
De verrijzenis van Jezus als historisch feit
Het paasmysterie omvat twee wezenlijke momenten: Jezus is gestorven en verrezen. De kruisdood van Jezus Christus behoort tot de best historisch onderbouwde gebeurtenissen uit de geschiedenis. Zij wordt niet alleen unaniem bevestigd door de evangelies, maar ook door vooraanstaande geschiedschrijvers uit die tijd.
Om te aanvaarden dat Jezus aan het kruis gestorven is, is geen geloof vereist. Wel is geloof nodig om de diepere betekenis van dit gebeuren te erkennen. Het eerste mensenpaar heeft in hoogmoed Gods aanbod van liefde en geluk afgewezen en wilde zelf als god zijn. De verantwoordelijkheid voor deze schuld heeft Jezus op zich genomen en uitgeboet door zijn menswording, zijn lijden en zijn kruisdood. Zo heeft Hij ons van onze zonden verlost.
Hetzelfde geldt voor de verrijzenis van Christus. Ook dit is een historisch feit, waarvoor op zichzelf geen geloof nodig is — zoals wij verderop zullen toelichten. Om de betekenis ervan te aanvaarden, is echter wel geloof nodig. De verrijzenis van Jezus is de voltooiing van zijn menswording, de vervulling van de beloften en het bewijs van zijn goddelijke oorsprong. Door zijn verrijzenis zijn wij gerechtvaardigd en opnieuw in Gods genade hersteld. Wij zijn weer kinderen van God, geroepen om als zodanigen te leven: gestorven aan de zonde van Adam en levend met Christus. Hierin ligt de bron van onze toekomstige verrijzenis en ons leven met Hem.
Wij willen nu aantonen dat de enige redelijke conclusie uit de feiten is dat Jezus’ verrijzenis als historisch gebeuren moet worden aanvaard. Geen enkel bezwaar houdt uiteindelijk stand.
Het is waar dat niemand ooggetuige is geweest van het moment van Jezus’ verrijzenis. Geen mens heeft gezien hoe Hij uit de dood opstond. Sommigen hebben daarom gesuggereerd dat zijn lichaam uit het graf zou zijn gestolen — door de apostelen, door vrienden of zelfs door vijanden — om de verkondiging van de verrijzenis belachelijk te maken. Anderen menen dat de verschijningen van de verrezen Heer collectieve hallucinaties waren: mensen verlangden zo sterk naar Jezus dat zij meenden Hem te zien. Weer anderen veronderstellen dat de apostelen, diep teleurgesteld na zijn dood, een verzonnen verhaal verspreidden dat Hij verrezen was.
Dat niemand het moment van de verrijzenis zelf heeft gezien, vormt echter geen bewijs dat zij niet heeft plaatsgevonden. Ook het ontstaan van de schepping is door niemand waargenomen. Verrijzenis en schepping overstijgen ons begrip. Het zou dan ook onredelijk zijn te zeggen: “Ik kan niet genieten van de zon en het leven, zolang ik niet kan bewijzen hoe de schepping is ontstaan.”
De hypothese dat het graf leeg was omdat Jezus’ lichaam gestolen werd, houdt geen stand in het licht van wat daarna is gebeurd. Zouden de apostelen en leerlingen bereid zijn geweest hun leven te geven — tot in de marteldood — voor een leugen die zij zelf hadden verzonnen? En als de joodse autoriteiten het lichaam hadden weggenomen om de spot te drijven met de verrijzenis, dan zou de prediking van de apostelen onmiddellijk zijn ontkracht.
Een bijzonder krachtig getuigenis vinden wij bij de apostel Paulus:
“Voor alles heb ik u doorgegeven wat ik zelf als overlevering heb ontvangen: dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften; dat Hij begraven is en op de derde dag is opgewekt, volgens de Schriften; en dat Hij is verschenen aan Kefas en daarna aan de twaalf. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nog in leven zijn, hoewel sommigen zijn gestorven. Daarna is Hij verschenen aan Jakobus en vervolgens aan alle apostelen. Ten slotte is Hij ook aan mij verschenen” (1 Korintiërs 15,3–8).
