Het Woord van God van vandaag is geen verwijt en geen aanklacht. Het is een woord van tedere bemoediging. Het is gericht tot wie zich klein voelt, onopvallend, misschien zelfs overbodig in deze wereld. Tot mensen die trouw willen blijven aan God, terwijl het geloof rondom hen steeds stiller wordt. God spreekt vandaag tot wie niet opgeeft, maar volhardt in eenvoud, vaak zonder gezien te worden.
Preek
De profeet Sefanja leefde in een tijd waarin veel mensen God loslieten. Macht, rijkdom en eigenbelang namen de plaats van God in. Vreemde goden en gewoonten deden hun intrede en het leven werd ingericht zonder rekening te houden met Hem.
Maar er bleef een kleine groep over die God trouw bleef. Geen sterke of opvallende mensen, maar eenvoudige gelovigen. Zij hadden het moeilijk. Ze vielen niet op door succes, maar door hun vasthouden aan God. Ze vroegen zich af: heeft onze trouw nog zin? Heeft Gods volk nog toekomst?
Die vraag herkennen, wij, kleine zielen maar al te goed. Ook nu lijkt het alsof velen God loslaten. Ook nu voelt trouw soms eenzaam. Maar juist tot die kleine groep spreekt Sefanja een woord van hoop. Hij zegt: voor God gaat het niet om aantallen. Niet om zichtbaarheid, niet om invloed. Voor God telt de nederige trouw. De ootmoedigen van het land, zegt hij, zijn Gods erfdeel. Al is het maar een kleine rest, het is een heilige Rest.
En aan die heilige Rest belooft God bescherming en rust. Niet omdat zij sterk zijn, maar omdat zij Hem toebehoren. Daarom klinkt Sefanja’s oproep ook tot de kleine zielen: laat je niet ontmoedigen. Blijf eenvoudig trouw. God ziet wat verborgen is.
Jezus bevestigt dit alles in het evangelie. Hij klimt de berg op, gaat zitten en spreekt niet streng, maar zacht. Hij legt geen last op, Hij stelt geen eisen.
Hij zegt: zalig bent u.
Zalig de armen van geest: dat zijn de kleine zielen die weten dat zij niets bezitten dan God zelf. Zalig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid: zij die verlangen naar Gods wil, ook als dat innerlijke strijd kost. Zalig de zuiveren van hart: zij die in eenvoud en oprechtheid voor God willen leven.
De zaligsprekingen zijn geen programma voor de sterken. Ze zijn een belofte voor wie klein wil zijn. Voor wie zich niet groot maakt, maar zich laat dragen. Voor wie niet leeft voor zichzelf, maar God ruimte geeft in het verborgen van het hart.
Paulus zegt het op zijn manier: ware wijsheid is niet geleerdheid of succes, maar nederigheid. De bereidheid om God Koning te laten zijn in je leven. Dat is de wijsheid van de kleine zielen, ook al begrijpt de wereld haar niet.
Beste kleine zielen, het Woord van vandaag wil u geruststellen. Jullie zijn niet vergeten. Jullie zijn niet te klein. Jullie zijn Gods heilige Rest. En Jezus spreekt u persoonlijk toe met de woorden:
“Wees niet bang, kleine kudde. Het heeft uw Vader behaagd u het koninkrijk te schenken.”
Maar deze bemoediging is geen uitnodiging om ons terug te trekken. God wil niet aan zijn lot worden overgelaten. Hij vertrouwt ons de taak toe zijn Aanwezigheid in de wereld door te dragen — niet door grote daden, maar door stille trouw, door gebed, offer, volharding en liefde in het verborgene.
Daarom zegt Jezus ook: jullie zijn het zout der aarde, het licht van de wereld, de gist in het deeg. – Kleine zielen werken niet luidruchtig, maar trouw. Zij dragen Gods toekomst door hun verborgen ja-woord, dag na dag.
Blijf daarom klein. Blijf trouw. Blijf beschikbaar. God gaat met u mee.
Beschermer van het verborgen leven – machtige voorspraak voor de kleine zielen
Woorden van de Heilige Maagd Maria tot de H. Maria van Ágreda:
“Mijn dochter, je hebt terecht geschreven dat mijn Bruidegom Jozef onder de heiligen en vorsten van het hemelse Jeruzalem een buitengewoon hoge rang bekleedt. Weet echter dat zijn verheven heiligheid noch door jou beschreven kan worden, noch door enige sterveling volledig begrepen. Pas wanneer men tot de aanschouwing van Gods aanschijn is gekomen, zal men – tot grote verwondering en onder lofprijzing van de Heer – het geheim van Jozefs grootheid aanschouwen en verstaan.
Bij het oordeel zullen velen betreuren dat zij, verblind door hun zonden, zo’n machtig en werkzaam middel tot zaligheid als de voorspraak van Jozef niet hebben gekend en niet hebben benut. Weinigen kennen de kracht van zijn voorspraak bij de goddelijke Majesteit en bij Mij.
Ik verzeker je, mijn geliefde dochter, dat hij in de hemel één van de meest intieme vertrouwelingen van de Heer is. Alles waarom mijn Bruidegom bidt, ontvangen zijn vereerders uit de hand van de Allerhoogste. Groei in godsvrucht tot hem, wend je in al je noden tot hem en verbreid ijverig de devotie tot hem.”
Inleiding – De heilige van de stilte
In de geschiedenis van de Kerk is de heilige Jozef lange tijd omgeven geweest door stilte. Niet omdat zijn betekenis gering zou zijn, maar juist omdat zij te groot is om oppervlakkig te begrijpen. In de Heilige Schrift spreekt hij geen enkel woord; in het mysterie van Gods heilsplan spreekt zijn leven des te luider.
Voor kleine zielen is deze stilte geen leegte, maar een ruimte waarin God werkt. Jozef is de heilige van het verborgen leven, van gehoorzaamheid zonder applaus, van trouw zonder erkenning. In de mystieke theologie – bijzonder helder verwoord in De Mystieke Stad Gods – wordt deze verborgen grootheid voorzichtig ontsluierd.
1. Een uitzonderlijke heiligheid, verborgen tot in de hemel
Maria noemt Haar Bruidegom iemand die “onder de heiligen en vorsten van het hemelse Jeruzalem een buitengewoon hoge rang bekleedt.” Toch blijft zijn heiligheid op aarde grotendeels onbegrepen. Pas in het licht van Gods aanschijn in de Hemel zal het volle geheim van Jozefs grootheid zichtbaar worden.
Hier leren wij een diepe waarheid: ware heiligheid wordt niet afgemeten aan zichtbaarheid, maar aan nabijheid tot God. Jozef behoort tot die heiligen wier betekenis pas ten volle wordt geopenbaard in de Eeuwigheid.
Voor kleine zielen: Wie Jozef eert, leert vertrouwen op Gods verborgen werk, ook wanneer het eigen leven klein, onopvallend of onbegrepen lijkt.
2. De voorspraak van Jozef: een werkelijk genademiddel
Maria spreekt met grote ernst over het oordeel: velen zullen betreuren dat zij de voorspraak van de H. Jozef niet hebben gekend en niet hebben benut. Dat is een aangrijpende uitspraak. De voorspraak van St. Jozef is geen vrome bijzaak, maar een werkelijk heilsinstrument.
Door zijn voorspraak:
vinden zondaars de weg terug naar de vriendschap met God,
wordt bekering mogelijk waar de mens zichzelf verloren acht,
opent zich opnieuw de ruimte van Gods barmhartigheid.
Voor kleine zielen: Tot Jozef bidden is geen extra devotie, maar een antwoord op Gods eigen aanbod van hulp en bescherming.
3. Vertrouweling van Gods gerechtigheid en barmhartigheid
Maria noemt Jozef “één van de meest intieme vertrouwelingen van de Heer.” Hij staat in de nabijheid van Gods gerechtigheid, niet om te veroordelen, maar om te beschermen en af te wenden wat de mens zou verpletteren.
Zoals hij op aarde waakte over Jezus en Maria, zo waakt hij over:
zondaars die hun weg zoeken,
gezinnen in nood,
roepingen,
en de Kerk zelf.
Voor kleine zielen: Onder Jozefs bescherming mag men zich veilig weten, zelfs in tijden van innerlijke strijd en beproeving.
4. Godsvrucht tot St. Jozef: een levensweg
De oproep van Onze Lieve Vrouw Maria is duidelijk en liefdevol:
groei in godsvrucht tot de H. Jozef,
wend je in al je noden tot hem,
verbreid zijn devotie,
breng anderen tot zijn verering.
De belofte is groot en tegelijk eenvoudig: “Alles waarom mijn Bruidegom bidt, ontvangen zijn vereerders.” Wie zich aan St. Jozef toevertrouwt, leert leven in afstemming op Gods wil.
Voor kleine zielen: De Jozef-devotie vormt het hart, ordent het leven en maakt de ziel ontvankelijk voor genade.
5. Een weg van onderscheiding en vruchtbaarheid
De geschriften van Maria van Ágreda behoren tot de private Openbaring. Zij verplichten niet, maar nodigen uit. Hun waarde blijkt uit hun vrucht: grotere liefde tot Christus, diepere eerbied voor Maria, en hernieuwde toewijding aan Jozef.
Waar deze devotie met nederigheid wordt beleefd, groeit stilte, vertrouwen en overgave.
Slotbeschouwing – De heilige voor onze tijd
De heilige Jozef verschijnt hier als:
sleutelfiguur in Gods heilsplan,
machtige voorspraak voor zondaars,
beschermer van de Kerk,
leermeester van stilte en gehoorzaamheid.
In een tijd van veel woorden en weinig aanwezigheid (in de kerken) wijst Jozef ons deze weg: die van trouw, verborgenheid en vertrouwen.
Slotgebed tot de heilige Jozef
Heilige Jozef, bewaker en bewaarder van het H. Gezin, vertrouweling van de Allerhoogste, wij vertrouwen ons toe aan uw machtige voorspraak.
Bescherm ons in onze zwakheid, leid ons terug naar de vriendschap met God, en leer ons leven uit stilte en gehoorzaamheid.
Bid voor ons bij Jezus en Maria, opdat wij, kleine zielen, mogen groeien in geloof, hoop en liefde. Amen.
De mariologische bezinning staat in de hedendaagse theologie onder spanning. Enerzijds bestaat de noodzaak om recht te doen aan de rijke traditie waarin Maria een unieke en onherleidbare plaats inneemt binnen het heilsgebeuren; anderzijds leeft de vrees dat een te sterke mariale accentuering het unieke middelaarschap van Christus zou verduisteren of de theologie zou doen afglijden naar devotionele overdrijving. Deze studie beoogt een evenwichtige, conciliair gefundeerde en patristisch verantwoorde uitwerking van Maria’s medewerking aan het heilswerk, met bijzondere aandacht voor de drie onderscheiden fasen van die medewerking.
Uitgangspunt vormt de leer van het Tweede Vaticaans Concilie, zoals neergelegd in Lumen Gentium §§56–62, gelezen in continuïteit met de patristische traditie (Irenaeus van Lyon, Ephrem de Syriër) en de middeleeuwse theologische synthese (Bernardus van Clairvaux, Bonaventura). Tegelijk wordt expliciet ingegaan op hedendaagse theologische bezwaren, zowel vanuit oecumenisch perspectief als vanuit interne katholieke terughoudendheid.
In Lumen Gentium 56 wordt Maria geplaatst binnen de typologie van Eva en Maria. Het Concilie stelt dat Maria door haar gehoorzaamheid oorzaak van heil is geworden voor zichzelf en voor het gehele menselijk geslacht. Deze formulering is theologisch zorgvuldig: zij spreekt niet over parallelle verlossing, maar over een reële, door God gewilde medewerking binnen het ene heilsplan.
