
Psalm 23: “God is mijn Goede Herder!”
Een weg voor de kleine zielen: vertrouwen, overgave en levensgemeenschap met de Goede Herder
Door Willy Creten
Mijn Herder is Jahweh! Het ontbreekt mij aan niets: Hij laat mij rusten in groene beemden; Hij leidt mij naar vredige wateren, verkwikt er mijn ziel. En leidt mij in het rechte spoor omwille van zijn Naam. Al moet ik door donkere krochten heen, ik ben voor geen onheil bevreesd: want Gij staat me bij, uw staf en stok zijn mijn stut!
Gij bereidt mij een feestmaal voor het oog van mijn vijand; met olie zalft Gij mijn hoofd, en mijn beker vloeit over. Voorspoed en zegen zullen mij volgen, mijn leven lang. In het huis van Jahweh mag ik wonen in lengte van dagen!
Inleiding
- Deze beschouwing over Psalm 23 – “God is mijn Goede Herder”, geschreven door kleine ziel Willy Creten, nodigt ons uit tot een stille en vertrouwvolle lezing. Zij is niet bedoeld als een louter verstandelijke uitleg, maar als een geestelijke wegwijzer voor wie zich klein weet voor God en leeft uit overgave. Voor de kleine zielen van het Legioen wil deze tekst vooral een plaats van rust zijn: een plek waar het hart mag schuilen bij God, die zichzelf openbaart als Herder, Gids en Gastheer.
- Psalm 23 behoort tot de meest geliefde en troostrijke gebeden van de Schrift. In eenvoudige, maar diepe beelden spreekt zij over een levensgemeenschap met God die alles omvat: rust en leiding, bescherming in het duister, overvloed te midden van dreiging, en tenslotte het wonen bij Hem in lengte van dagen. Wie zich klein weet, herkent zich gemakkelijk in het schaap dat niet uit eigen kracht leeft, maar gedragen wordt door de zorg van de Herder.
- Willy Creten benadert deze psalm met eerbied en innerlijke fijngevoeligheid. Hij laat zien hoe de beelden van de herder niet blijven steken in een idyllisch tafereel, maar uitgroeien tot een diep geloofsgetuigenis: God is niet veraf of dreigend, maar nabij, betrouwbaar en teder. Juist het persoonlijke karakter van de psalm – “mijn Herder” – wordt hierbij sterk benadrukt. Niet eerst het volk, maar de enkele mens mag zich aangesproken weten.
- Deze tekst wil de lezer stap voor stap binnenleiden in de rijkdom van Psalm 23: eerst door aandachtig te kijken naar de beelden, vervolgens door hun betekenis voor de levensgemeenschap met God te verdiepen, en tenslotte door de vervulling ervan te herkennen in Christus, de Goede Herder van het Nieuwe Verbond. Zo wordt deze psalm niet alleen gelezen, maar gebeden; niet alleen overdacht, maar beleefd.
- Moge deze inleiding helpen om de tekst te ontvangen met een open en vertrouwend hart, zoals kleine zielen dat doen: niet om alles te begrijpen, maar om zich te laten leiden. Want wie zich door de Goede Herder laat weiden, zal ervaren dat het werkelijk waar is: het ontbreekt hem aan niets.
Psalm 23
Eén van de mooiste en troostrijkste parabels van Jezus is die van de ‘Goede Herder’, de gelijkenis die de evangelist Johannes in het 10e hoofdstuk van zijn evangelie verhaalt. En we mogen gerust stellen dat de voorafbeelding van deze parabel te vinden is in psalm 23 van het psalmenboek van het Oude Testament. Deze psalm is een van de kunstzinnigste liederen en een van de vroomste gebeden van het Oude Verbond. Deze psalm heeft als gedicht, als gebed en als theologie in alle tijden bewondering en vereerders gevonden.
Immanuel Kant, de Duitse filosoof, die niet direct als een voorbeeld van geloof moet vermeld worden, kon zichzelf niet weerhouden het volgende getuigenis over deze psalm uit te brengen: “Van de duizenden boeken die ik in mijn leven gelezen heb, is er geen enkel woord dat mij zo getroost heeft als dat ene: ‘Al moest ik door donkere krochten heen, ik ben voor geen onheil bevreesd, want Gij staat me bij.’”
Het loont daarom zeker de moeite de parabel van de Goede Herder te overwegen zoals deze in het Oude Testament reeds werd verwoord. “De eeuwige God als de Goede Herder”, zo zouden we het thema kunnen noemen. Om nu de betekenis van de parabel zo volledig en klaar mogelijk aan te geven, verdelen we psalm 23 in drie panelen:
1. de beelden en vergelijkingen van psalm 23;
2. de levensgemeenschap met God;
3. de vervulling van psalm 23 in het leven van de christen.
