare antwoorden, maar naar iemand die innerlijk gegrond is. De priester wordt dan geen manager, maar een geestelijk referentiepunt, zichtbaar trouw aan gebed en Eucharistie, met rust in plaats van gejaagdheid en innerlijke vrijheid tegenover succes en falen.

Ook parochiële synodale processen vragen om deze geestelijke onderscheiding. Zij zijn waardevol, maar dragen het risico dat men goed spreekt over de parochie, terwijl men nauwelijks bidt, voor, en met haar. Zundels vraag blijft beslissend: leidt dit proces tot meer ontvankelijkheid voor God? Synodaliteit zonder aanbidding blijft horizontaal; synodaliteit die geworteld is in aanbidding wordt werkelijk kerkelijk. In het pastoraat bevrijdt Zundel de priester van de druk om altijd oplossingen te moeten bieden. De priester hoeft niet de oplossing te zijn, maar de plaats waar God kan spreken. Minder uitleg en meer luisteren, minder sturen en meer ruimte laten, en eerbied voor ieders tempo en vrijheid openen, ruimte voor genezing, die niet ontstaat door overtuigen, maar door zich gezien weten in Gods nabijheid.

Het hart van dit alles is de liturgie. Voor Zundel is liturgie geen religieuze dienstverlening, maar epifanie van Aanwezigheid. De manier waarop een priester de Eucharistie viert – zijn stilte, zijn woorden, zijn houding – vormt de parochie dieper dan welk beleidsplan ook. Een parochie wordt geestelijk waar wanneer de Eucharistie niet wordt gehaast, wanneer stilte wordt toegelaten en wanneer Christus niet wordt ‘uitgedeeld’, maar ontvangen. Daarbij herinnert Zundel eraan dat geestelijke vruchtbaarheid vaak verborgen blijft. De priester is niet verantwoordelijk voor het succes van God, maar voor zijn eigen beschikbaarheid.

Zo blijkt Zundel geen luxe-denker, maar een noodzakelijke gids voor het priesterschap vandaag. Hij nodigt uit tot een priesterschap dat niet harder werkt, maar dieper leeft; dat zichzelf niet verdedigt, maar God laat spreken; en dat secularisatie niet bestrijdt met activisme, maar van binnenuit doorbreekt.

Aan het einde van deze overweging staan we dan ook niet bij conclusies, maar bij een uitnodiging. Zundels visie laat zich niet samenvatten in een systeem; zij vraagt om navolging, om innerlijke instemming en om een levenshouding. In een Kerk die kleiner en kwetsbaarder wordt en in processen die het risico lopen los te raken van hun bron, wordt de priester geroepen om niet harder te werken, maar dieper te leven. Secularisatie wordt niet overwonnen door meer activiteit, synodaliteit wordt vruchtbaar waar zij geworteld is in aanbidding, pastoraat genezend waar het eerbied heeft voor vrijheid, en sacramenten leven waar zij niet worden beheerd, maar ontvangen.

Ik eindig daarom niet met een opdracht, maar met vertrouwen: dat God zelf werkt, vaak verborgen en altijd trouw, en dat Hij priesters zoekt die bereid zijn niet zichzelf te bewijzen, maar Hem te laten verschijnen. Of, in de geest van Zundel: de toekomst van de Kerk hangt niet af van wat wij organiseren, maar van de mate waarin wij ons (innerlijk leven) laten bewonen.

Pastoor Geudens

H. Familie

De Heilige Familie: Maria, Jozef en Jezus

Wanneer de Kerk ons de Heilige Familie voorhoudt, gebeurt dat niet om een onbereikbaar ideaal te tonen, maar om te laten zien hoe God zijn heilsplan verwezenlijkt binnen het gewone, menselijke leven. Het gezin van Maria, Jozef en Jezus is geen afgesloten, harmonisch geheel buiten de werkelijkheid, maar een plaats waar geloof, gehoorzaamheid en vertrouwen vorm krijgen te midden van onzekerheid en kwetsbaarheid.

Het begin ligt bij de boodschap van de engel aan Maria. Zij wordt persoonlijk aangesproken en betrokken in het heilsplan van God. Haar vraag — “Hoe zal dit geschieden?” — is geen teken van ongeloof, maar van ernstig zoeken naar Gods wil. Maria wil niet haar eigen toekomst veiligstellen, maar verstaan wat God van haar vraagt. In haar antwoord — “Mij geschiede naar uw woord” — openbaart zich een vrije en gelovige overgave. Zij vertrouwt zich toe aan een weg die zij niet kan overzien, en wordt zo de levende tempel waarin God zelf woont.