Deze gedachtegang sluit rechtstreeks aan bij de leer van Irenaeus van Lyon, die Maria typeert als de nieuwe Eva. Waar Eva door haar ongehoorzaamheid het heil blokkeerde, opent Maria door haar vrije instemming de weg voor de Menswording. De causaliteit die hier wordt verondersteld, is niet fysiek of juridisch, maar heilshistorisch en relationeel: God wil het heil schenken in samenwerking met menselijke vrijheid.
Ephrem de Syriër verdiept deze visie door Maria te bezingen als de plaats waar hemel en aarde elkaar raken. In zijn hymnen verschijnt zij als de schoot waarin het Woord vrijwillig woning kiest, niet bij toeval, maar in antwoord op haar zuivere gehoorzaamheid.
Een vaak gehoord bezwaar luidt dat Maria’s Fiat haar zou verheffen tot een quasi-onmisbare schakel naast Christus. Dit bezwaar miskent echter het conciliaire onderscheid tussen bron en instrument. Maria is geen oorzaak naast Christus, maar de door God verkozen menselijke plaats waarin Zijn initiatief vruchtbaar wordt. Haar gehoorzaamheid bevestigt juist dat de Verlossing volledig genade blijft, omdat zij niets afdwingt, maar alles ontvangt.
Lumen Gentium 58 vormt het zwaartepunt van de mariologische leer. Het Concilie spreekt hier over Maria’s diepe vereniging met haar Zoon tot aan het kruis, waar zij zich met moederlijk hart bij Zijn offer aansloot. De tekst vermijdt bewust juridisch of kwantitatief taalgebruik, maar benadrukt de innerlijke dimensie van haar deelname.
Ephrem de Syriër beschrijft Maria als degene in wie het zwaard van Simeon daadwerkelijk binnendringt: het lijden van Christus wordt in haar een innerlijk doorleefd lijden. Bernardus van Clairvaux spreekt in dit verband over de compassio van Maria, een medelijden dat zo diep reikt dat het als een geestelijk martelaarschap kan worden aangeduid.
Bonaventura vat deze traditie samen door te stellen dat zich op Calvarië één offer voltrekt in twee harten. Christus offert zichzelf in gehoorzaamheid aan de Vader; Maria offert haar moederschap terug aan God. Deze offerbeweging is niet symmetrisch, maar wel intrinsiek verbonden.
Het meest voorkomende hedendaagse bezwaar stelt dat elke vorm van deelname aan het offer van Christus afbreuk zou doen aan de uniciteit van zijn verlossend handelen. Het Concilie ondervangt dit bezwaar expliciet door te stellen dat Maria’s rol niets toevoegt aan de objectieve waarde van het offer, maar er geheel van afhankelijk is. Haar deelname is geen aanvulling in verdienste, maar een vereniging in liefde en gehoorzaamheid.
Hier wordt zichtbaar dat het alternatief niet luidt: óf Christus alleen, óf Christus en Maria, maar: Christus alleen als Verlosser, die vrij kiest om zijn verlossend werk niet zonder menselijke instemming en medelijden te voltrekken.
In Lumen Gentium 60–62 wordt Maria’s blijvende moederlijke taak in de orde van de genade uiteengezet. Het Concilie benadrukt dat deze taak de unieke middelaarsrol van Christus niet verduistert, maar juist openbaart. Maria’s bemiddeling is geheel afgeleid en functioneert binnen het ene middelaarschap van Christus.
Reeds bij de Vaders verschijnt Maria als moeder van de levenden, niet enkel in biologische, maar in geestelijke zin. In de Kerk herkent zij het voortgezette lichaam van haar Zoon. Haar moederschap krijgt daardoor een universele en eschatologische dimensie.
Moderne theologie vreest soms dat spreken over blijvende mariale werkzaamheid leidt tot parallelle genadebronnen. Dit bezwaar berust op een te smalle opvatting van bemiddeling. Maria deelt geen genade uit als autonome instantie, maar leeft geheel in dienst van de doorwerking van Christus’ genade in de tijd.
Het hedendaagse debat over Maria’s medewerking aan het heilswerk wordt gekenmerkt door een opvallende spanning tussen dogmatische continuïteit en pastorale terughoudendheid. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie is de mariologie bewust ingebed in de christologie en de ecclesiologie, met als doel elke schijn van autonomie of parallel middelaarschap te vermijden. Deze keuze heeft geleid tot een soberder terminologie, maar niet tot een inhoudelijke reductie van Maria’s rol.
Binnen de katholieke theologie leeft sinds Vaticanum II een zekere reserve ten aanzien van sterk soteriologisch geladen mariale formuleringen. Deze terughoudendheid is niet primair dogmatisch, maar hermeneutisch en pastoraal van aard. Men vreest dat een onzorgvuldige taalkeuze de unieke en universele middelaarsrol van Christus zou kunnen verduisteren of verkeerd begrepen worden door gelovigen en theologen.
Het Concilie zelf biedt echter het criterium voor deze terughoudendheid: niet inhoudelijke ontkenning, maar terminologische precisie. Lumen Gentium 60–62 benadrukt uitdrukkelijk dat Maria’s moederlijke taak niets toevoegt aan de objectieve verlossingsdaad van Christus, maar deze juist laat doorschijnen. Het probleem ligt derhalve niet in de leer, maar in de wijze van articulatie.
Een tweede belangrijke factor in het debat is het oecumenische perspectief. In de dialoog met de Reformatie wordt mariologie vaak ervaren als het meest kwetsbare punt van katholieke theologie. De vrees voor een aantasting van solus Christus heeft ertoe geleid dat mariale medewerking soms vrijwel uitsluitend exemplarisch wordt geduid.
Een dergelijke reductie miskent echter zowel de Schrift als de Vroege Traditie. Juist de patristische bronnen die door oecumenische dialogen worden gedeeld — met name Irenaeus en Ephrem — spreken expliciet over Maria’s reële, zij het afgeleide, plaats in het heilsgebeuren. Een correct verstaan van haar medewerking vormt daarom geen obstakel, maar kan juist een brugfunctie vervullen.
In recente decennia is een voorzichtige herwaardering zichtbaar, waarin mariologie opnieuw wordt gelezen vanuit relationele en trinitarische kaders. Maria verschijnt daarin niet als concurrerende figuur naast Christus, maar als de meest transparante gestalte van wat genade vermag in een mens. Haar medewerking wordt verstaan als paradigmatisch voor de Kerk zelf: ontvangend, meewerkend en vruchtbaar.
De huidige status van de vraag kan aldus worden samengevat: het debat draait niet om de realiteit van Maria’s medewerking, maar om haar verwoording. Vaticanum II heeft geen breuk aangebracht met de traditie, maar een norm gesteld voor theologische soberheid en precisie. Wanneer deze conciliaire regel wordt gerespecteerd, kan Maria’s unieke rol zonder dogmatische overschrijding én zonder reductie worden beleden.
Tijdens de voorbereidingen van het Tweede Vaticaans Concilie lag een expliciete dogmatische definitie van Maria’s rol in het verlossingswerk daadwerkelijk op tafel. Binnen de conciliaire commissies bestond brede erkenning van de traditionele leer over haar unieke en reële medewerking. Toch werd er uiteindelijk bewust voor gekozen om geen nieuwe titel dogmatisch vast te leggen.
Deze keuze moet niet worden geïnterpreteerd als een inhoudelijke terughoudendheid, maar als een ecclesiologisch en pastoraal gemotiveerde beslissing. Het Concilie bevond zich in een context waarin zowel interne katholieke verduidelijking als externe oecumenische openheid noodzakelijk werden geacht.
Vaticanum II koos ervoor Maria niet los te behandelen, maar haar strikt te situeren binnen het mysterie van Christus en de Kerk. Een nieuwe titel zou onvermijdelijk een eigen dogmatische focus hebben gekregen, terwijl het Concilie juist de onderlinge ordening van waarheden (hierarchia veritatum) wilde respecteren.
Door de inhoud te bewaren en de terminologie sober te houden, verzekerde het Concilie dat Maria’s medewerking: – volledig afhankelijk bleef van Christus, – niet als parallelle oorzaak van verlossing kon worden geïnterpreteerd, – en enkel verstaan kon worden binnen het ene heilsgebeuren.
De keuze om geen nieuwe titel te definiëren betekent daarom geen breuk met de voorafgaande traditie, maar een bewuste vorm van dogmatische zelfbeperking. Lumen Gentium 56–62 bevat materieel alles wat de traditie over Maria’s unieke rol leert, maar formuleert dit relationeel en christologisch, niet titelmatig.
Deze conciliaire strategie bevestigt dat dogmatische waarheid niet uitsluitend via terminologische definitie wordt bewaard, maar ook — en soms juister — via contextuele en integratieve formulering.
De mariologische leer van Lumen Gentium bereikt haar volle betekenis wanneer zij ecclesiologisch wordt gelezen. Maria is niet enkel individu, maar type en beginvorm van de Kerk. Wat in haar persoonlijk is gerealiseerd, wordt in de Kerk collectief voortgezet.
Zoals Maria vóór de Menswording in geloof en gehoorzaamheid ontving, zo ontvangt de Kerk het Woord in verkondiging en sacrament. Zoals Maria onder het Kruis in liefde verenigd was met het offer van haar Zoon, zo staat de Kerk in iedere Eucharistie in dezelfde houding van ontvangende zelfgave. Zoals Maria na Pinksteren moederlijk zorg droeg voor de groei van het Lichaam van Christus, zo is de Kerk geroepen tot geestelijke vruchtbaarheid in de wereld.
Maria’s medewerking is daarom geen uitzondering naast de Kerk, maar haar zuiverste voorafbeelding. In haar ziet de Kerk wat zij zelf is en moet worden: bruid die ontvangt, moeder die voortbrengt, en dienares die geheel leeft uit genade.
Juist daarom is Maria’s unieke plaats geen bedreiging voor de Kerk, maar haar maatstaf. Zij bewaart de Kerk voor activisme zonder ontvankelijkheid en voor institutionalisme zonder liefde. Haar weg toont dat het heil altijd voorafgaat aan menselijke inzet en dat ware vruchtbaarheid alleen mogelijk is in gehoorzame verbondenheid met Christus.
In dit licht kan Maria’s medewerking zonder reserve worden beleden: niet als concurrentie met Christus, maar als de meest volmaakte realisatie van wat de Kerk zelf in Hem is geroepen te zijn.
De conciliaire en patristische traditie maakt duidelijk dat Maria’s medewerking aan het heilswerk geen latere toevoeging is, maar behoort tot de innerlijke logica van Gods menswording. Zij werkt mee vóór de Menswording door gehoorzaamheid, tijdens het verlossingsdrama door vereniging met het offer, en na Pasen door moederlijke zorg voor de Kerk.
Hedendaagse bezwaren worden overtuigend weerlegd wanneer men vasthoudt aan de fundamentele conciliaire regel: Maria staat nooit naast Christus als gelijke, maar altijd onder Hem en met Hem, in volledige afhankelijkheid. Juist daardoor wordt zij de meest doorzichtige gestalte van wat genade met een mens kan doen.
Vgl. De katholieke Kerk, Godsdienstleer en Apologie. Onder redactie van Prof D. Bont en Dr. C.F. Pauwels O.P., N.V. Zonnewende Kortrijk / Het Spectrum Utrecht, Eerste deel, Boek 1-13, blz. 575-579.
Dit artikel (1) behoort tot het theologisch-pastorale oeuvre van pastoor Armand Ory (1927–2002), priester van het bisdom Luik, en moet worden gelezen tegen de achtergrond van de kerkelijke en culturele ontwikkelingen in West-Europa in de tweede helft van de twintigste eeuw. Het werd geschreven in de jaren 1970–1980, in een context van afnemende priesterroepingen, groeiende theologische polarisatie en een toenemende sociologische benadering van Kerk en ambt. Ory beoogt hier geen academische synthese, maar een principiële en kerkelijk verantwoorde verdediging van het sacramentele priesterschap, gelezen in het licht van Schrift, Traditie en de Boodschap van Jezus’ Barmhartige Liefde. De tekst (2) wordt hier gepubliceerd zonder inhoudelijke herwerking, met behoud van zijn polemische scherpte en pastorale ernst.
