Het Kruis als Toetsteen

Synodaliteit vanuit de weg van Christus

Abstract (samenvatting)

Dit artikel verkent de betekenis van het Kruis als geestelijke toetssteen voor de synodale weg van de Kerk in het midden van de 21e eeuw. Uitgaande van de actuele synodale context, waarin luisteren, onderscheiden en gezamenlijke verantwoordelijkheid centraal staan, stelt de auteur de vraag naar het innerlijk criterium dat deze processen werkelijk evangelisch maakt. Tegen de achtergrond van maatschappelijke versnelling, groeiende kwetsbaarheid en afnemende geloofsvanzelfsprekendheid wordt betoogd dat synodaliteit niet kan worden gereduceerd tot methode of structuur, maar vraagt om een diepgaande bekering van hart.

Het Kruis verschijnt daarbij niet als een obstakel voor vernieuwing, maar als haar beslissende oriëntatiepunt. In dialoog met de Schrift, de liturgische traditie en de inzichten van Viktor Frankl wordt het lijden verstaan als plaats van zingeving en ontmoeting, waarin menselijke kwetsbaarheid kan worden omgevormd tot liefde en vruchtbaarheid. De geschiedenis van de Kerk wordt gelezen als een paradoxale “zegetocht van het Kruis”: niet gedragen door macht of succes, maar door trouw, offer en hoop.

Het artikel concludeert dat de toekomst van de Kerk niet ligt voorbij het Kruis, maar in de diepte ervan. Alleen waar synodale onderscheiding wordt voltrokken onder het teken van Christus’ Kruis, kan de Kerk uitgroeien tot een geloofwaardige gemeenschap van hoop en moed. Zo wordt de Kerk getekend als een pelgrimerend volk: onderweg in Christus, met Christus en als Kerk van Christus, gedragen door de hoop die ontspringt aan het Kruis en vooruitwijst naar de Verrijzenis.

Inleiding

De Kerk van 2026 bevindt zich op een kruispunt. Overal ter wereld is zij onderweg in het synodale denken: luisterend, onderscheidend, samen zoekend naar wegen van trouw en vernieuwing. Dat proces wordt gedragen door een diep verlangen om Kerk te zijn met mensen, tussen mensen en voor de wereld van vandaag. Tegelijk roept deze weg onvermijdelijk fundamentele vragen op: waarheen zijn wij onderweg? Wat is het innerlijk kompas van deze gezamenlijke tocht? En waaraan toetsen wij of onze wegen werkelijk evangelisch zijn?

In een tijd van snelle maatschappelijke veranderingen, afnemende vanzelfsprekendheid van geloof en groeiende gevoeligheid voor lijden, kwetsbaarheid en onrecht, kan de Kerk niet volstaan met structuren, processen of woorden alleen. Synodaliteit vraagt om meer dan overleg; zij vraagt om bekering van hart. En juist hier klinkt een stem die niet altijd gemakkelijk is, maar wel beslissend: de stem van het Kruis.

Het Kruis is geen randverschijnsel van het christelijk geloof en geen last uit het verleden die wij achter ons kunnen laten. Het is het teken waarin de weg van Christus zelf zichtbaar wordt: een weg van overgave, van trouw in tegenspoed, van liefde die zich niet onttrekt aan het lijden van de wereld. Voor een Kerk die samen wil onderscheiden, is het Kruis geen hinderpaal, maar een toetssteen: het bewaart haar voor oppervlakkige aanpassing én voor verstarring, voor macht zonder dienstbaarheid en voor betrokkenheid zonder waarheid.

Deze woorden willen een geestelijk perspectief openen voor vandaag. Zij nodigt uit om de synodale weg te verstaan in het licht van wat de Kerk door de eeuwen heen heeft gedragen en vernieuwd: niet succes of zichtbare kracht, maar de stille, paradoxale vruchtbaarheid van het Kruis. Alleen waar de Kerk deze weg durft te gaan – luisterend, lijdend, liefhebbend – kan zij werkelijk een teken van hoop zijn voor de wereld van nu.