I. De beelden en vergelijkingen van psalm 23
De psalm heft meteen het algemene thema aan: ‘Mijn herder is Jahweh’ en ontwikkelt dit vervolgens in vier beelden. Reeds het aangeven van de hoofdgedachte ‘de Heer is mijn herder; niets kan mij ontbreken’ (v. 1) gebeurt in een vergelijking. Het is juist de beslissende voorstelling van de hele parabel – dat God ‘Herder van de mensen’ wordt genoemd.
Het tweede deel van vers 1, dat door de Vulgaat met het geheel verbleekte en koude “de Heer bestuurt mij” werd vertaald, in plaats van “de Heer is mijn Herder”, speelt in de psalm dezelfde rol als in de overeenkomstige parabel bij Johannes’ woord “Ik ben de goede Herder”. Het is de leidende gedachte die verder in de psalm ontvouwd en verklaard wordt.
Deze ontvouwing en verklaring gebeurt in vier verdere vergelijkingen: de eerste spreekt van de goede herder die zijn dieren naar fris groen en naar kostelijke bronnen leidt, waar ze tevens een heerlijke rustplaats vinden om wat verkwikking en opbeuring te vinden. De tweede vergelijking toont de herder als leider op gevaarlijke wegen, door donkere krochten, waar roofdieren en struikrovers dreigen. De derde vergelijking schildert de herder als waard en gastheer, die een maaltijd aanricht, ja, een vriendenmaal bereidt. En tenslotte stelt de vierde vergelijking een haast ongelooflijke belofte in het vooruitzicht: mijn eeuwig loon en een woning in het huis van Jahweh, onze Heer en God!
Na deze eerste algemene kenschetsing van beeld en gedachte in deze liedpsalm, moeten we de afzonderlijke vergelijkingen nader bekijken.
1. De herder verschaft zijn schaapjes verkwikkende rust
“Jahweh is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.” Dit is de grondgedachte van het lied. Het eerste beeld dat nu ter verklaring van deze hoofdgedachte verder uitgewerkt wordt, schildert de rust van de herder met zijn kudde aan de koele bron, op een beschermende plaats waar geen gevaar is, in ’t heerlijke frisse groen. “In groene beemden laat hij mij rusten; Hij leidt mij naar vredige wateren, verkwikt er mijn ziel.”
De hele kracht van het beeld moet gezocht worden in een concrete voorstelling van het landschap waarvan hier sprake is. Het schiereiland Sinaï, zelfs Trans-Jordanië en Palestina kennen veel woestijnzand, stenige rotsen en kale steppen. “Veel stenen waren er en weinig brood.” In dit land is het frisse groen, het koele water op een beschutte plaats een nog veel kostbaarder gave van God dan in andere landen, die rijker gezegend zijn met vruchtbaarheid.
Hoe de laatste uitdrukking “Hij verkwikt mijn ziel” juist bedoeld is, is moeilijk te zeggen. Misschien heeft zij de algemene betekenis: ‘Hij verkwikt mij’. Hoe dan ook, we mogen niet ontkennen dat het Hebreeuwse woord ‘mijn ziel’ hier een ernstige, geestelijke betekenis heeft. Eduard König ziet in dit woord op deze plaats een bewijs dat de dichter ook aan ‘goddelijke zegeningen, die het geestelijk leven aangaan’ denkt.
2. De herder toont zich de echte leider op gevaarvolle wegen
“Hij leidt mij in het rechte spoor, omwille van zijn Naam. Al moet ik door donkere krochten heen, ik ben voor geen enkel onheil bevreesd; want Gij staat me bij! Uw staf en stok zijn mijn stut!”
Ook hier kunnen we ons afvragen: welk spoor moet ik volgen? Het karrespoor der gerechtigheid, of wat heeft dit te betekenen? Is het alleen maar het stoffelijk beeld van de juiste weg in tegenstelling tot het verdwalen? Of is het iets direct godsdienstig-zedelijks, dat hier met uitdrukkelijke woorden wordt uitgesproken?
Hetgeen volgt blijft geheel in het beeld van de parabel van de herder. Een terugkeer naar huis bij avond leidt door donkere, sombere dalen. Men weet niet welke roofdieren zich in de holen schuilhouden. Ook hier vertrouwt het schaapje op zijn herder en gids. De staf en stok van de goddelijke herder waarborgen een zekere leiding langs alle afgronden, en tegelijk zijn ze zekere beschermings- en verdedigingswapens bij een aanval.
De Vulgaat vertaalt hier woordelijk: “zij hebben mij getroost”; de sterke wapens en de veilige bescherming van de herder namen de onrust bij de dieren weg.