De Kerk van onze tijd bevindt zich in een diepe crisis, die vaak sociologisch of organisatorisch wordt benoemd, maar in wezen geestelijk en theologisch is.[1] Het dreigend tekort aan priesters in het vrije Westen is geen toevallig verschijnsel, maar een symptoom van een dieperliggende ontworteling: het verlies van het bovennatuurlijke perspectief op Kerk, ambt en sacrament.[2]
In deze context klinkt de Boodschap van Jezus’ Barmhartige Liefde (2 mei 1971) niet als een vrome stem, maar als een profetische aanklacht én opdracht:
“Vraag mijn priesters, dat ze mijn volk herbronnen in de Liefde en de Waarheid. De priester draagt het merkteken van zijn God, het is onuitwisbaar…”[3]
Deze woorden (3) plaatsen het priesterschap opnieuw in zijn ware licht: niet als functie, niet als sociologische rol, maar als sacramenteel merkteken, gegrift in de ziel, ten dienste van Gods heilswerk in de wereld.[4]
In onze tijd wordt steeds vaker geroepen om “gidsen” en “herders”, terwijl het woord priester schijnbaar wordt vermeden. Men wil richting, begeleiding en nabijheid — maar zonder het offer, zonder het sacrament, zonder het mysterie.[5]
Deze verschuiving is fundamenteel misleidend. Want honderd gidsen en duizend herders kunnen geen ene Eucharistie vieren.[6]
De priester is niet inwisselbaar omdat hij iets doet, maar omdat hij priester is geworden door de wijding. Hij staat in de Kerk niet op grond van bekwaamheid, maar op grond van zijn deelname aan het ene Priesterschap van Christus.[7]
Wanneer het priesterprofiel vervaagt in opleidingen, wanneer seminaristen hun roeping moeten zoeken “als een rietstengel in een rietveld”, dan is dat geen pedagogisch toeval, maar een theologische ontsporing.[8]
Men spreekt graag over een “gulden middenweg” tussen een zogenaamd klerikale Kerk en een priesterloze Kerk. Maar deze tegenstelling is vals gesteld.[9]
Een priesterloze Kerk is geen correctie op klerikalisme, maar een ontkenning van de sacramentele structuur die Christus zelf aan zijn Kerk heeft gegeven.[10] Evenmin is een Kerk met vele roepingen per definitie scheefgetrokken. Integendeel: overvloedige en zuivere roepingen zijn het teken van geestelijke gezondheid.[11]
De pijnlijke realiteit is dat in sommige Westerse contexten het verdwijnen van de priester niet wordt betreurd, maar verwacht, soms zelfs gewenst. Parochies zonder inwonende pastoor worden voorgesteld als “kansen”, terwijl men vergeet dat hiermee het hart van het kerkelijk leven — de Eucharistie — structureel wordt uitgehold.[12]
Een kernpunt van de huidige verwarring ligt in een verzwakt christologisch bewustzijn. De stelling dat Jezus “geen nieuwe godsdienst heeft gesticht” wordt vaak herhaald, maar is theologisch onhoudbaar.[13]
Jezus is niet enkel hervormer van Israël, maar de Zoon van God, ware God en ware mens.[14] Zijn leerlingen hebben Hem aanbeden (vgl. Mt. 28,17). Dáárom is Hij gekruisigd (vgl. Joh. 19,7). Dáárom bestaat het christendom.[15]
Wie ontkent dat Jezus een nieuwe godsdienst heeft gesticht, ondergraaft onvermijdelijk zijn Godheid. En wie zijn Godheid relativeert, tast ook het priesterschap aan dat uit Hem voortkomt.[16]
Het is geen anachronisme te zeggen dat Jezus tijdens het Laatste Avondmaal zijn apostelen tot priesters heeft aangesteld. Het betreft een dogmatische waarheid, verankerd in de Heilige Schrift en de levende Traditie van de Kerk.[17]
“Doet dit tot mijn gedachtenis.” (Lc. 22,19; 1 Kor. 11,24)
Met deze woorden heeft Christus vissers omgevormd tot bedienaren van zijn offer.[18] Dat Hij geen kazuifel droeg, is irrelevant. De essentie van de wijding ligt niet in uiterlijke vormen, maar in de overdracht van macht en zending.[19]
Wie deze oorsprong relativeert, doet dat niet uit historische zorgvuldigheid, maar om het offerkarakter van de heilige Eucharistie — en daarmee het priesterschap zelf — te ondermijnen.[20]
Veel kritiek op hiërarchie is gebaseerd op een marxistisch geïnspireerde maatschappijanalyse, die de Kerk reduceert tot een machtsstructuur van bestuurders en onderdanen.[21]
Maar de Kerk is een maatschappij sui generis, geboren uit Openbaring, niet uit sociaal contract.[22] Haar hiërarchie is geen machtsladder, maar een dienststructuur ten dienste van de waarheid (vgl. Lc. 22,26–27).[23]
De priester staat niet boven de gelovige omdat hij slimmer is, maar omdat hij gezonden is om te bewaren, te vieren en door te geven wat hij zelf ontvangen heeft (vgl. 1 Kor. 11,23).[24]
Creativiteit mag nooit uitlopen op het herscheppen van geloofsinhoud of liturgie. Waar dit toch gebeurt, wordt niet de Kerk rechtgezet, maar het mysterie ontmanteld.[25]
Het is misleidend Jezus een “leek” te noemen. Hij behoorde niet tot de joodse priesterklasse, maar Hij is volgens de Hebreeënbrief de enige en eeuwige Hogepriester (vgl. Hebr. 4,14; 7,24).[26]
Zijn kruisdood was geen louter moreel drama, geen toevallig gevolg van “radicale mensendienst”, maar een werkelijk kruisoffer — geen ritueel, maar wel degelijk verzoenend en heilbrengend:[27]
“God was het die in Christus de wereld met zich verzoende.” (2 Kor. 5,19)
Wie het offerkarakter van het kruis ontkent, ondergraaft ook de Eucharistie en daarmee het bestaansrecht van de priester.[28]
De Boodschap van Jezus’ Barmhartige Liefde laat geen twijfel bestaan: de priester is onuitwisbaar gemerkt, blootgesteld aan zware bekoringen, maar onmisbaar voor het heil van de zielen.[29]
In een tijd waarin “blinden blinden leiden” (vgl. Mt. 15,14) en de mens zichzelf tot god verheft, is de priester geroepen getuige te zijn van een andere werkelijkheid: die van Kruisoffer, Waarheid en Jezus’ Barmhartige liefde.[30]
Niet door macht, maar door trouw. Niet door aanpassing, maar door overgave. Niet door zichzelf, maar door Christus.
Wie de priester wegdenkt, dooft het licht bij de Bron.
De actualiteit van deze tekst ligt niet in haar polemiek, maar in haar criteriologische helderheid. Pastoor Armand Ory herinnert eraan dat de crisis van het priesterschap geen organisatorisch probleem is, maar een geestelijke crisis die raakt aan het hart van het geloof zelf. Waar het offerkarakter van de H. Eucharistie vervaagt, verliest ook het ambt zijn bestaansgrond.
In een kerkelijke context waarin synodaliteit dreigt te worden gereduceerd tot proces en structuur, houdt Ory vast aan wat niet maakbaar is: het sacramentele merkteken, de apostolische zending en de onherleidbare band tussen priester, Eucharistie en Kruis. Juist daarom is zijn stem vandaag opnieuw nodig — niet om terug te keren naar het verleden, maar om de toekomst te toetsen aan haar Bron.
Dit nawoord wil geen correctie zijn op Ory, maar een uitnodiging om zijn teksten te lezen als geestelijke toetssteen: niet alles wat vernieuwt is evangelisch, maar alles wat evangelisch is, vernieuwt.
(2) Tijdschrift ‘Het Legioen Kleine Zielen’, Orgaan van het Legioen Kleine Zielen van Het Barmhartig Hart van Jezus, Uitgever G. De Winter, Deurne, Achttiende Jaargang, Nr. 4, December 1990, blz. 9-17.
(3) Volledige Boodschap van Jezus Barmhartige Liefde: “Vraag mijn priesters, dat ze mijn volk herbronnen in de Liefde en de Waarheid. De priester draagt het merkteken van zijn God, het is onuitwisbaar en als zodanig heeft hij recht op de diepste eerbied vanwege al mijn kinderen. De dwaling en de ontrouw van sommige leden van de Heilige Kerk kan het Stempel niet uitwissen waarmee de Heer hun ziel gemerkt heeft. Bidt met grote naastenliefde voor uw priesters die blootstaan aan verschrikkelijke bekoringen. Mijn kleine zielen, stelt uw trouw en uw liefde tegenover de machten van het kwaad die de wereld beheersen met hun ketterijen. Blinden leiden blinden op dit ogenblik. Ze hebben alle zin voor de bovennatuurlijke realiteiten verloren en de mens is een god geworden voor de mens. Ze aanbidden wat ze moesten verbranden. Op listige wijze doden zij God in de zielen. De liefde heeft antennes die de golven van het kwaad opvangen en deze teniet doen. Maar wie de liefde niet heeft is verloren” (2.5.1971).
[1] Paulus VI, Apostolische Exhortatie Evangelii Nuntiandi (8 december 1975), nr. 20: Acta Apostolicae Sedis 68 (1976), 19–20.
[2] Johannes Paulus II, Apostolische Exhortatie Pastores Dabo Vobis (25 maart 1992), nr. 10: AAS 84 (1992), 668–669.
[3]Boodschap van Jezus’ Barmhartige Liefde, 2 mei 1971, particuliere openbaring, verspreid binnen het Legioen van de Kleine Zielen.
[4] Catechismus van de Katholieke Kerk (1997), nr. 1581–1584; vgl. Concilie van Trente, Sessio XXIII (15 juli 1563), Decretum de sacramento Ordinis.
[5] Congregatie voor de Clerus, Directory for the Ministry and Life of Priests (31 januari 2013), nr. 2.
[6] Tweede Vaticaans Concilie, Decreet Presbyterorum Ordinis (7 december 1965), nr. 2.
[7] Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1548; vgl. Hebr. 5,1.
[8] Armand Ory, De priester in het gedrang, Sint-Lambertuskring, s.l. 2016; online beschikbaar via het Legioen van de Kleine Zielen.
[9] Benedictus XVI, Toespraak tot de Romeinse Curie, 22 december 2005.
[10] Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie Lumen Gentium (21 november 1964), nr. 28.
[11] Johannes Paulus II, Pastores Dabo Vobis, nr. 35.
[12] Vgl. Congregatie voor de Bisschoppen, Apostolorum Successores (2004), nr. 43–44.
[13] Congregatie voor de Geloofsleer, Verklaring Dominus Iesus (6 augustus 2000), nr. 13: AAS 92 (2000), 758–759.
[14] Concilie van Chalcedon (451), Definitie van het geloof: “unum eundemque Filium… perfectum in deitate et perfectum in humanitate, verum Deum et verum hominem”; vgl. Joh. 1,1–14.
[16] Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 430–451.
[17] Concilie van Trente, Sessio XXIII (15 juli 1563), Decretum de sacramento Ordinis, can. 1–4: “Si quis dixerit, in Ecclesia catholica non esse hierarchiam divinitus institutam, quae constat ex episcopis, presbyteris et ministris, anathema sit.” 1–4.
De Onbevlekte Ontvangenis van Maria (1) is geen losstaand voorrecht, maar het beginpunt van Haar gehele roeping. Zij raakt aan Haar diepste identiteit als Maagd, Bruid en Moeder en maakt zichtbaar hoe Maria vanaf het eerste ogenblik van Haar bestaan volledig heeft geleefd binnen de ruimte van Gods genade. Wat Zij later zou worden in de geschiedenis van het heil, was Zij reeds in oorsprong: geheel door God ontvangen, door Hem uitgekozen en radicaal op Hem gericht.