Wat volgt is een getuigenis van die overtuiging: dat de toekomst van de Kerk niet ligt voorbij het Kruis, maar in de diepte ervan. Dat juist daar, waar lijden wordt gedragen en gedeeld, nieuwe zin ontstaat, nieuw leven ontspringt en ware gemeenschap groeit. En dat de synodale Kerk alleen dan werkelijk onderweg is, wanneer zij samen durft te blijven onder het teken van Christus zelf.


De zegetocht van het Kruis – lijden als weg naar zin

Wie terugblikt op wat de Kerk in haar tocht door de eeuwen heeft voortgebracht (*), kan moeilijk anders dan getroffen worden door bewondering. Haar blijvende eenheid te midden van verdeeldheid, haar universele reikwijdte over culturen en tijden heen, haar voortbrengselen van heiligheid en barmhartigheid: zij getuigen van een levenskracht die haar menselijke oorsprong overstijgt. Toch rijst bij nadere beschouwing een verrassende vraag: wat was het diepste en meest doeltreffende strijdmiddel waardoor de Kerk telkens opnieuw weerstand overwon en vernieuwd werd?

Het antwoord openbaart zich in een schijnbare paradox: de zegetocht van de Kerk is in haar diepste wezen een zegetocht van het Kruis. Niet van het Kruis als decoratief symbool, maar van het Kruis in zijn volle ernst: het bestaan dat door lijden wordt getekend, door verlies, vervolging en innerlijke ontlediging. Het kerkelijk gebed verwoordt dit kernachtig: “Wij aanbidden U, Christus, en loven U, omdat Gij door Uw heilig Kruis de wereld verlost hebt.” In deze belijdenis ligt het grondmotief van heel de kerkgeschiedenis besloten.

Christen-zijn betekent Christus volgen. En Christus volgen betekent Hem niet alleen navolgen in woorden of idealen, maar in Zijn weg van overgave. “Wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig” (Mt. 10,38). Deze woorden zijn een uitnodiging tot waarheid: wie het lijden ontkent of ontvlucht, verliest uiteindelijk ook zichzelf; wie het lijden in liefde draagt, ontdekt een diepere zin die het leven overstijgt.

Juist hier raken christelijk geloof en de inzichten van Viktor Frankl elkaar op een beslissend punt. Frankl heeft, midden in de uiterste ontmenselijking van het concentratiekamp, ontdekt dat lijden op zichzelf geen zin heeft, maar dat de mens vrij blijft om zin te geven aan zijn lijden. Wanneer het lijden onvermijdelijk is, wordt de vraag niet waarom dit gebeurt, maar waartoe het gedragen wordt. In die innerlijke houding, zo toont Frankl, ligt een laatste onaantastbare vrijheid besloten.

Het christelijk geloof gaat hier nog een stap verder: het ziet in het lijden niet alleen een existentiële opgave, maar een plaats van ontmoeting. Het Kruis wordt wet voor het christelijk leven: telkens wanneer het verschijnt, openen zich – paradoxaal genoeg – nieuwe levenskansen. Niet omdat het lijden goed is, maar omdat het gedragen lijden kan worden omgevormd tot liefde. Zoals de graankorrel moet sterven om vrucht te dragen (Joh. 12,24), zo wordt ook het menselijke bestaan pas werkelijk vruchtbaar wanneer het zichzelf durft los te laten.

Daarom hoeft het de Kerk en de christen niet te verwonderen dat lijden steeds opnieuw hun erfdeel is. Integendeel: het kan worden verstaan als een teken dat God Zijn Kerk niet heeft verlaten, maar haar de weg van Zijn Zoon laat gaan. Dit inzicht vraagt geloof – een geloof dat verder kijkt dan succes of zichtbare groei, en dat weet dat “de wijsheid van deze wereld voor God dwaasheid is” (1 Kor. 3,19).

Het Offer van Christus op Calvarië is eenmaal voltrokken, maar leeft mystiek voort in het midden van de wereld. Het doorbreekt dagelijks de grenzen van tijd en ruimte in de H. Eucharistie, en geeft aan alle menselijke offers hun waarde en richting. In het licht van dit ene Offer krijgt ook het menselijk lijden een nieuwe betekenis: het wordt niet vernietigend, maar transformerend.