Enkele jaren na Jezus’ dood verscheen Christus aan Paulus (ca. 34–36), die van een vervolger van christenen veranderde in een vurig verkondiger van zijn dood en verrijzenis. Van Petrus en de andere apostelen ontving hij dit kostbare getuigenis, dat overeenstemt met de evangelieverhalen. Als voormalig strenge farizeeër laat Paulus in deze opsomming de verschijningen aan de vrouwen weg, aangezien het getuigenis van vrouwen in de toenmalige joodse cultuur weinig gezag had. Indien zijn bewering — dat de verrezen Heer verschenen was aan velen die nog in leven waren — onjuist was geweest, zou zijn prediking nooit zo’n uitwerking hebben gehad. De geloofwaardigheid van zijn boodschap zou direct zijn ondermijnd.
Een opmerkelijk detail is dat de Griekse filosoof Celsus, die rond 170–180 na Christus het christendom fel bestreed in zijn werk Het ware woord, de verrijzenis en de wonderen van Jezus niet ontkende. Hij bespotte ze wel en schreef ze toe aan magische praktijken die Jezus in Egypte zou hebben geleerd. Dat hij deze gebeurtenissen niet eenvoudigweg ontkende, kan erop wijzen dat er nog te veel levende getuigen of familieleden waren van mensen die de verrezen Heer hadden gezien.
Een eerste krachtig bewijs voor de echtheid van de verrijzenis is de radicale ommekeer van de apostelen. Tijdens Jezus’ leven konden zij zijn lijden en verrijzenis niet begrijpen of aanvaarden, ondanks zijn herhaalde aankondigingen. Zij verwachtten een politieke messias, een machtige leider die Israël wereldlijke glorie zou brengen. Zelfs na de verrijzenis konden zij aanvankelijk het getuigenis van de vrouwen niet geloven.
Hoe zouden deze zelfde apostelen een verzonnen verhaal kunnen verspreiden over iets waarin zij zelf niet geloofden? Hoe zouden zij, aanvankelijk angstig en onzeker, plotseling de moed hebben gevonden om grote gevaren te trotseren en uiteindelijk hun leven te geven in de marteldood? De meest aannemelijke verklaring is dat de gebeurtenissen werkelijk hebben plaatsgevonden zoals de Schrift ze beschrijft.
Een tweede krachtig argument is de snelle en wereldwijde verspreiding van het geloof in Jezus’ verrijzenis. Slechts enkele decennia na zijn dood werd dit geloof reeds over de toenmalige wereld verkondigd. Overal klonk dezelfde boodschap: Jezus is waarlijk verrezen. Kan dit het resultaat zijn geweest van een verzinsel van enkele ongeletterde vissers uit Galilea?
De meest redelijke verklaring is dat alles verlopen is zoals Jezus zelf heeft voorzegd: Hij is gestorven aan het kruis en op de derde dag verrezen. Hij heeft zijn leerlingen de Heilige Geest geschonken, die hun het inzicht en de kracht gaf om Hem te volgen en zijn boodschap te verkondigen.
Door ons geloof en het doopsel zijn ook wij reeds met Christus gestorven en verrezen. Wij zijn geroepen om na dit aardse leven te delen in zijn verheerlijkt bestaan. Daarbij mogen wij niet vergeten: er is geen verrijzenis zonder lijden en sterven. Maar omgekeerd is er ook geen lijden en sterven waarin niet reeds de kiem van de verrijzenis aanwezig is.
De uiteindelijke verrijzenis van het lichaam zal plaatsvinden op de laatste dag. De verrijzenis van het hart kan echter nu reeds, elke dag, werkelijkheid worden.
Pater Daniel
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.