Ook Jozef neemt in dit geheim een onmisbare plaats in. Hij wordt niet slechts een toeschouwer, maar door Gods roeping tot wettelijke vader van Jezus gesteld. Door zijn gehoorzaamheid aanvaardt hij Maria en het Kind, en geeft hij Jezus zijn naam, zijn afkomst en zijn plaats binnen het volk van Israël. Zo wordt Jezus ingeschreven in het huis van David en werkelijk opgenomen in de menselijke geschiedenis. Jozefs vaderschap is geen biologisch, maar een waar en verantwoordelijk vaderschap: hij beschermt, voedt en leidt het Kind, en staat borg voor zijn plaats in de wet en de samenleving. In stilte en trouw vervult Jozef zijn taak; juist daarin openbaart zich zijn grootheid.

De menswording van de Zoon van God voltrekt zich niet in macht en glorie, maar in armoede en verborgenheid. Er is geen plaats in de herberg; het teken van Gods nabijheid is een Kind in een kribbe. Ook daarna blijft het leven van de Heilige Familie lange tijd verborgen. In Nazareth groeit Jezus op in gehoorzaamheid aan Maria en Jozef, deelt Hij het dagelijkse werk en het gewone gezinsleven. Door dit verborgen bestaan heiligt Hij het alledaagse leven en maakt Hij duidelijk dat Gods aanwezigheid juist daar werkzaam is.

In de tempel klinkt Simeons profetie dat dit Kind een teken van tegenspraak zal zijn. Daarmee wordt vanaf het begin zichtbaar dat verlossing niet losstaat van lijden. Maria en Jozef zullen dit dragen in geloof, ook wanneer zij niet alles begrijpen.

Zo leert de Heilige Familie ons dat geloof niet samenvalt met zekerheid of volledig inzicht, maar met trouw. Maria en Jozef openen door hun gehoorzaamheid ruimte voor Gods aanwezigheid. Hun gezin wordt zo een plaats waar God onder de mensen woont — niet omdat alles volmaakt is, maar omdat het gedragen wordt door geloof en vertrouwen.

Pastoor Geudens

Kerstmis: waarom wij naar God verlangen – en waarom Hij ons al is tegemoetgekomen

Waarom wij naar God verlangen – en waarom Hij ons al is tegemoetgekomen

Met Kerstmis vieren we niet in de eerste plaats dat mensen naar God op zoek gaan, maar dat God zelf naar ons toe is gekomen. Hij heeft zich aan ons geopenbaard. In Jezus is God zichtbaar, nabij en aanspreekbaar geworden.

Misschien lijkt God voor velen vandaag een abstract begrip, een hypothese uit een ver verleden, iets dat je kunt laten rusten zolang het leven loopt. En toch: het leven zelf zet ons telkens opnieuw op weg. Niemand van ons kan zich blijvend tevredenstellen met alleen het zichtbare, het meetbare, het functionele. Er zijn momenten – van intens geluk of van diep verlies – waarop we voelen dat dit niet alles kan zijn. Alsof ons bestaan groter is dan wat we in handen kunnen houden.

Juist in zulke momenten wordt iets in ons wakker. Een verlangen dat niet samenvalt met bezit, succes of erkenning. Een hunkering naar waarheid, naar schoonheid, naar goedheid die niet opraakt. Wie eerlijk luistert naar zijn geweten, ontdekt dat dit verlangen geen leegte is, maar een richting. Het wijst ergens naartoe. Of beter: naar Iemand.

Dat zoeken naar zin en betekenis is geen teken van zwakte. Integendeel. Het drijft de wetenschapper om verder te vragen, de kunstenaar om te scheppen, de mens in de liefde om zichzelf te overstijgen. Zelfs waar het ontspoort – in een jacht naar macht, genot of roem – blijft dezelfde dorst zichtbaar: de drang om vervuld te worden, om rust te vinden.

Tegelijk ervaren we iets anders. We willen het goede, maar doen het niet altijd. We weten wat juist is, maar kiezen soms het tegenovergestelde. In ons leeft een breuk: een spanning tussen verlangen en werkelijkheid, tussen ideaal en falen. Dat ervaren we niet alleen als teleurstelling, maar als verantwoordelijkheid. Het goede verplicht ons; het kwade beschuldigt ons. En die stem die dat onderscheid maakt, het geweten, laat zich niet wegredeneren. Ze beoordeelt niet alleen onze daden, maar onszelf.

Die stem komt niet simpelweg van onszelf of van de samenleving. We weten immers dat we ons er zelfs tegen ouders, cultuur of meerderheid “in geweten” kunnen verzetten. Het geweten wijst voorbij onszelf, naar een norm die groter is dan wij, naar een goedheid die geen grens kent. En meer nog: de gevoelens die het oproept – vrede, schaamte, berouw, vertrouwen – horen bij een ontmoeting met een persoon, niet met een abstract principe.