Dat Maria onbevlekt is ontvangen, betekent niet dat Zij buiten de mensheid staat, maar dat Zij er ten volle binnen staat zoals God de mens oorspronkelijk heeft bedoeld. In Haar wordt zichtbaar wat het menselijk bestaan is wanneer het niet wordt bepaald door breuk, wanorde en vervreemding, maar door ontvangenheid (2), vertrouwen en overgave. Haar oorsprong ligt niet in een neutrale onschuld, maar in een voorafgaande genade: Zij bestaat vanaf het eerste ogenblik in levende relatie tot God.
Deze oorspronkelijke genade kan alleen worden verstaan vanuit Haar unieke verhouding tot de Heilige Drie-eenheid. Maria is niet eerst Maagd, Bruid of Moeder geworden door menselijke keuze of verdienste, maar door goddelijke uitverkiezing. De Vader heeft Haar van meet af aan gezien als Dochter; de Zoon zou uit Haar vlees aannemen; de Heilige Geest zou zich met Haar liefde verenigen. De Onbevlekte Ontvangenis is daarom geen geïsoleerde ingreep, maar de trinitarische voorbereiding van een leven dat geheel beschikbaar moest zijn voor Gods handelen.
1. Maagdelijkheid als innerlijke eenheid
Als onbevlekt ontvangen is Maria allereerst Maagd: niet uitsluitend in lichamelijke zin, maar in de diepere betekenis van innerlijke eenheid. In Haar bestaat geen verdeeldheid tussen verlangen en gehoorzaamheid, tussen vrijheid en toewijding. Haar maagdelijkheid is de zuiverheid van een hart dat onverdeeld openstaat voor God. Juist daarom kan Zij Bruid worden. Alleen wie niet door zichzelf bezet is, kan zich geheel laten toebehoren aan een Ander.
2. Het bruidschap met God
Haar bruidschap met God vindt zijn wortel in deze oorspronkelijke zuiverheid. De Onbevlekte Ontvangenis is de stille voorbereiding op Haar fiat bij de aankondiging. Wat Zij daar bewust en vrij uitspreekt, leeft reeds onbewust en genadevol in Haar bestaan. Zij is van meet af aan de Bruid die God met al Zijn gaven heeft toegerust, opdat Zijn liefde zich zonder belemmering met de hare kon verenigen.
In Haar wordt zichtbaar dat genade de natuur niet vernietigt, maar voltooit; niet overweldigt, maar uitnodigt. Haar vrijheid wordt niet opgeheven, maar juist mogelijk gemaakt door de genade waarin Zij leeft.
3. Moederschap uit ontvangenheid
Uit dit bruidschap vloeit Haar Moederschap voort. Omdat Zij volledig in de genade leeft, kan Zij de Zoon ontvangen zonder Haar maagdelijkheid te verliezen. Omdat Zij geheel aan God toebehoort, kan Zij leven schenken aan Hem die het Leven zelf is. Haar onbevlekte oorsprong maakt Haar Moederschap niet vanzelfsprekend, maar mogelijk. Zij wordt Moeder niet ondanks Haar maagdelijkheid, maar juist door Haar totale ontvankelijkheid.
4. Maria in het werk van de verlossing
Zo vormt de Onbevlekte Ontvangenis de grondslag van Maria’s plaats in het werk van de verlossing. Zij staat niet naast Christus, maar met Hem verbonden, onmiddellijk na Hem. Zoals Hij de nieuwe Adam is, zo is Zij de nieuwe Eva: niet bron van de zonde, maar begin van het nieuwe leven. In Haar verschijnt voor het eerst sinds de val een mens die geheel leeft uit genade. Daarmee wordt de macht van de zonde principieel doorbroken en wordt de verlossing zichtbaar nog vóór zij historisch voltrokken is.
5. Antropologische en ecclesiologische betekenis
Voor de Kerk en voor de mensheid heeft dit een blijvende betekenis. Maria is geen onbereikbaar ideaal, maar een belofte. In Haar ziet de Kerk wat zij geroepen is te worden: Bruid, Moeder en Dienares van het leven. In Haar ziet de mens wat mogelijk is wanneer hij zich niet opsluit in zichzelf, maar zich laat dragen door genade.
De Onbevlekte Ontvangenis is zo niet alleen een mariologisch dogma, maar ook een antropologisch lichtpunt: de bevestiging dat het menselijk bestaan, vanaf zijn oorsprong, bedoeld is om door God bewoond te worden.
6. Het begin van Gods bruidschap met de mens
De Onbevlekte Ontvangenis is het begin van Maria’s roeping en tegelijk het begin van de verlossing in Haar meest verborgen gestalte. Zij is geen losstaand voorrecht en geen geïsoleerde zuiverheid, maar de eerste beslissende daad waarin God Zijn Bruid vormt naar Zijn welbehagen. Waar mensen hun bruiden kiezen en tooien naar hun vermogen, vormt God Zelf — in wijsheid, macht en liefde — de Bruid die Hij van eeuwigheid heeft uitverkoren.
Van alle eeuwigheid had God Maria’s heerlijkheid gedacht. Nog vóór Zij bestond, lag Haar bestemming vast: Zij moest de verhevenste onder de bruiden worden, omdat Zij geroepen was Bruid van God zelf en Moeder van Zijn Zoon te zijn. Daarom begon Haar voorbereiding niet bij de aankondiging, maar bij Haar ontstaan. De Onbevlekte Ontvangenis is deze oorspronkelijke heiligheid waarin Maria tot bestaan kwam.
7. Oorspronkelijke heiligheid en verlossing
Deze heiligheid is geen morele prestatie, maar een genadige toestand. Maria wordt niet eerst mens en daarna geheiligd; Zij wordt geheiligd ontvangen. Vanaf het eerste ogenblik van Haar persoonlijk bestaan leeft Zij in de heiligmakende genade, met het oog op de verdiensten van Christus, de Verlosser.
Zij staat daarmee wel in de mensheid, maar niet onder de heerschappij van de erfzonde. Haar mens-zijn blijft eindig, sterfelijk en lijdend, maar Haar bestaan wordt niet getekend door innerlijke breuk. Haar vrijheid is van meet af aan vrije ruimte voor God.
8. Schrift, belofte en vervulling
Door heel de heilsgeschiedenis heen bereidde God dit begin voor. Reeds in het paradijs werd het zaad gezaaid, toen God vijandschap aankondigde tussen de slang en de Vrouw. Die Vrouw is Maria; Haar Zoon is de uiteindelijke Overwinnaar. In Haar begint reeds de nederlaag van het kwaad.
Eeuwenlang droeg Israël, vaak zonder het ten volle te beseffen, de verwachting van een ongerepte Vrouw. Beelden uit Schrift en geschiedenis tekenden vooruit wat eens werkelijkheid zou worden, totdat uit de wortel van Jesse de onvergelijkbare bloem opschoot: Maria, onbevlekt ontvangen.
Slotbeschouwing
De Onbevlekte Ontvangenis is niet alleen een beginpunt, maar ook een vooruitgrijpen op de voltooiing. In Haar oorsprong wordt reeds aangekondigd wat in Christus tot volle openbaring zal komen. In Haar begint de verlossing nog vóór Zij zichtbaar wordt: niet actueel, maar in kiem en belofte.
Daarom is de Onbevlekte Ontvangenis het passende begin van het heil. Zij is het voorspel waarin het hele thema reeds klinkt. Wanneer Christus Mens wordt, zal de melodie voluit losbarsten. Maar het eerste zuivere akkoord is Maria: onbevlekt ontvangen, Bruid van God, begin van het nieuwe leven.
Voetnoten
I. Heilige Schrift
Genesis 3,15 – Proto-evangelium:
“Ik zal vijandschap stichten tussen u en de vrouw, tussen uw nageslacht en het hare.” Deze tekst vormt de bijbelse grondslag voor het verstaan van Maria als de “vrouw” in wie de overwinning op de zonde principieel aanvangt.
Lucas 1,28 – Kecharitōmenē:
“Wees gegroet, gij die vol van genade zijt.” De voltooide vorm van het werkwoord duidt op een reeds bestaande en blijvende staat van genade, traditioneel verstaan als verwijzing naar haar onbevlekte oorsprong.
Lucas 1,38 – Het fiat van Maria:
“Mij geschiede naar uw woord.” Het bewuste en vrije ja-woord staat in continuïteit met haar voorafgaande genadetoestand.
Romeinen 5,12–19 – Adam en Christus: Paulus’ typologie van Adam en de nieuwe Adam vormt de basis voor de latere parallel Adam–Eva / Christus–Maria.
Efeziërs 1,4 – Uitverkiezing vóór de grondlegging der wereld:
“In Hem heeft Hij ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld.” Deze tekst ondersteunt het verstaan van Maria’s uitverkiezing als voorafgaand en genadevol.
II. Dogma en leergezag van de Kerk
Rooms-Katholieke Kerk – Dogma van de Onbevlekte Ontvangenis (1854) Ineffabilis Deus, paus Pius IX: Maria is “vanaf het eerste ogenblik van haar ontvangenis, door een bijzondere genade en voorrecht van de almachtige God, met het oog op de verdiensten van Jezus Christus, vrij gebleven van elke smet van de erfzonde.”
Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium §56: Maria wordt beschreven als “volkomen geheiligd” en nauw verbonden met Christus “van meet af aan”.
Catechismus van de Katholieke Kerk, §§490–493: De catechismus verbindt expliciet de Onbevlekte Ontvangenis met Maria’s roeping tot moederschap en haar unieke plaats in de heilsgeschiedenis.
III. Kerkvaders en theologische traditie
Irenaeus van Lyon, Adversus Haereses III,22,4: De parallel Eva–Maria: “Zoals Eva door ongehoorzaamheid oorzaak werd van de dood, zo werd Maria door gehoorzaamheid oorzaak van het heil.”
Augustinus van Hippo, De Natura et Gratia 36,42: Augustinus sluit Maria expliciet uit van elke persoonlijke zonde “ter ere van de Heer”, wat later theologisch wordt verdiept in het dogma.
Johannes Damascenus, Homilia in Nativitatem B.M.V.: Maria wordt bezongen als geheel heilig vanaf haar begin, “vooraf gereinigd door de Geest”.
Anselmus van Canterbury: De passendheid (convenientia) van Maria’s onbevlekte oorsprong in relatie tot de menswording van de Zoon.
Johannes Duns Scotus: De klassieke formulering: Potuit, decuit, ergo fecit — God kon Maria onbevlekt ontvangen laten worden, het paste Hem, dus heeft Hij het gedaan.
Eindnoten
(1) Vgl. De katholieke Kerk, Godsdienstleer en Apologie. Onder redactie van Prof D. Bont en Dr. C.F. Pauwels O.P., N.V. Zonnewende Kortrijk / Het Spectrum Utrecht, Eerste deel, Boek 1-13, blz. 533-538.
(2) Ontvangenheid duidt hier niet op passiviteit, maar op een oorspronkelijke bestaanswijze waarin de mens zichzelf niet als oorsprong begrijpt, maar als gegeven. Zij veronderstelt geen leegte of onbepaaldheid, maar een actieve openheid voor het voorafgaande handelen van God. In deze zin staat ontvangenheid tegenover zelfbeschikking als grondhouding en tegenover een autonomie die zichzelf tot maatstaf maakt. In Maria wordt deze ontvangenheid volkomen zichtbaar: Zij bestaat niet eerst en ontvangt daarna genade, maar Zij bestaat in genade. Haar oorsprong ligt niet in een moreel neutrale onschuld, maar in een voorafgaande relatie tot God, die Haar bestaan vanaf het eerste ogenblik draagt en oriënteert. De traditie heeft dit verstaan als een bestaan ex gratia vóór elke daad. Zo benadrukt Augustinus van Hippo dat genade niet volgt op menselijke verdienste, maar eraan voorafgaat (gratia praeveniens). In Maria wordt deze voorafgaande genade niet herstellend, maar constitutief: Zij leeft niet uit genezing, maar uit gave. Ontvangenheid impliceert daarom ook innerlijke eenheid: geen verdeeldheid tussen verlangen en gehoorzaamheid, tussen vrijheid en toewijding. In patristische zin is zij de toestand waarin de mens “in God” leeft nog vóór hij zichzelf toe-eigent. Zo wordt Maria het antropologisch tegenbeeld van vervreemding: in Haar verschijnt wat de mens is wanneer hij niet vanuit breuk, maar vanuit relatie leeft.