3. De herder is de waard en de gastheer van zijn kudde
“Gij bereidt mij een feestmaal voor het oog van mijn vijand. Met olie zalft Gij mijn hoofd, en mijn beker vloeit over.”
De herder neemt zijn schaapjes mee onder zijn tentdak en maakt voor hen een degelijk maal gereed. “Voor het oog van de vijand.” Het tafereel wordt zo opgevat, alsof de roofdieren en struikrovers, die op de thuisweg door de donkere krochten de schapen van de kudde probeerden af te jagen en te roven, nog steeds dicht op de uitkijk staan. Onder de ogen van deze vervolgers kunnen de dieren van de kudde in volle vrede en veiligheid hun maal nemen. Zó groot is de macht en de bescherming van de herder.
Daarmee bereikt de voorstelling van de parabel een zeker hoogtepunt. Het motief van vrede en bescherming die van de herder uitgaan, doortrilt het ganse lied. Deze vrede, deze waarborg voor de veiligheid, zijn hier het sterkst uitgedrukt: onder de ogen van de vervolgers kunnen de beschermelingen vredig een vreugdemaal genieten zonder de minste kwel of onrust.
4. Het wonen in het huis van Jahweh, mijn Heer, in lengte van dagen
“Voorspoed en zegen zullen mij volgen, mijn leven lang. In het huis van Jahweh mag ik wonen in lengte van dagen!”
Naar gedachte en taal sluit dit beeld aan bij de voorstelling van de belagers en vervolgers, waarvan even voordien sprake was. Vroeger waren er vijandige roofdieren en rovers, die door de staf en de stok in toom gehouden werden. Maar ook het leven van de beschermeling van God kent een vervolging. Hier is het woord gebruikt dat elders zo dikwijls in het Oude Testament vervolging door kwaadwillige tegenstanders oproept. Maar hier zijn de vervolgers degenen die de beschermeling van de Heer niet van de hielen wijken. Toch is de Heer sterkte en waakzaamheid: “Alleen geluk en genade” zullen mij volgen.
In de samenhang van het lied worden hier ongetwijfeld ‘de goedheid en de liefde’ van de goddelijke Herder bedoeld, die zijn beschermelingen met dezelfde hartstochtelijkheid achtervolgt als een wraakzuchtige vijand zijn tegenstander.
II. De levensgemeenschap met God
Uit de woordelijke inhoud van psalm 23 blijkt zonneklaar dat de dichter niet enkel een herdersidylle heeft willen maken. Neen, hij spreekt zeker over een godsdienstige realiteit, over de levensgemeenschap van de mens met God, zijn Herder en Gids.
Deze godsdienstige gedachte, reeds bij de aanhef uitgesproken, beheerst het geheel zozeer, dat steeds weer de taal van de vergelijking en parabel wordt verlaten, om met directe en uitdrukkelijke woorden over God en mens te spreken. Aan deze godsdienstige grondgedachte van het lied zijn twee dingen opvallend.
Ten eerste het feit dat God hier niet als Herder van het volk van Israël, maar als Herder van een afzonderlijke mens optreedt. Natuurlijk heeft dit gebed in het Oude Verbond ook zijn algemeen geldende betekenis gehad. Iedere gelovige Israëliet kon zo bidden. Maar hier wordt niet direct de betrekking van de volksgemeenschap tot hun God afgeschilderd; zeker veeleer de omgang van de afzonderlijke mens met zijn God en Heer!
Het meest verwonderlijke in dit herderslied ligt daarin, dat de voorstelling van de herder gebruikt wordt voor Jahweh, de ‘vreselijke en grote God’, de God van de wetgeving, de God van de Sinaï-openbaring, de “Ik ben, Die ben!” Hier wordt in de herder alleen het beminnelijke, het vertrouwenwekkende, het vaderlijke, ja men zou zonder overdrijven kunnen zeggen het ‘moederlijk tedere’, erg benadrukt.
Bijzonder kenmerkend ook voor de godsdienstige gedachten van het Oude Verbond is datgene wat we lezen in het laatste deel van het gebed over ‘het wonen in het huis van God’. Daar kijkt de zanger zijn toekomst in. Gods ontferming wacht op hem: “Ik mag wonen in het huis van Jahweh in lengte van dagen!”
In welke verte de gelovige zanger van het Oude Verbond hier geschouwd heeft, is moeilijk te zeggen. Was het alleen de hoop van David, van de vlucht voor Absalom te mogen terugkeren om bij Gods heilige tent te wonen gedurende het einde van zijn aardse leven? Was er nog meer? Verwijdden de perspectieven van zijn hoop zich tot een blik in de eeuwigheid? Dacht hij misschien aan een wonen in Gods hemels verblijf als de eeuwige voltooiing? Heeft David een profetische verlichting gekregen? Het laatste is zeer goed mogelijk.