Daarom is het verlangen naar geluk uiteindelijk geen verlangen naar iets, maar naar Iemand. Naar de Allerhoogste, de Levende, de Algoede. Het kwaad dat wij ervaren is dan ook niet alleen het missen van iets, maar het breken van een relatie: ontrouw aan Degene die liefde is.

Waarom zoeken wij God? Omdat Hij er is. Zoals Augustinus het verwoordde: “Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U.” Door de eeuwen heen hebben denkers, dichters en kunstenaars dit herkend. Niet als vlucht uit de werkelijkheid, maar als haar diepste ontsluiting. Het besef van God in het geweten werd voor velen de toegang tot waarheid, vrijheid en verantwoordelijkheid.

En toch blijft één vraag: als dit verlangen zo diep in ons leeft, waarom vinden wij dan niet vanzelf de weg? Het antwoord van Kerstmis is even eenvoudig als schokkend: omdat wij die weg niet zelf hoeven te maken. God is ons tegemoetgekomen. Hij is geen verre idee gebleven, maar heeft Zich geopenbaard. In de kwetsbaarheid van een Kind laat Hij zien wie Hij is: nabij, aanspreekbaar, te vinden.

Kerstmis zegt niet: zoek harder. Het zegt: laat je vinden. God zelf is gekomen, niet om onze vragen te veroordelen, maar om ze te vervullen. En wie Hem eenmaal ontmoet, begrijpt wat Augustinus later schreef: “Te laat heb ik U bemind, Gij waart bij mij, maar ik was niet bij U.”

Dat is de kern van Kerstmis: niet de mens die zich opwerkt tot God, maar God die afdaalt naar de mens – en ons uitnodigt om eindelijk thuis te komen.

Bron: Het ware Licht, handleiding voor de praktijk van het geloofsonderricht, Bethanië Bloemendaal, Pax, Den Haag, November 1954, blz. 15-19.

Bewerking: pastoor Geudens

Bid hier de rozenkrans mee

Maandag en Zaterdag – Blijde Geheimen

Dinsdag en Vrijdag – Droevige Geheimen

Woensdag en Zondag – Glorievolle Geheimen

Donderdag – Geheimen van het Licht

Crisis in de roepingen – in de taal van jongeren

Crisis in de roepingen – Tekst in de taal van jongeren van 2025

Misschien heb je het al gehoord: het aantal jonge mannen dat priester wil worden, is de laatste decennia enorm gedaald. Waar er vroeger tientallen jongeren per jaar voor het priesterschap kozen, zijn het er nu nog maar een paar. Dat noemt men een echte crisis.

Maar waarom is dat zo? Hoe komt het dat veel jongeren vandaag niet meer kiezen voor een leven in dienst van God en de Kerk?

Laten we een paar oorzaken bekijken.

***

De manier van godsdienstles geven is veranderd

Vroeger leerden jongeren op school heel duidelijk wat het geloof betekent:

  • wie Jezus is,
  • wat de sacramenten zijn,
  • waarom bidden belangrijk is,
  • hoe je kunt leven met God.

Alles was gebaseerd op de Bijbel en de Traditie. Daardoor waren jongeren vaak goed gevormd in hun geloof, en dat zorgde voor meer roepingen.

Na het Concilie is dat anders geworden. Godsdienstlessen gaan nu vaak meer over:

  • sociale rechtvaardigheid,
  • armoede,
  • verdraagzaamheid,
  • zorgen voor elkaar.

Dat zijn mooie dingen — maar het is niet de kern van ons geloof.

Jezus wordt soms voorgesteld als een soort sociale activist, maar minder als:

  • de Zoon van God,
  • onze Redder,
  • Degene die door Zijn dood en verrijzenis ons eeuwig leven geeft.

Zonder dat hart van het geloof wordt het moeilijk om te begrijpen waarom iemand priester zou worden. Want als geloven alleen gaat over ‘goed doen’, dan kan iedereen dat — je hoeft er geen priester voor te zijn.

2. We vergeten soms het eeuwig leven

Vandaag richten veel mensen zich bijna volledig op dit leven:
school, werk, succes, relaties, geld, sociale media…

Maar het geloof spreekt óók over iets dat verder gaat dan dit alles:
het eeuwig leven — waarvoor we geschapen zijn.

Als het geloof alleen nog draait om ‘lief zijn voor elkaar’, verdwijnt het grotere verhaal:

  • dat God een plan heeft met je leven,
  • dat Jezus je roept om Hem te volgen,
  • dat Hij leeft en verrijzenis realiteit is.