Dit artikel verkent de betekenis van het Kruis als geestelijke toetssteen voor de synodale weg van de Kerk in het begin van de 21e eeuw. Uitgaande van de actuele synodale context, waarin luisteren, onderscheiden en gezamenlijke verantwoordelijkheid centraal staan, stelt de auteur de vraag naar het innerlijk criterium dat deze processen werkelijk evangelisch maakt. Tegen de achtergrond van maatschappelijke versnelling, groeiende kwetsbaarheid en afnemende geloofsvanzelfsprekendheid wordt betoogd dat synodaliteit niet kan worden gereduceerd tot methode of structuur, maar vraagt om een diepgaande bekering van hart.
Het Kruis verschijnt daarbij niet als een obstakel voor vernieuwing, maar als haar beslissende oriëntatiepunt. In dialoog met de Schrift, de liturgische traditie en de inzichten van Viktor Frankl wordt het lijden verstaan als plaats van zingeving en ontmoeting, waarin menselijke kwetsbaarheid kan worden omgevormd tot liefde en vruchtbaarheid. De geschiedenis van de Kerk wordt gelezen als een paradoxale “zegetocht van het Kruis”: niet gedragen door macht of succes, maar door trouw, offer en hoop.
Het artikel concludeert dat de toekomst van de Kerk niet ligt voorbij het Kruis, maar in de diepte ervan. Alleen waar synodale onderscheiding wordt voltrokken onder het teken van Christus’ Kruis, kan de Kerk uitgroeien tot een geloofwaardige gemeenschap van hoop en moed. Zo wordt de Kerk getekend als een pelgrimerend volk: onderweg in Christus, met Christus en als Kerk van Christus, gedragen door de hoop die ontspringt aan het Kruis en vooruitwijst naar de Verrijzenis.
Inleiding
De Kerk van 2026 bevindt zich op een kruispunt. Overal ter wereld is zij onderweg in het synodale denken: luisterend, onderscheidend, samen zoekend naar wegen van trouw en vernieuwing. Dat proces wordt gedragen door een diep verlangen om Kerk te zijn met mensen, tussen mensen en voor de wereld van vandaag. Tegelijk roept deze weg onvermijdelijk fundamentele vragen op: waarheen zijn wij onderweg? Wat is het innerlijk kompas van deze gezamenlijke tocht? En waaraan toetsen wij of onze wegen werkelijk evangelisch zijn?
In een tijd van snelle maatschappelijke veranderingen, afnemende vanzelfsprekendheid van geloof en groeiende gevoeligheid voor lijden, kwetsbaarheid en onrecht, kan de Kerk niet volstaan met structuren, processen of woorden alleen. Synodaliteit vraagt om meer dan overleg; zij vraagt om bekering van hart. En juist hier klinkt een stem die niet altijd gemakkelijk is, maar wel beslissend: de stem van het Kruis.
Het Kruis is geen randverschijnsel van het christelijk geloof en geen last uit het verleden die wij achter ons kunnen laten. Het is het teken waarin de weg van Christus zelf zichtbaar wordt: een weg van overgave, van trouw in tegenspoed, van liefde die zich niet onttrekt aan het lijden van de wereld. Voor een Kerk die samen wil onderscheiden, is het Kruis geen hinderpaal, maar een toetssteen: het bewaart haar voor oppervlakkige aanpassing én voor verstarring, voor macht zonder dienstbaarheid en voor betrokkenheid zonder waarheid.
Deze woorden willen een geestelijk perspectief openen voor vandaag. Zij nodigt uit om de synodale weg te verstaan in het licht van wat de Kerk door de eeuwen heen heeft gedragen en vernieuwd: niet succes of zichtbare kracht, maar de stille, paradoxale vruchtbaarheid van het Kruis. Alleen waar de Kerk deze weg durft te gaan – luisterend, lijdend, liefhebbend – kan zij werkelijk een teken van hoop zijn voor de wereld van nu.
Wat volgt is een getuigenis van die overtuiging: dat de toekomst van de Kerk niet ligt voorbij het Kruis, maar in de diepte ervan. Dat juist daar, waar lijden wordt gedragen en gedeeld, nieuwe zin ontstaat, nieuw leven ontspringt en ware gemeenschap groeit. En dat de synodale Kerk alleen dan werkelijk onderweg is, wanneer zij samen durft te blijven onder het teken van Christus zelf.
De zegetocht van het Kruis – lijden als weg naar zin
Wie terugblikt op wat de Kerk in haar tocht door de eeuwen heeft voortgebracht (*), kan moeilijk anders dan getroffen worden door bewondering. Haar blijvende eenheid te midden van verdeeldheid, haar universele reikwijdte over culturen en tijden heen, haar voortbrengselen van heiligheid en barmhartigheid: zij getuigen van een levenskracht die haar menselijke oorsprong overstijgt. Toch rijst bij nadere beschouwing een verrassende vraag: wat was het diepste en meest doeltreffende strijdmiddel waardoor de Kerk telkens opnieuw weerstand overwon en vernieuwd werd?
Het antwoord openbaart zich in een schijnbare paradox: de zegetocht van de Kerk is in haar diepste wezen een zegetocht van het Kruis. Niet van het Kruis als decoratief symbool, maar van het Kruis in zijn volle ernst: het bestaan dat door lijden wordt getekend, door verlies, vervolging en innerlijke ontlediging. Het kerkelijk gebed verwoordt dit kernachtig: “Wij aanbidden U, Christus, en loven U, omdat Gij door Uw heilig Kruis de wereld verlost hebt.” In deze belijdenis ligt het grondmotief van heel de kerkgeschiedenis besloten.
Christen-zijn betekent Christus volgen. En Christus volgen betekent Hem niet alleen navolgen in woorden of idealen, maar in Zijn weg van overgave. “Wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig” (Mt. 10,38). Deze woorden zijn een uitnodiging tot waarheid: wie het lijden ontkent of ontvlucht, verliest uiteindelijk ook zichzelf; wie het lijden in liefde draagt, ontdekt een diepere zin die het leven overstijgt.
Juist hier raken christelijk geloof en de inzichten van Viktor Frankl elkaar op een beslissend punt. Frankl heeft, midden in de uiterste ontmenselijking van het concentratiekamp, ontdekt dat lijden op zichzelf geen zin heeft, maar dat de mens vrij blijft om zin te geven aan zijn lijden. Wanneer het lijden onvermijdelijk is, wordt de vraag niet waarom dit gebeurt, maar waartoe het gedragen wordt. In die innerlijke houding, zo toont Frankl, ligt een laatste onaantastbare vrijheid besloten.
Het christelijk geloof gaat hier nog een stap verder: het ziet in het lijden niet alleen een existentiële opgave, maar een plaats van ontmoeting. Het Kruis wordt wet voor het christelijk leven: telkens wanneer het verschijnt, openen zich – paradoxaal genoeg – nieuwe levenskansen. Niet omdat het lijden goed is, maar omdat het gedragen lijden kan worden omgevormd tot liefde. Zoals de graankorrel moet sterven om vrucht te dragen (Joh. 12,24), zo wordt ook het menselijke bestaan pas werkelijk vruchtbaar wanneer het zichzelf durft los te laten.
Daarom hoeft het de Kerk en de christen niet te verwonderen dat lijden steeds opnieuw hun erfdeel is. Integendeel: het kan worden verstaan als een teken dat God Zijn Kerk niet heeft verlaten, maar haar de weg van Zijn Zoon laat gaan. Dit inzicht vraagt geloof – een geloof dat verder kijkt dan succes of zichtbare groei, en dat weet dat “de wijsheid van deze wereld voor God dwaasheid is” (1 Kor. 3,19).
Het Offer van Christus op Calvarië is eenmaal voltrokken, maar leeft mystiek voort in het midden van de wereld. Het doorbreekt dagelijks de grenzen van tijd en ruimte in de H. Eucharistie, en geeft aan alle menselijke offers hun waarde en richting. In het licht van dit ene Offer krijgt ook het menselijk lijden een nieuwe betekenis: het wordt niet vernietigend, maar transformerend.
Men heeft het Kruis willen herleiden tot een symbool van geweld en onderdrukking, ja zelfs tot een bron van menselijke ellende. Dat is de tragische vergissing van een denken dat alleen het zichtbare telt. In waarheid is het Kruis – dwars door alle smart heen – de hoogste openbaring van liefde. Geen hel, maar Hemel, omdat het de uiterste gave van zichzelf is. Hier raakt de diepste mystiek van het christendom aan de diepste menselijkheid: leven ontstaat waar liefde zichzelf weggeeft.
De smarten van het Kruis zijn daarom geen eindpunt, maar barensweeën. Zij gaan vooraf aan de geboorte van de nieuwe mens. Deze nieuwe mens is Christus zelf, maar Hij leeft en werkt in het verborgene van iedere ziel. Ook in ons is deze nieuwe mens geboren: als een goddelijk zaad, een kiem van eeuwig leven, die zich langzaam en vaak door pijn heen ontplooit.
Slotbeschouwing
Pelgrims van hoop en moed in Christus, met Christus en Zijn Kerk
Aan het einde van deze beschouwing staan wij niet stil, maar gaan wij verder. Want Kerk-zijn is geen voltooid project, maar een weg: een pelgrimage door de tijd, gedragen door hoop en vaak geoefend in moed. In het synodale onderweg-zijn ontdekken wij steeds opnieuw dat wij deze weg niet alleen gaan. Wij gaan in Christus, met Christus en als Kerk van Christus.
Het Kruis, dat ons in deze tekst vergezelt als toetssteen, blijkt geen teken van stilstand of nederlaag, maar van richting. Het bewaart ons voor de illusie dat vernieuwing zonder offer kan, dat gemeenschap zonder waarheid standhoudt, of dat zending mogelijk is zonder liefde die zichzelf geeft. Het Kruis houdt ons bij de kern: dat de weg van de Kerk dezelfde blijft als de weg van haar Heer.
Zo worden wij pelgrims van moed. Niet omdat lijden verdwijnt, maar omdat het wordt meegedragen. Niet omdat alles begrijpelijk wordt, maar omdat niets zinloos hoeft te zijn wanneer het wordt toevertrouwd aan God. In Christus zien wij dat lijden niet het laatste woord heeft. Zijn Kruis draagt reeds het teken van de verrijzenis in zich. Daarom is christelijke hoop geen optimisme, maar vertrouwen: dat God werkt, ook waar wij breuk en kwetsbaarheid ervaren.
Deze weg vraagt moed! Moed om te blijven luisteren wanneer meningsverschillen pijn doen. Moed om samen te onderscheiden zonder elkaar los te laten. Moed om het eigen gelijk niet te absolutiseren en toch vast te houden aan de Waarheid die ons is toevertrouwd. Synodaal Kerk-zijn betekent: elkaar niet dragen ondanks het Kruis, maar onder het Kruis.
In de H. Eucharistie blijft dit mysterie midden onder ons leven. Daar wordt het ene Offer van Christus tegenwoordig gesteld en worden wij opnieuw tot gemeenschap gevormd. Daar leren wij dat ook ons leven – met zijn vreugde en zijn last – opgenomen mag worden in Gods verlossende liefde. Zo wordt de Kerk geen toevlucht voor sterken, maar een huis voor pelgrims; geen plaats van volmaaktheid, maar van hoopvolle trouw.