Voor het oude Oosten waren de aardse tempels van de godheid slechts nabootsingen van haar hemels verblijf. Zo werd de tempel op aarde zeer gemakkelijk tot teken en symbool van een vaderland.
De laatste duisterheid, die voor de gelovige van het Oude Verbond hier nog kon blijven bestaan, is voor ons door de Goede Herder van het Nieuwe Verbond weggenomen.
III. De vervulling van psalm 23 in het leven van de christen
De volheid van betekenis, waarmee de christen de woorden van dit gebed mag uitspreken en zingen, vraagt nauwelijks om verdere verklaring. De zin van al de beelden en symbolen is te klaar. Een paar aanduidingen nog volstaan.
Allereerst wordt voor een christen psalm-parabel 23: “Jahweh, de Goede Herder” als het ware een natuur-noodzakelijke gelijkenis met de parabel uit het Johannes-evangelie “Jezus, de Goede Herder” (v. 1-21), zeker ook omdat Jezus deze gelijkstelling zelf tot stand bracht toen Hij tot de Joden sprak: “Ik ben de Goede Herder”.
In het licht van deze psalm 23 zijn deze woorden van Jezus zelfs aanmerkelijk meer dan een blote parabel van de soort als vele andere. Door psalm 23 gesteund en verklaard, worden de woorden van Jezus tot een plechtige zelfgetuigenis van zijn Godheid. De psalm, die Israël goed kende en waar het zozeer van hield, zei: “Jahweh is mijn Herder” en ontwierp dan het ideale beeld van de Goede Herder. Wanneer nu voor dit volk, dat in de ideeënwereld van de psalmen leefde, een Profeet openlijk optrad en van zichzelf onomwonden zei: “Ik ben de Goede Herder”, dan waren deze woorden gelijkbetekenend met het verrassende getuigenis van een mens: “Ik en Jahweh zijn één.”
Geen wonder dat de ongelovige Joden na het aanhoren van de parabel van de Goede Herder uitriepen: “Hij is bezeten en krankzinnig” (Joh. 10, 20). Zij hebben het kolossale van Jezus’ zelfgetuigenis aangevoeld: “Ik ben de eeuwige God, de Goede Herder.”
Verder mogen wij verzekerd zijn dat we te allen tijde op Christus’ wijsheid en hulp mogen bouwen: Hij, het Licht der wereld, leidt ons veilig door alle donkere krochten en duisternissen van het leven, zodat de ziel nooit moet vrezen. De wapens van Christus zijn ‘oneindige macht en de kracht van zijn Kruis’. Daarin berust ons onvoorwaardelijk vertrouwen!
Bijzonder gemakkelijk laat een derde beeld zich op Christus en de christenen toepassen: dat Hij ons een tafel bereidt onder de ogen van onze vijanden. De eucharistische verklaring van deze plaats is de reden waarom de Kerk psalm 23 op de feestdag van het Heilig Sacrament bericht in de gebedstijden van die dag: in de Priemen en in de 2e nocturne van de Metten: “De Tafel des Heren staat voor ons bereid, ter bescherming tegen allen die ons in ’t nauw brengen.”
En als er één woord van deze psalm in het christendom vervuld wordt, dan zeker wel dit: “Slechts zegen en voorspoed zullen mij volgen mijn leven lang.” Gertrud von le Fort schrijft ergens: “Ik weet dat ik nooit aan U ontkom; want zoals Gij vervolgt, kan alleen God vervolgen.” En vraag dit ook maar eens aan Sint-Paulus. Zoals Christus vervolgt, met een ononderbroken stroom van genaden, zo kan alleen Hij vervolgen!
Wanneer wij tot slot nog even terugblikken op de beelden van psalm 23, op zijn volheid aan godvruchtig gebed en de diep godsdienstige gedachten, dan vinden wij wel geen beter woord om al die rijkdom ermee samen te vatten en het gebed tot de Goede Herder Jezus Christus uit te spreken dan een van de laatste strofen uit het lied “Lauda Sion, Salvatorem”:
Bone Pastor, panis vere,
Jesu nostri miserere,
Tu nos pasce, nos tuere,
Tu nos bona fac videre,
In terra viventium. Amen,
Goede Herder, waarachtig Brood,
Jezus, help ons in de nood;
wil ons beschermen en ons weiden,
tot het hoogste goed ons leiden
In het land der levenden. Amen.
Bron: Willy Creten, Legioen Kleine Zielen Limburg Vlaams-Brabant, Nieuwerkerken, 41ste Jaargang, februari 2013, Nr. 1, blz. 5-12.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.