Wanneer dat verdwijnt, verdwijnt ook het verlangen om priester, religieuze of missionaris te worden.

3. Wonderen, sacramenten en gebed lijken soms minder belangrijk

Als verhalen over Jezus’ wonderen worden weggemoffeld als “symbolisch”,
of als de eucharistie alleen gezien wordt als “een ritueel samenkomen”,
verdwijnt het besef van het heilige.

En wie voelt zich dan nog aangesproken om zijn leven volledig aan Christus te geven?

Wat kunnen we daaraan doen?

Dat is eigenlijk heel eenvoudig, maar vraagt moed:

Terug naar de kern van het geloof.

Terug naar:

  • de catechismus
  • de Bijbel
  • de sacramenten
  • de ontdekking van wie Jezus écht is
  • het besef dat het leven groter is dan het hier en nu

De Kerk heeft gelukkig goede hulpmiddelen zoals:

  • de Catechismus van de Katholieke Kerk,
  • het Compendium,
  • en opnieuw sterkere geloofsvorming.

Wanneer jongeren opnieuw ontdekken dat Jezus leeft, dat Hij roept, dat Hij vreugde geeft die de wereld niet kan geven — dán ontstaat er weer ruimte voor roepingen.

En wat met jullie?

Misschien roept God ook iemand van jullie.
Misschien spreekt Hij zacht, in stilte, door een gedachte of verlangen.

Roepingen beginnen nooit met een schok, maar met een fluistering.
Met nieuwsgierigheid.
Met de vraag: “God, wat wilt U met mijn leven?”

En wie die vraag durft te stellen… kan verrassende antwoorden krijgen.

***

Het priesterbeeld vroeger en nu

Misschien hebben jullie het al eens gehoord: “vroeger was het priesterschap heel anders”.
Maar wat betekent dat? En waarom is dat belangrijk voor roepingen vandaag?

Laten we het even stap voor stap bekijken.

1. Hoe keek men vroeger naar een priester?

Een priester werd gezien als iemand die heel dichtbij Jezus stond:

  • een herder voor de mensen,
  • een dienaar van het Woord,
  • iemand die Gods sacramenten mocht geven,
  • iemand die anderen naar het eeuwig leven wilde leiden.

Zijn kleding — een soutane of een pij — liet zien:
“Ik ben beschikbaar voor iedereen. Ik ben van God.”
Dat riep automatisch respect op. Het was ook een manier om zichtbaar getuige te zijn.

Priesters baden dagelijks, dienden de sacramenten, en waren herkenbaar als geestelijke leiders.
Hun leven was helemaal gericht op God.

2. En hoe is dat beeld vandaag veranderd?

Vandaag is het beeld van de priester veel minder duidelijk.
Sommigen zien hem vooral als iemand die:

  • voorgaat in de liturgie,
  • opkomt voor sociale rechtvaardigheid,
  • zich inzet voor armen en verdrukten.

Allemaal waardevolle taken!
Maar… het unieke van het priesterschap — dat een priester Christus vertegenwoordigt — raakt soms wat op de achtergrond.

Ook uiterlijk is er veel veranderd.
De priesterkleding heeft vaak plaatsgemaakt voor gewone kledij.
Daardoor herkennen veel mensen niet meer wie de priester eigenlijk is of wat zijn bijzondere roeping inhoudt.

En jongeren voelen dat:
“Als het priesterschap er hetzelfde uitziet als elk ander beroep, waarom zou je er dan je leven aan geven?”

3. Hoe staan priesters tegenover de Kerk en de paus?

Vroeger was er een vrij grote eenheid:
priester, paus en leer van de Kerk stonden op één lijn.

Vandaag hoor je soms dat priesters of theologen kritisch zijn:

  • de leer zou ouderwets zijn,
  • sacramenten minder belangrijk,
  • traditie achterhaald.

Voor gelovigen, en zeker voor jongeren die zoeken naar duidelijkheid, werkt dat verwarrend.
Wie is nu te vertrouwen?
Waar staat de Kerk voor?

Wanneer priesters onderling verdeeld zijn, is het moeilijk voor jongeren om in dat klimaat een roeping te ontdekken.

4. Het celibaat – een keuze van liefde

Vaak wordt het celibaat voorgesteld als:
“Je mag niets.”
Maar dat is helemaal niet wat het is.

Het celibaat is een positieve keuze:

  • uit liefde voor Jezus,
  • om helemaal beschikbaar te zijn voor de mensen,
  • om met heel je leven te getuigen dat God bestaat en liefheeft.