Daarom mogen wij verdergaan, niet ongebroken, maar wel onversaagd. Als pelgrims van hoop en moed, gedragen door Christus en verbonden in Zijn Kerk. Met het Kruis niet als last op de schouders, maar als teken voor ogen. En met het oude, altijd nieuwe belijdeniswoord op de lippen – eenvoudig, vast en vol vertrouwen:
O Crux ave, spes unica. Gegroet, o Kruis, onze enige hoop.
Voetnoot
(*) Vgl. De katholieke Kerk, Godsdienstleer en Apologie. Onder redactie van Prof D. Bont en Dr. C.F. Pauwels O.P., N.V. Zonnewende Kortrijk / Het Spectrum Utrecht, Tweede deel, Boek 14-25, blz. 1006-1008.
Een weg voor de kleine zielen: vertrouwen, overgave en levensgemeenschap met de Goede Herder
Door Willy Creten
Mijn Herder is Jahweh! Het ontbreekt mij aan niets: Hij laat mij rusten in groene beemden; Hij leidt mij naar vredige wateren, verkwikt er mijn ziel. En leidt mij in het rechte spoor omwille van zijn Naam. Al moet ik door donkere krochten heen, ik ben voor geen onheil bevreesd: want Gij staat me bij, uw staf en stok zijn mijn stut!
Gij bereidt mij een feestmaal voor het oog van mijn vijand; met olie zalft Gij mijn hoofd, en mijn beker vloeit over. Voorspoed en zegen zullen mij volgen, mijn leven lang. In het huis van Jahweh mag ik wonen in lengte van dagen!
Inleiding
Deze beschouwing over Psalm 23 – “God is mijn Goede Herder”, geschreven door kleine ziel Willy Creten, nodigt ons uit tot een stille en vertrouwvolle lezing. Zij is niet bedoeld als een louter verstandelijke uitleg, maar als een geestelijke wegwijzer voor wie zich klein weet voor God en leeft uit overgave. Voor de kleine zielen van het Legioen wil deze tekst vooral een plaats van rust zijn: een plek waar het hart mag schuilen bij God, die zichzelf openbaart als Herder, Gids en Gastheer.
Psalm 23 behoort tot de meest geliefde en troostrijke gebeden van de Schrift. In eenvoudige, maar diepe beelden spreekt zij over een levensgemeenschap met God die alles omvat: rust en leiding, bescherming in het duister, overvloed te midden van dreiging, en tenslotte het wonen bij Hem in lengte van dagen. Wie zich klein weet, herkent zich gemakkelijk in het schaap dat niet uit eigen kracht leeft, maar gedragen wordt door de zorg van de Herder.
Willy Creten benadert deze psalm met eerbied en innerlijke fijngevoeligheid. Hij laat zien hoe de beelden van de herder niet blijven steken in een idyllisch tafereel, maar uitgroeien tot een diep geloofsgetuigenis: God is niet veraf of dreigend, maar nabij, betrouwbaar en teder. Juist het persoonlijke karakter van de psalm – “mijn Herder” – wordt hierbij sterk benadrukt. Niet eerst het volk, maar de enkele mens mag zich aangesproken weten.
Deze tekst wil de lezer stap voor stap binnenleiden in de rijkdom van Psalm 23: eerst door aandachtig te kijken naar de beelden, vervolgens door hun betekenis voor de levensgemeenschap met God te verdiepen, en tenslotte door de vervulling ervan te herkennen in Christus, de Goede Herder van het Nieuwe Verbond. Zo wordt deze psalm niet alleen gelezen, maar gebeden; niet alleen overdacht, maar beleefd.
Moge deze inleiding helpen om de tekst te ontvangen met een open en vertrouwend hart, zoals kleine zielen dat doen: niet om alles te begrijpen, maar om zich te laten leiden. Want wie zich door de Goede Herder laat weiden, zal ervaren dat het werkelijk waar is: het ontbreekt hem aan niets.
Psalm 23
Eén van de mooiste en troostrijkste parabels van Jezus is die van de ‘Goede Herder’, de gelijkenis die de evangelist Johannes in het 10e hoofdstuk van zijn evangelie verhaalt. En we mogen gerust stellen dat de voorafbeelding van deze parabel te vinden is in psalm 23 van het psalmenboek van het Oude Testament. Deze psalm is een van de kunstzinnigste liederen en een van de vroomste gebeden van het Oude Verbond. Deze psalm heeft als gedicht, als gebed en als theologie in alle tijden bewondering en vereerders gevonden.
Immanuel Kant, de Duitse filosoof, die niet direct als een voorbeeld van geloof moet vermeld worden, kon zichzelf niet weerhouden het volgende getuigenis over deze psalm uit te brengen: “Van de duizenden boeken die ik in mijn leven gelezen heb, is er geen enkel woord dat mij zo getroost heeft als dat ene: ‘Al moest ik door donkere krochten heen, ik ben voor geen onheil bevreesd, want Gij staat me bij.’”
Het loont daarom zeker de moeite de parabel van de Goede Herder te overwegen zoals deze in het Oude Testament reeds werd verwoord. “De eeuwige God als de Goede Herder”, zo zouden we het thema kunnen noemen. Om nu de betekenis van de parabel zo volledig en klaar mogelijk aan te geven, verdelen we psalm 23 in drie panelen:
1. de beelden en vergelijkingen van psalm 23;
2. de levensgemeenschap met God;
3. de vervulling van psalm 23 in het leven van de christen.
I. De beelden en vergelijkingen van psalm 23
De psalm heft meteen het algemene thema aan: ‘Mijn herder is Jahweh’ en ontwikkelt dit vervolgens in vier beelden. Reeds het aangeven van de hoofdgedachte ‘de Heer is mijn herder; niets kan mij ontbreken’ (v. 1) gebeurt in een vergelijking. Het is juist de beslissende voorstelling van de hele parabel – dat God ‘Herder van de mensen’ wordt genoemd.
Het tweede deel van vers 1, dat door de Vulgaat met het geheel verbleekte en koude “de Heer bestuurt mij” werd vertaald, in plaats van “de Heer is mijn Herder”, speelt in de psalm dezelfde rol als in de overeenkomstige parabel bij Johannes’ woord “Ik ben de goede Herder”. Het is de leidende gedachte die verder in de psalm ontvouwd en verklaard wordt.
Deze ontvouwing en verklaring gebeurt in vier verdere vergelijkingen: de eerste spreekt van de goede herder die zijn dieren naar fris groen en naar kostelijke bronnen leidt, waar ze tevens een heerlijke rustplaats vinden om wat verkwikking en opbeuring te vinden. De tweede vergelijking toont de herder als leider op gevaarlijke wegen, door donkere krochten, waar roofdieren en struikrovers dreigen. De derde vergelijking schildert de herder als waard en gastheer, die een maaltijd aanricht, ja, een vriendenmaal bereidt. En tenslotte stelt de vierde vergelijking een haast ongelooflijke belofte in het vooruitzicht: mijn eeuwig loon en een woning in het huis van Jahweh, onze Heer en God!
Na deze eerste algemene kenschetsing van beeld en gedachte in deze liedpsalm, moeten we de afzonderlijke vergelijkingen nader bekijken.
1. De herder verschaft zijn schaapjes verkwikkende rust
“Jahweh is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.” Dit is de grondgedachte van het lied. Het eerste beeld dat nu ter verklaring van deze hoofdgedachte verder uitgewerkt wordt, schildert de rust van de herder met zijn kudde aan de koele bron, op een beschermende plaats waar geen gevaar is, in ’t heerlijke frisse groen. “In groene beemden laat hij mij rusten; Hij leidt mij naar vredige wateren, verkwikt er mijn ziel.”
De hele kracht van het beeld moet gezocht worden in een concrete voorstelling van het landschap waarvan hier sprake is. Het schiereiland Sinaï, zelfs Trans-Jordanië en Palestina kennen veel woestijnzand, stenige rotsen en kale steppen. “Veel stenen waren er en weinig brood.” In dit land is het frisse groen, het koele water op een beschutte plaats een nog veel kostbaarder gave van God dan in andere landen, die rijker gezegend zijn met vruchtbaarheid.
Hoe de laatste uitdrukking “Hij verkwikt mijn ziel” juist bedoeld is, is moeilijk te zeggen. Misschien heeft zij de algemene betekenis: ‘Hij verkwikt mij’. Hoe dan ook, we mogen niet ontkennen dat het Hebreeuwse woord ‘mijn ziel’ hier een ernstige, geestelijke betekenis heeft. Eduard König ziet in dit woord op deze plaats een bewijs dat de dichter ook aan ‘goddelijke zegeningen, die het geestelijk leven aangaan’ denkt.
2. De herder toont zich de echte leider op gevaarvolle wegen
“Hij leidt mij in het rechte spoor, omwille van zijn Naam. Al moet ik door donkere krochten heen, ik ben voor geen enkel onheil bevreesd; want Gij staat me bij! Uw staf en stok zijn mijn stut!”
Ook hier kunnen we ons afvragen: welk spoor moet ik volgen? Het karrespoor der gerechtigheid, of wat heeft dit te betekenen? Is het alleen maar het stoffelijk beeld van de juiste weg in tegenstelling tot het verdwalen? Of is het iets direct godsdienstig-zedelijks, dat hier met uitdrukkelijke woorden wordt uitgesproken?
Hetgeen volgt blijft geheel in het beeld van de parabel van de herder. Een terugkeer naar huis bij avond leidt door donkere, sombere dalen. Men weet niet welke roofdieren zich in de holen schuilhouden. Ook hier vertrouwt het schaapje op zijn herder en gids. De staf en stok van de goddelijke herder waarborgen een zekere leiding langs alle afgronden, en tegelijk zijn ze zekere beschermings- en verdedigingswapens bij een aanval.
De Vulgaat vertaalt hier woordelijk: “zij hebben mij getroost”; de sterke wapens en de veilige bescherming van de herder namen de onrust bij de dieren weg.
3. De herder is de waard en de gastheer van zijn kudde
“Gij bereidt mij een feestmaal voor het oog van mijn vijand. Met olie zalft Gij mijn hoofd, en mijn beker vloeit over.”
De herder neemt zijn schaapjes mee onder zijn tentdak en maakt voor hen een degelijk maal gereed. “Voor het oog van de vijand.” Het tafereel wordt zo opgevat, alsof de roofdieren en struikrovers, die op de thuisweg door de donkere krochten de schapen van de kudde probeerden af te jagen en te roven, nog steeds dicht op de uitkijk staan. Onder de ogen van deze vervolgers kunnen de dieren van de kudde in volle vrede en veiligheid hun maal nemen. Zó groot is de macht en de bescherming van de herder.
Daarmee bereikt de voorstelling van de parabel een zeker hoogtepunt. Het motief van vrede en bescherming die van de herder uitgaan, doortrilt het ganse lied. Deze vrede, deze waarborg voor de veiligheid, zijn hier het sterkst uitgedrukt: onder de ogen van de vervolgers kunnen de beschermelingen vredig een vreugdemaal genieten zonder de minste kwel of onrust.
4. Het wonen in het huis van Jahweh, mijn Heer, in lengte van dagen
“Voorspoed en zegen zullen mij volgen, mijn leven lang. In het huis van Jahweh mag ik wonen in lengte van dagen!”
Naar gedachte en taal sluit dit beeld aan bij de voorstelling van de belagers en vervolgers, waarvan even voordien sprake was. Vroeger waren er vijandige roofdieren en rovers, die door de staf en de stok in toom gehouden werden. Maar ook het leven van de beschermeling van God kent een vervolging. Hier is het woord gebruikt dat elders zo dikwijls in het Oude Testament vervolging door kwaadwillige tegenstanders oproept. Maar hier zijn de vervolgers degenen die de beschermeling van de Heer niet van de hielen wijken. Toch is de Heer sterkte en waakzaamheid: “Alleen geluk en genade” zullen mij volgen.
In de samenhang van het lied worden hier ongetwijfeld ‘de goedheid en de liefde’ van de goddelijke Herder bedoeld, die zijn beschermelingen met dezelfde hartstochtelijkheid achtervolgt als een wraakzuchtige vijand zijn tegenstander.