Men heeft het Kruis willen herleiden tot een symbool van geweld en onderdrukking, ja zelfs tot een bron van menselijke ellende. Dat is de tragische vergissing van een denken dat alleen het zichtbare telt. In waarheid is het Kruis – dwars door alle smart heen – de hoogste openbaring van liefde. Geen hel, maar Hemel, omdat het de uiterste gave van zichzelf is. Hier raakt de diepste mystiek van het christendom aan de diepste menselijkheid: leven ontstaat waar liefde zichzelf weggeeft.

De smarten van het Kruis zijn daarom geen eindpunt, maar barensweeën. Zij gaan vooraf aan de geboorte van de nieuwe mens. Deze nieuwe mens is Christus zelf, maar Hij leeft en werkt in het verborgene van iedere ziel. Ook in ons is deze nieuwe mens geboren: als een goddelijk zaad, een kiem van eeuwig leven, die zich langzaam en vaak door pijn heen ontplooit.

Slotbeschouwing

Pelgrims van hoop en moed in Christus, met Christus en Zijn Kerk

Aan het einde van deze beschouwing staan wij niet stil, maar gaan wij verder. Want Kerk-zijn is geen voltooid project, maar een weg: een pelgrimage door de tijd, gedragen door hoop en vaak geoefend in moed. In het synodale onderweg-zijn ontdekken wij steeds opnieuw dat wij deze weg niet alleen gaan. Wij gaan in Christusmet Christus en als Kerk van Christus.

Het Kruis, dat ons in deze tekst vergezelt als toetssteen, blijkt geen teken van stilstand of nederlaag, maar van richting. Het bewaart ons voor de illusie dat vernieuwing zonder offer kan, dat gemeenschap zonder waarheid standhoudt, of dat zending mogelijk is zonder liefde die zichzelf geeft. Het Kruis houdt ons bij de kern: dat de weg van de Kerk dezelfde blijft als de weg van haar Heer.

Zo worden wij pelgrims van moed. Niet omdat lijden verdwijnt, maar omdat het wordt meegedragen. Niet omdat alles begrijpelijk wordt, maar omdat niets zinloos hoeft te zijn wanneer het wordt toevertrouwd aan God. In Christus zien wij dat lijden niet het laatste woord heeft. Zijn Kruis draagt reeds het teken van de verrijzenis in zich. Daarom is christelijke hoop geen optimisme, maar vertrouwen: dat God werkt, ook waar wij breuk en kwetsbaarheid ervaren.

Deze weg vraagt moed! Moed om te blijven luisteren wanneer meningsverschillen pijn doen. Moed om samen te onderscheiden zonder elkaar los te laten. Moed om het eigen gelijk niet te absolutiseren en toch vast te houden aan de Waarheid die ons is toevertrouwd. Synodaal Kerk-zijn betekent: elkaar niet dragen ondanks het Kruis, maar onder het Kruis.

In de H. Eucharistie blijft dit mysterie midden onder ons leven. Daar wordt het ene Offer van Christus tegenwoordig gesteld en worden wij opnieuw tot gemeenschap gevormd. Daar leren wij dat ook ons leven – met zijn vreugde en zijn last – opgenomen mag worden in Gods verlossende liefde. Zo wordt de Kerk geen toevlucht voor sterken, maar een huis voor pelgrims; geen plaats van volmaaktheid, maar van hoopvolle trouw.

Daarom mogen wij verdergaan, niet ongebroken, maar wel onversaagd. Als pelgrims van hoop en moed, gedragen door Christus en verbonden in Zijn Kerk. Met het Kruis niet als last op de schouders, maar als teken voor ogen. En met het oude, altijd nieuwe belijdeniswoord op de lippen – eenvoudig, vast en vol vertrouwen:

O Crux ave, spes unica.
Gegroet, o Kruis, onze enige hoop.

Voetnoot

(*) Vgl. De katholieke Kerk, Godsdienstleer en Apologie. Onder redactie van Prof D. Bont en Dr. C.F. Pauwels O.P., N.V. Zonnewende Kortrijk / Het Spectrum Utrecht, Tweede deel, Boek 14-25, blz. 1006-1008.

Auteur

Pastoor Geudens

Smakt, 17 januari 2026