Het is niet gemakkelijk, maar de Kerk geeft priesters veel steun:

  • dagelijks gebed,
  • geestelijke begeleiding,
  • retraites,
  • onderlinge broederschap,
  • sacramenten.

Het celibaat is geen beperking, maar een teken van een grotere vrijheid:
leven voor God en voor de mensen.

5. Stromingen die het beeld van de priester vertroebelen

Sommige moderne ideeën hebben het klassieke priesterbeeld verzwakt, zoals:

  • de gedachte dat iedereen priester kan zijn zonder wijding;
  • discussies over vrouwelijk priesterschap;
  • bewegingen die de Kerkstructuur willen omdraaien.

Dat werkt verwarring in de hand.
Een roeping vraagt juist: duidelijkheid, identiteit, en een sterk voorbeeld.

Wanneer het unieke van het priesterschap vervaagt,
wordt de aantrekkingskracht voor jongeren kleiner.

6. Wat hebben jongeren vandaag nodig?

Eigenlijk is het heel simpel:

Ze willen echte priesters zien.

Niet priesters die proberen “één van de velen” te zijn,
maar priesters die uitstralen:

  • vreugde om God te dienen,
  • liefde voor de Eucharistie,
  • tijd voor gebed,
  • warmte en nabijheid,
  • trouw aan de Kerk,
  • een leven dat anders is — lichtgevend.

Als jonge mensen zulke priesters ontmoeten,
neemt het aantal roepingen vanzelf toe.

Samengevat:

  • Een priester is niet zomaar een sociaal werker.
  • Hij is iemand die Christus zichtbaar maakt in deze wereld.
  • Jongeren zoeken duidelijkheid, echtheid en vuur.
  • Waar het priesterschap helder en vreugdevol geleefd wordt, ontstaan roepingen.

***

De liturgie

Wanneer we vandaag spreken over roepingen, moeten we het ook hebben over de liturgie — de manier waarop we de H. Mis vieren. Want liturgie is niet zomaar een bijeenkomst: het is de ontmoeting met God. En hoe we vieren, beïnvloedt hoe mensen geloven. Zeker jongeren.

1. Wat is liturgie eigenlijk?

Liturgie betekent:
openbare eredienst aan God,
en in het bijzonder: de H. Mis,
waar Jezus’ Kruisoffer tegenwoordig wordt gesteld
en waar wij Gods genade ontvangen.

Vroeger beleefden mensen dat heel sterk:
veel eerbied, stilte, schoonheid, gregoriaans,
een priester die duidelijk zichtbaar de heilige handelingen verrichtte,
en een taal — het Latijn — die de plechtigheid onderstreepte.

Voor veel ouderen was dat een ervaring van “hemel op aarde.”

2. Wat is er na het Concilie veranderd?

Na het Concilie waren de bedoelingen goed:
de liturgie begrijpelijker maken,
de mensen meer betrekken,
dichter bij het dagelijks leven komen.

Maar in de praktijk ging het soms té ver.

In veel plaatsen verdwenen:

  • het Latijn,
  • het gregoriaans,
  • de plechtigheid,
  • de duidelijke rol van de priester,
  • de sacrale sfeer van het altaar.

Sommigen pasten dingen aan die nooit bedoeld waren:

  • eigen teksten,
  • parafrases van Bijbelverhalen,
  • liturgische experimenten,
  • communicatoreteams aan het altaar zonder toestemming,
  • communie op de hand als “standaard”.

Daardoor werd de H. Mis soms minder herkenbaar als offer,
en meer ervaren als een soort bijeenkomst.

3. Wat is het effect hiervan geweest?

1. Minder eerbied → minder geloofsbeleving

Als de liturgie te mensgericht wordt,
als de priester meer naar het volk spreekt dan naar God,
kan het gevoel van heiligheid verdwijnen.

2. Minder duidelijkheid → minder roepingen

Jonge mensen worden niet aangetrokken
door iets dat lijkt op een gewone vergadering.

Ze worden aangetrokken door:

  • mysterie,
  • schoonheid,
  • stilte,
  • sacrale muziek,
  • rituelen die niet van deze aarde zijn,
  • iets dat God zichtbaar maakt.

3. Minder focus op het offer → verwarring

De H. Mis is niet alleen een maaltijd.
Het is het Offer van Christus,
de Consecratie is het hart van ons geloof.
Als dat zwakker wordt,
verzwakt het hele katholieke leven.

4. Wat missen veel mensen vandaag?

Veel katholieken — jong én oud —
ervaren heimwee naar liturgie die:

  • hemels klinkt,
  • plechtig is,
  • stilte kent,
  • knielt,
  • zingt in gregoriaans,
  • trouw is aan traditie,
  • Jezus centraal stelt.