II. De levensgemeenschap met God
Uit de woordelijke inhoud van psalm 23 blijkt zonneklaar dat de dichter niet enkel een herdersidylle heeft willen maken. Neen, hij spreekt zeker over een godsdienstige realiteit, over de levensgemeenschap van de mens met God, zijn Herder en Gids.
Deze godsdienstige gedachte, reeds bij de aanhef uitgesproken, beheerst het geheel zozeer, dat steeds weer de taal van de vergelijking en parabel wordt verlaten, om met directe en uitdrukkelijke woorden over God en mens te spreken. Aan deze godsdienstige grondgedachte van het lied zijn twee dingen opvallend.
Ten eerste het feit dat God hier niet als Herder van het volk van Israël, maar als Herder van een afzonderlijke mens optreedt. Natuurlijk heeft dit gebed in het Oude Verbond ook zijn algemeen geldende betekenis gehad. Iedere gelovige Israëliet kon zo bidden. Maar hier wordt niet direct de betrekking van de volksgemeenschap tot hun God afgeschilderd; zeker veeleer de omgang van de afzonderlijke mens met zijn God en Heer!
Het meest verwonderlijke in dit herderslied ligt daarin, dat de voorstelling van de herder gebruikt wordt voor Jahweh, de ‘vreselijke en grote God’, de God van de wetgeving, de God van de Sinaï-openbaring, de “Ik ben, Die ben!” Hier wordt in de herder alleen het beminnelijke, het vertrouwenwekkende, het vaderlijke, ja men zou zonder overdrijven kunnen zeggen het ‘moederlijk tedere’, erg benadrukt.
Bijzonder kenmerkend ook voor de godsdienstige gedachten van het Oude Verbond is datgene wat we lezen in het laatste deel van het gebed over ‘het wonen in het huis van God’. Daar kijkt de zanger zijn toekomst in. Gods ontferming wacht op hem: “Ik mag wonen in het huis van Jahweh in lengte van dagen!”
In welke verte de gelovige zanger van het Oude Verbond hier geschouwd heeft, is moeilijk te zeggen. Was het alleen de hoop van David, van de vlucht voor Absalom te mogen terugkeren om bij Gods heilige tent te wonen gedurende het einde van zijn aardse leven? Was er nog meer? Verwijdden de perspectieven van zijn hoop zich tot een blik in de eeuwigheid? Dacht hij misschien aan een wonen in Gods hemels verblijf als de eeuwige voltooiing? Heeft David een profetische verlichting gekregen? Het laatste is zeer goed mogelijk.
Voor het oude Oosten waren de aardse tempels van de godheid slechts nabootsingen van haar hemels verblijf. Zo werd de tempel op aarde zeer gemakkelijk tot teken en symbool van een vaderland.
De laatste duisterheid, die voor de gelovige van het Oude Verbond hier nog kon blijven bestaan, is voor ons door de Goede Herder van het Nieuwe Verbond weggenomen.
III. De vervulling van psalm 23 in het leven van de christen
De volheid van betekenis, waarmee de christen de woorden van dit gebed mag uitspreken en zingen, vraagt nauwelijks om verdere verklaring. De zin van al de beelden en symbolen is te klaar. Een paar aanduidingen nog volstaan.
Allereerst wordt voor een christen psalm-parabel 23: “Jahweh, de Goede Herder” als het ware een natuur-noodzakelijke gelijkenis met de parabel uit het Johannes-evangelie “Jezus, de Goede Herder” (v. 1-21), zeker ook omdat Jezus deze gelijkstelling zelf tot stand bracht toen Hij tot de Joden sprak: “Ik ben de Goede Herder”.
In het licht van deze psalm 23 zijn deze woorden van Jezus zelfs aanmerkelijk meer dan een blote parabel van de soort als vele andere. Door psalm 23 gesteund en verklaard, worden de woorden van Jezus tot een plechtige zelfgetuigenis van zijn Godheid. De psalm, die Israël goed kende en waar het zozeer van hield, zei: “Jahweh is mijn Herder” en ontwierp dan het ideale beeld van de Goede Herder. Wanneer nu voor dit volk, dat in de ideeënwereld van de psalmen leefde, een Profeet openlijk optrad en van zichzelf onomwonden zei: “Ik ben de Goede Herder”, dan waren deze woorden gelijkbetekenend met het verrassende getuigenis van een mens: “Ik en Jahweh zijn één.”
Geen wonder dat de ongelovige Joden na het aanhoren van de parabel van de Goede Herder uitriepen: “Hij is bezeten en krankzinnig” (Joh. 10, 20). Zij hebben het kolossale van Jezus’ zelfgetuigenis aangevoeld: “Ik ben de eeuwige God, de Goede Herder.”
Verder mogen wij verzekerd zijn dat we te allen tijde op Christus’ wijsheid en hulp mogen bouwen: Hij, het Licht der wereld, leidt ons veilig door alle donkere krochten en duisternissen van het leven, zodat de ziel nooit moet vrezen. De wapens van Christus zijn ‘oneindige macht en de kracht van zijn Kruis’. Daarin berust ons onvoorwaardelijk vertrouwen!
Bijzonder gemakkelijk laat een derde beeld zich op Christus en de christenen toepassen: dat Hij ons een tafel bereidt onder de ogen van onze vijanden. De eucharistische verklaring van deze plaats is de reden waarom de Kerk psalm 23 op de feestdag van het Heilig Sacrament bericht in de gebedstijden van die dag: in de Priemen en in de 2e nocturne van de Metten: “De Tafel des Heren staat voor ons bereid, ter bescherming tegen allen die ons in ’t nauw brengen.”
En als er één woord van deze psalm in het christendom vervuld wordt, dan zeker wel dit: “Slechts zegen en voorspoed zullen mij volgen mijn leven lang.” Gertrud von le Fort schrijft ergens: “Ik weet dat ik nooit aan U ontkom; want zoals Gij vervolgt, kan alleen God vervolgen.” En vraag dit ook maar eens aan Sint-Paulus. Zoals Christus vervolgt, met een ononderbroken stroom van genaden, zo kan alleen Hij vervolgen!
Wanneer wij tot slot nog even terugblikken op de beelden van psalm 23, op zijn volheid aan godvruchtig gebed en de diep godsdienstige gedachten, dan vinden wij wel geen beter woord om al die rijkdom ermee samen te vatten en het gebed tot de Goede Herder Jezus Christus uit te spreken dan een van de laatste strofen uit het lied “Lauda Sion, Salvatorem”:
Bone Pastor, panis vere, Jesu nostri miserere, Tu nos pasce, nos tuere, Tu nos bona fac videre, In terra viventium. Amen,
Goede Herder, waarachtig Brood, Jezus, help ons in de nood; wil ons beschermen en ons weiden, tot het hoogste goed ons leiden In het land der levenden. Amen.
Bron: Willy Creten, Legioen Kleine Zielen Limburg Vlaams-Brabant, Nieuwerkerken, 41ste Jaargang, februari 2013, Nr. 1, blz. 5-12.
1. Al had ik elke fout, elke misdaad bedreven, dan nog behield ik steeds hetzelfde vertrouwen. Want ik weet al te goed dat die hoeveelheid aan fouten een druppel blijkt te zijn die in een vuur verdwijnt. (bis)
2. Geef me een hart dat brandt, dat verteerd wordt van liefde, een hart tot steun en kracht dat altijd blijft branden, dat altijd mij bemint, tot in mijn zwakheid mij liefheeft, dat steeds over mij waakt, bij dag, bij nacht mij leidt. (bis)
3. Nooit eerder was een mens zo vervuld door de liefde dat hij zijn leven gaf, mij zozeer beminde. Geen mens dan Hij alleen, mijn God, die mens werd op aarde en die geleden heeft, mijn broeder en mijn Heer. (bis)
4. Al wat wij doen voor U, zelfs de mooiste der daden, is werkelijk wat waard, wanneer het de liefde van uw Hart uit kan stralen. Dus mijn doen en mijn laten, ik leg het in uw hart dat steeds van liefde brandt. (bis)
5. Ach, niemand is in staat heel uw wet na te leven. Maar levend als uw kind, ontvang ik uw zegen en zo ben ik in staat U heel mijn leven te geven. Mijn heiligheid zijt Gij, uw liefde leeft in mij.
6. Nooit eerder was een mens zo vervuld door de liefde dat hij zijn leven gaf, mij zozeer beminde. Geen mens dan Hij alleen, mijn God, die mens werd op aarde en die geleden heeft, mijn broeder en mijn Heer. (bis)
7. Al had ik elke fout, elke misdaad bedreven, dan nog behield ik steeds hetzelfde vertrouwen. Want ik weet al te goed dat die hoeveelheid aan fouten een druppel blijkt te zijn die in een vuur verdwijnt. (bis)
De Kerk van vandaag staat voor grote uitdagingen door secularisatie, herstructurering en synodale processen. Daarbij dreigt het gevaar dat het spreken over de Kerk – haar plannen, structuren en toekomst – het leven uit God zelf naar de achtergrond dringt. Niet door bewuste afwijzing, maar doordat God steeds vaker wordt besproken en georganiseerd, zonder nog werkelijk ontvangen en beleefd te worden.
Deze verschuiving raakt het hele kerkelijke leven. Wanneer geloof vooral wordt opgevat als visie, moraal of engagement, verarmt de innerlijke dimensie en maken activiteit en overleg gemakkelijk de plaats in van gebed en aanbidding. De kernvraag is daarom: hoe kan de Kerk opnieuw leven vanuit een innerlijke ontmoeting met de levende God, zodat zij niet bij zichzelf blijft steken maar werkelijk naar Hem verwijst?
Vanuit deze vraag verkent deze overweging hoe het denken van Maurice Zundel (Die God, deze mens, Hilversum, 1978) helpt om secularisatie geestelijk te verstaan en Kerk-zijn opnieuw te gronden in ontvangen genade, innerlijke omvorming en openheid voor Gods Aanwezigheid.
Inleidende situering
Deze overweging plaatst zich binnen de zoektocht van de Kerk naar haar geestelijke bron in een tijd van verandering. In een context van dialoog, participatie en toekomstplanning groeit het besef dat deze processen alleen vruchtbaar zijn wanneer zij geworteld blijven in stilte, gebed en aanbidding. Zonder die grondslag dreigt het kerkelijk gesprek intens en goedbedoeld te zijn, maar los te raken van zijn oorsprong.
Het denken van Maurice Zundel biedt hierbij een scherp perspectief. Voor hem is secularisatie geen verlies aan invloed, maar het verdwijnen van God uit het innerlijk leven, doordat Hij wordt gereduceerd tot idee, moraal of systeem. Waar God niet meer wordt ontmoet, verliest het geloof zijn levenskracht.
Vanuit deze visie nodigt Zundel de hele Kerk uit tot ontvankelijkheid. Vernieuwing begint niet met meer activiteit, maar met innerlijke omvorming; niet met spreken over God, maar met ruimte maken waarin Hij kan wonen. Deze tekst wil daarom geen systeem bieden, maar een weg wijzen: Kerk-zijn vanuit diepte, stilte en vertrouwen, in het besef dat de toekomst van de Kerk niet afhangt van wat wij organiseren, maar van de mate waarin wij God laten wonen in ons midden.
Maurice Zundel: de Kerk en het priesterschap vandaag
Deze overdenking is ontstaan vanuit de groeiende overtuiging dat de crisis van het priesterschap in onze tijd niet in de eerste plaats een organisatorisch, sociologisch of communicatief probleem is, maar een diep geestelijke uitdaging. In een context van voortschrijdende secularisatie, kerkelijke herstructurering en intensieve synodale processen dreigt het gevaar dat het spreken over de Kerk de plaats inneemt van het leven uit God. Woorden, plannen en overleg kunnen dan de plaats innemen van stilte, gebed en innerlijke ontvankelijkheid.