Daarom groeit wereldwijd de belangstelling
voor de Tridentijnse of traditionele Mis.
Niet uit nostalgie,
maar omdat ze een diepe sacraliteit uitstraalt
die jongeren soms zelden ergens anders vinden.

5. Wat betekent dit voor roepingen?

Heel simpel:

Waar liturgie vol eerbied is, daar groeien roepingen.

Waar God centraal staat,
waar schoonheid en stilte heersen,
waar de sacramenten stralen,
daar voelen jongeren:
“Hier is God écht.”
En dáár begint een roeping.

Als de liturgie haar glans verliest,
dan verliest ook de priester zijn aantrekkingskracht.
Want jongeren willen hun leven geven
voor iets wat groter is dan zijzelf.

6. Wat kunnen we vandaag doen?

  • De schoonheid en sacraliteit van de liturgie versterken.
  • Priesters aanmoedigen om met eerbied te vieren.
  • Jongeren laten proeven van stille aanbidding, gregoriaans, traditie.
  • De H. Mis weer centraal plaatsen als Offer van Christus.

Want in elke tijd — ook vandaag —
roept God jonge mensen.
Maar ze kunnen de roeping alleen horen
in een omgeving waar het heilige wordt gekoesterd.

***

De huwelijksmoraal

We hebben het vaak over roepingen, over geloven, over de Kerk…
Maar één onderwerp dat daar sterk mee verbonden is, is liefde en relaties.
Hoe wij omgaan met relaties, met ons lichaam en met seksualiteit,
heeft grote invloed —
niet alleen op ons persoonlijk leven,
maar ook op gezinnen én op roepingen in de Kerk.

1. Wat leerde de Kerk vroeger over liefde en huwelijk?

Vroeger hoorden jongeren heel duidelijk in catechese, jeugdgroepen en thuis:

  • leef kuis,
  • bewaar jezelf voor het huwelijk,
  • respecteer je lichaam en dat van de ander,
  • het huwelijk is heilig,
  • trouw is een deugd,
  • bid en ga biechten om sterk te blijven.

Dat klinkt misschien ouderwets,
maar het had wél gevolgen:

  • veel sterke huwelijken,
  • stabiele gezinnen,
  • kinderen die in liefde werden opgevoed,
  • minder echtscheidingen,
  • een sfeer waarin roepingen makkelijk konden groeien.

Waarom?
Omdat zuiverheid en trouw je vrij maken om echt lief te hebben —
en die vrijheid is de bodem voor grote keuzes.

2. Wat zien we vandaag?

De slinger is helemaal de andere kant op gegaan.

Vandaag hoor je veel vaker:

  • “Doe wat goed voelt.”
  • “Zolang je niemand kwaad doet, is alles oké.”
  • “Liefde = genieten.”
  • “Iedereen doet het.”
  • “Kuisheid? Dat is toch belachelijk.”

In boeken, media, sociale netwerken, films en zelfs soms in kerkelijke omgevingen
krijgt seksualiteit vooral een genotskleur.

Het gevolg?

  • het zondebesef verdwijnt,
  • bijna niemand biecht nog,
  • grenzen vervagen,
  • jongeren voelen zich verward,
  • relaties worden oppervlakkiger,
  • veel huwelijken starten wankel of mislukken vroeg.

En in gezinnen waar zoveel onrust en breuk is,
wordt het moeilijker dat jongeren de stille roep van God horen.

3. Wat doet dit met roepingen?

Voor een jonge man die over een priesterroeping nadenkt is het vandaag vaak:

“Waarom zou ik celibatair leven in een wereld die seksualiteit ziet als het grootste goed?”

“Hoe kan ik een andere weg kiezen als iedereen die weg belachelijk maakt?”

“Is het wel mogelijk om zuiver te leven?”

Maar dat zijn precies de vragen van een generatie
die verlangt naar meer.
Naar betekenis, echtheid, trouw, innerlijke rust,
naar liefde die verder gaat dan gevoel.

Celibaat is geen “nee” tegen liefde —
het is een radicaal “ja” tegen Gods liefde”,
een teken dat eeuwige liefde écht bestaat.

Maar die keuze kun je alleen maken
als je een cultuur kent die zuiverheid ondersteunt.

4. Wat hebben jongeren vandaag nodig?

Niet moraliserende toespraken.
Niet angst.
Niet schaamte.

Maar:

  • Waarheid (dat liefde meer is dan gevoelens)
  • Vrijheid (dat grenzen je beschermen)
  • Waarde (dat je lichaam heilig is)
  • Vertrouwen (dat je niet alles hoeft te doen wat de wereld roept)
  • Voorbeelden van sterke huwelijken én sterke priesters

De Kerk moet opnieuw duidelijkheid bieden,
niet om te veroordelen,
maar om jongeren te helpen ontdekken dat:

echte liefde geduld vraagt, zuiverheid geeft vrijheid,
en dat je pas echt ja kunt zeggen,
als je eerst hebt geleerd om nee te kunnen zeggen.

5. Wat kunnen wij vandaag doen?

Misschien moeten we opnieuw durven spreken
over de waarden die jongeren juist kracht geven:

  • kuisheid
  • trouw
  • respect
  • voorbereiding op een huwelijk
  • eerbied voor het lichaam
  • sacramenten als krachtbron
  • biecht als bevrijding
  • deugden die liefde laten groeien

Dit is niet achterhaald —
het is urgent.
De cijfers van gebroken relaties, depressies, eenzaamheid en gezinnen in crisis
laten zien dat we een betere weg nodig hebben.

En een cultuur die liefde zuiver ziet,
is ook een cultuur waar roepingen kunnen groeien.

Samengevat

  • Liefde is meer dan gevoelens.
  • Seksualiteit is kostbaar en vraagt respect.
  • De Kerk wil je helpen echte liefde te ontdekken.
  • Zuiverheid is niet saai, maar krachtig.
  • Sterke gezinnen brengen sterke roepingen voort.
  • Een roeping groeit in een hart dat vrij is — niet opgeslokt door verleiding.

Door pastoor Geudens: Originele tekst verwoord in de taal van jongeren van 2025

Brontekst: Catholica, Katholiek magazine voor Nederland en Vlaanderen, Antwerpen, April 2008, nr. 58, blz. 380-385.

Marguerite, glimlach van God

Marguerite, glimlach van God — hoe een klein hart de Liefde van Jezus openbaart

Soms gebeurt het wonderlijkste in stilte. Geen donder, geen bliksem, geen trompetgeschal. Enkel een trilling in de lucht — alsof de Hemel even ademt. Marguerite was zo’n trilling. Onopgemerkt voor velen, maar in de ogen van Jezus een kostbare parel.

Ze werd geboren in een gewoon arbeidersgezin, ergens in Wallonië. Geen kerkklokken die haar wiegje zegenden, geen vrome handen die haar bij het doopvont droegen. Het geloof was afwezig. En toch… in haar leefde een geheim verlangen. Zoals een bloem zich richt naar een zon die ze nog nooit gezien heeft. Als twaalfjarig meisje vroeg ze zélf om gedoopt te worden. Alsof haar ziel wist: ik kom uit het water voort. En dan… stilte. Geen catechese, geen uitleg. Maar een vuur smeulde in haar hart. Onzichtbaar.

De glimlach van het Kind

Op een kerstavond, jaren later, ging ze voor het eerst naar de middernachtmis. Ze zag het Kind in de kribbe. En op dat moment brak de Hemel open. Het Kind Jezus lachte haar toe. Niet zomaar — maar zoals alleen God kan glimlachen: met een liefde die het hele hart overweldigt. Ze begon te huilen, haar hart bonsde. Ze was veroverd. Vanaf dan ging ze trouw naar de Mis. En Jezus begon haar binnen te leiden in het geheim van zijn Hart. Niet met theologische lessen, maar met tedere woorden, innerlijke aanrakingen, en droombeelden die haar diep raakten.

In één van haar dromen zag ze Maria met het Kind. Een menigte reikte naar Hem, maar Hij wendde zich telkens af… tot Hij bij haar kwam. En toen — het Kind glimlachte, strekte zijn armen naar haar uit, en overlaadde haar met tedere liefkozingen. Marguerite begreep het niet, maar voelde: dit gaat niet over haar verdiensten. Dit gaat over uitverkoren liefde. Ze vroeg zich af: “Waarom ik?” En de Hemel antwoordde niet in woorden, maar in trouw.

Klein, maar dragend

Marguerite werd geen predikante, geen profetes met luide stem. Ze bleef klein. Maar in haar kleinheid ontving ze een grote taak: Jezus sprak tot haar — niet om haar op te blazen, maar om haar dienstbaar te maken.

Hij vroeg haar: “Breng kleine zielen samen. Laat hen tot Mij komen. Vertrouwend, nederig, met open handen.”

En zo ontstond het Legioen van de Kleine Zielen, een geestelijke beweging van mensen die in hun eenvoud en broosheid toch tot het diepste van Gods Hart doordringen. Geen groots vertoon, geen uiterlijk vertoon — maar stil vertrouwen, intense liefde.