Juist in deze situatie blijkt het denken van Maurice Zundel verrassend actueel. Zundel biedt geen programma, geen strategie en geen methode om de Kerk institutioneel overeind te houden. Hij reikt een geestelijk criterium aan om te onderscheiden wat werkelijk wezenlijk is. Hij wijst een weg van innerlijke omvorming, waarin God opnieuw het centrum wordt en de mens – en in het bijzonder de priester – leert leven vanuit ontvangen liefde in plaats van zelfbehoud. Dit schrijven wil daarom geen theoretische studie over Zundel zijn, maar zijn visie dienstbaar maken aan de concrete vorming en praktijk van het priesterschap vandaag, op het snijvlak van theologie, spiritualiteit en pastoraal leven. Het wil helpen om het persoonsbegrip opnieuw relationeel te verstaan, sacramenten te beleven als ontmoetingen, het priesterschap te herontdekken als doorzichtigheid en het parochiële leven te gronden in aanbidding en onderscheiding. De rode draad is eenvoudig maar veeleisend: de priester is niet geroepen om God te vertegenwoordigen, maar om ruimte te worden waarin God kan wonen.
Zundels denken spreekt krachtig tot de huidige uitdagingen van Kerk en priesterschap, juist omdat hij secularisatie niet oppervlakkig duidt. Voor hem is secularisatie niet in de eerste plaats verlies aan maatschappelijke invloed, afname van kerkbezoek of culturele marginalisering, maar een dieper en radicaler probleem: God is verdwenen uit het innerlijk van de mens. Niet omdat Hij expliciet is afgewezen, maar omdat Hij is gereduceerd tot een idee, een moraal of een systeem. Waar God wordt uitgelegd in plaats van ontmoet, beheerd in plaats van ontvangen en gebruikt ter ondersteuning van menselijke waarden, daar verdwijnt Hij uit het leven zelf. In Zundels scherpe formulering: men heeft over God gesproken zonder Hem bij ons te laten wonen.
Hieruit volgt een fundamentele priesterlijke implicatie. De eerste opdracht van de priester is niet de Kerk zichtbaar of relevant te maken, maar God opnieuw innerlijk hoorbaar en ervaarbaar te laten worden. In een geseculariseerde wereld is de priester daarom niet allereerst verkondiger van antwoorden, maar getuige van Aanwezigheid. Zundel waarschuwt met grote actualiteit voor een Kerk die wel intensief over mensen spreekt, maar steeds minder over God. Het gevaar bestaat dat het geloof sociaal relevant wil zijn, moreel acceptabel en dialogisch, terwijl het zijn mystieke kern verliest. Veel hedendaagse kerkelijke taal richt zich op processen, structuren, inclusie en participatie, terwijl aanbidding, bekering, innerlijke omvorming en leven uit genade naar de achtergrond verdwijnen. Een Kerk die niet langer vanuit God vertrekt, zo stelt Zundel, eindigt onvermijdelijk bij de mens – en doet uiteindelijk ook de mens tekort.
Vanuit deze visie stelt Zundel een kritische, maar vruchtbare vraag bij de synodale weg. Hij is niet tegen synodaliteit; zijn denken is in wezen dialogisch. Maar hij vraagt radicaal: wie spreekt er werkelijk in dit gesprek? Dialoog is alleen vruchtbaar wanneer zij begint in stilte, geworteld is in aanbidding en gevoed wordt door bekering. Ontbreekt deze grondslag, dan dreigt synodaliteit te verworden tot horizontaal overleg, psychologische veiligheid en consensusvorming, waarbij men met elkaar spreekt over de Kerk, maar niet meer met God. Zundels criterium is helder: een proces is alleen werkelijk synodaal wanneer het mensen losmaakt van hun ‘gemaakte ik’, hen opent voor een waarheid die zij niet zelf voortbrengen en leidt tot een grotere ontvankelijkheid voor God. Waar dit ontbreekt, wordt zelfs het meest participatieve proces een verfijnde vorm van secularisme binnen de Kerk.
In deze context ziet Zundel ook een concreet priesterlijk gevaar. Priesters kunnen onmisbaar worden voor structuren en processen, maar tegelijk overbodig voor God. Zij functioneren dan als procesbegeleider, gespreksleider of pastorale professional, zonder nog een innerlijke ruimte te zijn waarin God kan spreken. De grootste crisis van het priesterschap, zou Zundel zeggen, is niet dat men te weinig doet, maar dat men te weinig ontvangt.
Deze inzichten krijgen een bijzondere scherpte in het parochiële leven. Voor de parochiepriester van vandaag is de context vaak zwaar: teruglopende betrokkenheid, volle agenda’s, toenemende verwachtingen en kerkelijke processen die veel overleg vragen. Ook hier nodigt Zundel niet uit tot méér activiteit of efficiëntie, maar tot dieper geestelijk leiderschap. In de parochie manifesteert secularisatie zich zelden als open ongeloof. Vaker gebeurt zij geruisloos en subtiel: God wordt verondersteld, maar niet gezocht; de liturgie wordt verzorgd, maar niet gedragen door aanbidding; het pastoraat is empathisch, maar mist soms mystieke diepte. Een parochie kan druk en goed georganiseerd zijn en toch innerlijk leeg blijven.
Daarom ligt de eerste parochiële opdracht van de priester niet in het redden van structuren, maar in het openen van een ruimte waarin God opnieuw kan wonen. Die ruimte ontstaat niet in de eerste plaats in vergaderingen of beleidsplannen, maar in stilte, gebed en eucharistische aanwezigheid. Waar de priester zelf leeft uit deze bron, krijgt ook het parochiële leven weer diepte. In een tijd waarin bijna alles bespreekbaar is, verlangen mensen bovendien niet zozeer naar pasklare antwoorden, maar naar iemand die innerlijk gegrond is. De priester wordt dan geen manager, maar een geestelijk referentiepunt, zichtbaar trouw aan gebed en Eucharistie, met rust in plaats van gejaagdheid en innerlijke vrijheid tegenover succes en falen.
Ook parochiële synodale processen vragen om deze geestelijke onderscheiding. Zij zijn waardevol, maar dragen het risico dat men goed spreekt over de parochie, terwijl men nauwelijks bidt, voor, en met haar. Zundels vraag blijft beslissend: leidt dit proces tot meer ontvankelijkheid voor God? Synodaliteit zonder aanbidding blijft horizontaal; synodaliteit die geworteld is in aanbidding wordt werkelijk kerkelijk. In het pastoraat bevrijdt Zundel de priester van de druk om altijd oplossingen te moeten bieden. De priester hoeft niet de oplossing te zijn, maar de plaats waar God kan spreken. Minder uitleg en meer luisteren, minder sturen en meer ruimte laten, en eerbied voor ieders tempo en vrijheid openen, ruimte voor genezing, die niet ontstaat door overtuigen, maar door zich gezien weten in Gods nabijheid.
Het hart van dit alles is de liturgie. Voor Zundel is liturgie geen religieuze dienstverlening, maar epifanie van Aanwezigheid. De manier waarop een priester de Eucharistie viert – zijn stilte, zijn woorden, zijn houding – vormt de parochie dieper dan welk beleidsplan ook. Een parochie wordt geestelijk waar wanneer de Eucharistie niet wordt gehaast, wanneer stilte wordt toegelaten en wanneer Christus niet wordt ‘uitgedeeld’, maar ontvangen. Daarbij herinnert Zundel eraan dat geestelijke vruchtbaarheid vaak verborgen blijft. De priester is niet verantwoordelijk voor het succes van God, maar voor zijn eigen beschikbaarheid.
Zo blijkt Zundel geen luxe-denker, maar een noodzakelijke gids voor het priesterschap vandaag. Hij nodigt uit tot een priesterschap dat niet harder werkt, maar dieper leeft; dat zichzelf niet verdedigt, maar God laat spreken; en dat secularisatie niet bestrijdt met activisme, maar van binnenuit doorbreekt.
Aan het einde van deze overweging staan we dan ook niet bij conclusies, maar bij een uitnodiging. Zundels visie laat zich niet samenvatten in een systeem; zij vraagt om navolging, om innerlijke instemming en om een levenshouding. In een Kerk die kleiner en kwetsbaarder wordt en in processen die het risico lopen los te raken van hun bron, wordt de priester geroepen om niet harder te werken, maar dieper te leven. Secularisatie wordt niet overwonnen door meer activiteit, synodaliteit wordt vruchtbaar waar zij geworteld is in aanbidding, pastoraat genezend waar het eerbied heeft voor vrijheid, en sacramenten leven waar zij niet worden beheerd, maar ontvangen.
Ik eindig daarom niet met een opdracht, maar met vertrouwen: dat God zelf werkt, vaak verborgen en altijd trouw, en dat Hij priesters zoekt die bereid zijn niet zichzelf te bewijzen, maar Hem te laten verschijnen. Of, in de geest van Zundel: de toekomst van de Kerk hangt niet af van wat wij organiseren, maar van de mate waarin wij ons (innerlijk leven) laten bewonen.
Wanneer de Kerk ons de Heilige Familie voorhoudt, gebeurt dat niet om een onbereikbaar ideaal te tonen, maar om te laten zien hoe God zijn heilsplan verwezenlijkt binnen het gewone, menselijke leven. Het gezin van Maria, Jozef en Jezus is geen afgesloten, harmonisch geheel buiten de werkelijkheid, maar een plaats waar geloof, gehoorzaamheid en vertrouwen vorm krijgen te midden van onzekerheid en kwetsbaarheid.
Het begin ligt bij de boodschap van de engel aan Maria. Zij wordt persoonlijk aangesproken en betrokken in het heilsplan van God. Haar vraag — “Hoe zal dit geschieden?” — is geen teken van ongeloof, maar van ernstig zoeken naar Gods wil. Maria wil niet haar eigen toekomst veiligstellen, maar verstaan wat God van haar vraagt. In haar antwoord — “Mij geschiede naar uw woord” — openbaart zich een vrije en gelovige overgave. Zij vertrouwt zich toe aan een weg die zij niet kan overzien, en wordt zo de levende tempel waarin God zelf woont.
Ook Jozef neemt in dit geheim een onmisbare plaats in. Hij wordt niet slechts een toeschouwer, maar door Gods roeping tot wettelijke vader van Jezus gesteld. Door zijn gehoorzaamheid aanvaardt hij Maria en het Kind, en geeft hij Jezus zijn naam, zijn afkomst en zijn plaats binnen het volk van Israël. Zo wordt Jezus ingeschreven in het huis van David en werkelijk opgenomen in de menselijke geschiedenis. Jozefs vaderschap is geen biologisch, maar een waar en verantwoordelijk vaderschap: hij beschermt, voedt en leidt het Kind, en staat borg voor zijn plaats in de wet en de samenleving. In stilte en trouw vervult Jozef zijn taak; juist daarin openbaart zich zijn grootheid.
De menswording van de Zoon van God voltrekt zich niet in macht en glorie, maar in armoede en verborgenheid. Er is geen plaats in de herberg; het teken van Gods nabijheid is een Kind in een kribbe. Ook daarna blijft het leven van de Heilige Familie lange tijd verborgen. In Nazareth groeit Jezus op in gehoorzaamheid aan Maria en Jozef, deelt Hij het dagelijkse werk en het gewone gezinsleven. Door dit verborgen bestaan heiligt Hij het alledaagse leven en maakt Hij duidelijk dat Gods aanwezigheid juist daar werkzaam is.
In de tempel klinkt Simeons profetie dat dit Kind een teken van tegenspraak zal zijn. Daarmee wordt vanaf het begin zichtbaar dat verlossing niet losstaat van lijden. Maria en Jozef zullen dit dragen in geloof, ook wanneer zij niet alles begrijpen.
Zo leert de Heilige Familie ons dat geloof niet samenvalt met zekerheid of volledig inzicht, maar met trouw. Maria en Jozef openen door hun gehoorzaamheid ruimte voor Gods aanwezigheid. Hun gezin wordt zo een plaats waar God onder de mensen woont — niet omdat alles volmaakt is, maar omdat het gedragen wordt door geloof en vertrouwen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.