Marguerite begon alles op te schrijven: haar gesprekken met Jezus, zijn tedere vermaningen, zijn oproepen tot gebed, overgave en liefde. Die teksten zijn niet ingewikkeld. Ze zijn als dauwdruppels op een blad: helder, klein, kostbaar.

Liefde die zich laat aanraken

De kern van haar boodschap is eenvoudig, maar diep:

De Liefde wil bemind worden.”
“Jezus is niet ver, Hij is een Vriend die wacht.”
“Kleine zielen kunnen machtig zijn in de strijd tegen het kwaad — als zij liefhebben en bidden.

In een wereld die steeds ingewikkelder wordt, komt Marguerite als een zachte stem die zegt:

“Keer terug naar het Hart.”
“Durf weer klein te zijn.”
“Bid. Bemint. Vertrouw.”

Marguerite als een icoon; haar leven is geen droge opsomming van gebeurtenissen, maar een spiegel van wat er kán gebeuren als een hart zich opent voor God.

Glimlach van God

Op 14 maart 2005, in een ziekenhuisbed, vol pijn, fluisterde ze nog: “Moeder Maria!” En toen gaf ze haar ziel terug aan Jezus, haar Bruidegom. Hij had haar ooit gezegd: “Voortaan zult gij ‘glimlach van God’ heten. In de Hemel is dit uw naam.”

Marguerite is niet zomaar een mystica. Ze is een brug tussen de gewone mens en het Hart van God. Een gids voor allen die in warmte, gevoelens en stil ontzag willen leven. Haar leven is een uitnodiging. Geen verplichting, geen leerplicht. Gewoon een fluistering: “Wil jij ook een kleine ziel zijn?”

Pastoor Geudens (webmaster)

Gebedsgroepen LKZ, t/m 16 september 2025

* Maandag 1 t/m maandag 8 september: vliegbedevaart naar Medjugorje met op de 1e dag een heilige Mis in de oude Mariabedevaartplaats Kevelaer, Duitsland.

* Vrijdag 5 september,  Gebedsavond LKZ Parkstad (Pastoor F. Sweer). 

Programma in de kerk:  19.00 uur Heilige Mis. Daarna Aanbidding van het H. Sacrament met rozenkransgebed en biechtgelegenheid.  

Locatie: RK kerk van Terwinselen, Kerkrade. 

Info: legioenkleinezielen@live.com

* Woensdag 10 september gebedsdag LKZ Amsterdam (geestelijke leiding: Pastoor Pater Knudsen of Pater Hagenbeek). 

Programma: 11.00 uur H. Mis met aansluitend Lof en conferentie in de pastorie tot ongeveer 14.00 uur. 

Locatie: Sint-Agneskerk aan de Amstelveenseweg 161-163 te Amsterdam. 

Info: mevr. Anki Garthoff, e-mail: anki.garthoff@kpnmail.nl

* Zaterdag 13 september, gebedsdag LKZ Nijmegen (Geestelijke leiding:  Pastoor H. Vernooij). 

Programma: 10.30 uur Rozenhoedje, 11.00 uur H. Mis 12.00 uur Lunchpauze 13.00 uur conferentie en Lof  tot ongeveer 15.00 uur. 

Locatie: Pelgrimshuis Casa Nova, Pastoor Rabouplein 5, Heilig Landstichting.        

Info: Joep Habets, e-mail: habetsjoep@gmail.com of tel. 06-22951332.

* Zondag 14 september,  gebedsmiddag LKZ  Smakt/Venlo: 

Locatie: de Kerk van St. Jozef (geestelijke leiding: Pastoor Geudens). 

Programma: 15.00 uur Heilige Mis, preek, aansluitend Aanbidding met  rozenkransgebed,  biechtgelegenheid. 16.15 uur: Zegen met het Allerheiligst Sacrament en Tantum Ergo. Aansluitend gezellig samenzijn in de rectoraatwoning naast de kapel. Locatie: Sint Jozeflaan 58, Smakt. 

ContactpersoonMevr. Beurskens, tel. 077-4722959, e-mail: hbcb@hetnet.nl

* Dinsdag 16 September, Lustrumviering (5 jarig bestaan): Gebedsavond LKZ Heer, Maastricht.

Locatie: RK kerk St. Petrus Banden te Heer, Maastricht. 

Programma: 18.30 uur rozenkrans/Marialitanie 19.00 uur H. Mis 19.30 uur Aanbidding van het H. Sacrament met o.a. Barmhartigheids-rozenkrans, zang, korte lezing uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde en biechtgelegenheid. Aansluitend gezellig samenzijn in de sacristie. Geestelijke leiding: Mgr. E. De Jong. 

Contact: Mevr. Ria Schrijnemaekers. Tel: 043/3618906 of m.schrijnemaekers@ziggo.nl